Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1888

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-09-2014
Datum publicatie
28-10-2014
Zaaknummer
13/01929
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3055, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:HR:2012:BX5468. Opzettelijke benadeling van de gezondheid i.d.z.v. art. 300.4 Sr. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2012:BX5468 m.b.t. het feit dat het brengen in een (tijdelijke) staat van bewusteloosheid of onmacht in bijzondere omstandigheden kan worden aangemerkt als opzettelijke benadeling van de gezondheid i.d.z.v. art. 300.4 Sr. Met het oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling a.b.i. art. 300.4 Sr, doordat hij het slo. koffie te drinken heeft gegeven waarin hij het middel Midazolam had gedaan als gevolg waarvan zij gedrogeerd is geraakt, heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat verdachte door het toedienen van het middel Midazolam het slo. in een (tijdelijke) staat van onmacht heeft gebracht. ’s Hofs kennelijke oordelen dat het toedienen van het middel Midazolam in de gegeven omstandigheden kan worden aangemerkt als opzettelijke benadeling van de gezondheid i.d.z.v. art. 300.4 Sr en dat het middel Midazolam in die zin kan worden aangemerkt als een voor de gezondheid schadelijke stof geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/01929

Zitting: 2 september 2014

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Na terugwijzing door de Hoge Raad bij arrest van 20 november 20121 ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging, heeft het gerechtshof te ’s-Gravenhage bij arrest van 20 maart 2013 de verdachte ter zake van 1. subsidiair “mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd door toediening van voor het leven of de gezondheid schadelijke stoffen”, 2. “belaging” en 4. “schennis van de eerbaarheid op of aan een plaats voor het openbaar verkeer bestemd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden.

2. Namens de verdachte heeft H. Duivenvoorde, administratief ambtenaar bij het gerechtshof ’s-Gravenhage, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over de bewezenverklaring van feit 1. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet, althans niet zonder meer volgen dat aan [slachtoffer] voor de gezondheid schadelijke stoffen zijn toegediend. Daarnaast wordt geklaagd over een innerlijke tegenstrijdigheid in het arrest.

4. Aan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd dat:

“hij op of omstreeks 27 september 2006 te Middelburg opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, hebbende hij, verdachte, met dat opzet die [slachtoffer] eenmaal of meermalen een kop/beker koffie, met daarin (telkens) heimelijk een dosis, in elk geval een (hoeveelheid van het slaapmiddel Dormicum, bevattende de stof Midazolam, in elk geval een hoeveelheid van een (krachtig) verdovend middel, doen drinken, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] in staat van bewusteloosheid is geraakt, althans in slaap is gevallen en hebbende hij, verdachte, aldus die [slachtoffer] de bewegingsvrijheid ontnomen en/of die [slachtoffer] belet zich (vrij) te bewegen waarheen zij wilde;

Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring mocht leiden:

hij op of omstreeks 27 september 2006 te Middelburg, opzettelijk en met voorbedachten rade mishandelend, althans opzettelijk mishandelend, een persoon, [slachtoffer], opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal koffie, met daarin (telkens) een overdosis, in elk geval een hoeveelheid van het middel Midazolam, in elk geval een overdosis/hoeveelheid van een krachtig sedatief middel, zijnde een voor de gezondheid schadelijke stof heeft gegeven, tengevolge waarvan die [slachtoffer] gedrogeerd is geraakt, in elk geval schade voor de gezondheid heeft ondervonden en/of de gezondheid van die [slachtoffer] is benadeeld;”

5. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde. Wat betreft de bewezenverklaring houdt het arrest het volgende in:

“Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 27 september 2006 te Middelburg opzettelijk mishandelend, een persoon, [slachtoffer], koffie, met daarin een hoeveelheid van het middel Midazolam, zijnde een voor de gezondheid schadelijke stof heeft gegeven, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] gedrogeerd is geraakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.”

6. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte in zijn woning [slachtoffer] heimelijk het slaapmiddel Dormicum, bevattende de werkzame stof Midazolam, heeft toegediend, dat [slachtoffer] ten gevolge daarvan duizelig/onwel is geworden en boven in de kinderkamer op bed is gaan liggen en daar in slaap is gevallen. Na ongeveer twee uur is zij weer wakker geworden. Met betrekking tot de in het bloed van [slachtoffer] aangetroffen stof Midazolam houden de bewijsmiddelen in dat die stof een kalmerende, slaapverwekkende en spierverslappende werking heeft en dat een enkele dosis Midazolam (= een tablet van 7,5 mg) genoeg is om slaap te induceren in een patiënt gedurende een aantal uren. Het slaapmiddel Dormicum is op 20 en 23 september 2004 door de apotheek aan de verdachte verstrekt.

7. Met betrekking tot de bewezenverklaring heeft het hof het volgende overwogen:

“Het hof gaat op grond van de gebezigde bewijsmiddelen van het navolgende uit.

Uit de aangifte van [slachtoffer] blijkt dat zij, na het drinken van (twee kopjes) koffie bij de verdachte, onwel is geworden. Volgens aangeefster rook een smaakte de eerste kop koffie, welke zij in de ochtend van 27 september 2006, iets naar negenen, van de verdachte kreeg, naar mannenparfum. Zij voelde zich daarna duizelig. Zij is vervolgens, op voorstel van de verdachte, op bed gaan liggen, waar zij na ruim twee uur ontwaakte. Aangeefster herinnert zich niets meer vanaf het moment dat ze op bed ging liggen tot het moment dat ze ontwaakte.

Aangeefster heeft verklaard de koffie te hebben gedronken uit een zwart-witte mok. Diezelfde dag nog zijn twee zwart-witte mokken uit de vaatwasmachine van de verdachte gehaald. Uit onderzoek van het NFI blijkt dat in één van de twee uit de vaatwasmachine inbeslaggenomen mokken de stof Midazolam is aangetroffen. Deze stof is ook in het bloed van aangeefster aangetroffen. Uit gegevens van de apotheek waarvan de verdachte zijn medicijnen betrekt blijkt dat op 20 en 23 september 2004 het slaapmiddel Dormicum aan verdachte is verstrekt. In het dossier bevindt zich voorts de verklaring van getuige [betrokkene], apotheker van beroep, waaruit blijkt dat Midazolam wordt verkocht onder de productnaam Dormicum.

De verdachte heeft verklaard dat hij alleen in 2004 het slaapmiddel Dormicum heeft gebruikt en dat hij op aanraden van zijn huisarts een tablet in een kopje water oploste, zodat het sneller in het bloed zou worden opgenomen. Hij heeft voorts verklaard dat hij het middel na 2004 niet meer in huis heeft gehad. Volgens de verdachte heeft hij aangeefster niet opzettelijk een kop met koffie met daarin een tablet Dormicum te drinken gegeven, maar was er sprake van een vergissing.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 6 november 2008 blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting verklaard dat de twee zwart-witte mokken die door het Nederlands Forensisch Instituut zijn onderzocht, waar op één van de mokken de streepjescode nog op de onderkant was bevestigd, hoogstens een paar maanden voor het onderhavige feit aan hem cadeau zijn gegeven.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 6 maart 2013 verklaard dat de rechtbank zijn hiervoor bedoelde verklaring niet juist heeft weergegeven in het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg. Op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep zijn evenwel geen feiten en omstandigheden gebleken of aannemelijk geworden die aanleiding zouden vormen voor twijfel aan de juistheid van die weergave van de verklaring van de verdachte, zoals opgenomen in dat zittingsproces-verbaal in eerste aanleg, gevoegd bij de bevinding dat er op een van de twee mokken nog een streepjescode zat, zodat het hof de verdachte aan deze verklaring houdt.

Nu de verdachte heeft verklaard dat het nieuwe mokken betrof, acht het hof de verklaring van de verdachte dat de in één van de mokken aangetroffen resten Dormicum afkomstig zijn van een daarin per ongeluk terechtgekomen tablet van de voor de verdachte voor het laatst in 2004 gebruikte medicatie, ongeloofwaardig.

Gelet op het bovenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aan [slachtoffer] doelbewust een kop/beker koffie heeft gegeven, met daarin heimelijk, buiten haar medeweten, een (opgeloste) hoeveelheid van het slaapmiddel Dormicum, bevattende de werkzame stof Midazolam. Deze koffie met slaapmedicatie heeft hij het slachtoffer laten opdrinken met, zie hierna, het doel die [slachtoffer] in een (diepe) slaap te krijgen.

[slachtoffer] heeft verklaard dat ze duizelig werd na het drinken van de koffie en dat ze zeker twee uur in diepe slaap is geweest, dit terwijl zij die ochtend, na een normale nachtrust, naar de verdachte was gekomen om aldaar te komen schoonmaken. Zij kan zich niets meer herinneren vanaf het moment dat zij op bed is gaan liggen tot ze weer wakker werd.

Naar ’s hofs oordeel kunnen de handelingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm en in onderling verband en samenhang bezien, worden aangemerkt als zijnde zo zeer gericht op het in een slapende toestand brengen van [slachtoffer] dat het niet anders kan dan dat de verdachte de opzet, in ieder geval in voorwaardelijke zin, heeft gehad om haar middels voornoemde stof te drogeren. De verdacht heeft door zijn handelwijze, als hierboven omschreven, en de geschetste en ook te verwachten gevolgen willens en wetens het risico genomen de gezondheid van [slachtoffer] te schaden. Aldus heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling in de zin van artikel 300, vierde lid jo. artikel 304, ahf. en onder drie, van het Wetboek van Strafrecht.”

8. Deze strafzaak is eerder aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen geweest. Het (eerste) gerechtshof had bij arrest van 15 maart 2011 het onder 1 primair tenlastegelegde bewezenverklaard, inhoudende dat de verdachte de aangeefster een kop/beker koffie met een heimelijk vermengd slaapmiddel heeft doen drinken, ten gevolge waarvan zij in slaap is gevallen, waardoor hij haar de bewegingsvrijheid heeft ontnomen. Het bewezenverklaarde werd door het hof gekwalificeerd als ‘opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven’.

9. Bij arrest van 20 november 2012 heeft de Hoge Raad dit arrest van 15 maart 2011 vernietigd ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging. De bewezenverklaarde gedraging van de verdachte kon niet worden aangemerkt als wederrechtelijke vrijheidsberoving in de zin van art. 282, eerste lid, Sr. In een overweging ten overvloede heeft de Hoge Raad in dat arrest nog het volgende te kennen gegeven:

“Opmerking verdient dat het brengen in een (tijdelijke) staat van bewusteloosheid of onmacht onder omstandigheden kan worden aangemerkt als opzettelijke benadeling van de gezondheid in de zin van art. 300, vierde lid, Sr.”

10. De vraag waar het in deze cassatieprocedure om draait is of het heimelijk toedienen van het slaapmiddel in het onderhavige geval kan worden aangemerkt als opzettelijke benadeling van de gezondheid van de aangeefster [slachtoffer].

11. Met de onder 9 weergegeven vingerwijzing heeft de Hoge Raad nadrukkelijk aansluiting gezocht bij art. 81 Sr. De gekozen bewoordingen wekken althans minstgenomen die suggestie. Art. 81 Sr luidt namelijk:

“Met het plegen van geweld wordt gelijkgesteld het brengen in een staat van bewusteloosheid of onmacht.”

De wettelijke gelijkstelling van enerzijds ‘het brengen van een andere persoon in een staat van bewusteloosheid of onmacht’ met anderzijds ‘het plegen van geweld’, vereenvoudigt naar mijn inzicht de stap naar de door de Hoge Raad bedoelde gelijkstelling van enerzijds ‘het brengen in een (tijdelijke) staat van bewusteloosheid of onmacht’ met anderzijds ‘de opzettelijke benadeling van de gezondheid’ in de zin van artikel 300, vierde lid Sr. Daar komt nog eens bij dat art. 82 Sr onder zwaar lichamelijk letsel onder meer verstaat de voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden. Wat is er dan op tegen, zo vraag ik mij retorisch af, om een tijdelijke ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden – onder omstandigheden – aan te merken als (louter) lichamelijk letsel? Kortom, in elk geval op het eerste gezicht verzet het wettelijke systeem zich niet tegen ’s hofs rechtsopvatting. Maar houdt dit prima facie oordeel stand in het licht van literatuur en jurisprudentie?

12. Voor mijn onderzoek in literatuur en jurisprudentie heb ik aangenomen dat aan de termen “bewusteloosheid” en “onmacht” die door de Hoge Raad in relatie tot het opzettelijk benadelen van de gezondheid in de zin van art. 300, vierde lid, Sr zijn gebezigd, dezelfde betekenis dient te worden toegekend als daaraan toekomt in art. 81 Sr.

13. Onder bewusteloosheid dient in dat verband te worden verstaan de totale afwezigheid van bewustzijn. Onmacht betekent een toestand waarin iemand “van binnen uit” geen macht heeft over zijn ledematen, een tijdelijk gemis van macht over de spieren.2 Hoewel de wetsgeschiedenis leert dat bij onmacht met name werd gedacht aan een toestand van ziekte, wijst de praktijk uit dat onmacht ook buiten ziekte om kan worden aangenomen.3 Noyon-Langemeijer-Remmelink noemt in dit verband intoxicaties als gevolg van inspuitingen en het doen consumeren van drugs of alcohol die spierverlammingen of wat daarmee gelijk te stellen is tot gevolg hebben.4 In Noyon-Langemeijer-Remmelink wordt over het vierde lid van artikel 300 Sr bovendien in meer algemene zin nog gedoceerd dat aan het “pijn en letsel toebrengen aan het lichaam” als omschreven in het eerste lid van art. 300 Sr door de wetgever eenvoudig een variant is toegevoegd en dat van een wezenlijk onderscheid tussen “benadeling van de gezondheid” (vierde lid) en “mishandeling” (eerste lid) geen sprake is.

14. In HR 5 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5983, NJ 2005/316 was de vraag aan de orde of het drogeren van het slachtoffer door het toedienen van een hoeveelheid kalmerings- en/of slaapmiddelen (feit 3) en slaapmiddelen (feit 7) “geweld” opleverde in de zin van art. 312 Sr in verbinding met art. 81 Sr. In het ene geval was het slachtoffer kort na het nuttigen van door de betreffende verdachte kennelijk geprepareerde vla draaierig en duizelig geworden in die mate dat hij naar zijn zegge “geen eigen wil meer had”. In het andere geval was het slachtoffer na het drinken van door de verdachte aan hem aangereikte, van benzodiazepines voorziene rode wijn zelfs bewusteloos geraakt. De Hoge Raad liet beide veroordelingen wegens diefstal met geweld in stand onder verwijzing naar de conclusie van de advocaat-generaal. Mijn ambtgenoot Vellinga had in zijn conclusie overwogen dat het hof de term “drogeren” kennelijk en niet onbegrijpelijk had opgevat in de betekenis van het toedienen van zoveel verdovende middelen dat degene aan wie deze worden toegediend in een toestand van onmacht of bewusteloosheid raakt. Het enkele bedwelmen zonder dat dit gepaard gaat met fysiek geweld of zonder dat dit leidt tot een staat van bewusteloosheid of onmacht valt daarentegen niet onder het begrip (toepassen van) “geweld”, aldus Vellinga.5

15. Gelet op een en ander moet, naar ik meen, worden aangenomen dat met “benadeling van de gezondheid” een daadwerkelijke verslechtering van de lichamelijke gesteldheid is bedoeld.6 Om van benadeling van de gezondheid te kunnen spreken, is nodig dat het optreden van de verdachte effect heeft gehad op de gezondheid van het slachtoffer. Niet vereist is dat de benadeling van blijvende aard is.7 Benadeling van de gezondheid kan (ook) resultaat zijn van een nalaten, in de zin dat hoewel daartoe een verplichting bestond het verlenen van deugdelijke zorg opzettelijk is uitgebleven.8

16. Dat het brengen in een staat van bewusteloosheid of onmacht onder omstandigheden kan worden aangemerkt als opzettelijke benadeling van de gezondheid, zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld, verdraagt zich m.i. goed met de door mij voorgestane eis dat het moet gaan om een daadwerkelijke verslechtering van de lichamelijke gesteldheid.9 De vraag wanneer hiervan sprake is kan niet in algemene zin worden beantwoord, maar dient per geval aan de hand van de specifieke feiten en omstandigheden van de zaak te worden beoordeeld. Het komt mij voor dat niet vereist is dat slechts dan van gezondheidsbenadeling kan worden gesproken indien zulks door middel van empirisch onderzoek is komen vast te staan.

17. Ook in het Duitse recht is de gezondheidsbenadeling als een vorm van mishandeling strafbaar gesteld. Par. 223 StBG, waarin de zgn. “Körperverletzung” strafbaar is gesteld onderscheidt twee modaliteiten te weten de “körperliche Misshandlung” en de “Gesundheitsschädigung”. Onder gezondheidsbenadeling wordt verstaan het teweegbrengen, verergeren of in stand houden van een ziekelijke toestand.10 Daarbij geldt dat het enkele risico op gezondheidsbenadeling onvoldoende is. Er dient daadwerkelijk sprake te zijn van gezondheidsschade (“eine Schädigung”).11 Aangenomen wordt dat het in een toestand van verminderd bewustzijn brengen van een persoon door toediening van drugs, alcohol of medicijnen, valt binnen de reikwijdte van de term “gezondheidsbenadeling”.12 Over de vraag of het door middel van een slaapmiddel in een slaaptoestand brengen van een ander valt aan te merken als gezondheidsbenadeling bestaat geen duidelijkheid. De slaap als zodanig is niet aan te merken als een pathologische toestand. Het lijkt erop dat gezondheidsbenadeling zich volgens het Duitse recht slechts voordoet wanneer de inname ofwel bewusteloosheid tot gevolg heeft dan wel gepaard gaat met pathologische verschijnselen als duizeligheid, onpasselijkheid of geheugenverlies.13

18. We keren terug naar de onderhavige zaak. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de aangeefster [slachtoffer] zich kort nadat zij zich tegoed had gedaan aan de koffie – die rook en smaakte naar mannenparfum – duizelig/onwel voelde en boven bij de verdachte op bed is gaan liggen.14 De aangeefster heeft geen herinneringen vanaf het moment dat zij tegen de verdachte had gezegd dat zij even ‘moest’ gaan liggen en naar boven was gegaan. Hoewel hieruit niet zonder meer valt af te leiden dat de aangeefster als gevolg van de inname van het slaapmiddel bewusteloos is geraakt, ligt in de verklaring van de aangeefster wel besloten dat zij kennelijk verkeerde in een staat van fysieke weerloosheid als gevolg van de inname van het haar toegediende middel.

19. Het oordeel van het hof dat de verdachte de aangeefster [slachtoffer] koffie met daarin een hoeveelheid van het middel Midazolam, zijnde een voor de gezondheid schadelijke stof, heeft gegeven ten gevolge waarvan zij “gedrogeerd” is geraakt, dient kennelijk en niet onbegrijpelijk aldus te worden begrepen dat deze inhoudt dat de verdachte het slachtoffer in een (tijdelijke) staat van onmacht heeft gebracht.

20. In het oordeel dat de aangeefster ten gevolge van de inname van het slaapmiddel “gedrogeerd” is geraakt ligt bovendien besloten dat het middel daadwerkelijk nadelig effect heeft gehad op de gezondheid van de aangeefster. Op basis van deze feitelijke vaststellingen heeft het hof m.i. kunnen oordelen dat in het onderhavige geval sprake is van opzettelijke benadeling van de gezondheid als bedoeld in art. 300, vierde lid, Sr.

21. Voor zover het hof de in de tenlastelegging voorkomende zinsneden “in elk geval schade voor de gezondheid heeft ondervonden en/of de gezondheid van die [slachtoffer] is benadeeld” niet heeft bewezenverklaard is dit louter gelegen in het feit dat het hof heeft bewezenverklaard dat die [slachtoffer] ten gevolge van de inname gedrogeerd is geraakt. Aan een bewezenverklaring van de bedoelde zinsneden is het hof simpelweg niet toegekomen. Van een innerlijke tegenstrijdigheid van het arrest, zoals de steller van het middel aanvoert, is dus geen sprake.

22. Dat het middel Midazolam een voor de gezondheid schadelijke stof betreft, heeft het hof kunnen afleiden uit het effect dat het middel op de lichamelijke gesteldheid van de aangeefster heeft gehad. Daarbij neem ik in het bijzonder in aanmerking dat de aangeefster heeft verklaard (bewijsmiddel 2) dat zij zich na het drinken van de koffie duizelig voelde, alsmede dat zij geen herinnering meer heeft aan het gebeurde na het moment dat zij tegen de verdachte zei dat zij even moest gaan liggen en naar boven was gegaan. Aan het voorgaande doet m.i. niet af dat, zoals de steller van het middel aanvoert, het een middel betreft dat (zonder recept) door een apotheker verkocht wordt. Het lijkt mij überhaupt niet verstandig middelen die door een apotheker zonder recept worden verkocht in te nemen zonder voorafgaande kennisneming van de waarschuwende woorden in de gebruikelijke bijsluiter. Dergelijke, zonder recept te verkrijgen middelen zijn dus beslist niet per definitie risicoloos.

23. Het middel faalt.

24. Het tweede middel klaagt terecht over schending van de inzendtermijn. Het cassatieberoep is ingesteld op 2 april 2013. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 27 februari 2014 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.

25. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

26. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate als de Hoge Raad gepast acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 ECLI:NL:HR:2012:BX5468, NJ 2013/110, m.nt. Rozemond.

2 Een van buiten af veroorzaakte onmogelijkheid van tegenweer door vastbinden of vasthouden is hieronder niet begrepen, nu dit rechtstreeks als een daad van geweld is aan te merken. Zie Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht (losbl.), aant. 4 bij art. 81, bijgewerkt tot 1 november 2006.

3 Vgl. HR 4 december 1990, NJ 1991/346.

4 A.J. Machielse in Noyon, Langemeijer & Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht (losbl.), aant. 4 bij art. 81, bijgewerkt tot 1 november 2006.

5 De advocaat-generaal leidt dit af uit de wetsgeschienis. Zie: H.J. Smidt & J.W. Smidt, De geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel I, p. 495-496. Ook in Noyon-Langemeijer-Remmelink (aant. 4 bij art. 81) lijkt te worden betoogd dat het enkele in een slaaptoestand brengen van een ander niet onder “geweld” in de zin van art. 81 Sr te brengen valt.

6 A.J. Machielse in Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht (losbl.), aant. 3 bij art. 300, bijgewerkt tot april 2013. Tot die slotsom komt ook mijn ambtgenoot Knigge in zijn conclusie van 23 oktober 2012, ECLI:NL:PHR:2013:BY4858, NJ 2013/423.

7 Vgl. HR 25 februari 1929, NJ 1929, p. 721, W 11 972.

8 Vgl. HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4858, NJ 2013/423.

9 Dit ligt anders bij art. 81 Sr waarin met het plegen van geweld wordt “gelijkgesteld” het brengen in een staat van bewusteloosheid of onmacht. Daar geldt de eis dat geweldshandelingen moeten zijn verricht niet.

10 Vgl. Schönke/Schröder, Strafgesetzbuch Kommentar, 29. Auflage, 2014, Rn 5, Joecks, Münchener Kommentar zum StGB, 2. Auflage 2012, Rn 28. Te raadplegen via: www.Beck-online.beck.de.

11 Joecks, Münchener Kommentar zum StGB, 2. Auflage 2012, Rn 28. Eschelbach, Beck’scher Online-Kommentar StGB, Hrsg: von Heintschel-Heinegg, Rn 25.

12 Eschelbach, Beckscher Online-Kommentar StGB, Hrsg: von Heintschel-Heinegg, Rn 25.

13 Joecks, Münchener Kommentar zum StGB, 2. Auflage 2012, Rn 31 en Eschelbach, Beck’scher Online-Kommentar StGB, Hrsg: von Heintschel-Heinegg, Rn 25. Vgl. BGH NStZ 1992, 490.

14 Bewijsmiddel 1 en 2.