Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1913

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-10-2014
Datum publicatie
05-12-2014
Zaaknummer
14/03972
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3534, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. Procesrecht. Feitelijke grondslag. Hoor en wederhoor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 14/03972

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 24 oktober 2014

Conclusie (art. 80a RO) inzake:

[eiser]

tegen

N.V. Nuon Sales Nederland

1. Eiser tot cassatie, hierna: [eiser], is bij inleidende dagvaarding van 7 januari 2014 door N.V. Nuon Sales Nederland (hierna: Nuon) gedagvaard voor de rechtbank Den Haag, team kanton Den Haag.

Nuon, die met [eiser] een overeenkomst had gesloten met betrekking tot de levering van energie (elektriciteit en/of gas), heeft daarbij gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van – na vermindering van eis – een bedrag van € 716,49, waaronder € 117,- aan buitengerechtelijke incassokosten en € 24,14 aan wettelijke rente, op de grond dat hij enkele termijnfacturen (deels) onbetaald heeft gelaten.

2. [eiser] heeft bij conclusie van antwoord1 de gevorderde hoofdsom niet bestreden, maar bezwaar gemaakt tegen de buitengerechtelijke incassokosten, die volgens hem onterecht zijn omdat hij meerdere malen heeft getracht een regeling te treffen met Nuon.

3. Bij de comparitie van partijen op 1 april 2014 is [eiser], hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

4. De kantonrechter heeft de vordering van Nuon bij vonnis van 22 april 2014 toegewezen en daartoe het volgende overwogen:

Beoordeling

Nuon heeft gesteld dat zij in het verleden wel degelijk een betalingsregeling met [eiser] heeft getroffen, maar dat [eiser] deze regeling niet is nagekomen, met als gevolg dat deze is komen te vervallen. Voorts heeft Nuon gesteld dat zij, uit coulance, haar vordering reeds heeft verminderd met een bedrag van in totaal € 305,- ter zake van buitengerechtelijke kosten.

Nu [eiser] de gevorderde hoofdsom niet heeft weersproken, zal deze worden toegewezen als hierna vermeld. De resterende vordering ter zake van de buitengerechtelijke incassokosten zal eveneens worden toegewezen daar [eiser], hoewel daartoe naar behoren in de gelegenheid te zijn gesteld, deze niet langer voldoende gemotiveerd heeft weersproken en Nuon deze voldoende heeft onderbouwd.”

5. [eiser] heeft tegen dit vonnis tijdig2 cassatieberoep ingesteld3.

Het middel richt zich tegen de hiervoor geciteerde overweging van de kantonrechter met betrekking tot de resterende vordering en klaagt over “verzuim van vormen doordat de rechtbank in [haar] vonnis het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden nu, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, [eiser] door niet ter zitting te verschijnen, zijn aanspraak op het weerspreken van de vordering niet heeft prijsgegeven.”

6. Het middel rechtvaardigt geen behandeling in cassatie, omdat het klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden. Daartoe geldt het volgende.

7. Het middel mist feitelijke grondslag voor zover het tot uitgangspunt neemt dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat [eiser] zijn verweer heeft prijsgegeven, nu de kantonrechter heeft geoordeeld dat [eiser] de door Nuon voldoende onderbouwde vordering ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten onvoldoende gemotiveerd heeft betwist (mede naar aanleiding van hetgeen Nuon in de akte overlegging producties tevens akte vermindering van eis en ter zitting nog heeft aangevoerd).

8. Het middel klaagt daarnaast – zakelijk weergegeven – dat de beslissing zonder wederhoor tot stand is gekomen en daarmee het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden doordat [eiser] door overmacht niet op de zitting van 1 april 2014 aanwezig kon zijn en ook anderszins niet in staat was adequate maatregelen te nemen voor waarneming van zijn belangen ter zitting, van welke stellingen hij bewijs aanbiedt.

Daarbij wijst het middel erop dat de kantonrechter niet door [eiser] op de hoogte is gebracht van diens verhindering om naar de zitting te komen of diens onvermogen om waarneming te regelen. Volgens het middel4 laat dit evenwel onverlet dat “de rechtbank mede verantwoordelijk gehouden mag worden voor weeffouten of onvolkomenheden in het rechtssysteem welke, buiten diens schuld in enge zin, er desondanks aan in de weg staan dat van de aanspraken van procesdeelnemers op een eerlijke rechtsgang gebruik gemaakt kan worden, ook in situaties welke niet als zodanig door de wetgever zijn voorzien en waarvoor dientengevolge in het rechtssysteem geen voorziening is gevormd.”

9. Daargelaten dat [eiser] de kantonrechter na de comparitie van partijen had kunnen verzoeken om te worden toegelaten tot een nadere standpuntbepaling, komt het voor zijn risico dat hij de kantonrechter niet heeft laten weten niet in staat te zijn de zitting bij te wonen. Onder deze omstandigheden kan dan ook niet worden gesproken van een onvolkomenheid in het rechtssysteem. De kantonrechter hoefde [eiser] voorts niet ambtshalve in de gelegenheid te stellen alsnog zijn standpunt in te brengen. Het bewijsaanbod is tot slot niet ter zake dienend.

10. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] in zijn cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.

De Procureur-Generaal Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De conclusie van antwoord bevindt zich niet in het procesdossier van [eiser]. Blijkens de brief van zijn advocaat van 3 oktober 2014 refereert [eiser] zich aan de weergave daarvan in het vonnis.

2 De cassatiedagvaarding is op 22 juli 2014 uitgebracht.

3 Nu op grond van de financiële appelgrens art. 332 Rv. van € 1.750,- van het vonnis van de kantonrechter geen hoger beroep openstond, kan op de voet van art. 80 RO cassatie worden ingesteld. De gronden waarop dit kan, zijn beperkt tot de gronden uit art. 80 lid 1 RO, en daarnaast op de grond dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.

4 Cassatiedagvaarding, p. 3.