Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1925

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-09-2014
Datum publicatie
06-11-2014
Zaaknummer
12/01861
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3086, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO + constatering overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/01861P

Zitting: 9 september 2014

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[veroordeelde=betrokkene]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft het door de veroordeelde uit “1. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, en “2. medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” verkregen voordeel vastgesteld op € 56.557,00 en aan de veroordeelde ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 56.557,00.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummer 12/01660, 12/01740, 12/01857, 12/01858P, 12/01859, 12/01860 en 12/01861P. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens veroordeelde heeft mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat met “[naam 1]” in de administratie van [betrokkene 2] veroordeelde is bedoeld onbegrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd.

5. Het Hof heeft voor zover voor de bespreking van het middel van belang overwogen:

“Bespreking van enkele verweren

(…)

De verdediging heeft voorts betwist dat met de aanduiding [naam 1]/[naam 2] in de administratie van [betrokkene 2], de veroordeelde kan zijn bedoeld.

Het hof overweegt en oordeelt als volgt.

Bij de bewijsvoering in zijn arrest heeft het hof overwogen - en in zoverre wordt dat hier herhaald - dat de veroordeelde deel uitmaakte van een criminele organisatie waarvan voorts onder meer deel uitmaakten: [betrokkene 2], [betrokkene 7], [betrokkene 8], [betrokkene 9], [betrokkene 10] en [betrokkene 11]/[betrokkene 3]. Verder heeft het hof overwogen dat in de digitale administratie van [betrokkene 2], die hij ten behoeve van die criminele organisatie bijhield, de namen van de leden van die organisatie bij de vermelding van de financiële gegevens te dien aanzien werden aangeduid met (delen) van voornamen. Zo werden voornoemde personen respectievelijk aangeduid met [naam 3]/[naam 4], [naam 5], [naam 6], [naam 7], [naam 8] en [naam 9]. Niet gebleken is uit het dossier of het onderzoek ter terechtzitting dat er andere personen aan de organisatie hebben deelgenomen met een voornaam beginnend op [naam 1] of [naam 2], zodat voldoende aannemelijk is dat die in de administratie opgenomen aanduiding betrekking had op de veroordeelde. Het verweer wordt verworpen.
(…)

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

(…)

Daarnaast blijkt van wederrechtelijk verkregen voordeel uit de drugsadministratie die in de computer van [betrokkene 2] in december 2003 is aangetroffen.

(…).

Uit die administratie blijkt van verder voordeel. In de administratie komt in het bestand Memo de vermelding voor: "7([naam 1])x 3250p 22.750." Met de advocaten-generaal gaat het hof ervan uit dat met de aanduiding "[naam 1]" de veroordeelde is bedoeld en met de aanduiding "p" Engelse ponden. Een andere lezing is niet aannemelijk geworden. Gelet op het gegeven dat in deze administratie dit bedrag ten laste komt van [betrokkene 2] leidt dit tot de conclusie dat de veroordeelde dit voordeel heeft genoten ten bedrage van 22.750 Engelse ponden; omgerekend tegen een koers van 0.7 komt dit neer op 32.500 euro.”

6. In het licht van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen is dit oordeel, ook in het licht van hetgeen veroordeeldes raadsman heeft aangevoerd, noch onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd. Deze houden immers in dat veroordeelde door [betrokkene 2] per transport werd betaald en deze van de betalingen een administratie bijhield waarin hij, zoals het Hof overweegt, de personen aan wie betalingen werden gedaan met hun naam of een afkorting daarvan vermeldde.

7. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

8. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Veroordeelde heeft op 22 maart 2012 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal in deze zaak uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM wordt overschreden. Tot vernietiging van het bestreden arrest behoeft dit niet te leiden omdat de overschrijding van de redelijke termijn in de strafzaak kan worden gecompenseerd.

9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG