Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1926

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-09-2014
Datum publicatie
06-11-2014
Zaaknummer
12/01860
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3087, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO + strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/01860

Zitting: 9 september 2012

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens “1. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, en “2. medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden. Voorts bevat het arrest enige bijkomende beslissingen, een en ander als in het arrest vermeld.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummer 12/01660, 12/01740, 12/01857, 12/01858P, 12/01859, 12/01860 en 12/01861P. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verdachte heeft mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel houdt in dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat, zoals onder 2 is bewezenverklaard, verdachte opzet had op het buiten het grondgebied van Nederland brengen van hashish.

5. Het Hof heeft ten laste van verdachte onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 1 januari 1997 tot en met 20 april 1999 te Nederland tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk telkens buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (ook bedoeld als in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), dit zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.”

6. Gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder bewijsmiddelen 2, 13 en 26 moet het oordeel van het Hof aldus worden verstaan, dat verdachte als iemand die blijkens de gebezigde bewijsmiddelen deelnam aan een organisatie die tot oogmerk had de handel in verdovende middelen, minstgenomen moet hebben begrepen dat de plakken hash werden verpakt in legale producten om de hash naar het buitenland uit te voeren. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk omdat in de wereld van de handel in verdovende middelen van algemene bekendheid is dat verdovende middelen worden verstopt in te verzenden goederen om deze naar het buitenland uit te voeren, het blijkens de gebezigde bewijsmiddelen ging om meerdere transporten van blokken hash van een halve of een hele kilo, en de verdachte voor het verpakken van de hash werd betaald.

7. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

8. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Verdachte heeft op 29 maart 2012 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal in deze zaak uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM wordt overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.

9. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de duur van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG