Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1905

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-10-2014
Datum publicatie
30-01-2015
Zaaknummer
13/05265, 13/05839
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:183
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

13/05265

Onteigening. Incident tot tussenkomst; art. 3 Ow. Cassatieberoep tegen vonnis in incident waarin tussenkomst is afgewezen. Beoordeling ontvankelijkheid; HR 24 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:AD1703, NJ 1993/548 (Ogenia). Beroep op exceptio plurium litis consortium. Hoge Raad ziet aanleiding om niet in cassatie gedagvaarde partijen alsnog te doen oproepen op de voet van art. 118 Rv. Eindvonnis waarbij vervroegde onteigening is uitgesproken heeft nog geen kracht van gewijsde. Samenhang met 13/05839.

13/05839

Onteigening. Incident tot tussenkomst; art. 3 Ow. Cassatieberoep tegen afwijzing gevorderde tussenkomst. Beroep op exceptio plurium litis consortium. Hoge Raad ziet aanleiding om niet in cassatie gedagvaarde partijen alsnog te doen oproepen op de voet van art. 118 Rv. Eindvonnis waarbij vervroegde onteigening is uitgesproken heeft nog geen kracht van gewijsde. Samenhang met 13/05265.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2015/29 met annotatie van mr. dr. M.O.J. de Folter
Verrijkte uitspraak

Conclusie

13/05265 en 13/05839

mr. J.C. van Oven

3 oktober 2014

Conclusie in de zaak (rolnr. 13/05265):

[A],

[B],

eisers tot cassatie,

(mr. P.J.L.J. Duijsens)

tegen

de Gemeente Peel en Maas,

verweerster in cassatie,

(mr. J.P. van den Berg)

en in de zaak (rolnr. 13/05839):

[C]

[D]

[A]

[B],

eisers tot cassatie

(mr. P.J.L.J. Duijsens)

tegen

de Gemeente Peel en Maas,

verweerster in cassatie,

(mr. J.P. van den Berg)

In deze conclusie worden twee cassatieberoepen in dezelfde onteigeningszaak behandeld. Het gaat om een vordering tot vervroegde onteigening van gronden die kadastraal (in mede-eigendom) ten name staan van iemand die overleden is. De vordering is derhalve ingesteld tegen een op de voet van art. 20 lid 1 Onteigeningswet benoemde derde. De rechtbank heeft zowel de weduwe van de overledene als diens gezamenlijke erfgenamen de toegang als partij tot het geding ontzegd. In cassatie gaat het onder meer om de uitleg van art. 20 leden 2 en 3 Ow en de vraag of erfgenamen na de eerstdienende dag nog op de voet van art. 3 lid 2 Ow als tussenkomende partijen kunnen worden toegelaten. Te vrezen valt dat Uw Raad aan de behandeling van die vragen niet zal toekomen in verband met de door de Gemeente opgeworpen exceptio plurium litis consortium.

1 Procesverloop in feitelijke instantie en in cassatie

1.1

Bij beschikking van 20 maart 2013 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond (hierna: de rechtbank), op verzoek van de gemeente Peel en Maas (hierna: de Gemeente) op de voet van art. 20 leden 1 en 3 Onteigeningswet (hierna: Ow) mw. mr. S. Fraats, advocaat te Maastricht (hierna: mr. Fraats) benoemd tot derde voor wijlen [betrokkene 1] (overleden op 15 februari 2000) alsmede op de voet van art. 54a Ow een rechter-commissaris en deskundigen benoemd.

1.2

Bij exploot van 4 juli 2013 heeft de Gemeente de heer [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) en mr. Fraats gedagvaard tegen de zitting van de rechtbank van 17 juli 2013, en gevorderd bij vervroeging uit te spreken de onteigening ten name van de gemeente en ten algemenen nutte van

1. een perceelsgedeelte ter grootte van 02.33.33 ha van het perceel kadastraal bekend gemeente Kessel, sectie K, nummer [001] (grondplannummer 1) en

2. het perceel kadastraal bekend gemeente Kessel, sectie K, nummer [002], groot 00.01.00 ha (grondplannummer 2).

1.3

Ter zitting van de rechtbank van 17 juli 2013 heeft [B] (hierna: [B]), stellende dat zij op grond van het testament van wijlen [betrokkene 1] de enige eigenaresse is van het te onteigenen perceelsgedeelte en perceel, geconcludeerd haar in die hoedanigheid toe te laten als interveniënte. Op dezelfde zitting heeft [A] (hierna: [A]) geconcludeerd hem in zijn hoedanigheid van pachter van het te onteigenen perceelsgedeelte en perceel toe te laten als interveniënt.

1.4

Bij vonnis van 28 augustus 2013 heeft de rechtbank de verzoeken van [B] en [A] om te mogen tussenkomen afgewezen.

1.5

[A] en [B] hebben bij exploot van 23 oktober 2013 aan de Gemeente een akte betekend volgens welke op 11 september 2013 door mr. J.B.Th. van ’t Grunewold te Roermond cassatie is aangetekend tegen de uitspraak van 28 augustus 2013.1 Bij hetzelfde exploot is de Gemeente in cassatie gedagvaard tegen de zitting van Uw Raad van 8 november 2013. De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaat van [A] en [B] heeft de zaak schriftelijk toegelicht en gerepliceerd. De advocaat van de Gemeente en mr. R.W. Keus, advocaat te ’s-Gravenhage, hebben de zaak voor de Gemeente schriftelijk toegelicht en gedupliceerd. Dit cassatieberoep zal hierna worden aangeduid als het eerste cassatieberoep.

1.6

Hangende het op 11 september 2013 aangetekende eerste cassatieberoep is voortgeprocedeerd bij de rechtbank. Bij “conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijke conclusie tot tussenkomst” d.d. 25 september 2013 hebben [A] en [B] tezamen met [C] en [D] (hierna: [C+D]) geconcludeerd de vordering van de Gemeente niet-ontvankelijk te verklaren, althans aan de Gemeente haar vordering te ontzeggen, alsmede - in voorwaardelijk incident - hen als gezamenlijke erfgenamen toe te laten als interveniënten.

1.7

Bij vonnis van 23 oktober 2013 heeft de rechtbank in het incident tot tussenkomst het verzoek van de gezamenlijke erfgenamen om te mogen tussenkomen afgewezen en in de hoofdzaak de gevorderde onteigening uitgesproken, een voorschot op de schadeloosstelling vastgesteld en de benoemde deskundigen opgedragen de schade te begroten, en de zaak naar de rol van 7 mei 2014 verwezen voor depot deskundigenbericht.

1.8

[C+D] hebben bij exploot van 20 november 2013 aan de Gemeente een akte betekend volgens welke op 4 november 2013 door mr. Th.J.H.M. Linssen te Tilburg cassatie is aangetekend tegen de uitspraak van 23 oktober 2013.2 Bij hetzelfde exploot is de Gemeente in cassatie gedagvaard tegen de zitting van Uw Raad van 29 november 2013. De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van dit tweede cassatieberoep. De advocaat van [C+D] heeft de zaak schriftelijk toegelicht en gerepliceerd. De advocaat van de Gemeente en mr. R.W. Keus, advocaat te ’s-Gravenhage, hebben de zaak voor de Gemeente schriftelijk toegelicht en gedupliceerd. Dit cassatieberoep zal hierna worden aangeduid als het tweede cassatieberoep.

2 De oordelen van de rechtbank in de bestreden vonnissen

2.1

Aan haar afwijzing van het verzoek van [B] om als enige eigenaresse van de te onteigenen gronden te mogen tussenkomen heeft de rechtbank in haar vonnis van 28 augustus 2013 de volgende overwegingen ten grondslag gelegd:

“2.2 De gemeente, mr. S. Fraats en [betrokkene 2] hebben zich met zoveel woorden aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd met betrekking tot de gevorderde tussenkomst van [B]. Mr. S. Fraats heeft daarnaast aangevoerd, dat er alleen sprake zou zijn van een situatie als bedoeld in artikel 20, tweede lid, Ow indien mr. Linssen in de onteigeningsprocedure zou tussenkomen namens alle erven, hetgeen nu niet het geval is aangezien sprake is van vier erfgenamen, te weten [B], [A] – zoon van wijlen [betrokkene 1]- en twee dochters van wijlen [betrokkene 1].

2.3

De rechtbank is van oordeel dat [B] niet kan tussenkomen en overweegt daartoe als volgt.

2.4

De gevraagde tussenkomst kan in dit geval niet worden gebaseerd op het bepaalde in artikel 20 Ow. Artikel 18 Ow bepaalt dat de onteigenende partij dient te dagvaarden de bij koninklijk besluit aangewezen eigenaar. In dit geval is dat [betrokkene 1], die op 15 februari 2000 is overleden. De rechtbank heeft bij beschikking van 20 maart 2013 mr. S. Fraats benoemd tot derde als bedoeld in artikel 20 Ow (hierna: de derde) voor wijlen [betrokkene 1]. De gedachte achter het voorschrift van artikel 20 Ow is dat de belangen van de gezamenlijke erfgenamen worden behartigd door die door de rechtbank benoemde derde. Dit artikel kent de mogelijkheid voor de erfgenamen om de procedure van die derde over te nemen. De rechtbank is van oordeel dat die mogelijkheid alleen bestaat voor de gezamenlijke erfgenamen, omdat alleen de gezamenlijke erfgenamen volledig kunnen treden in de plaats van de overledene. Het optreden van één of enkele erfgenamen kan rechtens niet worden gezien als een volledig in de plaats treden van die overledene. Tussenkomst in dit geval van alleen [B] zou dan ook leiden tot een situatie dat zij voor de overledene zou kunnen optreden evenals de derde voor de overige erfgenamen. In die situatie bestaat het risico dat niet-eensluidende standpunten worden ingenomen, hetgeen zich niet verdraagt met de functie van de regeling van artikel 18 en 20 Ow. Die functie is namelijk het voorkomen van oponthoud in het onteigeningsgeding, welk oponthoud zou kunnen optreden - zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 24 juni 2005, NJ 2006/240 - doordat de rechter bijvoorbeeld zou worden genoopt een beslissing te geven omtrent de vraag wie krachtens erfopvolging gerechtigd is tot de te onteigenen onroerende zaak of doordat de rechter zou worden geconfronteerd met complicaties die kunnen rijzen wanneer de erfgenamen het onderling niet eens zijn. Door het voorschrift van artikel 18 Ow dat de in het koninklijk besluit aangewezen eigenaar moet worden gedagvaard en het voorschrift van artikel 20 Ow dat de belangen van de gezamenlijke erfgenamen worden behartigd door een door de rechtbank te benoemen derde, wordt derhalve in dit soort gevallen een snelle en efficiënte onteigening gewaarborgd. In dit geval ligt geen verzoek voor van alle erfgenamen, waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat de door de derde gegeven opsomming van erfgenamen juist is nu deze overeenkomt met de mondeling door mr. Linssen verstrekte informatie ter gelegenheid van de vervroegde descente. Niet alleen hebben in ieder geval de twee dochters van wijlen [betrokkene 1] niet ook verzocht te mogen tussenkomen, maar van hen is bovendien in het geheel niet bekend welk standpunt zij in deze innemen. Dat betekent dat de rechtbank in dit geval in ieder geval rekening moet houden met de mogelijkheid dat de vier erfgenamen inhoudelijk niet op één lijn zitten. Of dat wel of niet zo is zal niet nader worden onderzocht, aangezien zo’n nader onderzoek zich niet verdraagt met de voortvarendheid die in onteigeningszaken betracht moet worden, terwijl bovendien deze problematiek al met [B] en haar raadsman is besproken door de rechter-commissaris ter gelegenheid van de vervroegde descente, welk gesprek kennelijk geen aanleiding heeft gegeven om reeds in de conclusie van tussenkomst nadere informatie hierover te verstrekken.

2.5

[B] heeft in de conclusie tot tussenkomst aangevoerd, dat zij op grond van het testament van wijlen [betrokkene 1] van 9 (lees:19) juni 1998 de enige eigenaresse van het te onteigenen is en dat de kinderen een niet-opeisbare vordering op haar hebben. De rechtbank acht dat niet relevant voor de vraag of kan worden tussengekomen op basis van artikel 20 Ow. In dat artikel gaat het immers niet om de vraag of degene die wil tussenkomen een (vermogensrechtelijk) belang heeft bij de uitkomst van de onteigeningsprocedure, maar of degene die wil tussenkomen in rechte de rol kan overnemen van de in het onteigeningsbesluit aangewezen doch overleden eigenaar. Het is met andere woorden niet de vraag of [B] een belang heeft of dat haar kinderen wel of niet een belang hebben, maar de vraag wie in de onteigeningsprocedure wijlen [betrokkene 1] kan vertegenwoordigen. De wet geeft op die laatste vraag als antwoord: de derde, tenzij de gezamenlijke erfgenamen nadien die positie overnemen, hetgeen hier niet het geval is. Kortom: van tussenkomst van [B] op basis van artikel 20 Ow. kan geen sprake zijn.

2.6

De vraag is dan of haar tussenkomst gebaseerd zou kunnen worden op artikel 3 Ow. Ook die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. Redengevend daarvoor is reeds, dat tussenkomst op die basis zou leiden tot een dubbele aanwezigheid van [B] in deze procedure, namelijk als een zelfstandig opererende tussengekomen partij en als een via de derde vertegenwoordigde partij nu de derde haar rol zal moeten blijven vervullen. Naar het oordeel van de rechtbank is voor een dergelijke dubbele positie geen plaats.”

2.2

Voor haar afwijzing van het verzoek van [A] om als pachter van de te onteigenen gronden te mogen tussenkomen heeft de rechtbank in haar vonnis van 28 augustus 2013 de volgende redengeving gegeven:

“2.8 De gemeente en de derde hebben zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd met betrekking tot de gevorderde tussenkomst van [A]. De gemeente heeft daar wel bij aangetekend er vooralsnog van uit te gaan dat [A] geen pachter maar gebruiker van de grond is.

2.9

[betrokkene 2] heeft de gevorderde tussenkomst van [A] en de door deze gestelde hoedanigheid uitdrukkelijk betwist. [betrokkene 2] heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat [A] de te onteigenen gronden zonder recht of titel in gebruik heeft.

2.10

Artikel 3 lid 3 Ow heeft de strekking vertraging van de onteigeningsprocedure te voorkomen en daarom is tussenkomst in deze procedure alleen toelaatbaar als de hoedanigheid van de tussenkomende partij onweersproken is. De wet stelt in zoverre het belang van de onteigenende partij bij het tijdig tot stand komen van de onteigening boven dat van een tussenkomende partij die stelt eigenaar, rechthebbende of derde belanghebbende te zijn maar van wie niet zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat zij de gestelde hoedanigheid ook werkelijk heeft. Ten aanzien van [A] is op dit moment onvoldoende duidelijk of hij als pachter heeft te gelden. Hij heeft dat gesteld, maar [betrokkene 2] heeft dit betwist en de gemeente heeft aangevoerd ervan uit te gaan dat hij geen pachter is. Of hij pachter is, is aldus in geschil en voorkomen moet worden dat de procedure daardoor wordt vertraagd. De door [A] gevorderde tussenkomst zal derhalve worden afgewezen. De rechtbank wijst [A] op het bepaalde in het derde lid van artikel 3 Ow: "Bij tegenspraak der hoedanigheid van eigenaar, rechthebbende of derde-belanghebbende, wordt de onteigening met de overigen voortgezet, en zal hij, die beweert gerechtigde te zijn, zijn recht alleen op de schadevergoeding kunnen uitoefenen, die in dat geval wordt geconsigneerd overeenkomstig de Wet op de consignatie van gelden."

2.3

In haar vonnis van 23 oktober 2013 (zie rov. 2.1) is de rechtbank uitdrukkelijk gebleven bij hetgeen is overwogen en beslist in het vonnis van 28 augustus 2013. Met betrekking tot het incident tot tussenkomst van [C+D] oordeelde de rechtbank:

“2.2 De vordering tot tussenkomst van de gezamenlijke erfgenamen dient te worden afgewezen reeds op de grond dat tussenkomst op die basis zou leiden tot dubbele aanwezigheid van de gezamenlijke erfgenamen in deze procedure, namelijk als een zelfstandig opererende tussengekomen partij en als een via de op grond van artikel 20 Ow benoemde derde – mr. Fraats – vertegenwoordigde partij, nu deze derde haar rol zal moeten blijven vervullen aangezien van overname van de procedure door de gezamenlijke erfgenamen op de eerst dienende dag geen sprake is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is voor een dergelijke dubbele positie geen plaats. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.”

3 Inleiding en schema van aanpak

3.1

De onteigening waarover het in deze zaken gaat betreft gronden die oorspronkelijk gemeenschappelijk eigendom waren van twee broers die de gronden agrarisch exploiteerden. Later werd de grond nog slechts door één van de broers geëxploiteerd, en na diens overlijden in 2000, door diens zoon ([A]). Tussen [A] en zijn oom [betrokkene 2] is in twee instanties geprocedeerd over de vraag of, zoals [A] stelde en zijn oom betwistte, tussen [A] en zijn oom een maatschap is tot stand gekomen.3 De onteigeningsprocedure is geïnitieerd tegen [betrokkene 2] en mr. Fraats. Ingevolge art. 20 leden 2 en 3 Ow zou de “verweerder” gerechtigd zijn geweest om “ten dage, in art. 23 genoemd” (d.w.z. op de eerstdienende dag) te verschijnen, in welk geval de dagvaarding als aan hem geschied wordt beschouwd en het geding tegen hem wordt gevoerd.

3.2

Hierna zal ik eerst aandacht geven aan twee voorvragen. De eerste betreft de ontvankelijkheid van het eerste cassatieberoep. Die is problematisch omdat dat noch gericht is tegen een vonnis waarbij vervroegde onteigening is uitgesproken of waarbij nadien een voorschot is vastgesteld (zie art. 54l Ow), noch ook tegen een vonnis waarbij na vervroegde onteigening de aan de verweerder en de derde belanghebbende uit te keren schadeloosstellingen zijn vastgesteld (zie art. 54t leden 1 en 2 Ow). De tweede voorvraag betreft het betoog van de mrs. Van den Berg en Keus in hun schriftelijke toelichtingen in beide cassatieberoepen dat, nu alleen de Gemeente als partij is gedagvaard en de overige procespartijen, te weten de in eerste instantie gedaagde partijen [betrokkene 2] en mr. Fraats erbuiten zijn gelaten, het middel bij gebrek aan belang niet kan slagen (de exceptio plurium litis consortium). Na bespreking van deze voorvragen zal ik, voor het geval dat Uw Raad daaraan nog zal toekomen, ingaan op de cassatieklachten in de beide zaken.

4 De ontvankelijkheid van het eerste cassatieberoep

4.1

Het eerste cassatieberoep is gericht tegen een incidenteel vonnis. De Onteigeningswet voorziet in cassatieberoep tegen (a) het vonnis waarbij (een thans praktisch in onbruik geraakte procesgang) op de voet van art. 37 lid 2 Ow de onteigening is uitgesproken met gelijktijdige vaststelling van de schadeloosstelling (art. 52 Ow), (b) het vonnis op de voet van art. 54i Ow waarbij vervroegde onteigening is uitgesproken of nadien een voorschot is vastgesteld (art. 54l lid 1 Ow) en het vonnis waarbij, na vervroegde onteigening, de schadeloosstelling is vastgesteld (art. 52 jo art. 54t Ow). Van oudsher staat in onteigeningszaken geen cassatieberoep open tegen tussenvonnissen. De vraag rijst dan ook (een door Uw Raad ook ambtshalve te beantwoorden vraag) of tegen het vonnis van 28 augustus 2013 cassatieberoep openstond. In de onteigeningszaak die leidde tot Uw arrest van 24 juni 1992,4 is dezelfde vraag gesteld en beantwoord. De rechtbank te ‘s‑Gravenhage had in die zaak een verzoek om interventie van Ogenia, die als economisch eigenaar in een onteigeningsprocedure wilde interveniëren, afgewezen omdat, naar der rechtbank oordeel, een economisch eigenaar noch rechthebbende noch derde belanghebbende als bedoeld in art. 3 Ow is. In nr. 3.3 van zijn conclusie voor dit arrest achtte A-G mr. Moltmaker verdedigbaar dat een incidenteel vonnis waarin interventie wordt afgewezen op grond van “tegenspraak der hoedanigheid” (art. 3 lid 3 Ow.) een tussenvonnis is waarvan geen cassatie mogelijk is.5 Echter het vonnis in de zaak Ogenia was een eindvonnis, omdat de rechtbank de door Ogenia gevraagde tussenkomst had afgewezen op de juridische grond dat een economisch eigenaar geen derde belanghebbende als in art. 3 Ow bedoeld kan zijn. Uw Raad volgde zijn A‑G en oordeelde dat het bestreden vonnis een eindvonnis was, nu de rechtbank door een uitdrukkelijk dictum definitief beslist heeft dat Ogenia geen rechthebbende, mede-rechthebbende of derde belanghebbende als bedoeld in art. 3 Ow was.

4.2

In dit opzicht zie ik verschil tussen de posities van [B] en [A]. De rechtbank heeft, als ik goed zie, de tussenkomst van [B] afgewezen omdat art. 20 Ow zou meebrengen dat niet één der erfgenamen maar slechts de gezamenlijke erfgenamen in de plaats zouden kunnen treden van de overledene. Om dezelfde reden zou haar tussenkomst als derde-belanghebbende op grond van art. 3 Ow uitgesloten zijn. Dat lijkt op een definitief oordeel dat [B] alléén geen rechten als (mede)eigenaar of derde-belanghebbende kan uitoefenen en moet afwachten wat de op de voet van art 20 Ow benoemde derde ervan maakt.

De tussenkomst van [A] is afgewezen op grond van art. 3 lid 3 Ow, nu zijn hoedanigheid van pachter werd bestreden. In de gedachtegang van mr. Moltmaker in zijn conclusie in de zaak Ogenia zou verdedigbaar zijn dat het vonnis van 28 augustus 2013 ten opzichte van [A] een tussenvonnis is waartegen geen cassatie openstaat.

Aldus kom ik erop uit dat [B] ontvankelijk is maar dat [A] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep tegen het vonnis van 28 augustus 2013.

5. Het beroep van de Gemeente in beide cassatieberoepen op de exceptio plurium litis consortium.

In beide zaken heeft de Gemeente zich erop beroepen dat de middelen bij gebrek aan belang niet kunnen slagen, nu de cassatieberoepen alleen zijn ingesteld tegen de Gemeente en niet tegen [betrokkene 2] en mr. Fraats.6 Dit betoog lijkt mij juist. In alle drie de incidenten (resp. m.b.t. de tussenkomst van [B], [A] en [C+D]) hadden [betrokkene 2] en mr. Fraats te gelden als gedaagden in het incident, en zij hebben zich ook telkens als wederpartij van [B], [A] en [C+D] bij antwoord-conclusie in het incident uitgelaten over de gevraagde interventie. Of interventie in een geding wel of niet zal worden toegelaten lijkt mij een kwestie waarbij het rechtens noodzakelijk is dat de beslissing ten aanzien van alle bij de rechtsverhouding betrokkenen luidt in dezelfde zin, nu tussenkomende partijen niet tegelijkertijd wel en niet in hetzelfde geding kunnen worden toegelaten. Hetzelfde geldt, lijkt mij, voor de overname van de positie van de derde als gedaagde partij. Het gaat hier om processueel ondeelbare rechtsverhoudingen.7 Ik meen daarom dat de middelen bij gebrek aan belang niet tot cassatie kunnen leiden zodat de beroepen moeten worden verworpen. Voor de rechtsontwikkeling is dat jammer, nu de middelen belangwekkende vragen van uitleg en toepassing van de art. 3 en 20 Ow oproepen. Voor het geval Uw Raad mocht oordelen dat [A] wèl ontvankelijk is in zijn beroep tegen het vonnis van 28 augustus 2013 en de door de Gemeente ingeroepen exceptiones plurium litis consortium niet slagen, zal ik hierna de middelen nog bespreken.

6 Bespreking van de middelen in het eerste cassatieberoep

6.1

Het eerste middel bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat [B] niet kan tussenkomen omdat tussenkomst zich niet zou verhouden met de art. 18 en 20 Ow en de in de Onteigeningswet voorziene voortvarende beoordeling van de vordering tot vervroegde onteigening en dat evenmin grondslag voor tussenkomst kan worden gevonden in art. 3 Ow.

6.2

Ik stel voorop dat [B] in de incidentele conclusie tot tussenkomst die zij op de eerstdienende dag (17 juli 2013) heeft genomen als eigenaresse van de te onteigenen gronden heeft geconcludeerd tot haar toelating “als interveniënte”. De rechtbank heeft niettemin beoordeeld of de gevraagde tussenkomst kan worden gebaseerd op art. 20 Ow. Naar mijn mening voorziet art. 20 lid 2 Ow niet in tussenkomst maar op het verschijnen van een partij die de positie van de op de voet van art. 20 Ow benoemde, en gedagvaarde, derde overneemt. De rechtbank heeft daarin (in cassatie niet bestreden) geen belemmering gevonden om te onderzoeken of [B] als gedaagde partij de positie van mr. Fraats kon overnemen. Blijkbaar heeft de rechtbank de conclusie tot tussenkomst opgevat als (mede) behelzende een poging om te verschijnen als bedoeld in lid 2 van art. 20 Ow.

6.3

In mijn recente conclusie in de zaak Hofsink/Hoogeveen8 heb ik in de nrs. 3.7-3.9 aandacht besteed aan het systeem van art. 20 Ow.9 Zoals ik daar heb uiteengezet stonden de bepalingen van art. 20 leden 1 en 2 Ow (handelende over het geval dat de eigenaar of verweerder buiten het Koninkrijk woont of zijn woonplaats onbekend is) al in 1851 in de Onteigeningswet en is het derde lid, dat “de bepalingen van dit artikel van overeenkomstige toepassing” verklaart indien “de verweerder” is overleden, pas in 1920 toegevoegd. De toelichting op het middel in de onderhavige zaak (cassatiedagvaarding onder 6) merkt terecht op, dat de wet niet duidelijk maakt wie precies, in het in lid 3 bedoelde geval, als “verweerder” op de voet van art. 20 lid 2 zou kunnen verschijnen, immers de in lid 3 van art 20 bedoelde overleden verweerder kan nu juist niet in rechte verschijnen. Men kan zich dan ook afvragen of lid 2 van art. 20 wel van toepassing is in het geval van de overleden verweerder, een bij mijn weten nog niet door Uw Raad beantwoorde vraag. Als lid 2 van toepassing is, rijzen nieuwe moeilijkheden en praktische problemen. Wie kan dan wel als “verweerder” de gedaagde-partij-positie van de derde overnemen? Te denken valt natuurlijk aan de erfgenamen van de overleden verweerder10. Het fenomeen dat de wetgever van 1920 heeft willen vermijden, n.l. dat het onteigeningsgeding vertraagd wordt doordat moet worden nagegaan wie de rechtsopvolger is van de overleden verweerder, steekt dan echter alsnog de kop op, omdat, zeker ingeval van tegenspraak, de rechter nog steeds zou moeten beoordelen of zij die als pretense erfgenamen verschijnen, werkelijk de rechtsopvolgers van de overleden verweerder zijn, met alle kans op oponthoud in de procedure vandien. In nr. 3.9 van mijn zojuist genoemde conclusie schreef ik dat deze moeilijkheid onder het huidige recht wellicht kan worden ondervangen door van de erfgenamen die op de voet van art. 20 lid 2 verschijnen te eisen dat zij terstond een notariële akte als in art. 4:188 BW bedoeld (verklaring van erfrecht) in het geding brengen waaruit hun hoedanigheid van erfgenamen kan worden afgeleid.

6.4

Echter mijn voortschrijdend inzicht ziet dan nog steeds moeilijkheden de kop opsteken. Het kan best zijn dat de in het Koninklijk Besluit aangewezen eigenaar al geen eigenaar meer was ten tijde van zijn overlijden, of dat de erfgenamen de te onteigenen zaak al hebben toegedeeld en (na het Besluit) geleverd aan één hunner of de zaak hebben verkocht en geleverd aan een derde. In dat geval hebben erfgenamen volgens mij niets te zoeken in het onteigeningsgeding. Ook kunnen tot dusver onbekende erfgenamen opduiken, of tot dusver onbekende testamenten, of personen die het laatste testament aanvechten. Ik meen daarom dat misschien ook wel wat te zeggen valt voor de opvatting dat art. 20 lid 2 niet van toepassing is in het geval van de “overleden verweerder” als in lid 3 van art. 20 bedoeld, en dat art. 3 lid 2 Ow voldoende mogelijkheid biedt aan erfgenamen-eigenaren om te interveniëren (waarover hierna meer in de nrs. 6.16 en 7.3) en aldus mee te procederen over de onteigening van hun onroerende zaak.

De rechtbank is wèl uitgegaan van toepasselijkheid van lid 2 van art. 20 in geval van de overleden verweerder, en dat uitgangspunt is door [B], uiteraard, in cassatie niet bestreden. In het hierna volgende zal ik veronderstellenderwijze uitgaan van de toepasselijkheid van lid 2 van art. 20 in het geval van de overleden verweerder.

6.5

[B] legde geen notariële verklaring van erfrecht over, maar voerde in haar incidentele conclusie aan dat zij op grond van het testament van [betrokkene 1] van 9 juni 1998 de enige eigenaresse van de onderhavige percelen was.11 Uit de door mr. Fraats bij haar conclusie van antwoord van 17 juli 2013 overgelegde fotokopie van het bedoelde testament, maak ik op dat [betrokkene 1] in algehele gemeenschap van goederen gehuwd was met [B], en op de voet van het toenmalige art. 4:1167 (oud) BW alle tot zijn nalatenschap behorende goederen en rechten aan zijn echtgenote heeft toegedeeld, het z.g. langstlevende testament.12 De rechtbank heeft zich in haar vonnis van 28 augustus 2013 niet uitdrukkelijk uitgelaten over de vraag of [B] inderdaad (naast [betrokkene 2] voor de onverdeelde helft) eigenares is van de te onteigenen gronden, maar gaat ervan uit dat [B] één van de vier erfgenamen is, en oordeelt, het door mr. Fraats gehuldigde opvatting aanvaardend, dat slechts de gezamenlijke erfgenamen van de overleden verweerder ingevolge art. 20 lid 2 Ow kunnen verschijnen om het geding van de derde over te nemen.

6.6

Ik wil nu, om mijn visie op de uitleg en toepassing van art. 20 leden 2 en 3 Ow in een geval als het onderhavige te verduidelijken, wijzen op twee punten waarover het middel niet lijkt te klagen, waarmee ik overigens geenszins wil beweren dat klachten als hierna bedoeld gegrond zouden zijn geweest. Wellicht zouden die klachten reeds zijn afgestuit op de barrière van het (ongeoorloofde) novum in cassatie. Eerste punt: het middel klaagt niet dat de rechtbank de art. 4:1167 tweede volzin (oud) BW en 20 lid 2 Ow heeft geschonden door te miskennen dat [B] ingevolge art. 4:1167 tweede volzin (oud) BW door erfopvolging en onder algemene titel haar overleden echtgenoot [betrokkene 1] is opgevolgd in diens eigendom van de onverdeelde helft van de te onteigenen goederen13 en dat [B] reeds uit dien hoofde alleszins bevoegd was om afzonderlijk (d.w.z. zonder haar mede-erfgenamen) de procedure van mr. Fraats op de voet van art. 20 lid 2 Ow over te nemen. Tweede punt: het middel klaagt evenmin dat de rechtbank althans (ambtshalve) had moeten onderkennen dat, zelfs als de onverdeelde helft van de te onteigenen gronden nog in een gemeenschap viel tussen [B] en de overige erfgenamen van wijlen [betrokkene 1], [B] ingevolge art. 3:171 BW als deelgenoot14 bevoegd was in rechte op te treden ten behoeve van de gronden waartoe zij als mede-erfgenaam medegerechtigd is en bevoegd was de procedure van mr. Fraats op de voet van art. 20 Ow over te nemen. We moeten dus de omstandigheid dat het testament van [betrokkene 1] een ouderlijke boedelverdeling volgens oud BW bevatte en de bepaling van art. 3:171 BW wegdenken.

6.7

De vraag die aldus voorligt is of een geding tot onteigening ingevolge art. 20 lid 2 slechts kan worden overgenomen door de gezamenlijke erfgenamen dan wel ook door slechts één van de erfgenamen.

6.8

Het doel dat de wetgever met de procesrechtelijke art. 18 en 20 Ow voor ogen stond, was, zoals de rechtbank in rov. 2.4 heeft onderkend, het voorkomen van oponthoud in het onteigeningsgeding omdat de rechter zou worden genoopt een beslissing te geven omtrent de vraag wie krachtens erfopvolging gerechtigd is tot de te onteigenen onroerende zaak en het waarborgen van een snelle en efficiënte onteigening.15 Dat is een belangrijk doel, dat het onteigeningsprocesrecht ook in andere opzichten beheerst. Echter art. 20 lid 2 dient een ander onteigeningsprocesrechtelijk doel van gewicht, n.l. dat de (mede-)eigenaar, ook al is op de voet van art. 20 lid 1 een derde benoemd die de taak heeft zijn belangen te behartigen, toch zelf toegang tot de rechter kan krijgen in het geding ter onteigening van de aan hem in (mede-)eigendom toebehorende onroerende zaak.16 Hij heeft daarbij al dadelijk een aanwijsbaar concreet belang, nu art. 20 lid 1, laatste volzin, Ow de door de rechter benoemde derde toestaat “het loon van den bewindvoerder eens afwezige, en daarenboven de gemaakte onkosten” in rekening te brengen. Uit de parlementaire geschiedenis van de Onteigeningswet valt daarbij af te leiden dat de schadeloosstelling aan de derde moet worden uitbetaald, waarop hij bij de uitkering zijn loon en zijn kosten zal kunnen afhouden.17 Dat loon is volgens art. 20 “het loon van den bewindvoerder eens afwezige” (zie voor het huidige recht: art. 1:410 lid 2 BW: 5% van de opbrengst der door hem beheerde goederen). Ook heeft de erfgenaam-eigenaar evident belang erbij om zelf verweer te voeren indien de door de rechter benoemde derde (zoals in de onderhavige zaak aan de orde lijkt), niet genegen is zijn proceshouding af te stemmen op de wensen van de erfgenaam-eigenaar.

6.9

De rechtbank oordeelde in rov. 2.4 dat tussenkomst van alleen [B] zou leiden tot een situatie dat zij voor de overledene zou kunnen optreden evenals mr. Fraats voor de overige erfgenamen, zodat het risico bestaat dat niet-eensluidende standpunten worden ingenomen hetgeen, aldus de rechtbank, zich niet verdraagt met de functie van de regeling van art. 18 en 20 Ow. Voorts overweegt zij dat, nu niet bekend is welk standpunt de twee dochters van de erflater [betrokkene 1] innemen, de rechtbank rekening zou moeten houden met de mogelijkheid dat de vier erfgenamen inhoudelijk niet op één lijn zitten.18 De rechtbank stelt hier dus, in abstracto, het belang van het voorkomen van oponthoud in het onteigeningsgeding boven het belang van de toegang van een afzonderlijke mede-erfgenaam tot de rechter.

Ik denk dat dit te ver gaat. Ik vermag niet in te zien waarom het optreden van een afzonderlijke mede-erfgenaam (mits die terstond zijn hoedanigheid aan de hand van een notariële verklaring van erfrecht heeft aangetoond) als gedaagde partij in het geding in relevante mate in de weg zou staan aan een snelle en efficiënte onteigening.

6.10

De onteigeningsrechter behoeft in die constellatie geen tijd te besteden aan de beantwoording van de vraag wie krachtens erfopvolging gerechtigd is tot de te onteigenen zaak. Hij behoeft volgens mij ook geen rekening te houden met de eventuele andere standpunten van andere erfgenamen die niet zijn verschenen. Geschillen tussen de erfgenamen onderling behoeft hij niet te beslechten. De taak van de rechter blijft, zelfs als alle erfgenamen verschijnen en verschillende standpunten innemen, slechts daaruit bestaan dat hij beoordeelt of de vordering tot vervroegde onteigening kan worden toegewezen en vervolgens, als hij die heeft toegewezen, (zelfstandig en ambtshalve) de schadeloosstelling vaststelt. Niet valt in te zien waarom de rechter slechts naar het standpunt van de erfgenamen behoeft te luisteren indien die uit één mond spreken. Indien één van de erfgenamen, alleen voor zichzelf optredend op de voet van art. 20 lid 2 Ow het geding overneemt (zodat de derde nog de belangen van de overige erfgenamen in het geding blijft behartigen), ligt daarin volgens mij geen relevante bedreiging voor een snel en efficiënt onteigeningsproces. Stellig zal de rechter meer tijd nodig hebben om tot een oordeel te komen indien verweer tegen de vordering tot onteigening wordt gevoerd, maar om zo’n verweer, teneinde oponthoud te voorkomen, alleen maar toe te staan als blijkt dat alle erfgenamen op één lijn zitten, riekt naar “excessive formalism”. Een erfgenaam die tijdig verschijnt om het geding van de derde over te nemen, behoort dan ook, naar mijn mening, niet buiten het geding te worden gehouden omdat denkbaar is dat de overige erfgenamen, die niet van zich hebben doen horen, een ander standpunt huldigen dan de verschenen erfgenaam zal innemen.

6.11

Ik meen dan ook dat het middel terecht klaagt (toelichting in nr. 4 in de cassatiedagvaarding) over het uitgangspunt van de rechtbank dat het risico dat niet-eensluidende standpunten worden ingenomen zich niet verdraagt met de functie van de regeling van art. 18 en 20. Voor het geval dat Uw Raad aan de behandeling van het middel zal toekomen, acht ik het middel dus gegrond.

6.12

Het middel klaagt voorts (onder nr. 8-10) subsidiair dat de rechtbank ten onrechte de vraag of de gevraagde tussenkomst gebaseerd kan worden op art. 3 Ow, ontkennend heeft beantwoord. Gezien het bovenstaande houd ik het ervoor dat Uw Raad aan de behandeling van deze klacht niet zal toekomen. Voor het geval ik mij hierin vergis wil ik nog wel kwijt dat de klacht mij, om redenen die ik hierna bij de bespreking van het middel in het tweede cassatieberoep uiteenzet (nr. 7.3), gegrond voorkomt.

6.13

Het tweede cassatiemiddel in het eerste cassatieberoep komt op tegen de afwijzing van de vordering tot tussenkomst van [A] als pachter. Het klaagt dat de enkele betwisting van het recht van pachter niet voldoende mag zijn om diens tussenkomst in de onteigeningsprocedure te weigeren. Die klacht lijkt mij ongegrond.

Het oordeel van de Rechtbank (rov. 2.10) dat art. 3 lid 3 Ow de strekking heeft vertraging van de onteigeningsprocedure te voorkomen en daarom tussenkomst in deze procedure alleen toelaat als de hoedanigheid van de tussenkomende partij onweersproken is, dat de wet in zoverre het belang van de onteigenende partij bij het tijdig tot stand komen van de onteigening stelt boven dat van een tussenkomende partij die beweert eigenaar, rechthebbende of derde belanghebbende te zijn maar van wie niet zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat zij de gestelde hoedanigheid ook werkelijk heeft, strookt met de beslissing van Uw Raad in een uitspraak uit 2008.19

6.14

Ook de motiveringsklacht van het middel acht ik ongegrond. Het oordeel van de rechtbank dat de betwisting door [betrokkene 2] van de hoedanigheid van [A] als pachter meebrengt dat de tussenkomst moet worden afgewezen, lijkt mij niet onvoldoende gemotiveerd. De niet nader toegelichte bewering van het middel (in punt 13) dat de rechtbank op basis van “de beschikbaar gestelde stukken” zonder het door haar gevreesde tijdsverlies tot een inhoudelijk oordeel had kunnen komen omtrent het gestelde, maar door [betrokkene 2] betwiste, pachterschap van [A], mist de nodige precisie nu niet is vermeld op welke “beschikbaar gestelde stukken” wordt gedoeld. [A] heeft, als ik goed zie, slechts een brief van de Gemeente aan [betrokkene 2] en [B] in het geding gebracht waarin een schadeloosstelling wordt aangeboden die mede een vergoeding voor [A] als gebruiker omvat. Het oordeel van de rechtbank dat op dit moment onvoldoende duidelijk is of [A] als pachter heeft te gelden, lijkt mij in dit licht geenszins onvoldoende gemotiveerd.

6.15

In nr. 12 van het middel gaat [A] uit van de opvatting dat een gebruiker van een ter onteigening aangewezen perceel zich moet kunnen uitlaten wat de onteigening betekent voor zijn bedrijfsvoering en dat dat ook de rechtmatigheid van de vordering tot onteigening kan raken. Voor zover [A] hiermee wil zeggen dat ook een gebruiker als derde belanghebbende in het geding behoort te worden toegelaten, lijkt mij die opvatting niet juist. De opsomming in art. 3 lid 2 Ow van personen die de rechter kunnen verzoeken te mogen tussenkomen in het onteigeningsgeding is limitatief.20 Gebruikers staan er niet bij en kunnen dus niet tussenkomen. [A] wilde overigens, naar de rechtbank heeft geoordeeld, als pachter tussenkomen en niet als gebruiker.

6.16

Ik merk nog op dat de pretense eigenaar of derde-belanghebbende wiens verzoek om tussenkomst wegens tegenspraak van de beweerde hoedanigheid is afgewezen, zijn eventuele recht op schadeloosstelling niet verliest, maar dat recht ingevolge lid 3 van art. 3 Ow op de schadevergoeding kan uitoefenen, die in dat geval wordt geconsigneerd overeenkomstig de Wet op de consignatie van gelden. Ook blijft hij ondanks de weigering van zijn tussenkomst bevoegd deel te nemen aan de procedure door gebruik te maken van de in de art. 35-37 Ow aan “partijen en derde belanghebbenden” toegekende bevoegdheden om zijn visie op de hem toekomende schadeloosstelling kenbaar te maken, door ter terechtzitting te concluderen, door zijn conclusies bij pleidooi te ontwikkelen en doordat, wanneer hij aldus aan het geding heeft deelgenomen, ook voor hem beroep in cassatie openstaat.21 [A] zal dus alsnog kunnen deelnemen aan het proces teneinde te bevorderen dat voor hem een passende schadevergoeding zal worden vastgesteld voor het geval dat hij inderdaad pachter zal blijken te zijn (geweest) van de onteigende gronden.

Ook lijkt mij niet geheel uitgesloten dat hij, zelfs als hij geen pachter is, schade lijdt die voor vergoeding in aanmerking komt,22 maar in de op dat vlak rijzende vragen heb ik mij thans niet verdiept.

7 Bespreking van het middel in het tweede cassatieberoep

7.1

Het middel in het tweede cassatieberoep is gericht tegen de afwijzing van de bij conclusie van 25 september 2013 gevraagde tussenkomst van [C+D] als gezamenlijke erfgenamen (zie voor het oordeel van de rechtbank nr. 2.3 hierboven). Zoals ik hierboven bij nr. 5 al heb uiteengezet, meen ik dat (ook) het tweede cassatieberoep afstuit op de exceptio plurium litis consortium. Voor het geval dat Uw Raad op dat punt anders oordeelt het volgende.

7.2

Voor zover de klachten van het middel gericht zijn tegen het oordeel van de rechtbank dat van overname van de procedure door de gezamenlijke erfgenamen op de eerstdienende dag geen sprake is geweest zodat mr. Fraats haar rol zal moeten blijven vervullen zijn zij naar mijn mening ongegrond. Overname van het geding door de in art. 20 lid 2 bedoelde “verweerder” is slechts mogelijk op de eerstdienende dag.23 Het oordeel van de rechtbank dat mr. Fraats de gedaagde partij moet blijven, lijkt mij dus juist.

7.3

Niet echter kan ik inzien waarom “geen plaats” is voor “een dubbele aanwezigheid van de gezamenlijke erfgenamen in deze procedure, namelijk als een zelfstandig opererende tussengekomen partij en als een via de op de grond van artikel 20 Ow benoemde derde”.

Kan de (erfgenaam van de overleden) verweerder die niet op de eerstdienende dag op de voet van art. 20 lid 2 is verschenen, in een later stadium alsnog als eigenaar op de voet van art. 3 lid 2 Ow tussenkomen?24 Als dat mogelijk zou zijn, zou inderdaad van een “dubbele aanwezigheid” kunnen worden gesproken, omdat overname van de positie van de derde als gedagvaarde partij niet meer mogelijk is, zodat de derde partij blijft25, terwijl de erfgenaam tot behartiging van wiens belangen de derde is benoemd, zelf ook als partij meeprocedeert. Maar ik lees in de wet niet dat voor een zodanige interventie geen plaats is, terwijl ook het systeem der wet daartoe niet lijkt te dwingen. Te bedenken valt voorts dat ook hier groot (en door art. 6 EVRM erkend) gewicht toekomt aan de mogelijkheid van de eigenaar om zelf zijn verweer tegen de vordering tot onteigening aan de rechter voor te leggen. Ongetwijfeld heeft de interventie ten gevolge dat de taak van de benoemde derde wordt uitgehold, terwijl ook de mogelijkheid bestaat dat de eigenaar-interveniënt (b.v. ten aanzien van de toewijsbaarheid van de vordering tot onteigening) een ander standpunt inneemt dan reeds door de op de voet van art. 20 benoemde derde is ingenomen.26 Onder verwijzing naar hetgeen ik hierboven bij 6.7-6.11 heb betoogd meen ik evenwel dat die bezwaren van onvoldoende gewicht zijn om (de gezamenlijke) erfgenamen principieel de toegang tot de onteigeningsrechter te ontzeggen.

In zoverre acht ik het middel gegrond.

8 Conclusie

De conclusie strekt:

in de zaak met nummer 13/05265:

tot niet-ontvankelijkverklaring van [A] en voor het overige tot verwerping;

in de zaak met nummer 13/05839:

tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Waarnemend Advocaat-Generaal

1 Dit is binnen de termijnen van art. 52 lid 2 Ow (twee weken) en art. 53 lid 1 jo. art. 54l lid 1 Ow (twee plus twee weken).

2 Ook dit is binnen de termijnen van art. 52 lid 2 Ow (twee weken) en art. 53 lid 1 jo. art. 54l lid 1 Ow (twee plus twee weken).

3 Zie de productie 1 bij de conclusie van antwoord van mr. Fraats in het incident tot tussenkomst d.d. 31 juli 2013. [A] is in beide instanties in het ongelijk gesteld.

4 NJ 1993/548 met noot MB (Ogenia/’s‑Gravenhage).

5 Dit tegen de achtergrond van de bijzonderheid (zie ook hierna nr. 6.16) dat pretense derde belanghebbenden wier tussenkomst is afgewezen op grond van “tegenspraak van hoedanigheid” (art. 3 lid 3 Ow) niettemin partij worden in de procedure en de mogelijkheden hebben van art. 35-37 Ow, alsmede als partij cassatieberoep kunnen instellen.

6 Asser, Civiele cassatie, tweede druk (2011), blz. 75, zet uiteen dat het gaat om een verweer dat in weerwil van de benaming exceptio plurium litis consortium een verweer ten principale is dat, indien gegrond, tegenwoordig leidt tot verwerping. Voorts (voor hoger beroep): Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/47.

7 Asser, Civiele cassatie, tweede druk (2011), blz. 74, Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005) nrs. 44 en 45, HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3979, NJ 2010/403.

8 HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1537, NJ 2014/348.

9 Waarbij ik uiteraard kon voortbouwen op hetgeen Uw Raad daarover overwoog in het arrest van 24 juni 2005, ECLI:NL:HR:2015:AT2656, NJ 2006/240 met noot P.C.E. van Wijmen.

10 Zie W.J.I. Van Wijmen, Het onteigeningsproces (diss. 1945), blz. 75: “De vraag rijst, of ingeval van overlijden van den verweerder diens erfgenamen de bevoegdheid van art. 20 tweede lid kunnen uitoefenen. Ik meen van wel: behoudens terugwerkende kracht van de verwerping toch zijn zij erfrechtelijk gerechtigd tot het uitoefenen van de rechten van den overledene.”

11 Bedoeld zal zijn: het testament van 19 juni 1998 en: voor de helft eigenares, immers [B] erkent (punt 3 van haar incidentele conclusie tot tussenkomst van 17 juli 2013) dat de gronden voor de helft in eigendom toebehoren aan gedaagde [betrokkene 2].

12 Zo ook de rechtbank in rov. 2.1 van het vonnis van 28 augustus 2013.

13 Zie Asser-Perrick, Erfrecht, twaalfde druk (1996), nrs. 511 en 512.

14 Voor vijf achtste, nu de onteigende gronden vielen in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap tussen [betrokkene 1] en [B].

15 Rov. 3.4 en 3.7 van Uw arrest van 24 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2656, NJ 2006/240 met noot P.C.E. van Wijmen.

16 In het ontwerp van wet dat geleid heeft tot de Onteigeningswet (Wet van 28 augustus 1851, Stb. 125) voorzag art. 20 nog niet in de mogelijkheid dat de eigenaar die buiten het Koninkrijk woonde of waarvan de woonplaats onbekend was, de door de rechter benoemde belangenbehartiger kon aflossen als procespartij (Bijlagen bij de Handelingen der Tweede Kamer 1850-1851, blz. 284). Uit het Verslag der Commissie van Rapporteurs blijkt dat men de voorgestelde bepaling “vrij algemeen bedenkelijk” oordeelde. Ik citeer (Bijlagen bij de Handelingen der Tweede Kamer 1850-1851, blz. 498: “Al dadelijk rijst de vraag, of de eigenaar, die buiten het Koningrijk woont, in geen geval zelf mag opkomen. Hij kan nabij de grenzen woonachtig zijn en in persoon zijn belang willen behartigen: het zou in dat geval onrechtvaardig zijn, hem dit te beletten.” Het huidige lid 2 van art. 20 is vervolgens bij Nota van Wijzigingen in het ontwerp opgenomen.

17 Zie de Memorie van Beantwoording, Bijlagen bij de Handelingen der Tweede Kamer 1850-1851, blz. 733: “Hij, tegen wien het geding gevoerd wordt, zal ook diegene zijn tegen wien de onteigening zal worden uitgesproken. Aan hem zal dus de schadeloosstelling, volgens artikel 56, worden uitbetaald en hij zal er, iure retentionis, bij de uitkeering zijn loon en de onkosten kunnen afhouden.”

18 De vrees voor oponthoud van de procedure doordat de rechter zou worden geconfronteerd met complicaties die kunnen rijzen wanneer de erfgenamen het onderling niet eens zijn ontleent de rechtbank in rov. 2.4 van het bestreden vonnis aan (rov. 3.7 van) het arrest van Uw Raad van 24 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2656, NJ 2006/240 met noot P.C.E. van Wijmen. Uit mijn verdere uiteenzettingen zal blijken dat ik meen dat het wel zal meevallen met die complicaties. Maar wat daarvan zij, het ging in die zaak om de vraag of de onteigenende partij, in strijd met art. 20 leden 1 en 3 Ow, de erfgenamen van de overleden verweerder zou mogen dagvaarden. Dat is een andere vraag dan hier aan de orde is, t.w. of één van meerdere erfgenamen, nadat met inachtneming van art. 20 leden 1 en 3 is gedagvaard, op de voet van art. 20 lid 2 kan verschijnen teneinde als (mede)gedaagde voort te procederen.

19 Zie rov. 3.2.4 van HR 14 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0375, NJ 2008/590.

20 Zie hierover uitgebreid de punten 5.1-5.3 van de conclusie van A-G mr. Moltmaker voor HR 24 juni 1992, NJ 1993/548 (Ogenia/’s-Gravenhage).

21 Zie HR 28 augustus 1934, NJ 1934 blz. 1689 met noot E.M.M. (De Vries Lentsch/Amsterdam), HR 9 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4852, NJ 2000/418 met noot P.C.E. van Wijmen en HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3188, NJ 2009/207, Thorbecke, Stelsel en toepassing der Onteigeningswet (1880) blz. 91, W.J.I. van Wijmen, Het onteigeningsproces (diss. 1945) blz. 49-51, Sluysmans, De vitaliteit van het schadeloosstellingsrecht in onteigeningszaken (diss. 2011) blz. 55, en de losbladige Kluwerbundel Onteigening, eigendomsbeperking en kostenverhaal, III, § 23.

22 Zie de ontwikkeling in de rechtspraak van Uw Raad die ik onder nr. 4.3 van mijn conclusie in de zaak Den Haag/Apaydin (rolnr. 13/04162) kort schetste en Uw arrest van 27 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1731, NJ 2014/100 met noot P.C.E. van Wijmen (De Haas/Lansingerland).

23 Kortheidshalve verwijs ik naar nr. 3.8 van mijn conclusie in de zaak Hofsink/Hoogeveen, ECLI:NL:PHR:2014:346.

24 Een in de literatuur stiefmoederlijk behandelde vraag. In het proefschrift van W.J.I. van Wijmen “Het onteigeningsproces” (1945) staat op blz. 69: “Zal de eigenaar de derde kunnen doen afzetten? Bij wege van tusschenkomst kan hij zeer zeker zijn rechten doen gelden. De kring van diegenen die kunnen tusschenkomen, is in artikel 3 aangegeven en daartoe behoort in de allereerste plaats hij, die beweert eigenaar te zijn.”

25 Daarvan gaat ook Van Wijmen uit op blz. 69 van zijn in de vorige noot bedoelde proefschrift.

26 Dat doet zich in dit geval inderdaad voor. Mr. Fraats heeft zich ten aanzien van de gevorderde onteigening gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, terwijl [C+D] in hun op 25 september 2013 genomen conclusie van antwoord, tevens houdende voorwaardelijke conclusie tot tussenkomst, verweer hebben gevoerd tegen de onteigeningsvordering. De rechtbank heeft dit verweer niet behandeld. Zij achtte (rov. 2.5 van het vonnis van 23 oktober 2013:) de gevorderde onteigening “als zodanig niet bestreden”.