Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1923

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-09-2014
Datum publicatie
04-11-2014
Zaaknummer
13/02986
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3083, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

De zaak van de “waxinelichthoudergooier”. Uitleg belediging a.b.i. artt. 111 en 112 Sr. Het middel ontbeert feitelijke grondslag, nu het Hof in weerwil van het middel, blijkens zijn overwegingen, het gooien van een waxinelichthouder niet als beledigend heeft aangemerkt, maar heeft geoordeeld dat mede in aanmerking genomen dat de in de bewezenverklaring genoemde uitlatingen gepaard gingen met het gooien van een waxinelichthouder naar de Gouden Koets, het doen van die uitlatingen als belediging i.d.z.v. artt. 111 en 112 Sr moet worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/02986

Zitting: 9 september 2014

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 1 februari 2013 verdachte wegens 1. “eendaadse samenloop van opzettelijke belediging van de Koning en opzettelijke belediging van de vermoedelijke opvolger van de Koning en opzettelijke belediging van de echtgenoot van de vermoedelijke opvolger van de Koning”, 3. “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen” en 4. “bedreiging met zware mishandeling en bedreiging met brandstichting” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden. Voorts heeft het Hof twee inbeslaggenomen voorwerpen verbeurdverklaard.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, zes middelen van cassatie voorgesteld. Voorts is door de verdachte een geschrift ingezonden, waarop de Hoge Raad evenwel geen acht zal kunnen slaan.

4 Het eerste middel

4.1.

Het middel klaagt dat bij de berechting in hoger beroep art. 6 EVRM is geschonden, doordat het Hof onvoldoende heeft onderzocht of de verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand en doordat het Hof onvoldoende aandacht heeft besteed aan de positie van de verdachte nu die niet (steeds) ter zitting werd bijgestaan door een raadsman.

4.2.

De onderhavige zaak is door het Hof behandeld op de zittingen van 1 maart 2012, 16 maart 2012, 29 maart 2012, 20 juni 2012, 3 juli 2012, 19 september 2012, 13 november 2012 en 18 januari 2013. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 1 maart 2012 was de verdachte aldaar verschenen, maar zijn raadsman, mr. G.E. Menick, niet. Het proces-verbaal houdt voorts onder meer het volgende in:

“De voorzitter maakt voorts melding van een brief van mr. Th. U. Hiddema d.d. 21 februari 2012, inhoudende de mededeling dat hij zich genoodzaakt ziet de verdediging neer te leggen.

De voorzitter deelt mede dat de zaak vandaag pro forma wordt behandeld, maar dat - naar verwachting - op de terechtzitting van 16 maart 2012 een regie behandeling van de zaak in hoger beroep zal plaatsvinden.

De verdachte verklaart dat hij pas onlangs heeft vernomen dat zijn voormalige raadsman mr. Th. U. Hiddema de verdediging heeft neergelegd en dat hij zich nu afvraagt wie zijn raadsman is.

De voorzitter deelt hierop mede dat mr. G.E. Menick de verdediging van mr. Th. U. Hiddema heeft overgenomen en thans de raadsman van de verdachte is en geeft de verdachte mee zo spoedig mogelijk contact op te nemen met mr. G.E. Menick.”

4.3.

Het proces-verbaal van 16 maart 2012 vermeldt dat de verdachte is verschenen en dat mr. Menick schriftelijk heeft laten weten niet aanwezig te zullen zijn. Het proces-verbaal houdt voorts – na melding te hebben gemaakt van een door de verdachte gevoerd preliminair verweer en de reactie daarop van de advocaat-generaal – onder meer het volgende in:

“De voorzitter deelt mede dat het hof een brief met bijlagen d.d. 13 maart 2012, van de raadsman heeft ontvangen. Voorts heeft het hof fax d.d. 14 maart 2012 van de raadsman ontvangen met de mededeling dat zijn cliënt - de verdachte - absoluut niet wil dat de raadsman aanwezig zal zijn op de zitting van heden. Naar aanleiding van deze stukken vraagt de voorzitter aan de verdachte of het een bewuste keuze is om zelf de verdediging te willen voeren en om aanwezig te zijn zonder zijn raadsman.

De verdachte antwoordt hierop het volgende:

Ik heb hierover met mijn advocaat gesproken. Ik heb in verschillende procedures ongeveer acht verschillende advocaten gehad. Ik heb niet het idee dat wordt geluisterd naar de pleidooien van mijn raadslieden. Mr. Menick heeft toegezegd mij met raad en daad te zullen bijstaan en ook voor andere zaken waarvoor ik een handtekening van een advocaat nodig heb. Mr. Menick is een goed advocaat, daar ligt het niet aan. Het ligt puur en alleen aan rechtbanken, de rechterlijke macht en het openbaar ministerie dat ik hier nu uit protest mijn eigen pleidooi wil voeren.

De reden is ook dat ik aan het Pieter Baan Centrum wil laten zien dat het te gek voor woorden is dat men mij neerzet als volledig ontoerekeningsvatbaar. Het Pieter Baan Centrum is kwakzalverij en sinds de oprichting draait het alleen om geld. Naar mijn mening bestaan er geen psychopaten.

Om deze redenen verschijn ik voorlopig zonder advocaat. Dit zal zijn tot nader order.

De voorzitter deelt mede dat het hof de verdachte zo verstaat dat mr. Menick nog altijd zijn raadsman is, dat hij overleg heeft met zijn raadsman, dat de verdachte bewust de keuze heeft gemaakt om hier vandaag – uit protest - zonder raadsman te zijn, dat de raadsman op de achtergrond beschikbaar is voor advies, dat mr. Menick volgens de verdachte een goede raadsman is en dat de verdachte bij hem terecht kan voor advies. Voorts realiseert de verdachte zich dat hij de verdediging ter zitting alleen moet doen omdat zijn raadsman er niet is en daartoe heeft de verdachte zich ook verdiept in de materie, maar daarnaast weet hij ook dat hij geen afgestudeerd jurist is en dat daaraan beperkingen zijn verbonden. De voorzitter vraagt of de verdachte zich hiervan bewust is.

De verdachte verklaart dienaangaande:

Ik ben mij ervan bewust dat ik bijvoorbeeld in een valse BOPZ-zaak niet in hoger beroep kan en ook geen cassatie of herzieningsprocedure mogelijk is omdat mijn handtekening daarvoor niet genoeg is.

De voorzitter vraagt de verdachte of hij er hier vandaag bewust voor kiest om zelf zijn pleidooi en standpunten naar voren te brengen. De voorzitter benadrukt de vraag of er geen twijfel is bij de verdachte dat dit de manier is waarop hij vandaag zijn verweer wil voeren.

De verdachte antwoordt hierop:

Niet alleen ik heb dat besluit genomen, maar de verdediging heeft in goed onderling overleg dit besluit genomen.

De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat.”

Nadat de voorzitter de beslissing van het Hof op het preliminaire verweer heeft medegedeeld, de zaak is voorgedragen en de verdachte in de gelegenheid was gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis van de Rechtbank kenbaar te maken, worden de onderzoekswensen van de verdachte besproken. Het proces-verbaal houdt daarover onder meer het volgende in:

“Desgevraagd door de voorzitter verklaart de verdachte ter zake van zijn onderzoekswensen het volgende:

(….)

Op de vraag van de voorzitter of ik deze verzoeken heb afgestemd met mr. Menick antwoord ik dat ik de verdediging met mijn raadsman heb overlegd. Ik ben op bepaalde gebieden meer deskundig dan hij, ik ben immers de verdachte in deze zaak. Ik kan wat dat betreft beter de verdediging voeren dan hij. Hij is deskundig op het gebied van het Nederlandse strafrecht. Hij staat mij met raad en daad bij; dat is zijn functie in dit proces.

De voorzitter vraagt mij of ik ook met mijn raadsman heb gesproken over de onderbouwing van mijn onderzoekswensen, bijvoorbeeld over de vraag – buiten de hoedanigheid van de getuigen - over het verband van de getuigen met de zaak en in hoeverre zij voor de beoordeling van de zaak relevant zijn om te worden gehoord. Ik antwoord hierop dat ik bepaalde motieven heb voor wat ik doe, bepaalde redenen of rechtvaardigingsgronden. Ik merk dat politie en justitie steeds bepalen wat mijn gronden en redenen zijn en zonder onderzoek daaruit concluderen dat het onzin is of dat ik verward ben of gestoord. Met deze lijst wil ik aantonen dat dat niet zo is.

De voorzitter wijst de verdachte erop dat het hof niet de bedoeling heeft om aan de gronden van de verdachte te tornen. De voorzitter wijst de verdachte erop dat de gronden wel van belang voor de beoordeling van de onderzoekswensen. Bij de beoordeling is het de vraag of het noodzakelijk is of dat er sprake is van een verdedigingsbelang. Dit zijn de twee criteria die moeten worden toegepast bij de beoordeling. De voorzitter vraagt de verdachte of hij hierover met zijn raadsman heeft gesproken.

De verdachte verklaart dienaangaande:

Er zijn natuurlijk verdedigingsgronden naar aanleiding van hetgeen het openbaar ministerie heeft aangedragen. Het openbaar ministerie beweert onder meer dat sprake is van belediging. Ik heb een procedure ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering ingesteld. Als er getwijfeld wordt aan hetgeen ik beweer dan is het nodig om getuigen en deskundigen te horen.

Ik vind dat tijdens een strafproces altijd de benadeelden aanwezig moeten zijn, tenzij ze kind zijn, een IQ van minder dan 70 hebben of overleden zijn.

Als iets ten laste wordt gelegd, dan moet de verdachte de kans krijgen om met twee getuigen om te bewijzen dat het niet waar is of dat hij goede gronden heeft voor zijn handelen. Er zijn mij vier feiten ten laste gelegd en daarom al heb ik recht op acht getuigen en dan ook nog vijf benadeelden. Ik heb dus recht op minimaal dertien personen die minimaal moeten komen. Dit vind ik objectieve criteria voor een eerlijk proces.

De voorzitter wijst er op dat genoemde criteria een rol spelen bij de beoordeling door het hof van de gedane verzoeken.”

4.4.

Het proces-verbaal van de zitting van 29 maart 2012 houdt in dat de verdachte is verschenen, maar zijn raadsman, mr. G.E. Menick niet. Het proces-verbaal houdt voorts in dat de beslissingen van het Hof op de op de zitting van 16 maart gedane verzoeken van de verdachte door de voorzitter worden meegedeeld.

4.5.

Op de zitting 20 juni 2012 is volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal zowel de verdachte verschenen als mr. J.W.F. Menick, die optreedt als vervanger van de door ziekte verhinderde mr. G.E. Menick. De zaak wordt alleen pro forma behandeld.

4.6.

Op de zittingen van 3 juli 2012 en 19 september 2012 werd de verdachte blijkens de daarvan opgemaakte processen-verbaal bijgestaan door mr. G.E. Menick. Op de zitting van 3 juli 2012 werd een aanvang gemaakt met de inhoudelijke behandeling, die op de zitting van 19 september 2012 tot aan het requisitoir was gevorderd toen de verdachte het Hof wraakte.

4.7.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 november 2012 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“De voorzitter deelt mede dat het hof graag de behandeling wil voortzetten van de zaak die ter beslissing aan het hof is voorgelegd, dus die hier voorligt. Er zijn sinds de vorige zitting verschillende stukken binnengekomen. (...) Daarnaast heeft het hof een faxbericht van mr. Menick d.d. 12 november 2012 ontvangen.

De voorzitter stelt de inhoud van deze fax aan de orde. Mr. Menick schrijft daarin dat hij de wens van zijn cliënt respecteert om de zaak zonder de aanwezigheid van een advocaat af te ronden.

De verdachte verklaart hierover:

Ik heb gezegd dat ik mr. Menick van de zaak afhaal aangezien de werkwijze mij niet bevalt en ik op een schandalige manier wordt behandeld. Zelfs in de zaak tegen de leden van 'Pussy Riot' in Rusland wordt voldaan aan artikel 14 c lid 3 EVRM en in deze zaak wordt daaraan niet voldaan. Dat artikel betreft de vrijheid van politieke overtuiging. Wat hier gebeurt slaat nergens op, dus ik heb mr. Menick gewoon van de zaak afgehaald. Ik wil niet dat hier een advocaat gaat pleiten en dat er vervolgens de zoveelste rechterlijke dwaling plaatsvindt en dat mijn advocaat daarvan dan vervolgens de schuld krijgt. Dit is ook al gebeurd in eerste aanleg, waarin mr. Van Essen de schuld kreeg terwijl de schuld natuurlijk gewoon bij het openbaar ministerie ligt.

Gisteren heb ik van mr. Menick een fax gekregen met de pleitnota, omdat ik mijn eigen stukken niet naar Vught mocht meenemen. Ik heb dus mijn eigen stukken niet. Ik heb niet eens mijn eigen kleding of schoenen. Ik verzoek in de eerste plaats dan ook om aanhouding van de zaak, wat mij betreft tot een zitting over ongeveer twee weken. En ik verzoek ook om direct vrijgelaten te worden. De advocaat-generaal kan die e-mails van [betrokkene 1] toch niet overleggen.

Het is allemaal chantage en sabotage. Het is ook provocatie dat de wijkagent bij ons thuis komt.

De voorzitter deelt hierop mede dat er op dit moment twee onderwerpen aan de orde zijn, namelijk de fax van mr. Menick en de brief van de verdachte met de mededeling dat hij is overgeplaatst en in zijn verdediging is geschaad omdat hij niet de beschikking heeft over de dossierstukken die hij nodig heeft voor het voeren van de verdediging. Het hof heeft begrepen dat de verdachte daarom aanhouding wenst. Op dit moment is al duidelijk dat het zittingsrooster van het hof geen mogelijkheid biedt voor het plannen van nieuwe zitting over twee weken. De voorzitter merkt voorts op dat de verdachte zojuist heeft aangegeven dat hij een fax van mr. Menick

met een pleitnota in zijn bezit heeft.

De verdachte reageert hierop als volgt:

Ik heb inderdaad een fax met bijlage van mr. Menick. De bijlage is een pleitnota. Ik beschik niet over de processtukken waarmee ik zelf de zaak in de afgelopen maanden heb voorbereid. Ik heb de zaak ook niet goed kunnen voorbereiden de afgelopen dagen. Het zit mij bovendien erg dwars dat ik wederom vastzit en dat de reden hiervoor [betrokkene 1] is. Ik was daarom ter zitting van 19 september 2012 erg boos. Ik verzoek om directe vrijlating en aanhouding van de zaak. Of de zaak over twee weken verder gaat of op een moment dat de agenda van het hof het toelaat, maakt mij niet uit.

Ik wil graag weten of de vervolging tegen [betrokkene 1] is gestart en als dat niet het geval is, dan wil ik dat het hof afdwingt dat zij hier komt getuigen zodat zij voelt wat zij mij in de afgelopen vier jaar heeft aangedaan. Ook wil ik dat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] komen en wijkagent [verbalisant 1]. De verklaringen die hij heeft gegeven zijn allemaal valsheid in geschrift. Ook officier van justitie De Groen-van den Wildenberg wil ik horen, omdat zij continue bezig is valse aanklachten tegen mij op te zetten. Dit is in strijd met het EVOS-verdrag, het EVRM en het Verdrag van Enschede. Ook rechercheur [verbalisant 2] wens ik als getuige te horen; hij dicht mij allerlei psychiatrische kwalificaties toe terwijl hij daartoe niet bevoegd is. Ook is hij niet bevoegd om onderzoek te doen waardoor mijn privacy wordt geschonden en waarbij hij alles verdraait zodat alles in mijn nadeel uitpakt. Ik krijg geen inzage in het dossier van het rechercheonderzoek rond het overlijden van mijn moeder. Dit leidt ook allemaal naar de zaak rond het overlijden van [betrokkene 4].

Op de vraag van de voorzitter of ik met de pleitnota van mr. Menick beschik over alle stukken om verweer te kunnen voeren antwoord ik dat ik verweer wil voeren volgens de lijn van rechtspsycholoog Schuyt. Ik heb nu niet alles wat ik daarvoor nodig heb, omdat een deel nog in de penitentiaire inrichting Zoetermeer is achtergebleven.

De voorzitter deelt in dit kader mede dat het hof nadrukkelijk aandacht wenst te geven aan de fax van mr. Menick en de omstandigheid dat de verdachte hier vandaag zonder zijn advocaat is die hem als juridisch deskundige kan bijstaan en verweer kan voeren. Het hof begrijpt uit de fax en de verklaring van de verdachte ter

zitting dat het zijn uitdrukkelijke wens is om hier alleen te zijn. De onderhavige zaak betreft geen levensdelict, maar het gaat wel om ernstige feiten. De voorzitter benadrukt dat het hof wil stilstaan bij de

vraag of de verdachte in staat is om zonder bijstand van zijn raadsman ter zitting, zijn verdediging te voeren en vraagt de verdachte om zijn visie hierop.

De verdachte verklaart hierop:

Mijn woorden zijn duidelijk: ik kan dit wel degelijk. Als het openbaar ministerie continue op deze wijze valse aanklachten indient en de boel bedondert, dan hoeft er geen advocaat op zitting te komen omdat dat geen zin heeft, zelfs niet als het de beste advocaat van de wereld is.

Op de vraag van de voorzitter of het klopt dat ik gemotiveerd ben om zelf mijn verweer te voeren, antwoord ik dat zo langzamerhand mijn motivatie hiervoor afneemt. Het duurt allemaal erg lang en als het nog veel langer gaat duren dan stuur ik wel een brief en kom ik niet meer ter terechtzitting.

De voorzitter wijst de verdachte erop dat het de vraag is of de zaak op een gepaste manier kan worden afgedaan wanneer dat gebeurt zonder dat de verdachte door een raadsman wordt bijgestaan. Het staat de verdachte vrij om zonder advocaat te komen, maar hiermee ontstaat wel een nieuwe situatie, namelijk dat de verdachte er alleen voor staat. Bij een zaak als deze behoeft dit aparte aandacht.

De verdachte antwoordt hierop:

Zolang het openbaar ministerie de zaak continue de zaak bij elkaar kan bedriegen en deskundigen kan inschakelen die meineed plegen en de door mij reeds genoemde mensen niet ter verantwoording worden geroepen, is het niet in mijn belang dat er een advocaat komt, of deze nu goed is of niet.

De voorzitter merkt op dat de verdachte kennelijk verzoekt om een aantal personen als getuige te horen. In dit kader houdt de voorzitter aan de verdachte voor dat het strafproces met waarborgen is omkleed. Deze waarborgen maken dat - afhankelijk van de stand waarin de behandeling van de zaak zich bevindt - het hof een afweging moet maken tussen de belangen van het openbaar ministerie betreffende de strafvervolging en de belangen van de verdachte om alles naar voren te kunnen brengen ter verdediging, zodat het hof voldoende is voorgelicht om over de zaak te kunnen beslissen.

De voorzitter zet hierop uiteen dat de behandeling van de zaak inmiddels in een gevorderd stadium verkeert; aan het begin van de behandeling zijn er door de verdachte verzoeken gedaan en daarover heeft het hof beslist, vervolgens zijn de feiten besproken en zijn de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aan de orde geweest. Ook is uitgebreid aandacht besteed aan de psychologische rapportages en de justitiële documentatie van de verdachte. Vlak voor dat de zitting op 19 september 2012 werd geschorst in verband met het wrakingsverzoek van de verdachte, had de voorzitter het woord aan de advocaat-generaal gegeven voor zijn requisitoir. De behandeling van de zaak is daarmee dan ook in de laatste fase aanbeland, namelijk die waarin het requisitoir, vervolgens het pleidooi en tot slot nog het laatste woord aan de orde zijn.

De verdachte heeft kenbaar gemaakt getuigen te willen horen. De voorzitter wijst de verdachte erop dat wanneer dergelijke verzoeken in dit stadium van het geding worden gedaan, er andere - strengere - eisen voor die verzoeken gelden dan wanneer die verzoeken aan het begin van de behandeling in hoger beroep worden gedaan.

Het punt is dat de verdachte geen advocaat heeft die de verzoeken in een juridisch kader kan plaatsen en dat op een zodanige manier kan doen dat die verzoeken de beste kans van slagen hebben. In dit kader wil het hof aan de verdachte voorhouden dat het de vraag is of hij zich hiervan bewust is en of hij in staat is te overzien wat de consequenties zijn voor zijn processuele positie en van zijn keuze om zonder advocaat ter zitting te verschijnen.

De verdachte verklaart in dit kader:

Ik heb vijf verzoeken gedaan aan het hof en vijf keer is er een verkeerde beslissing op gegeven, onder andere dat ik nu nog vastzit. Artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering is duidelijk. De situatie is niet gewijzigd sinds 4 juli jl. Ik wil dat [betrokkene 1] vervolgd wordt.

De voorzitter merkt naar aanleiding hiervan op dat de verdachte zaken aanhaalt die buiten het bestek van deze zaak vallen. Het is duidelijk dat de zaak voor de verdachte méér omvat is dan de feiten die op de ten laste legging staan. Het is de vraag of die facetten aandacht behoeven in het kader van de behandeling in hoger beroep.

De verdachte verklaart hierop:

Als deze kwesties niet aan de orde zouden moeten komen, zou ik ze niet aan de orde stellen. Als de advocaat-generaal van plan is om een gevangenisstraf te eisen - ook al is het maar voor één dag - of een geldboete - ook al is die maar één euro - of een maatregel, dan wil ik alle dertig getuigen dan wel deskundigen horen die ik heb opgegeven.

De voorzitter merkt op dat daarmee de vraag op tafel ligt of de verdachte een reële inschatting kan maken van de kans dat zijn verzoeken zullen slagen en of de verdachte weet hoe hij die verzoeken op de best mogelijke manier kan doen.

De verdachte reageert hierop als volgt:

Ik wijs op de brief van mijn cassatie advocaat mr. Boksem met daarbij de cassatieschriftuur. Ook wijs ik erop dat ik gebruik maak van de diensten van mr. Menick. Met het feit dat hij niet op zitting aanwezig is, geef ik aan dat ik het niet eens ben met de gang van zaken.

De oudste raadsheer merkt op dat de Hoge Raad in een arrest heeft overwogen dat - kort gezegd - de verdachte in die zaak een advocaat moest hebben. De tenlastelegging in die zaak betrof weliswaar een andersoortig en veel ernstiger feitencomplex. Maar, in het licht van die uitspraak baart het het hof zorgen dat de verdachte hier vandaag zonder advocaat is.

De verdachte geeft zijn reactie hierop:

Ik heb een advocaat maar die is niet in de rechtszaal. Ik ben duidelijk over het feit dat ik het niet eens ben met de gang van zaken. Of de zeven personen waarvan ik wil dat die worden opgeroepen worden gehoord, of ik doe deze zaak zonder advocaat. Ik wil geen nieuwe trucjes. Ik ga geen toestemming geven om mij ter zitting te laten verdedigen. Dat heb ik ook aan mr. Menick laten weten. Als het openbaar ministerie niets goed doet en ik moet steeds blijven vastzitten en het ook vanuit het hof er niet uit komt, dan komt er van mijn kant ook niets. Dan blijven we maar in deze situatie zitten.

De voorzitter geeft aan dat het hier gaat om de belangen van de verdachte en dat daarover wordt niet onderhandeld. Het blijft een punt van zorg dat de verdachte hier zonder raadsman is. Het hof vindt het van belang dat de verdachte zich ten volle bewust is van hetgeen de advocaat-generaal naar voren zal brengen in zijn requisitoir.

De verdachte deelt mede:

Ik ben mij ten volle bewust van het feit dat de advocaat-generaal sinds 4 juli 2012 alles bij elkaar liegt en bedriegt. Er zijn door het openbaar ministerie allerlei wetten en regels overtreden. Het openbaar ministerie verdraait de waarheid in mijn nadeel. Daarom wil ik nu geen advocaat. Ik heb altijd mijn advocaten opdracht gegeven eerlijk te zijn, maar het openbaar ministerie is dat niet. Ik zou graag de filmpjes vandaag nog vertonen.

De voorzitter deelt mede dat dat op dit moment niet aan de orde is.

De advocaat-generaal krijgt het woord om zijn visie te geven op hetgeen zojuist aan de orde is gesteld door de voorzitter.

De advocaat-generaal deelt hierop mede:

Ik heb naar aanleiding van het faxbericht van mr. Menick gisteren telefonisch contact met hem gehad. Ik heb hem gevraagd in hoeverre zijn standpunt definitief is en hem verzocht op zijn minst ter terechtzitting aanwezig te zijn. Het standpunt van mr. Menick was duidelijk: mijn cliënt wil niet dat ik kom en dat heb ik te eerbiedigen.

In lijn met de jurisprudentie moet bekeken worden wat hiervan het gevolg is. In de eerste plaats moet worden vastgesteld of de verdachte ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht op de bijstand van een raadsman. Naar mijn mening is daarvan sprake. In de tweede plaats moet worden bezien of de verdachte ten volle overziet wat de draagwijdte van zijn keuze is. De verdachte stelt dat hij dit overziet, maar ik meen dat ook de zich in het dossier bevindende rapportages en de wijze waarop hij zich op zitting heeft opgesteld, in ogenschouw moeten worden genomen. Ik durf niet de verantwoordelijkheid aan om te stellen dat de verdachte daadwerkelijk ten volle de draagwijdte van zijn keuze overziet. Bij die stand van zaken kan de zaak niet worden afgedaan. Ik meen dat het hof ambtshalve een nieuwe raadsman moet toevoegen op grond van het feit dat de verdachte in voorlopige hechtenis verblijft, alvorens de zaak kan worden afgedaan.

Op het verzoek van de verdachte om aanhouding van de zaak omdat hij niet over zijn stukken beschikt, zou ik graag het volgende willen opmerken.

Ik heb contact laten opnemen met de penitentiaire inrichting Zoetermeer om informatie in te winnen over de gang van zaken rond de overplaatsing van de verdachte. Ik heb begrepen dat de verdachte in een observatiecel was geplaatst, omdat hij niet te handhaven was. De selectiefunctionaris heeft vervolgens besloten om de verdachte naar Vught over te plaatsen, om precies te zijn naar de psychiatrische afdeling aldaar.

Bij een reguliere overplaatsing krijgt de verdachte de middelen en gelegenheid om zijn spullen te pakken en deze mee te nemen naar de nieuwe penitentiaire inrichting. Hierop wordt een uitzondering gemaakt wanneer overplaatsing is geboden vanuit de situatie van observatie. Het is dan niet verantwoord om de verdachte zelf zijn spullen te laten pakken en daarom wordt het gedaan door medewerkers van de penitentiaire inrichting en worden deze nagestuurd. Dit duurt maximaal drie weken.

Helaas werd ik pas gisteren op de hoogte gesteld van de overplaatsing en heb ik niet meer kunnen bewerkstelligen dat de stukken met spoed zouden worden verzonden naar Vught.

Het klopt dat de stukken van de verdachte nog in Zoetermeer liggen en dat hij daarover niet de beschikking heeft.

(...)

De verdachte krijgt de gelegenheid hierop te reageren:

Ik ben op valse gronden naar het PPC Vught overgeplaatst. Ik zat in een observatiecel in Zoetermeer, omdat ik na de beslissing van de raadkamer op 1 november jl. een trapje had gegeven tegen een ijzeren deur. Het is een trucje van justitie, maar al eerder heeft de Raad voor de strafrechtstoepassing beslist dat mijn eerdere overplaatsing in 2010 niet had behoren plaats te vinden en dat ik gewoon in het Huis van Bewaring had horen zitten. Ik zit zelfs in unit 4 en dat is onterecht.

De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek om aanhouding van de zaak wordt toegewezen. De verdachte behoort de beschikking te hebben over de stukken uit het dossier die hij voor het voeren van zijn verdediging nodig heeft. Nu de verdachte deze stukken door de recente overplaatsing niet heeft, zal de zaak worden aangehouden.

Voorts deelt de voorzitter mede dat het hof het betreurt dat mr. Menick niet ter zitting aanwezig is en dat het hof het gewenst vindt dat mr. Menick - hoewel hij kennelijk een pleitnota aan de verdachte heeft toegezonden - wel aanwezig zal zijn op de nadere terechtzitting die op 18 januari 2013 te 13.30 uur zal plaatsvinden. Het hof zal dit eveneens rechtstreeks aan mr. Menick kenbaar maken.”

4.8.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 januari 2013 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“De raadsman van de verdachte mr. G.E. Menick, advocaat te Amsterdam, is - hoewel behoorlijk opgeroepen - niet ter terechtzitting aanwezig.

(...)

De voorzitter deelt voorts de korte inhoud mede van de stukken die na de terechtzitting van 13 november 2012 bij het hof zijn binnengekomen, te weten:

(...)

- faxbericht van mr. G.E. Menick, d.d. 17 januari 2013 betreffende de terechtzitting van heden;

De voorzitter stelt uitdrukkelijk genoemd faxbericht van mr. Menick d.d. 17 januari 2013 aan de orde. De verdachte verklaart naar aanleiding hiervan het volgende:

Mijn advocaat mr. Menick is vandaag niet aanwezig. Dit is een protestactie naar aanleiding van het feit dat ik in september 2012 opnieuw in voorlopige hechtenis ben genomen. Hij staat mij nog wel bij, ik heb ook een pleitnota van hem. Ik ben in staat om te begrijpen wat hier gebeurt en ik ben ook toerekeningsvatbaar. Het is uitdrukkelijk mijn bedoeling dat mr. Menick mij hier ter terechtzitting niet bijstaat. Dit is een symbolisch protest.

(...)

De advocaat-generaal draagt hierop het requisitoir voor en vordert dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat het ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard doch dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging en dat de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar zal worden gelast. Daarnaast vordert de advocaat-generaal dat het hof op het moment van het wijzen van arrest de gevangenneming van de verdachte zal bevelen.

De advocaat-generaal legt hierop het op schrift gestelde requisitoir aan het gerechtshof over.

De verdachte wordt in de gelegenheid het woord te voeren ter verdediging. Voorafgaand aan zijn pleidooi deelt hij mede:

Ik heb contact gehad met de recherche over de moord op [betrokkene 4]. Er is in die zaak een verdachte aangehouden, zo heb ik gisteren vernomen. Ik moet overal achteraan omdat de autoriteiten niets doen. Inmiddels bedraagt mijn schade al ongeveer € 75.000,-. Daarbij heb ik dan niet betrokken dat ik al meer dan anderhalf jaar heb vastgezeten. [betrokkene 1] stalkt mij, ik stalk haar niet. Het is belangrijk voor mensen om te weten wie zij werkelijk is. Zij is degene die verminderd toerekeningsvatbaar is. Vandaag is zij ook niet aanwezig en ik vraag mij af waarom. Haar afwezigheid zegt denk ik genoeg. Ik heb aanklachten ingediend en ook geprobeerd dingen onderling te regelen. Ook heb ik de advocaat-generaal horen zeggen dat er e-mails en voicemails van mij aan [betrokkene 1] zijn. Die zijn er niet. Ik heb geen e-mailadres of telefoonnummer van [betrokkene 1], dus dan kan ik ook geen berichten hebben ingesproken of verstuurd. Ik heb bewijs dat dat niet klopt.

De voorzitter wijst de verdachte erop dat de aangifte van [betrokkene 1] in de onderhavige zaak niet aan de orde is en dat die aangifte dan ook niet inhoudelijk hoeft te worden besproken.

De verdachte verklaart vervolgens:

De aanklacht van [betrokkene 2] is door [betrokkene 1] opgezet. Ik zie dat aan de telefoongegevens. Door haar ben ik in september 2012 weer aangehouden en vastgezet in de onderhavige zaak. Haar aangiftes zijn lasterlijk. Ik heb reeds aangekondigd stukken te willen overleggen. Ik leg nu aan u over een bundel stukken met daarin de aangifte van [betrokkene 1], voorzien van mijn commentaar, de brief naar de teamchef van de Regiopolitie Twente hierover, een verslag van een gesprek van [betrokkene 1] en [betrokkene 3] waaruit blijkt dat [betrokkene 1] mijn broertje heeft uitgehoord over mijn zaak. Ook zit er in het setje een excuusbrief van mijn vader aan Beatrix en brieven aan het regionaal tuchtcollege gezondheidszorg. Voorts leg ik over het rapport van E.H. Ameling, psycholoog, dat in eerste aanleg is opgemaakt. Dan heb ik nog een ander punt, omdat de vorige keer de terechtzitting niet kon doorgaan. Ik verzoek het horen van de getuigen en ik verzoek het hof de films

te bekijken waarop ik al eerder heb gewezen. Dit hoeft niet per se op de terechtzitting, de filmpjes zijn ook te bekijken via mijn website www.erwinlensinkvrij.nl.

De voorzitter deelt hierop mede dat als de verdachte wil dat de films ter zitting worden getoond, dat hij de reden hiervoor moet toelichten en dat de advocaat-generaal dan vervolgens daarop een reactie zal mogen geven. De verdachte zal moeten benoemen welke getuigen hij wenst te horen.

De verdachte verklaart hierop:

Ik leg aan u over een stuk getiteld ‘slotpleidooi'. Daarin staan alle getuigen vermeld die ik nog graag wil horen. De personen die zijn vermeld onder nummer 11, 19 en 20 zijn hier ter terechtzitting aanwezig.

De voorzitter vraagt mij naar de reden voor het verzoek om de getuigen genoemd in het slotpleidooi te horen. Ik kan hierop zeggen dat ik de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] wens te horen omdat ik anders straks jaren gedwongen in een psychiatrische kliniek moet doorbrengen.

Ik heb een briefwisseling met mr. Van Boksem, advocaat, gehad. Hij heeft mij erop gewezen dat ik er in verband met cassatie op moet staan dat de getuigen worden gehoord. Hij heeft mij verteld dat hiervan anders geen punt kan worden gemaakt in cassatie. Ik verzoek dan ook alle personen die zijn genoemd in het overgelegde 'slotpleidooi' te horen. Deze lijst met namen heb ik ook reeds eerder aan het hof kenbaar gemaakt. Dit was onder meer door middel van een brief die ik heb verstuurd, nadat ik opnieuw was vastgezet.

De advocaat-generaal merkt op dat dit zijns inziens de brief betreft d.d. 27 oktober 2012.

De verdachte bevestigt dat dit de brief is waarop hij doelt.

De voorzitter deelt mede dat het hof dit stuk eveneens kent en daarop acht zal slaan in het kader van de getuigenverzoeken van de verdachte.

Vervolgens voert de verdachte het woord ter verdediging overeenkomstig de overgelegde pleitaantekeningen van mr. G.E. Menick, door de griffier genummerd '1'. Hierna draagt de verdachte de door hemzelf opgestelde en overgelegde pleitnota 'inzake [verdachte]/O.M.' voor.

Vervolgens verklaart de verdachte in aanvulling hierop.

De afgelopen vijf jaren waren een vervelende periode. Omdat mensen denken dat ze alles kunnen belazeren en valse beschuldigingen kunnen uiten. Het zijn allemaal praatjes. Niemand van de mensen die mij beschuldigen is hier vandaag aanwezig. Ik was aanvankelijk boos, maar nu ben ik rustig. Ik heb al eerder negatieve ervaringen gehad. Ik vind dat als er een rechtszaak is, dat dan ook de aangevers moeten komen, maar dat gebeurt nooit. Mijn vader bood vandaag aan om mee te gaan.

Ik vind het te bizar voor woorden dat dit allemaal kan.

Hierop krijgt de advocaat-generaal de gelegenheid tot het voeren van repliek. Hij deelt in dit kader mede:

De verdachte heeft veel werk in zijn pleidooi gestoken. Ik zal hierop nog kort ingaan.

Ik sluit mij aan bij de overwegingen van de rechtbank ter zake van de vraag of belediging in strijd is met artikel 10 van het EVRM. In casu heeft de verdachte disproportioneel gehandeld door op deze wijze een mening te verkondigen. Dit ondanks de visie van Schuyt. Wat mij betreft is die niet aan de orde. Er is geen sprake van overmacht.

Ter zake van de getuigenverzoeken van de verdachte merk ik op dat deze vandaag niet zijn onderbouwd, maar eerder wel. Daar moeten we coulant in zijn. Voor zover is aangevoerd dat getuigen kunnen verklaren over het al dan niet bestaan van een waanstoornis, stel ik mij op het standpunt dat deze personen geen deskundigen zijn die daarover iets uit eigen wetenschap of onderzoek over kunnen verklaren. Bovendien zitten in het dossier al meerdere rapportages die ter zake van de toerekeningsvatbaarheid ofwel het standpunt van het openbaar ministerie ondersteunen ofwel de stelling van de verdachte. De rest van de gevraagde getuigen acht ik niet noodzakelijk, nu ik niet inzie welk licht deze getuigen op de zaak zouden kunnen laten schijnen dat relevant is voor enige door het hof te beantwoorden vraag.

Ik verzoek het hof de beslissingen op de verzoeken te geven bij arrest.

De verdachte wordt hierop in de gelegenheid gesteld tot het voeren van dupliek. Hij voert in reactie op de repliek aan:

Het zegt al voldoende dat de aangevers er vandaag niet zijn, maar dat mijn medestanders wel in de zaal zitten. Ik wil mijn medestanders graag als getuigen horen. Er wordt gesteld dat ik een waanstoornis heb, terwijl deze getuigen dezelfde mening hebben als ik of zelfs een extremere opvatting hebben over deze onderwerpen. Ik verzoek dan ook deze personen te horen.

Ik heb er geen bezwaar tegen als het hof de beslissingen op mijn getuigenverzoeken bij arrest geeft. Wanneer de beslissing wordt gegeven laat ik aan het hof over.

Ik wil er nogmaals op wijzen dat ik beschuldigd word van grootheidswaanzin en achtervolgingswanen. Ik zou niet weten op welke manier die tot uiting komen.

De voorzitter deelt na kort beraad mede dat het hof gelet op het standpunt van de advocaat-generaal en de verdachte de beslissingen op de getuigenverzoeken bij arrest zal geven.

Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.

De verdachte deelt desgevraagd door de voorzitter mede bij de uitspraak in zijn zaak aanwezig te willen zijn.”

4.9.

Zoals uit het verhandelde op de diverse terechtzittingen blijkt, zat de verdachte in verband met de onderhavige zaak langdurig in voorlopige hechtenis. Dat betekent dat hij op voet van art. 41 lid 1 onder b Sv recht had op bijstand door een toegevoegde raadsman. Naar uit het proces-verbaal van de zitting van 1 maart 2012 kan worden afgeleid, is kort voor die zitting, nadat mr. Hiddema de verdediging had neergelegd, mr. G.E. Menick op last van de president van het Hof als raadsman aan de verdachte toegevoegd.1 Het Hof heeft voorts kennelijk geoordeeld dat het feit dat mr. Menick op een aantal zittingen niet verscheen, niet betekende dat hij zich als raadsman van de verdachte had teruggetrokken. Over dat – overigens niet onbegrijpelijke – oordeel wordt in cassatie niet geklaagd. Het kan er dus voor gehouden worden dat de verdachte gedurende de gehele behandeling in hoger beroep de beschikking had over een toegevoegde raadsman.

4.10.

Bij de beoordeling van het middel dient voorts gezien HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI2315, NJ 2010/143 en HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6406, NJ 2012/29 het volgende te worden vooropgesteld. Art. 6 lid 3 sub c EVRM kent de verdachte het recht toe om zichzelf te verdedigen dan wel zich te laten bijstaan door een advocaat. Die verdragswaarborg komt ook tot uitdrukking in het Wetboek van Strafvordering. Ingevolge art. 28 lid 1 Sv is de verdachte bevoegd zich door een of meer gekozen of toegevoegde raadslieden te doen bijstaan. De in dat wetboek voorziene toevoeging van een raadsman aan de verdachte is in een aantal gevallen verplicht, onder meer wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt of heeft bevonden (art. 41 Sv). Of een verdachte zichzelf ter terechtzitting wil verdedigen dan wel zich wil laten verdedigen door een raadsman, is ter vrije keuze van de verdachte, ook indien aan de verdachte een raadsman is toegevoegd. Dat betekent niet dat de zorg voor de verdediging steeds en zonder meer aan de verdachte kan worden gelaten. Dit geldt in het bijzonder indien een verdachte ten aanzien van wie de wetgever heeft voorzien in ambtshalve toevoeging van een raadsman ervoor kiest om zichzelf te verdedigen en te kennen geeft afstand te willen doen van zijn recht op rechtsbijstand. Dan zal de rechter erop moeten toezien dat door die keuze aan het recht op een eerlijk proces niet wordt tekortgedaan en zal hij zich ervan moeten vergewissen dat de afstand van rechtsbijstand ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig is gedaan. Indien de rechter oordeelt dat van dit laatste sprake is en hij de keuze van de verdachte respecteert, zal hij tijdens de behandeling van de zaak bijzondere aandacht moeten schenken aan de positie van de verdachte, met name waar het gaat om het verstrekken van informatie die de verdachte voor zijn verdediging behoeft.

4.11.

In de genoemde arresten benadrukte de Hoge Raad telkens dat de verdachte terecht stond voor een ernstig misdrijf, waarop zware straffen zijn gesteld. Daarbij wees hij op hetgeen het openbaar ministerie aan sanctieoplegging had gevorderd. In de eerste zaak had de advocaat-generaal, na een levenslange gevangenisstraf te hebben overwogen, een langdurige gevangenisstraf gevorderd gecombineerd met TBS met dwangverpleging. In de tweede zaak was acht jaar gevorderd, terwijl de maximumstraf negen jaar bedroeg. Die vaststellingen leidden in beide zaken tot de volgende overweging: “Gelet op de juridische merites van de zaak en hetgeen er voor de verdachte op het spel stond, lijdt het geen twijfel dat met rechtsbijstand ter terechtzitting een wezenlijk belang was gemoeid”. Ik begrijp daaruit dat de invulling die de rechter in voorkomende gevallen aan zijn zorg voor een goede verdediging moet geven, mede afhankelijk is van het belang dat in het concrete geval met rechtsbijstand is gemoeid. Hoe zwaarder de straffen die de verdachte boven het hoofd hangen en hoe gecompliceerder de zaak juridisch is, hoe meer in dit opzicht van de rechter wordt gevergd.2 Dat laat zich als volgt illustreren. In HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI2315, NJ 2010/143, in welke zaak de verdachte levenslang boven het hoofd hing, overwoog de Hoge Raad dat het Hof “in de bijzondere omstandigheden van het geval” gehouden was bij de vraag of ondubbelzinnig afstand van recht was gedaan “een indringende toets” aan te leggen en “in dat verband de verdachte in overweging te geven al dan niet in overleg met de aanwezige raadsman en zo nodig na onderbreking of schorsing van de behandeling, zich te beraden omtrent de gevolgen van de door hem ingenomen proceshouding, opdat hij zijn standpunt op enig moment zou kunnen herzien”. Daarin kan niet gelezen worden dat de rechter altijd een “indringende toets” dient aan te leggen en bij de verdachte altijd moet aandringen op nader beraad. Zie in dit verband HR 29 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1897, waarin de toets weinig indringend lijkt te zijn geweest en waarin het Hof de verdachte niet in overweging had gegeven zich nog eens te beraden. De Hoge Raad deed het middel af met toepassing van art. 81 lid 1 RO, hetgeen verklaard kan worden vanuit de “bijzondere omstandigheden van het geval”. Die verschilden, zo was in de conclusie betoogd, nogal van die in het genoemde arrest uit 2009.3

4.12.

Men kan zich afvragen hoe het kan dat de vordering van het openbaar ministerie bepalend is voor de indringendheid van de toets die de rechter dient aan te leggen. Die vordering wordt immers pas gedaan als een groot deel van de zitting al achter de rug is, zodat de rechter daarmee nog niet bekend is als hij de toets dient te verrichten. Het antwoord is mogelijk dat ervan uitgegaan mag worden dat de vordering niet uit de lucht komt vallen en daarom in cassatie gehanteerd kan worden als een indicatie voor hetgeen de rechter vooraf op grond van het dossier kon inschatten met betrekking tot de vraag wat er voor de verdachte op het spel staat. Misschien echter is dat niet het hele antwoord. Het zou kunnen zijn dat het antwoord op de vraag hoe wezenlijk het belang is dat in de concrete zaak met rechtsbijstand is gemoeid, (ook) een criterium is dat achteraf – bij de beoordeling in cassatie – bepalend is voor de vraag hoe indringend de Hoge Raad toetst. Dat de Hoge Raad bij zijn beoordeling gegevens betrekt waarover de rechter nog niet kon beschikken, past bij het karakter van de toetsing aan art. 6 EVRM, waarbij de vraag steeds is of het proces ‘as a whole’ eerlijk is geweest. Zo kan het voor de vraag of een bepaalde getuige ter terechtzitting had moeten worden gehoord, verschil maken of de verklaring van de getuige voor het bewijs is gebruikt of niet. Wat de rechter beslist, bepaalt zo mede de eerlijkheid van de procesvoering. Verdedigd zou dan ook kunnen worden dat iets dergelijks ook voor het recht op rechtsbijstand geldt. Als de ingrijpende straffen die de verdachte boven het hoofd hingen, inderdaad door de rechter zijn opgelegd, klemt de vraag of dat niet aan het ontbreken van rechtsbijstand heeft gelegen. Dat is anders als de rechter ondanks het ontbreken van rechtsbijstand mild straft. Met de vraag of met rechtsbijstand een wezenlijk belang is gemoeid, wordt een direct verband gelegd met de (mogelijke) uitkomst van de zaak. De gedachte daarbij lijkt mij te zijn dat die rechtsbijstand het verschil kan maken voor de te nemen beslissing en kan voorkomen dat zich realiseert wat de verdachte boven het hoofd hangt. Als de zware bestraffing waarvoor moest worden gevreesd, ondanks het ontbreken van rechtsbijstand uitblijft, kan achteraf worden geconstateerd dat met die rechtsbijstand toch geen wezenlijk belang was gemoeid. Het ontbreken van die bijstand blijkt immers geen wezenlijk verschil te hebben gemaakt.

4.13.

In het onderhavige geval zijn de verdachte verschillende misdrijven ten laste gelegd, waarvan de zwaarste belediging van de Koning is (art. 111 Sr), waarop vijf jaar gevangenisstraf staat. De maximale straf die de verdachte boven het hoofd hing, was daarom gelet op art. 57 Sr iets minder dan zeven jaar. Maar die maximale straf was niet wat de verdachte boven het hoofd hing. In eerste aanleg was de verdachte conform de vordering van de officier van justitie ontslagen van rechtsvervolging en was hem de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor maximaal één jaar opgelegd. De vordering in hoger beroep week daarvan niet af. Een groot deel van de verdediging was erop gericht te voorkomen dat de verdachte ontoerekeningsvatbaar zou worden verklaard en opgenomen zou worden in een psychiatrisch ziekenhuis. En niet zonder succes. Het Hof veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van vijf maanden met aftrek van voorarrest.

4.14.

Voor zover het middel betrekking heeft op het ontbreken van rechtsbijstand op de regiezitting van 16 maart 2012, faalt het naar mijn mening reeds bij gebrek aan belang. Dit omdat de verdachte op de zittingen van 3 juli 2012 en 19 september 2012 wel werd bijgestaan door mr. Menick, die alle gelegenheid had om terug te komen op de naar aanleiding van de zitting van 16 maart 2012 gegeven beslissingen voor zover die in het nadeel van de verdachte waren uitgevallen. Van die gelegenheid maakte de raadsman geen gebruik, zelfs niet toen de voorzitter van het Hof op de zitting van 3 juli 2012 ambtshalve de vraag aan de orde stelde of bij de afwijzende beslissingen wel het juiste criterium was gehanteerd. De mogelijkheid om de afgewezen verzoeken te herhalen met een betere onderbouwing is door de raadsman evenmin benut. Ook in zijn pleitaantekeningen, die door de verdachte op de zitting van 18 januari 2013 werden voorgedragen, maar die gezien het opschrift ervan door de raadsman waren voorbereid voor de zitting van 19 september 2012, komt geen herhaling van de gedane verzoeken voor. Het zal er gezien deze opstelling van de verdediging voor gehouden moeten worden dat de verdachte door de afwezigheid van zijn raadsman op de regiezitting niet in zijn verdediging is geschaad en dat met diens aanwezigheid dus geen wezenlijk belang gemoeid blijkt te zijn geweest.

4.15.

De vraag is voorts hoe wezenlijk het belang was dat gemoeid was met de aanwezigheid van de raadsman op de zittingen van 13 november 2012 en 18 januari 2013. Dat belang kan om twee redenen worden gerelativeerd. De eerste is dat – zoals de voorzitter van het Hof memoreerde – het onderzoek in de zaak zich op dat moment reeds in een vergevorderd stadium bevond. Dat betekent dat de verdachte gedurende een groot deel van de inhoudelijke behandeling van de zaak werd bijgestaan door een raadsman. De tweede reden is dat de verdachte voorzien was van de pleitaantekeningen van zijn raadsman, en overeenkomstig die pleitaantekeningen het woord heeft gevoerd. Ik merk daarbij op dat het requisitoir van de advocaat-generaal geen grote verrassingen bevatte. Over de feiten zelf wenste de advocaat-generaal kort te zijn. Al zijn aandacht ging uit naar de vraag of de verdachte toerekeningsvatbaar was. En op dat punt werd het verweer van de verdachte door het Hof gehonoreerd. Op de keper beschouwd, is dus het enige belang dat – achteraf gezien – met de aanwezigheid van de raadsman op de beide genoemde zittingen was gemoeid, dat de aldaar door de verdachte gedane verzoeken mogelijk van een betere onderbouwing zouden zijn voorzien.

4.16.

Het middel klaagt dat het Hof zich er wel van heeft vergewist dat de afstand van het recht op rechtsbijstand ondubbelzinnig was en vrijwillig is gedaan, maar niet dat die afstand “desbewust” is gedaan. Voor zover die klacht berust op de opvatting dat “vast moet staan” dat de verdachte “kon overzien wat (…) de (mogelijke) consequenties [van zijn keuze] zouden kunnen zijn”, wordt een eis gesteld die het recht niet kent. Nog daargelaten dat ik niet vermag in te zien hoe de rechter een dergelijk inzicht bij de verdachte zou moeten vaststellen, kan een verdachte alle mogelijke consequenties van het ontbreken van rechtsbijstand pas overzien als hij over de kennis en kundigheid beschikt van een rechtsgeleerd raadsman. Dat een dergelijk inzicht niet is geïmpliceerd in de eis van het “desbewust” afstand van recht doen, blijkt wel uit het feit dat de Hoge Raad van de rechter verlangt dat hij het kennistekort van de verdachte die desbewust afstand heeft gedaan, waar nodig compenseert door het geven van informatie. Ik denk dan ook dat uiteindelijk niet meer geëist kan worden dan dat de verdachte er blijk van geeft te beseffen wat de betekenis van rechtsbijstand is, of anders gezegd, dat hij begrijpt waarvoor de aanwezigheid van een raadsman op de zitting dient.4 Gelet daarop meen ik dat ook de klacht dat het Hof zich onvoldoende heeft ingespannen om zich ervan te vergewissen dat de afstand desbewust is gedaan, faalt, ook als daarbij in aanmerking wordt genomen dat het om – in de woorden van de steller van het middel – een “kwetsbare” verdachte ging aan wiens toerekeningsvatbaarheid kon worden getwijfeld. Het Hof heeft de verdachte een en andermaal voorgehouden dat de bijstand van een raadsman zijn verdediging ten goede zou kunnen komen en daarbij zijn zorg over het ontbreken van rechtsbijstand uitgesproken. De verdachte, die mr. Boksem, zijn cassatieadvocaat, al had geraadpleegd en de pleitaantekeningen van zijn raadsman voordroeg, gaf er daarbij blijk van te beseffen waarvoor rechtsbijstand dient. Dat het Hof, zoals in de toelichting op het middel wordt geponeerd, de verdachte had moeten voorhouden dat zijn beslissing “bijzonder onverstandig” was, komt mij niet juist voor. Een dergelijke diskwalificatie van het standpunt van de verdachte kan de steller van het middel zich misschien permitteren, maar de rechter zal zich daarvan dienen te onthouden. De kern van de zaak is nu juist dat de keuzevrijheid die uitdrukkelijk aan de verdachte is gelaten, meebrengt dat de rechter ook beslissingen moet respecteren die in zijn ogen bijzonder onverstandig zijn. Daar komt dan nog bij dat de bedoelde diskwalificatie mij moeilijk lijkt te rijmen met de tact die van de rechter wordt gevergd als het om de bejegening van kwetsbare verdachten gaat.

4.17.

Ook de klacht dat het Hof tekortgeschoten is in zijn plicht om bijzondere aandacht te schenken aan de positie van de niet van rechtsbijstand voorziene verdachte, komt mij ongegrond voor. Voor zover die klacht berust op de opvatting dat de informatieverstrekking dusdanig moet zijn dat de verdachte over dezelfde kennis van zaken beschikt als waarover een rechtsgeleerd raadsman geacht wordt te beschikken, wordt weer een eis gesteld die het recht niet kent. Het Hof heeft de verdachte voorgehouden dat getuigenverzoeken onderbouwd dienen te zijn en dat aan dergelijke verzoeken strengere eisen worden gesteld als zij in een laat stadium van het geding worden gedaan. Ook heeft het Hof aangegeven dat bepaalde zaken waarover de verdachte getuigen wenste te horen, niet aan de orde waren. Dat het Hof, zoals het middel stelt, de te hanteren maatstaven precies had moeten benoemen, “zodat de verdachte had kunnen proberen de onderbouwing van zijn verzoeken telkens bij de juiste maatstaf te laten aansluiten”, komt mij niet juist voor. In de eerste plaats niet omdat de rechter moet oppassen dat hij te veel op zijn oordeel over de verzoeken vooruitloopt. Welk criterium van toepassing is, kan onderwerp van debat zijn waarover de rechter, gehoord het standpunt van de verdediging, moet beslissen. In de tweede plaats niet omdat de te hanteren maatstaf vooral een rol speelt bij de beoordeling van de gedane verzoeken. Of het noodzaakcriterium dan wel het criterium van het verdedigingsbelang van toepassing is, maakt voor de aard van de op te geven redenen niet veel uit. Het is ook niet zo dat het noemen van het juiste etiketje het verzoek opeens stukken kansrijker maakt.

4.18.

Dat brengt mij terug bij de vraag of met de rechtsbijstand ter zitting een wezenlijk belang was gemoeid. De gedachte dat de bijstand van een raadsman in dit geval zou hebben geresulteerd in dusdanig goed onderbouwde verzoeken dat zij voor honorering in aanmerking kwamen, lijkt mij een miskenning te vormen van de te hanteren maatstaven. Zo de bijstand van een raadsman enig verschil zou hebben gemaakt, is dat denk ik veeleer dat de verzoeken niet zouden zijn gedaan. Voor in elk geval de meeste van de gedane verzoeken geldt dat zij dermate kansloos waren dat ik me niet goed kan voorstellen dat een raadsman die zichzelf respecteert, die voor zijn rekening zou willen nemen. Het zou me dan ook niet verbazen als het wegblijven van de raadsman, die door dat wegblijven niet (zoals de verdachte zei) “de schuld” kon krijgen van de gedane verzoeken, een compromis vormde waardoor een breuk tussen raadsman en verdachte kon worden voorkomen.

4.19.

Het middel faalt.

5 Het tweede middel

5.1.

Het middel keert zich tegen de afwijzing van het Hof van het verzoek van de verdediging tot het horen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3].

5.2.

Het bestreden arrest houdt te dien aanzien het volgende in:

“Voorts heeft de verdachte bij slotpleidooi verzocht om de onder 17, 19 en 20 vermelde personen te horen. Deze personen waren - blijkens de mededeling van de verdachte - ter terechtzitting van 18 januari 2013 aanwezig. Ten aanzien van deze personen geldt derhalve het zogenaamde verdedigingscriterium. De verdachte heeft aangevoerd dat hij deze personen wenst te horen ter onderbouwing van zijn standpunt betreffende de strafbaarheid, in het bijzonder ter zake van de door deskundigen gestelde waanstoornis. In het licht van deze onderbouwing is het hof - gelet op de hierna gegeven overwegingen en beslissing ter zake van de strafbaarheid van de verdachte - van oordeel dat de verdachte geen belang heeft bij het horen van deze personen als getuige dan wel - voor zover zij als zodanig zouden kunnen worden aangemerkt – als deskundige. Gelet op het voorgaande valt redelijkerwijs aan te nemen dat de verdachte door het achterwege blijven van het horen van deze personen niet in zijn verdediging wordt geschaad. Het hof wijst daarom het verzoek af.”

5.3.

In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het Hof bij de afwijzing van de verzoeken niet had mogen vooruitlopen op de gegeven beslissing, maar uit had moeten gaan van de stand van zaken zoals die op 18 januari 2013 was. Die klacht kan niet tot cassatie leiden, reeds omdat niet valt in te zien welk belang de verdachte daarbij heeft. Dat belang kan ook niet gevonden worden in de uitlating van verdachte dat “deze getuigen dezelfde mening hebben als ik of zelfs een extremere opvatting hebben over deze onderwerpen dan ik”. Daaruit heeft het Hof – anders dan de steller van het middel kennelijk meent – niet hoeven te begrijpen dat het verzoek mede werd gedaan om de opvattingen van de bedoelde personen te horen over de vrijheid van meningsuiting en de aanwezigheid van “een” rechtvaardigingsgrond, terwijl het horen van getuigen bovendien betrekking moet hebben op door hen zelf waargenomen feiten – en niet op hun opvattingen, hoe extreem doe ook mogen zijn – en de oordelen van deskundigen slechts van belang zijn als die zijn gebaseerd op expertise waarover het Hof niet beschikt.

5.4.

Het middel faalt.

6 Het derde middel

6.1.

Het middel klaagt dat het Hof een onjuiste of onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan de term ‘belediging’ in de zin van de artt. 111 en 112 Sr, door het gooien van een waxinelichthouder naar de Gouden Koets daaronder te begrijpen.

6.2.

Ten laste van verdachte heeft het Hof onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij op 21 september 2010 te ’s-Gravenhage opzettelijk in het openbaar beledigend H.M. Beatrix, Koningin der Nederlanden, tijdens de rijtour met de Gouden Koets ter gelegenheid van Prinsjesdag, een glazen waxinelichthouder (van 625,9 gram) in de richting van H.M. Beatrix, Koningin der Nederlanden, heeft gegooid en daarbij “Oplichters” en “Dieven” en “Nazi’s en “Verraders” heeft geroepen

en

hij opzettelijk op 21 september 2010 te ’s-Gravenhage opzettelijk in het openbaar de vermoedelijk opvolger van de Koningin, te weten Z.K.H. Willem-Alexander Prins van Oranje en de echtgenote van de vermoedelijke opvolger van de Koningin, te weten H.K.H. Maxima Zorreguieta Prinses van Oranje-Nassau, tijdens de rijtour met de Gouden Koets ter gelegenheid van Prinsjesdag, een glazen waxinelichthouder (van 625,9 gram) in de richting van de vermoedelijk opvolger van de Koningin, te weten Z.K.H. Willem-Alexander Prins van Oranje en de echtgenote van de vermoedelijke opvolger van de Koningin, te weten H.K.H. Maxima Zorreguieta Prinses van Oranje-Nassau, heeft gegooid en daarbij “Oplichters” en “Dieven” en “Nazi’s” en “Verraders” heeft geroepen.”

6.3.

Het Hof heeft ten aanzien van feit 1 het volgende overwogen:

“Ter zake van het onder 1 ten laste gelegde heeft de verdachte - overeenkomstig de pleitaantekeningen van zijn raadsman - betoogd dat zijn handelen niet was gericht tegen de inzittenden van de Gouden Koets en dat geen sprake is van minachting jegens de inzittenden van de Gouden Koets of aantasting van hun eer en goede naam. Ook kan de combinatie van de woorden en het gooien van de waxinelichthouder niet als belediging worden aangemerkt.

Voorts heeft de verdachte - naar het hof begrijpt - betoogd dat hij reeds op 14 april 2010 een aanklacht tegen de inzittenden van de Gouden Koets heeft ingediend en in dat licht zijn uitlatingen op 21 september 2010 feitelijk juist zijn. Derhalve zijn deze niet beledigend maar enkel 'confronterende kritiek' , aldus de verdachte.

Het hof overweegt dienaangaande dat de verdachte heeft verklaard de inzittenden van de Gouden Koets rechtens geen aanspraken kunnen maken op de troon.dat hij 'confronterende kritiek' uitte en dat in zijn visie - kort gezegd -

Het hof verwerpt dit standpunt. De verdachte heeft luid geroepen de woorden: "oplichters" , "dieven", "Nazi's" en "verraders". De op deze manier door de verdachte gebezigde woorden hebben een onmiskenbaar beledigend karakter, dat niet wordt weggenomen door de door de namens de verdachte genoemde omstandigheden. Het op deze manier uiten van deze woorden - te meer in combinatie met het gooien van een voorwerp tegen de koets - kan niet anders worden begrepen en uitgelegd dan als een opzettelijke belediging. Het hof leidt uit het gooien van de waxinelichthouder tegen de Gouden Koets af, dat deze woorden gericht waren tegen de inzittenden van de Gouden Koets.”

6.4.

Het middel faalt reeds omdat het berust op een onjuiste lezing van de tenlastelegging zoals die door het Hof is geïnterpreteerd. Zoals uit de hiervoor weergegeven overwegingen van het Hof blijkt – en zoals bevestigd wordt door de door het Hof aan de bewezenverklaring gegeven kwalificatie – heeft het Hof het enkele gooien van de waxinelichthouder niet als beledigend aangemerkt, maar dat gooien beledigend geacht in combinatie met de daarbij geuite woorden. Ik merk overigens op dat het gestelde mij op gespannen voet lijkt te staan met het standpunt van de verdediging dat het gooien van het bedoelde voorwerp een vorm van ‘symbolic speech’ was (en daarom onder de bescherming van art. 10 EVRM valt).

6.5.

Het middel faalt.

7 Het vierde middel

7.1.

Het middel keert zich tegen de bewezenverklaring van feit 1 en behelst de klacht dat uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de woorden “Oplichters”, “Dieven”, “Nazi’s” en “Verraders” gericht waren tegen Koningin Beatrix, Kroonprins Willem-Alexander en Prinses Maxima.

7.2.

Het uiten van de bedoelde woorden ging gepaard met het gooien van een waxinelichthouder in de richting van de Gouden Koets. Daaruit heeft het Hof kunnen afleiden dat die woorden gericht waren tegen de inzittenden van dat rijtuig, waarbij ik in aanmerking neem dat door of namens de verdachte niet is aangevoerd dat de verdachte bij het uiten van die woorden het oog had op andere personen. Het tegendeel is het geval. Door de verdachte is onder meer aangevoerd dat geen sprake is van belediging “omdat genoemde uitlatingen juist zijn, – ook in de visie van de verdachte – feitelijk WEL van toepassing zijn op de inzittenden van de Gouden Koets ”.5

7.3.

Het middel faalt.

8 Het vijfde middel

8.1.

Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd uitdrukkelijk en gemotiveerd te responderen op een (impliciet) door de verdediging gevoerd verweer waarin een beroep zou zijn gedaan op bijzondere rechtvaardigingsgronden van art. 261 lid 3 en art. 266 lid 3 Sr..

8.2.

In “inleidende opmerkingen” op het middel wordt de Hoge Raad gevraagd terug te komen op zijn in HR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7262 ingenomen standpunt dat de genoemde strafuitsluitingsgronden niet van toepassing zijn op de artt. 111 en 112 Sr. Zo er al reden is om op het bedoelde standpunt terug te komen, is daarvoor naar mijn mening in de onderhavige zaak geen aanleiding omdat het Hof, mede gezien het door de Hoge Raad ingenomen standpunt, in het gedane beroep op art. 10 EVRM niet mede een impliciet beroep op deze bijzondere strafuitsluitingsgronden had hoeven herkennen. Bovendien levert de bewezenverklaarde belediging niet de tenlastelegging van een bepaald feit op, zodat art. 261 lid 3 Sr sowieso niet van toepassing is, terwijl de steller van het middel niet aangeeft waarom art. 266 lid 3 Sr, dat de eis stelt dat de gedraging er niet op is gericht ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan voortvloeit uit de strekking een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, in de onderhavige zaak een ruimer bereik zou hebben dan art. 10 EVRM.

8.3.

Het middel faalt.

9 Het zesde middel

9.1.

Het middel keert zich tegen ’s Hofs verwerping van een door de verdediging gevoerd verweer.

9.2.

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

“Ter zake van het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft de verdachte onder verwijzing naar artikel 10 EVRM zich op het standpunt gesteld dat zijn handelen moet worden beschouwd als het uiten van een mening waarmee wordt deelgenomen aan het publieke debat. Het gooien van een waxinelichthouder moet als 'symbolic speech' worden uitgelegd, waaraan in lijn met jurisprudentie van het EHRM bescherming toekomt op grond van genoemde bepaling. Uit de actie hoeft op zichzelf niet kenbaar te zijn aan welke discussie wordt deelgenomen; die hoeft enkel uit te context t e volgen.

Het hof overweegt dienaangaande dat artikel 10 EVRM een ieder in beginsel het recht heeft in vrijheid uiting te geven aan zijn of haar opvattingen. Op grond van artikel 10, tweede lid, EVRM is echter een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting toegestaan, indien bij wet voorzien en noodzakelijk in een democratische samenleving. De onderhavige vervolging van verdachte is - voor zover hier van belang - gegrond op de artikelen 111, 112 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en derhalve bij wet voorzien. Uit artikel 10, tweede lid, EVRM volgt dat onder andere beperkingen die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van het voorkomen van strafbare feiten en van de bescherming van de goede naam van anderen zijn toegestaan.

De uitingen van de verdachte op 21 september 2010 bestaan enkel uit beledigingen aan het adres van de inzittenden van de Gouden Koets in combinatie met het gooien van een waxinelichthouder naar de Gouden Koets. Naar het oordeel van het hof kunnen deze uitlatingen en deze handeling redelijkerwijs niet worden beschouwd als een bijdrage aan het publieke debat. Bij deze stand van zaken moet worden geconcludeerd dat door de handelwijze van de verdachte een inbreuk op zijn recht op vrijheid van meningsuiting gerechtvaardigd is, nu deze noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de goede naam van anderen en ter voorkoming van strafbare feiten. Het hof verwerpt derhalve het verweer.”

9.3.

Het oordeel van het Hof dat de gedraging van de verdachte in redelijkheid niet beschouwd kan worden als een bijdrage aan het publieke debat getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Veel meer valt er over het middel niet te zeggen.

9.4.

Het middel faalt.

10. Alle middelen falen en kunnen – met uitzondering misschien van het eerste middel – worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

11. Aan het slot van de schriftuur merkt de opsteller ervan op dat, mocht hij een kansrijke cassatieklacht over het hoofd hebben gezien, dit beslist niet berust op een weloverwogen keuze, zodat daarin geen argument kan worden gevonden om niet ambtshalve te casseren. Erkend kan worden dat het veronderstelde ontbreken van belang vaak niet het meest overtuigende argument oplevert om van ambtshalve cassatie af te zien. Bij ambtshalve herstel van de aan feit 1 gegeven kwalificatie, ten aanzien waarvan het Hof naar het mij voorkomt ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van eendaadse samenloop, heeft de verdachte evenwel echt geen belang. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik dan ook niet aangetroffen.

12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 De brief van de president van het Hof inhoudende de last tot toevoeging is gedateerd 20 januari 2012 en bevindt zich bij de stukken van het geding.

2 Anders mijn ambtgenoot Vegter, die in een onder nummer ECLI:NL:PHR:2014:516 gepubliceerde conclusie stelt dat in gevallen waarin voorlopige hechtenis is bevolen, voor het criterium geen rol van betekenis is weggelegd, omdat de knoop hier door de wetgever is doorgehakt, zodat moet worden aangenomen dat in deze gevallen met rechtsbijstand altijd een wezenlijk belang is gemoeid.

3 Zie ook HR 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1367, waarin het middel eveneens met art. 81 lid 1 RO werd afgedaan. In deze zaak gaf het Hof de verdachte vijf minuten bedenktijd, waarin dunkt mij geen gelegenheid is geweest om met de niet aanwezige raadsman te overleggen. Het ernstigste feit waarvoor de verdachte terechtstond was in dit geval poging tot zware mishandeling (acht jaar min een derde), terwijl in hoger beroep een gevangenisstraf van 300 dagen werd gevorderd met aftrek, waarvan 144 dagen voorwaardelijk. In het concrete geval stond hier dus voor de verdachte aanzienlijk minder op het spel dan in de zaken waarin de Hoge Raad casseerde.

4 Als zelfs dat besef ontbreekt, komt toepassing van art. 509a jo. 509c Sv in beeld. Het middel klaagt niet over het feit dat het Hof aan deze bepalingen geen toepassing heeft gegeven.

5 Zie p. 10 van de door de verdachte zelf opgestelde pleitnota.