Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1921

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-09-2014
Datum publicatie
04-11-2014
Zaaknummer
12/05178
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3081, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht voorbereiding moord. Artt. 46, 287 en 289 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. het bestanddeel “voorbedachte raad” uit ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156. De opvatting dat aan de bewezenverklaring van de voorbereiding van moord dezelfde (motiverings-)eisen moeten worden gesteld als in voornoemde rechtspraak bij de bewezenverklaring van (poging tot) moord is - in haar algemeenheid - onjuist. Dit neemt niet weg dat ook voor de voorbereiding van moord geldt dat, mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat bewezenverklaring van voorbereiding van moord heeft t.o.v. voorbereiding van doodslag, aan het bewijs van het bestemd zijn tot het begaan van moord bepaaldelijk eisen moeten worden gesteld en dat de rechter, i.h.b. indien uit de bwm niet rechtstreeks volgt dat sprake is van die bestemming, in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht moet geven aan de vraag op grond waarvan uit de bewijsvoering met voldoende bepaaldheid blijkt dat het misdadige doel dat vd met zijn voorbereidingshandelingen en voorbereidingsmiddelen voor ogen stond, als moord moet worden aangemerkt. Dat past ook bij het voor voorbereiding geldende vereiste dat de bewezenverklaarde gedragingen strekken ter voorbereiding van feiten als in de bewezenverklaring bedoeld (vgl. ECLI:NL:HR:2014:1233, NJ 2014/338). Aldus zal ook bij de voorbereiding van moord sprake moeten zijn van een voorgenomen daad en gelegenheid tot nadenken over en zich rekenschap geven van de betekenis en de gevolgen van die daad. Een en ander kan overigens volgen uit de planmatige aard van de voorbereiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VA 2015/15
M.L.C.C. de Bruijn-Lückers annotatie in JIN 2014/226

Conclusie

Nr. 12/05178

Zitting: 2 september 2014

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verzoeker = verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 31 oktober 2012 door het Gerechtshof te ’s-Gravenhage veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren en zes maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sv, wegens:

1. eerste tot en met zevende cumulatief:1

“De voorgezette handeling van

de eendaadse samenloop van voorbereiding van opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweeg brengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, en voorbereiding van opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweeg brengen terwijl daarvan levensgevaar of gevaar of zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten is, en voorbereiding van opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweeg brengen terwijl daarvan levensgevaar voor (een) ander(en) te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft,

en voorbereiding van moord,

en voorbereiding van diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, en/of afpersing,

en voorbereiding van gijzeling,

en voorbereiding van opzettelijke vrijheidsberoving”,

2. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II (onder 3), en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III”,

3. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een onderdeel van een wapen van categorie II (onder 7), meermalen gepleegd.”2

5. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder bepaalde voorwaarden is geschied, meermalen gepleegd”3,

6. primair “poging tot door bedreiging met geweld een ambtenaar dwingen tot het volvoeren van een ambtsverrichting”,

7. “diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren en zes maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.”

2. Namens verzoeker heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, zeven middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel, in samenhang met de toelichting daarop bezien, behelst de klacht dat het onder 1 bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, nu ten gevolge van een wijziging van wetgeving in de zin van art. 1, tweede lid, Sr daaruit niet kan volgen dat de criminele intentie van verzoeker zodanig was dat de in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen “kennelijk bestemd” respectievelijk “bestemd” waren tot het begaan van de betrokken misdrijven en/of doordien het Hof verzuimd heeft nader dan wel toereikend te motiveren waarom die voorwerpen vanaf 1 februari 2007 tot en met 12 mei 2007 bestemd waren voor het plegen van de genoemde misdrijven.

4. Ten laste van verzoeker is onder 1 bewezenverklaard – er volgt nu enig leeswerk - dat:

“1.

hij in de periode van 1 september 2002 tot en met 12 mei 2007 te Rotterdam en Den Haag en/of (elders) in Nederland en/of te Gouvy (België), ter voorbereiding van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld te weten:

opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweeg brengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is (art. 157 ahf/l° Wetboek van Strafrecht), opzettelijk voorwerpen en stoffen en informatiedragers heeft vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad, te weten:

([A] Pyrotechnische mengsels (zg. SAS-sen), te weten: )

- een mengsel op basis van kaliumnitraat en paraffine en

- mengsels van kaliumnitraat en suiker en

- een mengsel van kaliumnitraat en koolstof en

- een mengsel van kaliumpermanganaat met suiker

- een mengsel van kaliumchloraat, zwavel, een eiwitachtige component en klei en

- een mengsel van kaliumchloraat en een eiwitachtige component en

([B] Grondstoffen voor pyrotechnische mengsels, te weten:)

- een hoeveelheid (kleurloos kristallen) kaliumnitraat en

- een hoeveelheid zwavel en

- een hoeveelheid kaliumpermanganaat en

([C] Grondstoffen voor de springstof TATP, te weten: )

- een hoeveelheid aceton en

- een hoeveelheid waterstofperoxide en

- een hoeveelheid zwavelzuur en
- een hoeveelheid zoutzuur en

([E] Diverse schakelaars en/of elektrische circuitjes en/of andere voorwerpen, te weten: )

- een groen schakelkastje (met kommavormige printplaat) en

- afstandsbedieningen en

- kommavormige printplaten en

- een schakelklok en

- een trilelement van een telefoon en

- een kunststof behuizing met deksel, met daarin een schakelaar en een led lampje en

- diverse kunststof kokers / pijpen, met daarin een schakelaar en een led lampje

[G] Diverse foto's te weten:

- Foto's van beveiliging(smaatregelen) in (het centrum van) Den Haag op Prinsjesdag

[H] Diverse andere goederen, te weten,

- een kogelwerend vest en

- een paar (rubberen) handschoenen en

- twee, althans één, portofoon(s) en

- een (over)jas van de Koninklijke Marechaussee en

- een brandweerpet en

- een politieriem en

- een brandweertrui en

- een bivakmuts

welke voorwerpen en stoffen en informatiedragers, al dan niet in combinatie met elkaar, kennelijk bestemd waren tot het begaan van dat misdrijf;

EN

hij in de periode van 1 september 2002 tot en met 12 mei 2007 te Rotterdam en Den Haag en/of (elders) in Nederland en/of te Gouvy (België), ter voorbereiding van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld te weten:

opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweeg brengen terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten is (art. 157 ahf/2° Wetboek van Strafrecht),

opzettelijk voorwerpen en stoffen en informatiedragers heeft vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad, te weten:

([A] Pyrotechnische mengsels (zg. SAS-sen), te weten: )

- een mengsel op basis van kaliumnitraat en paraffine en

- mengsels van kaliumnitraat en suiker en

- een mengsel van kaliumnitraat en koolstof en

- een mengsel van kaliumpermanganaat met suiker

- een mengsel van kaliumchloraat, zwavel, een eiwitachtige component en klei en

- een mengsel van kaliumchloraat en een eiwitachtige component en

([B] Grondstoffen voor pyrotechnische mengsels, te weten:)

- een hoeveelheid (kleurloos kristallen) kaliumnitraat en

- een hoeveelheid zwavel en

- een hoeveelheid kaliumpermanganaat en

([C] Grondstoffen voor de springstof TATP, te weten: )

- een hoeveelheid aceton en

- een hoeveelheid waterstofperoxide en

- een hoeveelheid zwavelzuur en

- een hoeveelheid zoutzuur en

([E] Diverse schakelaars en/of elektrische circuitjes en/of andere voorwerpen, te weten: )

- een groen schakelkastje (met kommavormige printplaat) en

- afstandsbedieningen en

- kommavormige printplaten en

- een schakelklok en

- een trilelement van een telefoon en

- een kunststof behuizing met deksel, met daarin een schakelaar en een led lampje en

- diverse kunststof kokers / pijpen, met daarin een schakelaar en een led lampje en

[G] Diverse foto's te weten:

- Foto's van beveiliging(smaatregelen) in (het centrum van) Den Haag op Prinsjesdag

[H] Diverse andere goederen, te weten,

- een kogelwerend vest en

- een paar (rubberen) handschoenen en

- twee, althans één, portofoon(s) en

- een (over)jas van de Koninklijke Marechaussee en

- een brandweerpet en

- een politieriem en

- een brandweertrui en

- een bivakmuts

welke voorwerpen en stoffen en informatiedragers, al dan niet in combinatie met elkaar, kennelijk bestemd waren tot het begaan van dat misdrijf;

EN

hij in de periode van 1 september 2002 tot en met 12 mei 2007 te Rotterdam en Den Haag en/of (elders) in Nederland en te Gouvy (België), ter voorbereiding van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld te weten:

opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweeg brengen terwijl daarvan levensgevaar voor (een) ander(en) te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft (art. 157 ahf/3° Wetboek van Strafrecht),

opzettelijk voorwerpen en stoffen en informatiedragers heeft vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad, te weten:

([A] Pyrotechnische mengsels (zg. SAS-sen), te weten: )

- een mengsel op basis van kaliumnitraat en paraffine en

- mengsels van kaliumnitraat en suiker en

- een mengsel van kaliumnitraat en koolstof en

- een mengsel van kaliumpermanganaat met suiker

- een mengsel van kaliumchloraat, zwavel, een eiwitachtige component en klei en

- een mengsel van kaliumchloraat en een eiwitachtige component en

([B] Grondstoffen voor pyrotechnische mengsels, te weten:)

- een hoeveelheid (kleurloos kristallen) kaliumnitraat en

- een hoeveelheid zwavel en

- een hoeveelheid kaliumpermanganaat en

([C] Grondstoffen voor de springstof TATP, te weten: )

- een hoeveelheid aceton en

- een hoeveelheid waterstofperoxide en

- een hoeveelheid zwavelzuur en

- een hoeveelheid zoutzuur en

([E] Diverse schakelaars en/of elektrische circuitjes en/of andere voorwerpen, te weten: )

- een groen schakelkastje (met kommavormige printplaat) en

- afstandsbedieningen en

- kommavormige printplaten en

- een schakelklok en

- een trilelement van een telefoon en

- een kunststof behuizing met deksel, met daarin een schakelaar en een led lampje en

- diverse kunststof kokers / pijpen, met daarin een schakelaar en een led lampje en

[G] Diverse foto's te weten:

- Foto's van beveiliging(smaatregelen) in (het centrum van) Den Haag op Prinsjesdag

[H] Diverse andere goederen, te weten,

- een kogelwerend vest en

- een paar (rubberen) handschoenen en

- twee, althans één, portofoon(s) en

- een (over)jas van de Koninklijke Marechaussee en

- een brandweerpet en

- een politieriem en

- een brandweertrui en

- een bivakmuts

welke voorwerpen en stoffen en informatiedragers, al dan niet in combinatie met elkaar, kennelijk bestemd waren tot begaan van dat misdrijf;

EN

hij in de periode van 1 september 2002 tot en met 12 mei 2007 te Rotterdam ter voorbereiding van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld te weten:

moord (art. 289 Wetboek van Strafrecht),

opzettelijk voorwerpen voorhanden heeft gehad, te weten:

[F] vuurwapens (te weten: een pistool Sig p-210 en een (ingekort) hagelgeweer BRNO) en patroonhouders en munitie en

[H] Diverse andere goederen, te weten,

- een kogelwerend vest en

- een paar (rubberen) handschoenen en

- twee, althans één, portofoon(s) en

- een (over)jas van de Koninklijke Marechaussee en

- een brandweerpet en

- een politieriem en

- een brandweertrui en

- een bivakmuts

welke voorwerpen, al dan niet in combinatie met elkaar, kennelijk bestemd waren tot het begaan van dat misdrijf;

EN

hij in de periode van 1 september 2002 tot en met 12 mei 2007 te Rotterdam ter voorbereiding van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld te weten:

diefstal met geweldpleging (art. 312 Wetboek van Strafrecht) en/of afpersing (art. 317 Wetboek van Strafrecht),

opzettelijk voorwerpen en een informatiedrager heeft vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad, te weten:

[F] vuurwapens (te weten: een pistool Sig p-210 en een (ingekort) hagelgeweer BRNO) en patroonhouders en munitie en

[H] Diverse andere goederen, te weten,

- een kogelwerend vest en

- een paar (rubberen) handschoenen en

- een zakje Tie wraps en

- twee, althans één, portofoon(s) en

- een (over)jas van de Koninklijke Marechaussee en

- een brandweerpet en

- een politieriem en

- een brandweertrui en

- een bivakmuts en

[I] Een (concept losgeld)brief, ondertekend met Wolfje,

welke voorwerpen en informatiedrager, al dan niet in combinatie met elkaar, kennelijk bestemd waren tot het begaan van die misdrijven;

EN

hij in de periode van 1 september 2002 tot en met 12 mei 2007 te Rotterdam ter voorbereiding van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld te weten:

gijzeling (art. 282a Wetboek van Strafrecht),

opzettelijk voorwerpen en een informatiedrager heeft vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad, te weten:

[F] vuurwapens (te weten: een pistool Sig p-210 en een (ingekort) hagelgeweer BRNO) en patroonhouders en munitie en

[H] Diverse andere goederen, te weten,

- een kogelwerend vest en

- een paar (rubberen) handschoenen en

- een zakje Tie wraps en

- twee, althans één, portofoon(s) en

- een (over)jas van de Koninklijke Marechaussee en

- een brandweerpet en

- een politieriem en

- een brandweertrui en

- een bivakmuts en

[I] Een (concept losgeld)brief, ondertekend met Wolfje,

welke voorwerpen en informatiedrager, al dan niet in combinatie met elkaar, kennelijk bestemd waren tot het begaan van dat misdrijf;

EN

hij in de periode van 1 september 2002 tot en met 12 mei 2007 te Rotterdam ter voorbereiding van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld te weten:

wederrechtelijke vrijheidsberoving (art. 282 Wetboek van Strafrecht),

opzettelijk voorwerpen en een informatiedrager heeft vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad, te weten:

[F] vuurwapens (te weten: een pistool Sig p-210 en een (ingekort) hagelgeweer BRNO) en patroonhouders en munitie en

[H] Diverse andere goederen, te weten,

- een kogelwerend vest en

- een paar (rubberen) handschoenen en

- een zakje Tie wraps en

- twee, althans één, portofoon(s) en

- een (over)jas van de Koninklijke Marechaussee en

- een brandweerpet en

- een politieriem en

- een brandweertrui en

- een bivakmuts en

[I] Een (concept losgeld)brief, ondertekend met Wolfje,

welke voorwerpen en informatiedrager, al dan niet in combinatie met elkaar, kennelijk bestemd waren tot het begaan van dat misdrijf;”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen opgenomen in de aanvulling op het verkort arrest.

6. Voorts houdt de bestreden uitspraak de volgende overwegingen van het Hof in:

“Verdere beoordeling tenlastelegging

Feit 1 (zaak Boelstraat)

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdachte en de verdediging betoogd - mede op gronden als vermeld in de pleitnotities - dat de verdachte de aangetroffen goederen, stoffen en informatiedrager(s) weliswaar voorhanden heeft gehad, maar dat hij hiermee niet de in de tenlastelegging genoemde misdrijven beoogde voor te bereiden, zodat hij behoort te worden vrijgesproken van het hem onder 1 ten laste gelegde.

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.

Wettelijk kader

Beoordeeld dient te worden of de in de tenlastelegging omschreven stoffen, voorwerpen en informatiedragers, waarvan verdachte heeft erkend dat hij deze voorhanden had, al dan niet in combinatie met elkaar, kennelijk bestemd of bestemd zijn tot het begaan van de misdrijven zoals in de tenlastelegging omschreven. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2007 (LJN: AZ0213) heeft daarbij als maatstaf te gelden de vraag of deze voorwerpen, afzonderlijk dan wel gezamenlijk naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van de voorwerpen voor ogen had.

Bij de beantwoording van deze vraag dient zowel te worden betrokken welke indruk genoemde voorwerpen, stoffen en informatiedragers naar algemene ervaringsregels op de gemiddelde rechtsgenoot zullen maken, als ook welke intentie verdachte kennelijk had ten aanzien van deze voorwerpen, stoffen en informatiedragers. Niet is vereist dat de voorwerpen, stoffen of informatiedragers reeds een instrumenteel karakter hebben op het moment dat de overheid tussenbeide komt. Bij een dergelijke onvolkomen delictsvorm kan de gerichtheid of bestemming van de gewraakte voorwerpen bewezen worden aan de hand van de indruk die deze voorwerpen naar algemene ervaringsregels op de gemiddelde rechtsgenoot maken en/of aan de hand van de verklaarde intentie van verdachte. Hier heeft tevens te gelden dat stoffen, voorwerpen en gegevensdragers, die subjectief bestemd zijn voor het begaan van dergelijke misdrijven, dat karakter niet hoeven te verliezen doordat ze naar hun objectieve aard daartoe niet (alle) volstrekt geschikt, adequaat of instrumenteel zijn.

Met betrekking tot het criminele doel van de verdachte moet een oordeel worden gegeven over de vraag of de voorwerpen dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat verdachte met deze voorwerpen voor ogen had. Het misdadige doel vormt geen nieuw centraal bestanddeel, dat afzonderlijk gestaafd dient te worden met bewijsmiddelen. Het doel, de voorstelling van de dader, speelt - naast de uiterlijke eigenschappen van de voorwerpen - echter wel een rol bij het oordeel of de gewraakte voorwerpen kennelijk bestemd waren tot het plegen van de door de verdachte beoogde misdrijven.

De vraag naar een eventuele extremistische of radicaal politieke intentie dan wel binding of sympathie met een dergelijke organisatie is in deze zaak niet aan het oordeel van het hof onderworpen, nu dergelijke aanduidingen geen deel uitmaken van de tenlastelegging. Het hof merkt in dit kader wel op dat uit het dossier in het geheel niet blijkt van extreem rechtse of fundamenteel religieuze sympathieën van verdachte.

De (kennelijke) bestemming van de bewezen verklaarde voorwerpen

Het hof heeft de in de bewezenverklaring van feit 1 genoemde stoffen, voorwerpen en gegevensdragers nadrukkelijk in onderling verband en samenhang bezien en heeft een afzonderlijke strafrechtelijke weging van elk individueel voorwerp of een categorisering van de gewraakte voorwerpen achterwege laten. Voorts heeft het hof de uiterlijke verschijningsvorm van deze voorwerpen beschouwd en zich de vraag gesteld of deze voorwerpen de ‘veruiterlijking’ van een strafwaardige intentie van de verdachte vormen.

In de onderhavige zaak beschikte de verdachte op zijn zolderkamer aan de Boelstraat over onder meer een doorgeladen semi-automatisch 9mm pistool met vijf bijbehorende geheel met munitie gevulde patroonhouders, een handgranaatlichaam, een afgezaagd jachtgeweer met bijbehorende munitie, diverse pyrotechnische mengsels en grondstoffen daarvoor, grondstoffen waarmee de springstof TATP (dan wel andere springstoffen) kan (dan wel kunnen) worden gemaakt, pijpen waarop ledlampjes waren aangebracht, schakelaars en elektrische circuitjes, een kogelwerend vest, een paar (rubberen) handschoenen, tie wraps, twee portofoon(s), een memorecorder, een (over)jas van de Koninklijke Marechaussee, een brandweerpet, een politieriem, een brandweertrui en een bivakmuts. Ook zijn bij verdachte een groot aantal geschriften aangetroffen met betrekking tot onder meer bomaanslagen en overvallen, waarbij zeer ernstig geweld (waaronder het gebruik van explosieven) was toegepast. Onder deze geschriften bevonden zich ook foto's met onder meer details van de beveiliging(smaatregelen) in (het centrum van) Den Haag op Prinsjesdag, een zogenaamde losgeldbrief en geschriften waaruit, naar het oordeel van het hof, blijkt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan grootschalige bedreiging van personen en instellingen. In een woning te Bouvy, Belgie, waar verdachte regelmatig verbleef had verdachte –deels in grote hoeveelheden- eveneens diverse pyrotechnische mengsels en grondstoffen voor pyrotechnische mengsels en explosieven aanwezig, alsook –eenvoudig- chemisch glaswerk voor de bereiding van chemische stoffen en mengsels.

Uit deze voorwerpen, stoffen en informatiedragers als wettige bewijsmiddelen heeft het hof de overtuiging gekregen dat:

- de verdachte gefascineerd is door de toepassing van grof crimineel geweld, waaronder bomaanslagen en overvallen en daarover gericht informatie heeft verzameld;

- de verdachte doende is geweest met het zoeken naar wegen om functionerende pyrotechnische of explosieve mengsels dan wel stoffen te maken en/of geïmproviseerde pyrotechnische, brandstichtende en/of explosieve constructies te vervaardigen;

- de verdachte zich blijkens de inhoud van de mede door hem geredigeerde "losgeldbrief" gedachten moet hebben gevormd omtrent de feitelijke uitvoering van een gijzeling en afpersing.

Het hof is aldus van oordeel dat de misdadige bestemming van de bij de verdachte aangetroffen en in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen, stoffen en informatiedragers -mede gelet op de omstandigheden waaronder de voorwerpen werden aangetroffen en in hun onderlinge verband en samenhang bezien- bij de gemiddelde rechtsgenoot in het oog moet springen.

Hoewel de in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen, stoffen en informatiedragers op zichzelf in het stadium waarin deze werden aangetroffen (nog) niet in alle opzichten geschikt waren om de in de bewezenverklaring genoemde strafbare feiten te plegen, waren zij daartoe in deze voorbereidende fase wel kennelijk bestemd in de zin van artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht.

Daarenboven overweegt het hof hierbij tevens dat de verdachte bij arrest van heden is veroordeeld voor het doen van een schriftelijke bommelding bij de politie Westland en voor het sturen van dreigbrieven naar een groot aantal instanties en personen. Bij arrest van dit gerechtshof van 20 februari 2002 was verdachte bovendien al eerder onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van twee zeer gewelddadige overvallen in 1998 en 1999 op grenswisselkantoren, waarbij door verdachte meermalen is geschoten op onder meer politieagenten en waarbij door hem ook van explosieven/geïmproviseerde explosieve voorwerpen gebruik is gemaakt. Bij zijn aanhouding zeer kort na de overval in 1999 bleek verdachte ook 450 gram TATP in een rugzak aanwezig te hebben.

Naar het oordeel van het hof blijkt hieruit niet alleen dat verdachte niet alleen in geestelijk opzicht voortdurend bezig is geweest met bedreiging en de mogelijke toepassing van (grof) geweld, maar tevens dat hij bereid en in staat is gebleken om dergelijke gedachten en voornemens in daden om te zetten. Deze constatering bevestigt en versterkt derhalve het oordeel van het hof omtrent de criminele bestemming van de in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen, stoffen en gegevensdragers.

Met betrekking tot de 'kennelijke bestemming' van de voorwerpen is door de verdediging - kort gezegd - naar voren gebracht dat de voorwerpen geen criminele bestemming hebben, en zijn voor met name de aangetroffen chemische (grond)stoffen en pyrotechnische mengsels andere -niet als crimineel te duiden- bestemmingen naar voren gebracht. In dat kader heeft verdachte onder meer verklaard dat hij de aangetroffen goederen in Rotterdam en Gouvy (België) voorhanden had voor het uitoefenen van zijn paintball- en/of survivalactiviteiten, welke activiteiten hij zowel hobbymatig als bedrijfsmatig (maar niet commercieel) uitoefende. Verder heeft verdachte gesteld dat hij een aantal voorwerpen c.q. geschriften in zijn bezit in verband met zijn werkzaamheden als (persoons)beveiliger en dat hij nu eenmaal een verzamelaar is.

Uit het dossier en de verklaringen van verdachte ter terechtzitting is weinig informatie verkregen over de wijze waarop verdachte zijn paintball- en survivalactiviteiten heeft uitgeoefend. Hoewel daartoe herhaaldelijk door het hof uitgenodigd heeft verdachte omtrent deze activiteiten, en de tijdstippen waarop, en de personen waarmee, deze zich zouden hebben voltrokken, slechts zeer weinig feitelijke informatie verstrekt, zodat er ook in hoger beroep slechts zeer beperkte aanknopingspunten waren voor feitelijk onderzoek naar de juistheid van de verklaringen van verdachte

Ook na het in hoger beroep horen van getuigen door de rechter-commissaris is naar het oordeel van het hof de stelling van de verdachte dat hij de betreffende voorwerpen en stoffen (mengsels) in het kader van voornoemde activiteiten voorhanden had niet aannemelijk geworden. In het bijzonder wijst het hof er daarbij op dat het door de verdachte gestelde feitelijke gebruik door hem van pyrotechnische mengsels en electronische schakelingen bij voormelde paintball- en survivalactiviteiten in ieder geval voor wat betreft de periode waarop de tenlastelegging ziet, geen bevestiging vindt in de afgelegde getuigenverklaringen noch in de overige inhoud van het dossier.

Uit het dossier blijkt tevens dat verdachte na zijn ontsnapping uit detentie waarin hij als gevolg van zijn veroordeling voor onder meer voormelde overvallen was geplaatst een groot aantal geschriften heeft verzameld met betrekking tot onder meer bomaanslagen en overvallen, waarbij zeer ernstig geweld (waaronder het gebruik van explosieven) was toegepast. De uitleg van verdachte dat hij dergelijke geschriften onder zich had in relatie tot zijn werk als persoonsbeveiliger acht het hof onaannemelijk, reeds omdat op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat verdachte -afgezien van een eenmalig optreden als deurbeveiliger bij een feest- daadwerkelijk als zodanig werkzaamheden heeft verricht of cursussen daarin heeft gegeven. Omdat verdachte verder in het geheel geen details omtrent deze gestelde werkzaamheden heeft verstrekt, zijn er ook geen aanknopingspunten voor verder onderzoek.

Dat verdachte, zoals door hem gesteld, een aantal van de bij hem aangetroffen en in de bewezenverklaring opgenomen chemische (grond)stoffen louter voorhanden had voor huishoudelijke doeleinden acht het hof, mede gezien ook de hoeveelheden en de concentraties waarin verdachte deze stoffen voorhanden had, en het met uitzondering van het gebruik van formaldehyde (formaline) ontbreken van enige bevestiging uit objectieve bron van het feitelijk door verdachte huishoudelijk gebruiken daarvan, niet aannemelijk geworden.

Nadere overwegingen betreffende de aanwezigheid van bepaalde (grond)stoffen, voorwerpen, schakelaars en/of elektrische circuitjes en geschriften

In aanvulling op hetgeen hiervoor reeds in meer algemene zin is overwogen ten aanzien van het bewezen verklaren van voorbereidingshandelingen en de daarbij te bezigen criteria, overweegt het hof met betrekking tot een aantal bepaalde voorwerpen, stoffen en geschriften voorts het navolgende.

Grondstoffen voor de springstof TATP

TATP (voluit: triacetontriperoxide) is een zogenaamde primaire springstof die, ook door mensen zonder chemische achtergrond, relatief gemakkelijk en zonder speciale apparatuur (keukenglaswerk en een koelkast of ijs zijn voldoende) te bereiden is, zo blijkt uit de deskundigenrapportage van het NFI. Recepten hiervoor zijn eenvoudig op internet te vinden. Deze recepten komen erop neer dat aceton en waterstofperoxide (meestal in een hoge concentratie) samen met zwavelzuur (dan wel een ander zuur zoals citroenzuur of zoutzuur) dienen te worden gemengd.

Uit het dossier blijkt dat verdachte op de locatie in Gouvy, Belgie onder meer de volgende stoffen voorhanden had: ruim 120 gram aceton, 5 liter geconcentreerde waterstofperoxide (20-40%) en 1 liter zwavelzuur (32%),

Op zijn kamer in de Boelstraat had verdachte onder meer aanwezig: 439,3 gram aceton, 64,7 gram zwavelzuur, 718,4 gram waterstofperoxide van ongeveer 15%. Een deskundige van het NFI heeft -naar het hof begrijpt- louter op basis van de hoeveelheden van de op de Boelstraat aangetroffen stoffen- de netto hoeveelheid (70%) van deze grondstoffen berekend op 307 gram aceton, 503 gram waterstofperoxide van ongeveer 15% en 45 gram zwavelzuur. Uitgaande van een op basis van experimenten als reëel te beschouwen opbrengst van (maximaal) 90% zou hieruit een hoeveel van 50 tot 150 gram TATP kunnen worden vervaardigd. Blijkens deskundigenrapportage van het NFI en de deskundige Lewis kunnen primaire springstoffen zoals TATP, zeer gemakkelijk tot ontsteking worden gebracht, bijvoorbeeld door middel van warmte, een vonk, wrijving of slag. Bij een ontploffing van TATP ontstaan een schokgolf, hitte en brisantie. Indien de springstof is opgesloten in een container treedt bovendien scherfwerking van de container op. Als bijvoorbeeld circa 150 gram TATP in opgesloten toestand tot ontploffing komt, ontstaat door de genoemde effecten, afgezien van materiële schade, tot op een afstand van zeker tien meter, maar mogelijk zelfs tot een afstand van tientallen meters gevaar voor zwaar lichamelijk tot dodelijk letsel voor personen.

Het hof constateert dat verdachte blijkens het arrest van dit gerechtshof van 20 februari 2002 eerder onherroepelijk is veroordeeld voor onder meer het aanwezig hebben van 450 gram TATP. Die hoeveelheid TATP werd bij verdachte op 8 november 1999 aangetroffen nadat hij was aangehouden zeer kort na het plegen van een zeer gewelddadige overval, waarbij door verdachte gebruik was gemaakt van (andersoortige) explosieven.

Zoals hiervoor aangegeven had verdachte in zijn kamer op de Boelstraat alle voor de productie van TATP benodigde grondstoffen tezamen en in elkaars onmiddellijke nabijheid voorhanden. Het is ook verdachte geweest die voormelde (grond)stoffen op enig moment na zijn intrek in de Boelstraat heeft samengebracht. In zoverre is het -in ieder geval ten aanzien van de locatie Boelstraat- ook niet relevant of verdachte genoemde grondstoffen wellicht reeds al voor zijn eerdere detentie had verworven of aanwezig had.

Wel acht het hof relevant dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij in de periode dat hij in de Boelstraat woonde ook informatie heeft verzameld omtrent de bereiding van TATP en de risico’s daarvan. Deze belangstelling van verdachte voor de bereidingswijze van TATP uit genoemde grondstoffen blijkt ook anderszins uit het dossier. Daaruit volgt immers dat op 5 maart 2010 in de bossen nabij Oosterbeek een groot aantal kampeerartikelen, kledingstukken, documenten en andere goederen zijn gevonden, welke aldaar waren verstopt. Verdachte heeft erkend dat deze goederen aan hem toebehoren. Onder deze goederen bevond zich een document waarop -naast bereidingwijzen voor andere explosieve stoffen- de bereidingswijze van TATP uit aceton, waterstofperoxide en zwavelzuur staat beschreven. Aangezien verdachte op 12 mei 2007 is aangehouden en hij nadien onafgebroken in detentie heeft verbleven, moet verdachte derhalve reeds voor deze datum over deze op schrift gestelde bereidingswijze hebben beschikt. Het hof ziet derhalve ook hierin een aanwijzing dat verdachte ook na zijn eerdere veroordeling door dit gerechtshof een bijzondere belangstelling heeft gehouden voor onder meer de bereidingswijzen van explosieve stoffen, waaronder blijkens het document nadrukkelijk ook TATP. Als zodanig ziet het hof ook in de aanwezigheid van het document waarop onder meer de bereidingswijze van TATP staat beschreven een bevestiging dat de verdachte genoemde grondstoffen aanwezig had c.q. naar zijn kamer aan de Boelstraat heeft gebracht met een strafwaardige intentie, namelijk met het oog op het produceren van de explosieve stof TATP.

Naar het oordeel van het hof moet verdachte gezien zijn chemische kennis, opleiding en ervaring in staat worden geacht om uit de aangetroffen stoffen ook daadwerkelijk TATP te kunnen bereiden. Verdachte heeft ter zitting op 25 september 2012 verklaard dat hij in beginsel in staat zou zijn om TATP te vervaardigen, mits hij over een goede handleiding zou beschikken. Op 7 oktober 2012 heeft de verdachte, bij gelegenheid van zijn laatste woord verklaard dat hij in de Boelstraat heeft gezocht naar de wijze van vervaardigen van TATP.

Dat verdachte op zijn kamer in de Boelstraat de aceton, waterstofperoxide en het zwavelzuur voor huishoudelijke toepassingen voorhanden zou hebben gehad acht het hof, ook gezien de hoeveelheden waarin verdachte deze stoffen aanwezig had en de concentraties daarvan, niet aannemelijk geworden.

Op grond van voormelde feiten en omstandigheden is het hof dan ook van oordeel dat er ook na een meer individuele beschouwing ten aanzien van de bij de verdachte aangetroffen (grond)stoffen aceton, waterstofperoxide en zwavelzuur, zoals omschreven onder 1, aanhef en onder C, in de tenlastelegging, moet worden aangenomen dat verdachte deze (grond)stoffen voorhanden had met het oog op de productie van de springstof TATP en tevens ter voorbereiding van de in de bewezenverklaring genoemde misdrijven voorhanden heeft gehad, alsook dat deze stoffen dienen te worden aangemerkt als onderdeel van een voorwerp dat bestemd is voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, zoals onder 3, subsidiair aan verdachte ten laste is gelegd.

Diverse schakelaars en/of elektrische circuitjes en/of andere voorwerpen.

Op de zolderkamer van de verdachte en op de locatie in Gouvy zijn diverse voorwerpen van elektrische of elektronische aard aangetroffen, zoals afstandbedieningen, een schakelkastje, printplaten, een schakelklok, een trilelement van een telefoon, een kunststofbehuizing met deksel, met daarin een schakelaar en ledlampje, en diverse kokers/pijpen met daarin een schakelaar en een ledlampje.

Een deskundige van het NFI heeft op 2 mei 2007 aangegeven dat het aangetroffen trilelement van een (GSM-)telefoon geen kenmerken bevat van een activeringsmechanisme. Het hof constateert evenwel dat bij dit arrest ten aanzien van verdachte eveneens bewezen wordt verklaard dat hij een brief met bedreigende inhoud heeft gezonden aan de politie, in welke brief wordt gesproken over het doen ontploffen van een springstof door middel van het trilelement van een GSM-telefoon. Ook heeft verdachte geen verklaring gegeven voor het door hem voorhanden hebben van een geïsoleerd trilelement. Het hof ziet derhalve in de bevindingen van het NFI geen aanleiding om de aanwezigheid van dit trilelement door verdachte niet evenals de andere in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen te beschouwen als een voorbereidingshandeling als bedoeld in artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht, aangezien daarvoor niet vereist is dat dit voorwerp ook reeds (geheel) geschikt is voor het door verdachte beoogde criminele doel.

Blijkens rapportage van het NFI van 2 mei 2007 is de schakelklok conceptueel geschikt als activeringsmechanisme voor een elektrische ontsteker voor een geïmproviseerd explosief voorwerp (IED). Ten aanzien van het schakelkastje, de kommavormige printplaten en de drie afstandbedieningen heeft het NFI geconcludeerd dat het "drie sets van gemodificeerde draadloos bediende deurbellen zijn, die effectief kunnen functioneren als afstandbediend activeringsmechanisme voor een elektrische ontsteker voor een IED".

Uit de NFI-deskundigenrapportage en foto's in het dossier blijkt tevens dat nagenoeg al deze voorwerpen zijn gemodificeerd. Verdachte heeft verklaard dat hij deze modificaties zelf heeft uitgevoerd. Zo zijn aan genoemde schakelklok 2 draadjes gesoldeerd en getaped. De constructie is zo dat op een bepaald tijdstip het klepeltje van de schakelklok tegelijk contact kan maken met de beide gesoldeerde/getapete draden. Voorts is gebleken dat als de drukknop op een van de aangetroffen afstandsbedieningen wordt ingedrukt, er tot een afstand van 50 meter contact wordt gemaakt met een van de eveneens aangetroffen en gemodificeerde kommavormige printplaten. Uit NFI-rapportage blijkt dat indien vervolgens een ontsteker met de uitgang van deze kommavormige printplaat wordt verbonden zich, nadat op de knop van de afstandbediening wordt gedrukt, bij de uitgang van de printplaat vuurverschijnselen voordoen.

Dat verdachte, zoals door hem gesteld, genoemde "schakelklok" en "afstandbedieningen plus printplaten" als hobby heeft gemodificeerd acht het hof, mede gezien de aard van de gemaakte modificaties, welke redelijkerwijs niet anders begrepen kunnen worden dan te zijn gericht op het (kunnen) functioneren van genoemde voorwerpen als activeringsmechanisme voor een IED, onaannemelijk.

Het hof constateert voorts dat verdachte blijkens het arrest van dit Gerechtshof van 20 februari 2002 onder meer onherroepelijk is veroordeeld voor twee zeer gewelddadige overvallen in 1998 en 1999, waarbij door verdachte behalve van vuurwapens ook gebruikt was gemaakt van geïmproviseerde explosieve voorwerpen. Deze IED's bestonden uit pijpen/kokers met daarin een pyrotechnische stof. Uit de NFI-rapportage en de verklaringen van de deskundige Lewis ter terechtzitting blijkt voorts dat als pyrotechnische stoffen, zoals aangetroffen bij verdachte, in een voldoende afgesloten behuizing zoals een koker of pijp worden geplaatst, deze stoffen na ontsteking zullen detoneren. Verdachte heeft geen redelijke of aannemelijke verklaring gegeven waarvoor voormelde bij hem aangetroffen kunststof behuizing, pijpen of kokers zouden kunnen dienen, anders dan als omhulsel bij het tot ontbranding of explosie brengen van pyrotechnische of explosieve stoffen.

Concluderend is het hof dan ook van oordeel dat er ook na een meer individuele beschouwing ten aanzien van de bij de verdachte aangetroffen voorwerpen: schakelkast afstandbedieningen, kommavormige printplaten, een schakelklok en diverse (kunststof) kokers/pijpen, zoals omschreven onder 1, aanhef en onder E., in de tenlastelegging, moet worden aangenomen dat verdachte deze voorwerpen ter voorbereiding van de in de bewezenverklaarde misdrijven voorhanden heeft gehad

Diverse andere goederen (landkaarten, plattegronden, foto's en kledingstukken)

Van belang acht het hof verder, dat op de zolderkamer van verdachte landkaarten van het Botlek-gebied, een plattegrond van de HSL-zone, foto's van diverse gebouwen (waaronder het gebouw van de rechtbank Rotterdam en/of Hotel New York) en schepen en evenementen in Rotterdam en ook foto's van beveiligingsmaatregelen in Den Haag tijdens Prinsjesdag werden aangetroffen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat de foto's van de gebouwen slechts algemene (en geen gedetailleerde) beeldinformatie tonen en zich bovendien in een zodanig uitgebreide en algemene collectie bevonden dat naar het oordeel van het hof niet is komen vast te staan dat de verdachte deze foto's (kennelijk) voorhanden had ter voorbereiding van de in de tenlastelegging genoemde misdrijven. Hetzelfde geldt voor de (incomplete) plattegronden van het HSL-tracé in Rotterdam, die op eenvoudige wijze uit open bronnen te verkrijgen zijn. Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet de overtuiging bekomen dat deze bij verdachte aangetroffen geschriften en foto's kennelijk bestemd waren voor het - kort gezegd - plegen van de strafbare feiten die in de bewezenverklaring zijn genoemd. Van deze onderdelen van de tenlastelegging zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de foto's van (de beveiliging van) Prinsjesdag overweegt het hof dat blijkens deze foto's, waarvan verdachte heeft erkend dat hij ze zelf gemaakt heeft, door verdachte kennelijk is ingezoomd op specifieke details zoals (onderdelen van) politie- en koninklijke marechaussee-uniformen, gebruikte telecommunicatiemiddelen en gebruikte parkeervergunningen. Deze constatering wint naar het oordeel van het hof aan gewicht door het feit dat er bij verdachte ook delen van een marechaussee-uniform en soortgelijke communicatieapparatuur als op de foto's is te zien zijn aangetroffen. Verdachtes verklaring dat verdachte deze foto's uit beroepsmatige interesse uit hoofde van zijn werkzaamheden als persoonsbeveiliger zou hebben gemaakt heeft gemaakt acht het hof niet aannemelijk, reeds omdat -zoals hiervoor reeds overwogen- ter zake niet meer aannemelijk is geworden dan dat verdachte eenmalig als deurbeveiliger bij een feest heeft gewerkt.

Verdachte heeft ten aanzien van de overige de bij hem in zijn kamer aan de Boelstraat aangetroffen voorwerpen, zoals een kogelwerend vest, een bivakmuts en kleding van opsporingsinstanties zoals de koninklijke marechaussee, niet meer verklaard dan dat hij de voorwerpen verzamelde en bewaarde, terwijl naar het oordeel van het hof van verdachte juist een uitleg mag worden verwacht, zeker gelet op de eerder door hem gepleegde overvallen waarbij deels soortgelijke voorwerpen zijn gebruikt.

Gezien deze feiten en omstandigheden, alsook het hiervoor reeds in algemene zin overwogene, ziet het hof geen redenen om het vervaardigen en/of aanwezig hebben door verdachte van de foto's van (de beveiliging van) Prinsjesdag en voormelde kledingstukken niet te beschouwen als een voorbereidingshandeling als bedoeld in artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht.

Gedeeltelijke vrijspraak betreffende formaldehyde, glycerine, en tolueen.

(…)

Overwegingen betreffende de relatie voorbereidingshandelingen – specifieke misdrijven

Op de zolderkamer aan de Boelstraat zijn pyrotechnische mengsels aangetroffen die na opsluiting ook geschikt zouden zijn als explosieven. Als de totale hoeveelheid aangetroffen mengsels, door het NFI op bruto 2 kilogram, geschat in een omhulsel tot ontploffing zou worden gebracht, zal volgens een deskundigenbericht van het NFI hoogstwaarschijnlijk ernstig lichamelijk letsel tot dodelijk letsel optreden bij personen in de nabije omgeving. Betreffende het in één fles/pot aangetroffen mengsel 24, bestaande uit kaliumpermanganaat en suiker, met een geschatte netto massa van 872,2 gram heeft een deskundige van het NFI verklaard dat indien dit mengsel bij opsluiting in een kartonnen omhulsel zoals een koker tot ontploffing komt, hoogstwaarschijnlijk ernstig lichamelijk letsel tot dodelijk letsel zal optreden bij personen in de directe omgeving. Dergelijke kokers c.q. pijpen, alsook onderdelen voor IED's zijn ook bij verdachte aangetroffen. Hierboven is reeds de potentieel dodelijke uitwerking van de springstof TATP beschreven, waarvan verdachte eveneens de grondstoffen voorhanden had. Door deze mengsels c.q. grondstoffen te vervaardigen en/of voorhanden te hebben heeft verdachte naar het oordeel van het hof handelingen verricht ter voorbereiding op het opzettelijk brand stichten dan wel een ontploffing teweeg te brengen, waarbij gevaar voor goederen, dan wel levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was.

Naast de pyrotechnische mengsels, grondstoffen voor de springstof TATP en onderdelen voor geïmproviseerde explosieve voorwerpen, had verdachte ook twee vuurwapens voorhanden met daarbij relatief grote hoeveelheden bijpassende munitie, alsook een kogelwerend vest en een bivakmuts. Dit samenstel van stoffen en voorwerpen acht het hof veelzeggend in het licht van het onherroepelijk arrest van dit gerechtshof van 20 februari 2002. Daaruit blijkt immers dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan twee gewapende overvallen op grenswisselkantoren, waarbij verdachte ook explosieven heeft gebruikt. Bij de tweede overval was hij gekleed in een kogelwerend vest en heeft hij zich met behulp van een semi-automatisch vuurwapen een vluchtweg heeft verschaft. De kogels zijn daarbij blijkens dit arrest rakelings langs agenten en omstanders gevlogen.

Door zich te voorzien van vuurwapens (waarvan één doorgeladen), relatief grote hoeveelheden munitie en een kogelwerend vest, c.q. door voorwerpen in zijn kamer aan de Boelstraat bij een te brengen, heeft verdachte zich kennelijk wederom voorbereid op een diefstal met geweld dan wel afpersing, alsook op een mogelijk vuurgevecht. Het behoeft geen betoog dat daarbij doden kunnen vallen. Door bedoelde voorbereidingen te treffen heeft verdachte in elk geval ook momenten van kalm beraad en rustig overleg gehad en dient het vorenstaande dan ook te worden gekwalificeerd als voorbereiding van moord.

Uit het aantreffen van voornoemde (concept losgeld) brief, waarvan verdachte heeft verklaard dat hij de wijzigingen in de brief heeft aangebracht, in combinatie met de aangetroffen vuurwapens, portofoons en tie-wraps, blijkt naar het oordeel van het hof dat hij deze goederen voorhanden had als voorbereiding op een eventueel uit te voeren gijzeling dan wel opzettelijke vrijheidsberoving. Uit het feit dat verdachte welbewust de wijzigingen in de brief heeft aangebracht leidt het hof af, dat de mogelijkheid van gijzeling dan wel opzettelijke vrijheidsberoving bij verdachte zelfs al tot een zekere concretisering had geleid.

Overwegingen betreffende de bewezen verklaarde periode

Ten aanzien van (de aanvang van) de periode waarin de onder 1. tenlastegelegde feiten zouden zijn gepleegd overweegt het hof het navolgende. In de tenlastelegging is als startdatum voor deze periode opgenomen de dag van ontvluchting van verdachte uit de penitentiaire inrichting. Op dat moment beschikte verdachte echter nog niet over zijn kamer aan de Boelstraat, waar verreweg de meeste voorwerpen, stoffen en gegevensdragers zijn aangetroffen, welke thans in de bewezenverklaring bij feit 1 zijn opgenomen. Deze omstandigheid, gecombineerd met het gegeven dat het hof bij de beoordeling of en in hoeverre deze stoffen, voorwerpen en gegevensdragers die verdachte aanwezig had (kennelijk) bestemd waren voor de in de tenlastelegging genoemde misdrijven de aanwezigheid van de in de Boelstraat aangetroffen goederen tevens in onderling verband en samenhang heeft bezien met de in Gouvy voorhanden stoffen is het hof van oordeel dat voor alle onder 1 onderscheiden feiten en daarmee verband houdende stoffen, voorwerpen en geschriften, de periode van bewezenverklaring op zijn vroegst kan worden gesteld op het moment dat verdachte de beschikking had over zijn kamer in de Boelstraat. Verdachte heeft gesteld dat hij vanaf ongeveer een jaar na zijn ontsnapping uit de penitentiaire inrichting (die was op 12 december 2001) regelmatig op de Boelstraat […] verbleef. Tevens heeft hij op 9 oktober 2007 verklaard dat hij 2 à 3 jaar geleden diverse goederen naar de zolderkamer aan de Boelstraat had overbracht en vanaf dat moment ook die kamer is gaan afsluiten. De getuige [getuige], de partner van [betrokkene 1], de verhuurder van de zolderkamer aan de Boelstraat, heeft verklaard dat verdachte vanaf ongeveer oktober 2002 op de Boelstraat verbleef. [betrokkene 1] zelf heeft verklaard dat verdachte ongeveer september 2002 bij hem in ingetrokken. Uit deze verklaringen leidt het hof af dat verdachte op enig moment in het najaar van 2002 de zolderkamer aan de Boelstraat in gebruik heeft genomen. Het hof zal dan ook 1 september 2002 als aanvangsmoment aanmerken van de periode waarin de onder 1. bewezenverklaarde feiten zijn begaan.”

7. Verder heeft het Hof ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde nog opgemerkt (arrest, p. 47):

Opmerking bewezenverklaring feit 1

Met betrekking tot het onder 1 bewezen verklaarde geldt dat de genoemde goederen, stoffen en informatiedrager(s) tot 1 februari 2007 kennelijk bestemd waren voor het plegen van de genoemde misdrijven en dat zij vanaf 1 februari 2007 bestemd waren voor het plegen van de genoemde misdrijven. Dit gezien de wijziging van het bepaalde in artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht met ingang van die datum.”

8. De tenlastelegging is wat betreft feit 1 toegesneden op – voor zover hier van belang – art. 46, eerste lid (oud) Sr en daarom moeten de in de tenlastelegging voorkomende woorden “kennelijk bestemd” geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekwam in dat artikel.

9. Ten aanzien van feit 1 is door het Hof (onder meer) bewezenverklaard de periode van 1 september 2002 t/m 12 mei 2007 en telkens dat de voorwerpen kennelijk bestemd waren tot het begaan van het bedoelde misdrijf, met dien verstande, zo blijkt uit de voormelde opmerking van het Hof bij feit 1, dat de genoemde voorwerpen vanaf 1 februari 2007 bestemd waren voor het plegen van de genoemde misdrijven.

10. Deze toevoeging van het Hof laat zich verklaren uit de wetswijziging van art. 46 Sr bij de op 1 februari 2007 in werking getreden ‘Wet van 20 november 2006 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten ter verruiming van de mogelijkheden tot opsporing en vervolging van terroristische misdrijven’ (Stb. 2006, 580). Sindsdien luidt het eerste lid van art. 46 Sr:

“1. Voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld is strafbaar, wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft.”

11. Tot 1 februari 2007 bepaalde dit eerste lid (oud) dat de voorwerpen, stoffen, etc. kennelijk bestemd moesten zijn tot het begaan van dat misdrijf. De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de voormelde Wet heeft geleid, houdt omtrent het doen vervallen van het woord kennelijk het volgende in:4

“ARTIKEL II

Onderdeel A (artikel 46 Sr)

De opvattingen in de literatuur over de wijze waarop het begrip «kennelijk» in artikel 46 Sr uitgelegd dient te worden, verschillen nogal (vgl. J. de Hullu, Materieel strafrecht, tweede druk, 2003, p. 412–413). Sommigen betogen dat uit de aard van de voorwerpen (etc.) de objectieve bestemming tot het criminele doel dient te blijken, anderen, waaronder De Hullu, betogen dat de criminele intentie van de dader mee mag tellen. De eis van de kennelijke bestemdheid is bij de laatste interpretatie feitelijk overbodig naast de eis dat de dader opzet op de voorbereiding heeft. De gepubliceerde jurisprudentie wijst erop dat de Hoge Raad geen hoge eisen stelt aan de «kennelijkheid» van de criminele bestemming. Zo gaat het in HR 17 september 2002, NJ 2002, 626, om het voorhanden hebben van een bivakmuts en/of een of meer gestolen auto’s in verband met een voorbereide overval.

Tegen deze achtergrond wordt voorgesteld duidelijkheid te creëren door het bestanddeel «kennelijk» te schrappen. Daarmee wordt artikel 46 Sr ook beter afgestemd op de bijzondere strafbaarstelling van voorbereiding welke in artikel 96, tweede lid, onder 3°, Sr is omschreven. Deze duidelijkheid is onder meer van belang in verband met de strafbaarstelling van financiering van terroristische misdrijven. Van gelden die beschikbaar worden gehouden of gesteld voor de financiering van aanslagen zal niet gemakkelijk kunnen worden gesteld dat uit de aard van het voorwerp de objectieve bestemming tot het criminele doel blijkt. Geld dat voor een goed doel beschikbaar wordt gehouden ziet er niet anders uit dan geld dat beschikbaar wordt gehouden voor een aanslag. De subjectieve bestemming, het opzet van de dader, is toereikend voor strafbaarheid. Die eis van de subjectieve bestemming wordt thans en in de toekomst uitgedrukt door de formulering dat de dader opzettelijk voorwerpen bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft.”

12. In HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0213 (Samir A.) heeft de Hoge Raad omtrent art. 46, eerste lid (oud), Sr het volgende overwogen:

“3.7. Bij de beantwoording van de vraag of de in art. 46, eerste lid, (oud) Sr vermelde voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen (hierna gezamenlijk ook als 'voorwerpen' aan te duiden), afzonderlijk of gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm "kennelijk bestemd" zijn tot het begaan van het misdrijf in de zin van deze bepaling, kan, naar mede volgt uit de vorenweergegeven wetsgeschiedenis, niet worden geabstraheerd van het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen had.

Het Hof, dat heeft overwogen aan de terroristische intentie van de verdachte niet te twijfelen, heeft geoordeeld dat de in de tenlastelegging opgesomde voorwerpen, stoffen en informatiedragers die de verdachte heeft vervaardigd of voorhanden heeft gehad, niet kennelijk bestemd zijn tot voorbereiding van een aanslag zoals tenlastegelegd, omdat die voorwerpen die bestemming in objectieve zin redelijkerwijs niet kunnen hebben. Daarmee heeft het Hof kennelijk als maatstaf aangelegd of die voorwerpen naar hun aard of hun concreet dan wel acuut gevaarzettend karakter daadwerkelijk zouden kunnen bijdragen aan het begaan van dat misdrijf.

Aldus heeft het Hof blijk gegeven van een te beperkte en dus onjuiste opvatting omtrent art. 46, eerste lid, (oud) Sr. Het Hof heeft immers nagelaten te beoordelen of deze voorwerpen, afzonderlijk dan wel gezamenlijk naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van de voorwerpen voor ogen had.”

13. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat de vervanging van het criterium van de “gemiddelde rechtsgenoot” door de “subjectieve bestemming” – ik begrijp als gevolg van het vervallen van het woord kennelijk – een wijziging van wetgeving in de zin van art. 1, tweede lid, Sr oplevert. Aangevoerd wordt dat deze subjectivering de strafrechtelijke aansprakelijkheid enigszins beperkt “en wel in die zin dat daarmee gerichter en concreter tot uitdrukking wordt gebracht wie de normadressant van art. 46 Sr is: degene die werkelijk van plan is onheil aan te richten”. Om die reden is, aldus de steller van het middel, de nieuwe wetgeving gunstiger voor verzoeker, zodat ook ten aanzien van de feiten gepleegd vóór 1 februari 2007 heeft te gelden dat de voorwaarde van de “subjectieve bestemming” oftewel de criminele intentie toepasselijk moet worden geacht. De bewijsvoering van het Hof schiet volgens de steller van het middel op dat onderdeel echter tekort, mede gelet op de bewezenverklaarde periode van bijna vijf jaren en in aanmerking genomen dat naarmate de periode van het voorhanden hebben van voorbereidingsmiddelen langer is, het minder aannemelijk is dat sprake is van een subjectieve bestemming c.q. criminele intentie.

14. In dat betoog kan ik de steller van het middel niet volgen. Naar mijn oordeel getuigt de uitleg die in de Memorie van Toelichting ter zake van het doen vervallen van kennelijk is gegeven, niet van een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte en/of de strafwaardigheid van voorbereidingshandelingen. Uit de aangehaalde passage uit de Memorie van Toelichting, waarin wordt verwezen naar verschillende opvattingen in de literatuur en HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4200, NJ 2002/626, blijkt veeleer van een voorstel om het toen bestaande criterium te verduidelijken, te verhelderen.5 “Het is niet mijn bedoeling de reikwijdte van het bestaande artikel 46 Sr wezenlijk bij te stellen. De aanpassing vindt zijn grond in de wens van verduidelijking”, aldus nog eens toenmalig Minister Donner van Justitie in zijn brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal d.d. 17 maart 2005.6 Daarbij komt dat uit het hierboven weergegeven arrest van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat de “subjectieve bestemming” oftewel de criminele intentie van de verdachte ook reeds onder de vigeur van art. 46, eerste lid, (oud) Sr een belangrijke beoordelingsfactor was.

15. Voorts meen ik dat de bewijsvoering van het Hof ten aanzien van het door de steller van het middel bekritiseerde onderdeel niet te kort schiet. De duur van de bewezenverklaarde periode (van bijna vijf jaren) en de verwijzing in de toelichting op het middel naar het filmaanbod op televisie en in de bioscoop respectievelijk naar Kapitein Haddock (“duizend bommen en granaten”) maken dit niet anders. De vraag of de voorbereidingsvoorwerpen of -middelen “kennelijk bestemd” respectievelijk “bestemd” waren tot het begaan van de bewezenverklaarde voorbereiding van moord komt uitgebreid aan bod in mijn bespreking van het tweede middel.

16. Het middel faalt.

17. Het tweede middel, dat dicht tegen het eerste middel aanligt en daarmee misschien wel enigszins verknoopt is, klaagt dat de bewezenverklaring van feit 1 niet naar de eis der wet voldoende met redenen is omkleed, nu het Hof heeft miskend dat de voorbedachte raad in de zin van art. 289 Sr op de levensberoving ziet en niet op het gebezigde middel c.q. de gebezigde middelen waarop het Hof zijn oordeel heeft doen steunen en aldus blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting van het begrip voorbedachte raad.

18. In de toelichting op het middel wordt met een beroep op HR 24 juni 1986, NJ 1987/177 en met verwijzing naar de nadere motiveringseisen die aan het bewijs van voorbedachte raad als bedoeld in art. 289 Sr naar de tegenwoordige stand van de rechtspraak van de Hoge Raad worden gesteld, aangevoerd dat “ook een nadere motivering, waarbij aan de afwezigheid van contra-indicaties aandacht wordt besteed, bij het voorbereidingsdelict vereist [zal] moeten worden.” De steller van het middel vervolgt aldus: “Een zodanige contra-indicatie, die het Hof verzuimd heeft in zijn overwegingen te betrekken, is gelegen in de omstandigheid dat de voorbedachte raad als bedoeld in art. 289 Sr ziet op de levensberoving en niet op het middel met behulp waarvan deze wordt bewerkstelligd.” Daarnaast voert de steller van het middel aan dat de bewijsredenering van het Hof in wezen neerkomt op voorwaardelijk opzet op moord, zulks terwijl ter beoordeling daarvan meer details over de aard van de overval en de omstandigheden waaronder deze zal worden gepleegd en de locatie nodig zijn.

19. Het middel werpt een interessante rechtsvraag op, namelijk of de koers wijzigende rechtspraak van de Hoge Raad omtrent het voltooide misdrijf van moord (art. 289 Sr) en meer in het bijzonder aangaande het begrip voorbedachte raad, mede inbegrepen de aangescherpte motiveringseisen7, tevens (geheel en al) betrekking heeft op het onvolkomen delict van voorbereiding van moord (art. 46 Sr in verbinding met art. 289 Sr).

20. De Hoge Raad heeft onder meer in HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156 omtrent het bestanddeel voorbedachte raad in art. 289 Sr overwogen:

“3.3. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven (vgl. HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518).

3.4.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.”

21. Daarmee is het voor de voorbedachte raad vereiste gelegenheidscriterium – betreffende het nadenken en de rekenschap tussen besluit en uitvoering - geobjectiveerd. Niet meer overheersend is de tijd die de verdachte had om zich te beraden, reeds omdat daartegenover de door de Hoge Raad bedoelde contra-indicaties zwaarder kunnen wegen. Daarnaast gelden thans de verzwaarde motiveringseisen die de Hoge Raad aan de vaststelling van voorbedachte raad (en aan de afwezigheid van contra-indicaties) verbindt.

22. Zou de gewraakte bewijsconstructie van het Hof aangaande de voorbereiding van moord zoals bewezenverklaard, enkel in het licht van de recente jurisprudentie inzake voorbedachte raad worden beschouwd, dan zou de slotsom wel eens vlot kunnen luiden dat te dezen sprake is van een motiveringsgebrek.

23. Het punt is evenwel dat de hiervoor aangehaalde overwegingen van de Hoge Raad op het voltooide delict van moord zien. In dat afgewerkte kader gaat het erom of ook naar objectieve criteria materieel vastgesteld kan worden dat de verdachte daadwerkelijk voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit om een ander van het leven te beroven en dat er zich geen relevante contra-indicaties hebben voorgedaan. Daarbij komt dat de aangescherpte motiveringseis is ingegeven vanuit het sterk strafverzwarende gevolg van voorbedachte raad in de zin van art. 289 Sr ten opzichte van doodslag (art. 287 Sr). Nu kan ingevolge het derde lid van art. 46 Sr een gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren worden opgelegd ingeval van een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld en zou kunnen worden betoogd dat er in zoverre sprake is van een strafverzwarend gevolg ten opzichte van het tweede lid waarin is bepaald dat het maximum van de hoofdstraffen op het misdrijf gesteld, bij voorbereiding met de helft wordt verminderd, en dat dus in het bijzonder indien de voorbereiding van voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, de rechter daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht dient te geven.

24. Maar om nu, zoals de steller van het middel kennelijk voorstaat, de recente rechtspraak van de Hoge Raad omtrent het voltooide delict van moord zonder meer, dus zonder enige zakelijke bespiegeling te kopiëren naar het leerstuk van de strafbare voorbereiding als bedoeld in art. 46 Sr - dat ver van het voltooide misdrijf afligt en zijn eigen actieradius kent - gaat mij te kort door de bocht.

25. Waarom een nadere motivering, waarbij aan de afwezigheid van contra-indicaties aandacht wordt besteed, bij het voorbereidingsdelict vereist zal moeten worden, legt de steller van het middel niet uit. Deze omissie zou op zichzelf genomen tot de slotsom moeten leiden dat hetgeen de steller van het middel op dit punt naar voren brengt, niet oplevert een middel in de zin van de wet en deswege in cassatie geen bespreking behoeft. Zover zal ik echter niet gaan, omdat ik in het middel een motiveringsklacht in bredere zin ontwaar, die mede de bewijsredenering van het Hof ten aanzien van het door de steller van het middel aangeduide voorwaardelijk opzet bestrijkt. Dat betekent naar mijn mening dat een nadere beschouwing over de strafbare voorbereiding toch op haar plaats is; het middel nodigt mij althans daartoe uit.

26. Vooropgesteld zij dat uit de bewijsmiddelen zal moeten kunnen worden afgeleid dat de voorbereidingshandeling strekte ter voorbereiding van moord, op het begaan waarvan het opzet van de verdachte was gericht, aldus HR 17 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9358, NJ 2004/400 m.nt. Reijntjes. De bestanddelen van art. 46, eerste lid, Sr worden blijkens hun positie in de wettekst beschenen door het begrip opzettelijk. Dat voorbereidingsopzet zal kunnen blijken uit de criminele intentie van de betrokkene. Of dat opzet ook valt af te leiden uit de uiterlijke verschijningsvorm van de voorbereidingsvoorwerpen of –middelen c.q. uit de strekking van de uiterlijk kenbare opstelling van de verdachte, is een vraag waarop ik aanstonds terugkom.

27. Voorts dient te worden onderstreept dat de strafbare voorbereiding als bedoeld in art. 46 Sr een onvolkomen delictsvorm betreft. Zoals in mijn bespreking van het eerste middel al tot uiting kwam, spelen de voorbereidingsvoorwerpen of –middelen een belangrijke rol bij de vaststelling van de bestemming ten aanzien van het betreffende misdrijf. Deze moesten ingevolge art. 46 (oud) Sr kennelijk bestemd zijn, en moeten naar de huidige wettekst bestemd zijn, tot het criminele doel. Die misdadige doelbestemming moet voor de gemiddelde rechtsgenoot (later ter verduidelijking gewijzigd in de subjectieve bestemming), gelet op de omstandigheden waaronder de middelen werden gebruikt en aangetroffen, in het oog springen, aldus minister van Justitie Hirsch Ballin in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de ‘Wet Wijziging van het Wetboek van Strafrecht inzake algemene strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen’.8

28. Bij de voorbereidingshandeling ligt de nadruk sterk op de naar buiten getreden doelstelling. In de daaropvolgende Memorie van Antwoord kan wat dat betreft het volgende worden gelezen:

“Het Nederlandse strafrecht verplicht bijna nooit, ter vestiging van de aansprakelijkheid, naspeuringen te doen naar motieven, emoties en finale doelstellingen van daders. Maar bij de onvolkomen delictsvormen wel, omdat, wat ontbreekt aan objectieve bestanddelen bij de beredenering van de rechtsgrond van de strafrechtelijke reactie, min of meer gecompenseerd wordt door de subjectieve, die daarom ook zwaarder aangezet worden. De delictsfactoren werken hier om zo te zeggen als “communicerende vaten”.

(…)

Het komt aan op de veruiterlijkte intentie. Doorslaggevend is de voorstelling van de dader. Het bestaan van de intentie zal wel op een of andere manier uit objectieve omstandigheden moeten blijken. De intentie zal objectiveerbaar moeten zijn, aan de dag moeten zijn getreden.”9

Een veertiental jaar later, tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de ‘Wet Wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten ter verruiming van de mogelijkheden tot opsporing en vervolging van terroristische misdrijven’, antwoordde minister van Justitie Donner in de Nota naar aanleiding van het Verslag op een vraag vanuit de Tweede Kamer10 of bij afwezigheid van een verklaring van een verdachte de rechter zijn toevlucht kan nemen tot bijvoorbeeld een objectieve waardering van het handelen van de dader of van de aard van de voorwerpen:

“Maar ook de aard van de voorweren kan, in combinatie met ander bewijsmateriaal, aan de overtuiging van de rechter bijdragen”.11

29. Uit de hiervoor weergegeven, aan de wetsgeschiedenis ontleende passages blijkt dat de criminele intentie van de voorbereider een belangrijke beoordelingsfactor vormt als het gaat om alledaagse voorwerpen als bijvoorbeeld een mes of een touw. Maar evenzeer blijkt daaruit dat bij ontstentenis van een bekennende verklaring van de verdachte compensatie kan worden gevonden in de kracht van de objectiveerbare component van het handelen van de voorbereider of van de aard van de voorbereidingsvoorwerpen of -middelen. De voormelde Memorie van Toelichting rept immers van communicerende vaten. Ontbreekt dus een uit de verklaring van de verdachte zelf blijkende subjectieve intentie, dan kan in voorkomende gevallen het accent komen te liggen op de objectieve geschiktheid en/of het gebruik van de al dan niet samengestelde voorbereidingsvoorwerpen of -middelen. In de vroegere terminologie van de wetgever: bepalend voor de objectieve bestemming van de voorbereidingsvoorwerpen of –middelen is de indruk die deze, afzonderlijk of in hun onderlinge samenhang, op de gemiddelde rechtsgenoot maken. Aldus zal, en zo ook de Hoge Raad in het Samir A.-arrest, aan een dergelijke uiterlijke verschijningsvorm een rol van betekenis kunnen worden toegekend. Voor zover het voorwerp geen overduidelijk voorbereidingsmiddel is, kan de criminele bestemming eventueel worden afgeleid uit de omstandigheden waaronder het voorwerp wordt gebruikt en aangetroffen. En tot slot kan bij de strafbare voorbereiding ook nog de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging een bijdrage leveren aan het oordeel ter zake.

30. Ik keer terug naar de onderhavige zaak. Het Hof heeft vastgesteld dat verzoeker een groot aantal voorbereidingsvoorwerpen en –middelen heeft vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad. Deze voorwerpen zijn in vier categorieën onder te verdelen. De eerste categorie bestaat uit voorwerpen en (grond)stoffen die betrekking hebben op, wat ik kortheidshalve noem, de explosieve constructie. Het gaat daarbij om pyrotechnische mengsels en grondstoffen daarvoor, grondstoffen voor de springstof TATP, omhulsels voor pyrotechnische of explosieve stoffen, diverse schakelaars en/of elektrische circuitjes, afstandsbedieningen, een schakelklok en dergelijke die geschikt zijn om als activeringsmechanisme te functioneren voor een geïmproviseerd explosief voorwerp. Onder de tweede categorie vallen de vuurwapens, waarvan één doorgeladen, relatief grote hoeveelheden munitie en een patroonhouder. De derde categorie wordt gevormd door een kogelwerend vest, een bivakmuts, onderdelen van politie-, brandweer- en marechaussee-uniformen, portofoons en tie-wraps. En als vierde categorie kunnen worden aangemerkt de geschriften met betrekking tot bomaanslagen en overvallen, waarbij zeer ernstig geweld (waaronder het gebruik van explosieven) was toegepast, een document inhoudende de bereidingswijze van TATP en andere explosieve stoffen, de losgeldbrief12, de foto’s van beveiligingsmaatregelen in het centrum van Den Haag op Prinsjesdag, de plattegronden en de geschriften waaruit grootschalige bedreiging van personen en instellingen blijkt.

Voorts heeft het Hof vastgesteld dat verzoeker:

- bij arrest van het Hof van 20 februari 2002 onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van twee zeer gewelddadige overvallen op grenswisselkantoren, waarbij door de verzoeker meermalen is geschoten op onder meer politieagenten en waarbij door hem van explosieven c.q. geïmproviseerde explosieve voorwerpen gebruik is gemaakt;

- bij zijn aanhouding kort na de tweede hiervoor bedoelde overval 450 gram TATP bij zich had, een stof die als zij in een hoeveelheid van 150 gram in opgesloten toestand tot ontploffing wordt gebracht binnen een afstand van enkele tientallen meters gevaar voor zwaar lichamelijk letsel tot dodelijk letsel oplevert;

- bij het bestreden arrest is veroordeeld voor het doen van een schriftelijke bommelding bij de politie;

- bij het bestreden arrest is veroordeeld voor het meermalen plegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht door middel van het sturen van dreigbrieven (waarvan een groot deel ook poeder bevatte) aan een groot aantal instanties en personen;

- heeft erkend dat hij in de Boelstraat heeft gezocht naar de wijze van vervaardigen van TATP.

Tot slot heeft het Hof geoordeeld dat het weinige dat verzoeker heeft aangevoerd omtrent de bestemming van de bij hem aangetroffen voorwerpen, (grond)stoffen en informatiedragers niet aannemelijk is geworden.

31. Zoals de Hoge Raad in de hierboven onder 12 aangehaalde overweging heeft uiteengezet gaat het er niet (alleen) om of die voorwerpen naar hun aard of hun concreet dan wel acuut gevaarzettend karakter daadwerkelijk zouden kunnen bijdragen aan het begaan van het betreffende misdrijf, maar kan blijkens de wetsgeschiedenis niet worden geabstraheerd van het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen had. Daarbij dient echter wel te worden aangetekend dat in het Samir A.-arrest vooral de strafbaarheid van – kort gezegd – de ondeugdelijke voorbereiding, dat wil zeggen de ongeschiktheid van het voorbereidingsmiddel, centraal stond. In het onderhavige geval staat naar mijn inzicht dit punt in cassatie niet ter discussie. Het betreft hier allesbehalve alledaagse ‘onschuldige’ voorwerpen ten aanzien waarvan de vraag of deze een voorbereidingsmiddel zijn afhankelijk is van de subjectieve intentie van de voorbereider13, noch om een amateuristisch in elkaar geknutselde explosieve constructie van een in dat verband onervaren verdachte. Het gevaar waarvoor Smith waarschuwt, namelijk dat de strafbaarheid van de voorbereider enkel wordt gebaseerd op het voorhanden hebben van ‘gewone’ voorwerpen14, doet zich hier dus in het geheel niet voor. Integendeel. Verzoeker is blijkens de bestreden uitspraak iemand die op dat vlak over de nodige scheikundige expertise beschikt en reeds eerder op gewelddadige wijze van explosieve stoffen gebruik heeft gemaakt. Ik meen dan ook dat de kracht van de objectiveerbare component van het handelen van de voorbereider en van de aard van de voorbereidingsvoorwerpen of –middelen in volle omvang aanwezig is en dat daaruit de criminele intentie van verzoeker in voldoende mate spreekt. In samenhang daarmee stel ik vast dat het Hof in zijn “Verdere beoordeling tenlastelegging” nadrukkelijk de uiterlijke verschijningsvorm van de bedoelde voorwerpen heeft beschouwd en zich de vraag heeft gesteld of deze voorwerpen de ‘veruiterlijking’ van een strafwaardige intentie van de verzoeker vormen, en dat het Hof in zoverre aan zijn motiveringsplicht in het verband van de strafbare voorbereidingshandeling heeft voldaan.

32. Het Hof heeft zich dus geconcentreerd op de indruk die de voorwerpen, afzonderlijk of in hun onderlinge samenhang met de voorwerpen die ik hierboven in diverse categorieën heb gerangschikt op de gemiddelde (redelijke) rechtsgenoot zouden kunnen maken. Voorts heeft het Hof overeenkomstig de door de wetgever geaccepteerde mogelijkheid geredeneerd dat sterke objectieve componenten van een voorbereidingshandeling een zwakke criminele intentie kunnen compenseren. Ik versta deze redenering aldus dat naar het oordeel van het Hof de voorbereidingsmiddelen objectief hun instrumentele functie hadden of konden hebben. Voor degeen die de instrumentele functie niet los wil zien van de intentie van de verdachte15, wijs ik erop dat de subjectieve inslag eveneens naar voren komt in de vierde categorie (waarin onder meer methoden worden beschreven voor bomaanslagen, bepaalde locaties zijn uitgezocht en bedreigingen worden geuit in de richting van bepaalde personen en instellingen) en de erkenning van verzoeker dat hij in de Boelstraat heeft gezocht naar de wijze van vervaardigen van TATP. Daarbij komt dat verzoeker, die overigens uit detentie was ontsnapt, gezien zijn eerdere veroordeling ter zake van twee zeer gewelddadige overvallen op grenswisselkantoren, waarbij door verzoeker meermalen is geschoten op onder meer politieagenten en waarbij door hem van explosieven en explosieve voorwerpen gebruik is gemaakt, er blijk van heeft gegeven tot dergelijke voornemens te kunnen komen en in staat is deze daadwerkelijk tot uitvoering te brengen.

33. Vervolgens heeft het Hof aangaande de voorbereiding van moord in het bijzonder overwogen dat verzoeker, door zich te voorzien van vuurwapens (waarvan één doorgeladen), relatief grote hoeveelheden munitie en een kogelwerend vest, c.q. door voorwerpen in zijn kamer aan de Boelstraat bijeen te brengen, zich kennelijk wederom heeft voorbereid op een diefstal met geweld dan wel afpersing, alsook op een mogelijk vuurgevecht waarbij doden kunnen vallen, en dat verzoeker door de bedoelde voorbereidingen te treffen in elk geval ook momenten van kalm beraad en rustig overleg heeft gehad, zodat het daaraan voorafgaand overwogene (mede) dient te worden gekwalificeerd als voorbereiding van moord.

34. In de toelichting op het middel wordt, als gezegd, gesteld dat het Hof heeft verzuimd aan de afwezigheid van contra-indicaties als bedoeld in de recente rechtspraak van de Hoge Raad omtrent het voltooide delict van moord in de zin van art. 289 Sr aandacht te besteden. Deze stelling lijkt mij gezien de bewezenverklaarde periode van voorbereiding en de bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen nogal gekunsteld, nog daargelaten de vraag of de door de Hoge Raad aangescherpte motiveringseis met betrekking tot de contra-indicaties ook heeft te gelden bij de aansprakelijkstelling voor voorbereiding van moord. Op grond daarvan kan wat mij betreft zonder meer worden gezegd dat van dergelijke contra-indicaties in het onderhavige geval geen enkele sprake is. Ook indien echter de voornoemde motiveringseis geacht moet worden van toepassing te zijn binnen het zelfstandige leerstuk van de strafbare voorbereiding, heeft het Hof daaraan voldaan. In de uitgebreide bewijsoverwegingen van het Hof en met name in zijn overweging dat verzoeker door de tenlastegelegde voorbereidingen te treffen in elk geval ook momenten van kalm beraad en rustig overleg heeft gehad, ligt het oordeel van het Hof besloten dat contra-indicaties niet zijn gebleken of aannemelijk zijn geworden.

35. Een ander rechtspunt uit de toelichting op het middel dat bespreking behoeft is de stelling dat de bewijsoverweging van het Hof in wezen inhoudt dat sprake is van voorwaardelijk opzet op moord. Dát heeft het Hof echter niet gezegd. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing en faalt het. Wel heeft het Hof overwogen dat verzoeker zich kennelijk wederom heeft voorbereid op onder meer een mogelijk vuurgevecht waarbij doden kunnen vallen. Het “wederom” duidt, zo lees ik de bewijsconstructie van het Hof, op de eerdere veroordeling als voornoemd. Het voorbereiden op een mogelijk vuurgevecht blijkt uit de bij verzoeker aangetroffen vuurwapens, waarvan één doorgeladen, de hoeveelheden munitie, de patroonhouder en het kogelwerend vest. Dat daarbij doden kunnen vallen is een overweging die aangaande de persoon van verzoeker niet van werkelijkheidszin is gespeend.

36. Wat de betekenis van “opzettelijk” in de zin van art. 46 Sr betreft, breng ik in herinnering dat het woord “kennelijk” is vervallen om duidelijk te maken dat “de subjectieve bestemming, het opzet van de dader, toereikend is voor strafbaarheid.”16 Om de strafbaarheid hier te beperken tot de daadwerkelijke voorbereiding, zag minister van Justitie Donner een cruciale rol weggelegd voor het opzetvereiste.17 In de literatuur is de vraag opgeworpen of daarbij de figuur van voorwaardelijk opzet past. De Hullu heeft zijn bedenkingen, omdat de belangrijke plaats die de criminele intentie inzake de aansprakelijkheid inneemt wellicht dwingt tot een verzwaring van de vereiste mate van opzet.18 Machielse schrijft in Noyon/Langemeijer/Remmelink dat hier de gangbare opzet-doctrine van toepassing zal zijn, zo ook die inzake het voorwaardelijk opzet.19 Met een beroep op de bewoordingen van art. 46, eerste lid, Sr en de daarop betrekking hebbende wetsgeschiedenis heeft HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9025 bevestigd dat voor het opzet in art. 46 Sr voorwaardelijk opzet toereikend is. Overigens is het nog maar de vraag of de gewraakte overweging van het Hof een vorm van voorwaardelijk opzet insluit die betrekking heeft op de voorbereidingshandelingen zelf. Ik meen van niet. De verdachte moet de voorbereidingsvoorwerpen en –middelen bestemd tot het begaan van het bedoelde misdrijf verwerven, vervaardigen, ‘transporteren’ en voorhanden hebben en op die bestemming het opzet hebben gehad.20 Uit de bewijsvoering van het Hof kan worden afgeleid dat het Hof dát (gewone) opzet bewezen acht, zij het hier, maar dat is nu eenmaal inherent aan de strafbare voorbereiding, in de betekenis van een toekomstgericht plan of voornemen. Van de eerste voorbereidende stappen naar de voltooiing van voorgenomen misdrijven als die waarvan in het onderhavige geval sprake is, is niet zelden een lange weg gelegen. Of het plan of voornemen daadwerkelijk zal leiden tot de beoogde gevolgen en/of tot – nu komt de figuur van het voorwaardelijk opzet wel om de hoek kijken – de gevolgen die de verdachte op de koop toe zal nemen, is een andere kwestie. Mijns inziens heeft het Hof op die (mogelijke) gevolgen het oog in zijn overweging betreffende de kennelijke voorbereiding van een mogelijk vuurgevecht waarbij doden kunnen vallen, waarbij ik “vuurgevecht” niet al te letterlijk neem en (evenals kennelijk de steller van het middel) de overweging van het Hof aldus begrijp dat daarmee ook wordt gedoeld op de voorbereiding van een gewapende overval waarbij verzoeker rekening hield met de mogelijkheid dat hij een vuurwapen zou moeten gebruiken (waarom neemt hij ze anders mee?) met eventueel dodelijke slachtoffers tot gevolg. Daarin ligt naar mijn mening geen onbegrijpelijkheid besloten, mede in aanmerking genomen dat in het vergezicht van de strafbare voorbereiding voorwaardelijk opzet en voorbedachte raad kunnen samengaan.21 Binnen dat perspectief heeft verzoeker zich denk ik tevens voorbereid op de serieuze mogelijkheid van levensberoving, en wel met voorbedachte raad.

37. Ik meen dat uit de bewijsconstructie van het Hof kan worden afgeleid dat de voorbereidingshandelingen van verzoeker mede strekten ter voorbereiding van moord, op het begaan waarvan het voorwaardelijk opzet van verzoeker was gericht. Dit oordeel getuigt niet van een verkeerde rechtsopvatting. Voorts is dit oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Mitsdien is de bewezenverklaring op dit onderdeel naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed.

38. Het tweede middel lijkt mij (om verschillende redenen) te falen.

39. Het derde middel klaagt dat het Hof ten onrechte voor het bewijs van alle feiten gebruik heeft gemaakt van de in hoger beroep afgelegde verklaring van verzoeker, inhoudende “Ik ben in mijn jeugd een opleiding aan de hogere laboratoriumschool begonnen” (bewijsmiddel 61), aangezien deze verklaring bezwaarlijk redengevend kan worden geacht voor alle bewezenverklaarde feiten.

40. Het Hof heeft in de aanvulling op het verkort arrest de bewijsmiddelen onder verschillende kopjes gerubriceerd, te weten: “Zaaksdossier Boelstraat”, “Zaaksdossier Aap”, “Zaaksdossier Arnhem” en “Alle zaken”. Onder het kopje “Alle zaken” heeft het Hof louter bewijsmiddel 61 opgenomen, dat als volgt luidt:

“61. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft tijdens de doorlopende terechtzitting in hoger beroep van 25 september, 2, 8, 12 en 17 oktober 2012 verklaard, zakelijk weergegeven:

Alle goederen die tijdens de doorzoeking van de zolderkamer aan de Boelstraat […] te Rotterdam op 18 september 2006 zijn aangetroffen zijn van mij. Dit geldt ook grotendeels wat betreft de goederen die tijdens de doorzoeking van de woning aan de […] te Gouvy (België) zijn aangetroffen, in elk geval geldt dit ten aanzien van de chemicaliën. De aangetroffen pyrotechnische mengsels heb ik zelf vervaardigd. Ik beschik over de nodige kennis op het gebied van het mengen van chemische stoffen.

Het kogelwerende vest had ik al sinds eind jaren '90.

Aan de Boelstraat woonde ik onder de schuilnaam Luc de Haan.

Ook de goederen in de tas die op 5 maart 2010 in de bossen bij Arnhem zijn aangetroffen zijn van mij geweest. Ik heb dus beschikt over handleidingen voor het vervaardigen van TATP en nitroglycerine.

Ik heb in de Boelstraat gezocht naar de wijze van vervaardiging van TATP en de risico's daarvan. Met een goede handleiding zou ik in staat zijn om TATP te vervaardigen. Mijn huisgenoot had beneden een koelkast staan.

Het pistool van het merk Sig, het geweer van het merk BRNO Arms en de munitie die op 18 september 2006 aan de Boelstraat zijn aangetroffen waren mijn bezit.

De aangetroffen schakelaars en elektrische circuitjes die eventueel als ontsteking zouden kunnen worden gebruikt heb ik in elkaar geknutseld.

De jas van de Koninklijke Marechaussee had ik gekocht. Het klopt dat ik een afbeelding van een man met een bom in mijn bezit had.

De zolderkamer aan de Boelstraat […] te Rotterdam was exclusief bij mij in gebruik. Niemand had toegang tot die kamer en wanneer ik er niet was, was de kamer afgesloten.

De concept losgeldbrief die ondertekend is met 'Wolfje' heb ik in mijn bezit gehad. Ik heb daar een aantal verbeteringen in aangebracht.

Het klopt dat ik op 12 mei 2007 in Arnhem door omstanders ben aangehouden na een achtervolging door een personeelslid van Bever Zwerfsport en dat ik mij heb verweerd door traangas te spuiten.

Ik ben in mijn jeugd een opleiding aan de hogere laboratoriumschool begonnen.”

41. De omstandigheid dat het Hof bewijsmiddel 61 onder het kopje “Alle zaken” heeft gerubriceerd betekent niet dat ook alle onderdelen van die verklaring op alle zaaksdossiers en alle bewezenverklaarde feiten betrekking hebben. Het Hof heeft dat aan het einde van de aanvulling op het verkort arrest ook met zoveel woorden tot uitdrukking gebracht:

“De bewijsmiddelen zijn - ook in hun onderdelen - slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud in het bijzonder betrekking hebben.”

42. Het middel faalt derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag.

43. Het vierde middel klaagt dat de bewezenverklaring onder feit 5 wat betreft de bedreiging van [betrokkene 2] met enig misdrijf tegen het leven gericht niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

44. Ten laste van de verzoeker is onder feit 5, voor zover hier van belang, bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 1 september 2003 tot en met 30 september 2004 te Wassenaar en Rotterdam en Rijswijk en 's-Gravenhage en Maassluis en Leidschendam in elk geval in Nederland

(…)

[betrokkene 2] (werkzaam bij het Prins Maurits Laboratorium)

(…)

schriftelijk heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte (…) opzettelijk dreigend

- een envelop naar het adres van het Prins Maurits Laboratorium, alwaar [betrokkene 2] werkzaam is, gestuurd inhoudende een hoeveelheid poeder en een brief waarop een gasmasker en een Duitse helm zijn afgebeeld en waarbij de tekst "Moge God hebbe jullie ziel, de rode pest" staat vermeld,

waarvan voornoemde personen kennis hebben genomen;”

45. In het middel wordt slechts aangevoerd dat de aan [betrokkene 2] gezonden brief met daarop een gasmasker en een Duitse helm afgebeeld, vergezeld van de tekst “Moge God hebbe jullie ziel, de rode pest” geen bedreiging met enig misdrijf tegen het leven behelst, doch slechts een al dan niet welgemeende wens omtrent het hiernamaals.

46. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is onder meer vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen.22

47. Gelet op ’s Hofs vaststelling dat genoemde brief per post aan het Prins Maurits Laboratorium is gezonden, alwaar [betrokkene 2] werkzaam was, en zich in deze brief een hoeveelheid poeder bevond (bewijsmiddel 46), acht ik ’s Hofs oordeel dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen, niet onbegrijpelijk mede gelet op de dreiging die naar algemeen bekend is van Anthrax-brieven uitgaat.

48. Het middel faalt.

49. Het vijfde middel klaagt dat het Hof het bewijs van feit 7 heeft doen steunen op twee processen-verbaal inhoudende een verklaring van een anonieme aangever, terwijl het Hof heeft verzuimd te voldoen aan de motiveringseis van art. 360, eerste lid, Sv en een uitdrukkelijk oordeel te geven over de betrouwbaarheid van de anonieme verklaring.

50. Kennelijk doelt de steller van het middel op de als bewijsmiddelen 57 en 58 tot het bewijs gebezigde processen-verbaal die het volgende inhouden:

“57. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 20 juli 2007 van de Politie Arnhem Veluwezoom met nummer PL0780/07-074830 (map 9, pagina 31 en verder). Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

A: als de op 12 mei 2007 afgelegde verklaring van de (anonieme) aangever:

Ik ben als verkoopmedewerker werkzaam bij Bever Zwerfsport aan de Utrechtsestraat in Arnhem. Op 12 mei 2007 zag ik omstreeks 14:30 uur dat een man de winkel wilde verlaten. Op het moment dat de man de winkel wilde verlaten ging het alarm af. Ik ben toen direct naar de winkeldeur gerend en schreeuwde "houd de dief". De man zette het op een rennen en ging er vandoor. Tijdens mijn achtervolging op de man sommeerde ik hem meermalen dat hij moest blijven staan, omdat hij verdacht werd van diefstal. Op een gegeven moment naderde ik de man en probeerde ik hem vast te pakken. De man trok toen een bus pepperspray of traangas. Ik pakte de man vast, waarop hij zich omdraaide in mijn richting. Hij spoot mij direct met de spuitbus in het gezicht. De man raakte mij in mijn ogen en in mijn mond. Daardoor viel ik op de grond. De man zette zijn vlucht voort omdat ik op dat moment was uitgeschakeld.

Omstanders hebben de man met een auto klemgereden, hebben hem vastgepakt en vast gehouden totdat de politie kwam. Ik heb mij onder medische behandeling gesteld.

Vermiste goederen: zie goederenbijlage.

B: als de op 12 mei 2007 opgestelde goederenbijlage:

Benadeelde: Bever Zwerfsport B.V.

Soort: Broek, merk Arc'Tyrex

58. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 12 mei 2007 van de Politie Arnhem Veluwezoom met nummer PL0780/07-074838 (map 9, pagina 35 en verder). Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

als de op 12 mei 2007 afgelegde verklaring van de (anonieme) aangever:

Op 12 mei 2007 liep ik omstreeks 14:35 uur op de Vijfzinnenstraat in Arnhem. Ik zag dat een man in mijn richting kwam rennen. Ik zag achter deze man weer een andere man rennen, naar later bleek een medewerker van Bever Zwerfsport. Ik hoorde dat de achterste man luid "houd de dief" riep. Ik zag dat de medewerker van Bever Zwerfsport de dief vastpakte. Meteen pakte de dief iets in zijn hand en zag ik dat de dief met een vloeistof opzettelijk in het gezicht spoot van de medewerker van Bever Zwerfsport. De dief zag kans zich los te rukken en rende in mijn richting. Ik bedacht mij geen moment en pakte de dief vast. Meteen zag en voelde ik dat ik met een vloeistof opzettelijk in mijn ogen gespoten werd. Ik voelde meteen een brandende pijn in mijn ogen en op de huid van mijn gezicht. Daardoor kon ik de dief niet meer vasthouden. Terwijl ik losliet zag ik dat andere mannen de dief grepen en dat zij probeerden het busje met de bijtende stoffen te pakken. Ik zag dat de dief weer opzettelijk met de vloeistof naar de andere mannen spoot. Ik zag dat de dief kans zag zich weer los te rukken en dat hij wegrende. Hierop heb ik hem, ondanks de pijn in mijn ogen, goed vastgepakt om zijn nek. Even later zag ik twee politieauto’s aankomen. Ik heb de dief ter plaatse overgedragen aan de politie.”

51. Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden zich de genoemde processen-verbaal. De pagina’s 4 en 5 van het dossier met proces-verbaalnummer PL0780/07-004395, op ambtseed opgemaakt en ondertekend door [verbalisant], hoofdagent van politie District AVZ, Unit Noord, bevatten met betrekking tot die processen-verbaal het volgende:

“OPMERKING VERBALISANT

In dit proces-verbaal en alle bijgevoegde stukken zijn de betrokkenen aangeduid met een doorgenummerde NN-aanduiding.

Na overleg met de Officier van Justitie te Arnhem zijn namelijk alle personalia van aangevers en getuigen uit dit dossier gehouden.

Alle personalia zijn bij mij, verbalisant, bekend.

Betrokkenen zijn respectievelijk aangeduid met

NN 1 (07-074830): aangever diefstal met geweld (07-074830)

NN 1 (07-074838): aangever mishandeling (07-074838)

(…)

AANGIFTE 1 (07-074830)

Op zaterdag 12 mei 2007 deed N.N. 1 (07-074830) aangifte van diefstal met geweld door het feit dat hij achter een man, die vermoedelijk iets had ontvreemd in de winkel, aan ging, waarbij hij door de man met een spuitbus in het gezicht werd gespoten.

Zie bijgevoegd proces-verbaal van aangifte.

AANGIFTE 2 (07-074838)

Op zaterdag 12 mei 2007 deed NN 1 (07-074838) aangifte van mishandeling door het feit dat hij een kennelijk vluchtende dief vastgreep die hem daarop met een vloeistof in de ogen spoot.

Zie het proces-verbaal van aangifte.”

52. De in art. 344a, derde lid, Sv gebezigde term “personen wier identiteit niet blijkt” omvat niet een geval als het onderhavige waarin het, zo blijkt uit de hierboven aangehaalde passage, gaat om personen wier persoonsgegevens niet (volledig) zijn vermeld in het proces-verbaal waarin hun verklaringen zijn opgenomen, maar van wie vaststaat dat zij wel als zodanig kunnen worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst hun verhoor als getuige door de rechter-commissaris of ter terechtzitting kan verzoeken.23 Het Hof was dus niet gehouden het gebruik voor het bewijs van de twee processen-verbaal te motiveren.

53. Het middel faalt derhalve.

54. Het zesde middel klaagt dat ’s Hofs overwegingen over de onder 1 bewezenverklaarde periode onbegrijpelijk zijn en dat bijgevolg het verweer inhoudende dat in casu art. 63 Sr van toepassing is door het Hof is verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.

55. De overwegingen van het Hof met betrekking tot de bewezenverklaarde periode zijn weergegeven onder punt 6 van deze conclusie.

56. Ten aanzien van het in het middel bedoelde verweer heeft het Hof in de bestreden uitspraak het volgende overwogen:

“Strafmaatverweren

Door de verdediging is betoogd - op gronden als nader vermeld in de pleitnotities - dat van de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van strafrecht, van de overschrijding van de redelijke termijn, van het verblijf van de verdachte in de EBI alsmede van de met de behandeling van de zaak gepaard gaande publiciteit een strafmitigerend effect dient uit te gaan.

Nu de bewezenverklaring geen enkel feit omvat waarbij sprake is van een pleegperiode welke geheel of gedeeltelijk is gelegen voor 20 februari 2002 (de datum waarop verdachte voor eerdergenoemde overvallen werd veroordeeld) vindt artikel 63 geen toepassing. Aldus behoeft dit onderdeel van het strafmaatverweer dan ook geen verdere bespreking en kan dit evenmin tot matiging van de op te leggen straf leiden.”

57. Anders dan de steller van het middel, acht ik de overwegingen van het Hof omtrent de aanvang van de bewezenverklaarde periode geenszins onbegrijpelijk, ook niet wat betreft de in Gouvy (België) aangetroffen stoffen.

58. Het middel faalt.

59. Het zevende middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

60. Namens verzoeker is op 7 november 2012 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 18 oktober 2013 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de hier geldende inzendtermijn van zes maanden met ruim vijf maanden is overschreden. Wellicht mede daardoor zal de Hoge Raad niet binnen zestien maanden na het instellen van het beroep uitspraak doen. Een en ander dient te leiden tot strafvermindering.

61. Het middel slaagt derhalve.

62. De eerste zes middelen falen. Het eerste middel, het derde middel, het vierde middel, het vijfde middel en het zesde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81, eerste lid, RO bedoelde motivering. Het zevende middel is terecht voorgesteld.

63. Overige gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

64. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie voor de eisen die in verband met de voorbereiding als bedoeld in art. 46 Sr aan de tenlastelegging en de kwalificatie worden gesteld: HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6691, NJ 2011/316 m.nt. Mevis.

2 Waarbij het Hof heeft opgemerkt dat de eendaadse samenloop uitsluitend geldt voor de tweede alinea van deze kwalificatie.

3 Het Hof heeft het onder 5 bewezenverklaarde naar mijn mening ten onrechte gekwalificeerd als “terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder bepaalde voorwaarden is geschied” als bedoeld in art. 285, tweede lid, Sr, bij gebreke van aan de bedreigde gestelde voorwaarden. De Hoge Raad kan de kwalificatie verbeterd lezen. Voorts merk ik op dat voor art. 285, tweede lid, Sr een ander strafmaximum geldt dan voor het eerste lid van dat artikel, te weten vier in plaats van twee jaren gevangenisstraf.

4 Kamerstukken II 2004/05, 30 164, nr. 3, p. 49.

5 Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse voorafgaand aan HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0213 (Samir A.), waarin uitgebreid aandacht wordt geschonken aan de wetsgeschiedenis op dit punt. Zie voorts J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, vijfde druk, 2012, p. 397: “De wetgever heeft hier helderheid (maar geen nieuwe regels, cursivering EH) willen scheppen, vooral omdat de meningen in de literatuur uiteenliepen over de betekenis van de kennelijke bestemming”.

6 Kamerstukken II 2005/06, 30 164, nr. 12, p. 2.

7 De nieuwe lijn is ingezet in het arrest van HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518. Daarna volgden er meer. Een achttal is (met een annotatie van Keulen onder NJ 2014/156 en NJ 2014/157) gepubliceerd in de NJ, jaargang 2014, afl. 14, te weten: HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156, HR 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1112, NJ 2014/157, HR 5 november 2013,ECLI:NL:HR:2013:1113, NJ 2014/158, HR 5 november 2013,ECLI:NL:HR:2013:1111, NJ 2014/159, HR 7 januari 2014,ECLI:NL:HR:2014:17, NJ 2014/160, HR 7 januari 2014,ECLI:NL:HR:2014:16, NJ 2014/161, HR 10 december 2013,ECLI:NL:HR:2013:1754, NJ 2014/162 en HR 18 februari 2014,ECLI:NL:HR:2014:347, NJ 2014/163.

8 Kamerstukken II 1990/91, 22 268, nr. 3, p. 18. Zie voor een betrekkelijk uitvoerige beschrijving van de wetsgeschiedenis, naast de eerdergenoemde conclusie van mijn ambtgenoot Machielse vóór het Samir A.-arrest van HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0213, M. Rutgers, Strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen, 1992, p. 40 e.v.

9 Kamerstukken II 1991/92, 22 268, nr. 5, p. 19 en 26. Zie ook Kamerstukken I 1993/94, 22 268, nr. 124a, p. 1.

10 Kamerstukken II 2005/06, 30 164, nr. 6, p. 27.

11 Kamerstukken II 2005/06, 30 164, nr. 7, p. 56.

12 Vgl. HR 17 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9358, NJ 2004/400 m.nt. Reijntjes.

13 Zie daarover al G.P.M.F. Mols en J. Wöretshofer, Poging en voorbereidingshandelingen, 1994, p. 63 en G.A.M. Strijards, Strafbare voorbereidingshandelingen, 1995, p. 123-125.

14 P. Smith, Strafbare voorbereiding (diss.), 2003, p. 203 e.v.

15 Vgl. Strijards, a.w., p. 119.

16 Kamerstukken II 2004/05, 30 164, nr. 3, p. 49.

17 Kamerstukken II 2005/06, 30 164, nr. 7, p. 55.

18 De Hullu, a.w., p. 399-400.

19 Het Wetboek van Strafrecht, aant. 4 bij art. 46 Sr (bijgewerkt tot 24 april 2014).

20 Kamerstukken II 2005/06, 30 164, nr. 7, p. 55.

21 Zie H.A. Demeersseman, Met voorbedachten rade, 1989, p. 77-78 en P.J.H.M. Brouns, Opzet in het wetboek van strafrecht, 1988, p. 234-241.

22 HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448.

23 Vgl. HR 4 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1195, NJ 2002/416; HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF2082, NJ 2010/390 m.nt. Mevis; HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:230.