Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1884

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-08-2014
Datum publicatie
28-10-2014
Zaaknummer
13/02918
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3051, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/02918

Zitting: 26 augustus 2014

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verzoeker = verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 31 mei 2013 door het Gerechtshof Amsterdam wegens onder meer 1 primair “De voortgezette handeling van: poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om de diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit werd gepleegd voor twee of meer verenigde personen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren. Voorts heeft het Hof nog niet teruggegeven voorwerpen verbeurd verklaard respectievelijk aan het verkeer onttrokken.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de griffienummers 13/02918, 13/02949 en 14/00919. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verzoeker heeft mr. Balemans, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte het tenlastegelegde onder feit 1 primair heeft bewezenverklaard, “zulks op gronden die deze bewezenverklaring niet kunnen dragen in die zin dat die bewezenverklaring in het licht van hetgeen door rekwirant is aangevoerd niet naar behoren met redenen is omkleed”. Blijkens de toelichting valt het middel in twee motiveringsklachten uiteen.

5. De eerste motiveringsklacht houdt allereerst de deelklacht in dat het resultaat van een fotoconfrontatie niet voor het bewijs mag worden gebezigd omdat de verklaring van de getuige dat zij voor 95% zeker weet dat zij verzoeker bij de overval op een filiaal van de Aldi in Vianen heeft gezien niettemin door het Hof als bewijsmiddel is gebezigd, en wel in die zin dat het Hof daarbij ten onrechte heeft overwogen dat deze getuige heeft verklaard dat zij er zeker van was dat zij verzoeker op de dag van de overval heeft gezien, waarbij het Hof bovendien haar verklaring heeft gedenatureerd door weg te laten het gedeelte van haar verklaring bij het zien van de foto van verzoeker dat de degene die zij heeft gezien donkerder van huidskleur was.

6. Deze deelklacht gaat eraan voorbij dat het Hof blijkens zijn arrest (p. 10) uitvoerig op de ‘foto-herkenning’ van de getuige is ingegaan, het daarbij onder ogen heeft gezien dat met de raadsman kan worden gezegd dat de verklaring van de getuige niet een ‘100%-herkenning’ oplevert en het heeft uitgelegd waarom die verklaring (toch) in samenhang met de overige bewijsmiddelen voor het bewijs bruikbaar is. Daarbij komt dat het Hof - zonder de verklaring van de getuige te denatureren - als bewijsmiddel 9 heeft opgenomen het proces-verbaal van de verbalisant, waarin als antwoord van de getuige is weergegeven: “Bij nummer 9 (de foto van verzoeker, EH) had ik een gevoel van herkenning”.

7. Ook de tweede deelklacht, inhoudend dat de conclusie van het Hof met betrekking tot de voorhamer bij de overval tegenstrijdig is, mist doel, nu het Hof niet onbegrijpelijk heeft overwogen dat weliswaar niet is vastgesteld dat de na de overval in Vianen aangetroffen voorhamer ook daadwerkelijk door verzoeker is gekocht maar dat de bevindingen van de politie voor zover deze betrekking hebben op de aanschaf van een gelijksoortige hamer door verzoeker nog geen twee weken voor de overval (bewijsmiddel 12), in samenhang met de overige bewijsmiddelen en bij gebreke van enige redengevende verklaring van de kant van verzoeker omtrent zijn handelen, bijdraagt tot het bewijs.

8. De tweede klacht, luidend dat de conclusie van het Hof dat verzoeker mededader is geweest onjuist, althans onbegrijpelijk is, stuit af op de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen en zijn bewijsoverwegingen daaromtrent.

9. Het middel faalt dus in al zijn onderdelen en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG