Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1933

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-10-2014
Datum publicatie
06-11-2014
Zaaknummer
13/03510
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3100, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 80a RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/03510

Zitting: 7 oktober 2014

Mr. Spronken

Standpunt/conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het cassatieberoep richt zich tegen een arrest van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

  2. Mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam heeft tijdig twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. In het eerste middel wordt geklaagd dat in het door het hof bevestigde vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 18 augustus 2010 sprake is van grondslagverlating, omdat het Gerecht bij de bewezenverklaring van de onder 1. ten laste gelegde moord niet heeft vermeld dat deze op het eiland Curaçao is gepleegd en verdachte ten aanzien van dit onderdeel dus kennelijk heeft vrijgesproken, maar het hof verdachte desalniettemin heeft veroordeeld.

  4. De bewezenverklaring in het vonnis ten aanzien van dit feit vermeldt in het geheel geen plaats. Ik ben van oordeel dat dit op een kennelijke misslag berust, nu uit de bewijsmiddelen overduidelijk blijkt dat het feit op Curaçao is gepleegd, de verdediging blijkens de aan het Gerecht overgelegde pleitnota daar ook van is uitgegaan en in de bewezenverklaring van het tweede feit ten aanzien van het vuurwapen waarmee de onder 1 bewezenverklaarde moord is gepleegd, de plaats ‘op het eiland Curaçao’ wel is opgenomen. De klacht is weliswaar terecht maar hoeft niet tot cassatie te leiden omdat de Hoge Raad de bewezenverklaring met verbetering van de kennelijke misslag zou kunnen lezen. Wat hier ook van zij, de verdachte heeft geen enkel belang bij vernietiging van het vonnis op deze grond.

  5. Het tweede middel stelt aan de orde dat het beroep op noodweer is verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen, omdat het hof zou hebben miskend dat noodweer ook mogelijk is als zulks geboden is door de noodzakelijke verdediging van eens anders lijf. Dat moge op zichzelf juist zijn, maar het middel is evident kansloos omdat het feitelijke grondslag mist. Uit het gevoerde verweer en hetgeen verdachte zelf ter zitting van het hof heeft verklaard, blijkt dat verdachte zich uitdrukkelijk erop heeft beroepen dat zijn handelen noodzakelijk was voor zijn eigen verdediging en juist heeft ontkend dat hij zou hebben gehandeld ter verdediging van anderen dan hemzelf, toen gesuggereerd werd dat hij als bodyguard was opgetreden van een van de mannen waarmee het slachtoffer in gevecht was geraakt.1 Het hof is na eigen waarneming van de videobeelden van het voorval, die ter terechtzitting zijn afgespeeld, en op grond van daarmee corresponderende getuigenverklaringen tot het oordeel gekomen dat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van noodweer. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook alleszins begrijpelijk.

6. Het standpunt is dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO omdat enerzijds verdachte bij het eerste middel onvoldoende belang heeft en omdat het tweede middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Proces-verbaal ter terechtzitting van het hof d.d. 4 april 2013.