Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1887

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-09-2014
Datum publicatie
28-10-2014
Zaaknummer
13/05666
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3054, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 80a RO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/05666

Zitting: 30 september 2014

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het beroep in cassatie is gericht tegen een arrest van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 16 augustus 2012. Namens de verdachte is tijdig een schriftuur houdende twee middelen van cassatie ingezonden.

2. Het tweede middel behelst de klacht dat het onder 1 bewezen verklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid en dat het hof een door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van het (ontbreken van) opzet op de dood heeft verworpen op gronden die deze niet kunnen dragen.

3. Het hof is in een uitvoerige bewijsoverweging op het standpunt van de verdediging ingegaan. Daarbij heeft het verwezen naar bewijsmiddelen waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte met aanmerkelijke snelheid en met een zware personenauto op het trottoir is ingereden op voetgangers die zich op het trottoir bevonden. Het oordeel van het hof dat de verdachte onder de vastgestelde omstandigheden door zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de zes in de tenlastelegging genoemde personen zou aanrijden en dat deze personen als gevolg daarvan zouden komen te overlijden, acht ik geenszins onbegrijpelijk. Het hof heeft voldaan aan de uit art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv voortvloeiende responsieplicht. Het onder 1 bewezen verklaarde (poging tot doodslag, meermalen gepleegd) kan voorts uit de bewijsmiddelen worden afgeleid, waaronder de verklaring van de getuige [getuige], inhoudende dat de verdachte heel hard over het trottoir reed.

4. Het middel kan klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.

5. Het eerste middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden. Nu het tweede middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden, is een beroep op schending van genoemde verdragsbepaling geen klacht die voldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt.1

6. Op grond van het voorafgaande stel ik mij op het standpunt dat het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0132, rov. 2.2.4.