Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1881

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-09-2014
Datum publicatie
28-10-2014
Zaaknummer
14/00238
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3047, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Grondslagverlating. Wijziging tll. Artt. 313 en 314 Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2008:BD3662, m.b.t. het feit dat het op de weg van de rechter ligt om in de tekst van een tll. voorkomende misslagen te verbeteren, mits verdachte daardoor niet in zijn verdediging wordt geschaad. Zo’n verbetering is niet een wijziging i.d.z.v. art. 313 Sv, maar slechts een vaststelling van de juiste inhoud van de tll. waarvoor geen medewerking van het OM of verdachte is vereist. I.c. is de tll. primair toegesneden art. 420bis.1 aanhef en onder a, Sr en art. 420ter Sr en subsidiair op art. 420bis.1 aanhef en onder a Sr onderscheidenlijk art. 420quater.1 aanhef en onder a, Sr. Het Hof heeft daaraan aan art. 420bis.1 aanhef en onder b, Sr onderscheidenlijk art. 420quater.1 aanhef en onder b, Sr ontleende bestanddelen toegevoegd. Dat kan niet als een herstel van een misslag in de tll. worden gezien, maar levert een wijziging van de tll. op die slechts o.d.v.v. de artt. 313 en 314 Sv kon plaatsvinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 14/00238

Zitting: 2 september 2014

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 20 december 2013 de verdachte ter zake van 1. “voorbereiding van diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen of afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, 2. “bankbiljetten waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad hebben”, 3. “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, 5. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, 6. “in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet, dat het vals is”, 7. “overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.9, eerste lid, van de Telecommunicatiewet, opzettelijk begaan”, 9. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” en 10. subsidiair “witwassen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden. Voorts bevat het arrest enkele bijkomende beslissingen.

2. Namens de verdachte heeft E. Schleeper, waarnemend griffier bij het gerechtshof te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over de motivering van hetgeen onder 1 is bewezenverklaard. In het bijzonder wordt geklaagd dat uit de bewijsvoering van het hof niet met voldoende bepaaldheid blijkt welk te plegen misdrijf de verdachte voor ogen stond.

4. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij op 7 december 2011 te Amsterdam, ter voorbereiding van het met anderen of een ander te plegen misdrijf van artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht, te weten diefstal met geweld in vereniging of artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht, te weten afpersing met geweld in vereniging, opzettelijk

- een personenauto (kenteken [II-00-JJ]) en

- een vuurwapen (merk Im-Metal, voorzien van de valse merkaanduiding Smith en Wesson) en

- een vuurwapen (merk Glock) en

- een patroonmagazijn en

- patronen (kaliber 9mm x 19) en

- valse biljetten (in totaal 277) van 50 euro,

kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;”

5. Het hof heeft voorts nog het volgende overwogen:

“Door de raadsman is kort en zakelijk weergegeven aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde. De beide tassen in de auto waren afgesloten en de verdachte heeft wetenschap van de inhoud daarvan ontkend. Op geen van de goederen zijn zijn vingerafdrukken aangetroffen en de aangetroffen patronen bevonden zich aan de passagierskant. Niet staat vast dat het op de aangetroffen foto afgebeelde wapen hetzelfde wapen is dat in die afgesloten tas is aangetroffen. Subsidiair kan uit de stukken in het dossier niet worden afgeleid dat de verdachte en [betrokkene 1] op dat moment bezig waren met de voorbereiding van een ripdeal zoals wordt aangenomen.

Het hof stelt vast dat de verdachte op 7 december 2011 als bestuurder samen met de medeverdachte [betrokkene 1] reed in een Volkswagen Golf die op naam stond van de verdachte. Voor de passagiersstoel stond een tas met daarin twee vuurwapens met bijbehorende patronen en een patroonhouder. Verder stond op de achterbank in de auto een tas met daarin twee pakketten met bankbiljetten van € 50. Na onderzoek bleken alleen de bovenste biljetten echt te zijn, de overige 277 biljetten waren vals. Op het moment dat [betrokkene 1] uit de auto stapte en rechtop ging staan viel er een patroon op de grond naast de auto. Het bleek te gaan om een patroon van hetzelfde merk en kaliber als de patronen die in de afgesloten tas werden aangetroffen. Op de vloer van de auto aan de passagierskant en in het deurvak aan de passagierskant werden nog twee patronen aangetroffen en ook deze waren van hetzelfde merk en kaliber.

Het hof leidt hieruit af dat de medeverdachte kennelijk kort voor zijn aanhouding handelingen had verricht met die munitie, waarbij hij die munitie in zijn schoot had liggen. Dit heeft plaatsgevonden op zeer korte afstand en in het zicht van de verdachte en het kan derhalve niet anders dan dat de verdachte dit heeft waargenomen. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking dat de verdachte onmiddellijk is weggevlucht toen de politie tot aanhouding wilde overgaan. Voorts is een vingerafdruk van de medeverdachte op het pistool aangetroffen, ter hoogte van de trekkerbeugel.

Voor zover door de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2013 een alternatief scenario heeft gegeven ten aanzien van het voorgaande, wordt dit naar het oordeel van het hof weerlegd door de volgende belastende feiten en omstandigheden waar de verdachte geen afdoende verklaring voor heeft gegeven.

In de slaapkamer van de verdachte op zijn verblijfadres [a-straat 1] te Diemen is een micro SD kaart aangetroffen waarop een foto is aangetroffen van een pistool dat qua vorm, details en kleurstelling identiek is aan één van de in de tas in de auto van verdachte aangetroffen vuurwapens. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat deze foto is gemaakt op hetzelfde verblijfadres. In een aldaar op zijn slaapkamer aangetroffen jas zijn voorts twee patronen van hetzelfde kaliber en model als de in de auto van de verdachte aangetroffen munitie, aangetroffen.

Dat de verdachte en [betrokkene 1] met de aangetroffen voorwerpen het plegen van een ripdeal voor ogen hadden (hetzij in de vorm van een diefstal met geweld, hetzij in de vorm van een afpersing) acht het hof wettig en overtuigend bewezen. Gezien de aard en samenstelling van de voorwerpen en de omstandigheden waaronder deze zijn aangetroffen betreft het hier voorwerpen die afzonderlijk, maar zeker ook als gezamenlijkheid, naar hun uiterlijke verschijningsvorm gebruikt kunnen worden voor het plegen van ripdeals. Dat de verdachte zich ook daadwerkelijk bezighoudt met ripdeals leidt het hof ook af uit tapgesprekken welke zijn verkregen binnen een politieonderzoek onder de naam 13Klepel waaraan de verdachte heeft deelgenomen of waarin over hem wordt gesproken. Hierin komt zowel het plegen van ripdeals als het gebruik van pakketten vals/nep geld daarbij met zoveel woorden ter sprake (pag. 164-166 van het dossier). Op 23 december 2011 wordt voorts een gesprek opgenomen (OVC) waarin door [betrokkene 2] wordt gesproken over "die neger, die [verdachte]", die pas een Golf 6 had gehaald voor "achttien ruggen" en die Golf 6 had meegenomen naar "die ripdeal", waar agenten hem die Golf 6 hebben afgenomen (pag. 167 van het dossier). De verdachte heeft verklaard dat hij de VW Golf waarin hij op 7 december 2011 reed, onlangs had gekocht voor € 18.000,00. Het hof legt de verklaring van [betrokkene 2] over de inhoud van dit gesprek, zoals op 4 juli 2013 afgelegd bij de raadsheer-commissaris, terzijde, nu [betrokkene 2] aangeeft dat hij er niet wakker van zal liggen als zijn verklaring niet klopt aangezien hij een gevangenisstraf van 15 jaar uitzit.

Gelet op deze feiten en omstandigheden in onderling verband bezien acht het hof bewezen dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met [betrokkene 1] de wapens, munitie en de twee geldpakketten in die auto voorhanden had ter voorbereiding van een misdrijf zoals ten laste is gelegd onder feit 1. Het hof merkt nog op dat in de woning [a-straat 1] te Diemen in de meterkast een zogenaamd rip-pakket met nep verdovende middelen is aangetroffen (pag. 168 van het dossier). Aan deze bewezenverklaring doet niet af, gelet op het bovenstaande in onderling verband bezien, dat de beide in de auto aangetroffen tassen waren afgesloten.

De verweren worden verworpen.

Het hof acht het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde op grond van de inhoud van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, wettig en overtuigend bewezen.”

6. Art. 46, eerste lid, Sr luidt:

"Voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld is strafbaar, wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft."

7. Bij Wet van 20 november 2006 is in art. 46 lid 1 Sr het bestanddeel “kennelijk”, dat vooraf gaat aan de woorden “bestemd tot”, komen te vervallen.1 Uit de wetsgeschiedenis van voornoemde wet volgt dat niet (meer) vereist is dat uit de aard of de eigenschappen van het voorwerp de objectieve bestemming tot het criminele doel blijkt, maar dat de subjectieve bestemming, het opzet van de dader, toereikend is voor strafbaarheid.2 Het voorhanden hebben van alledaagse voorwerpen levert zodoende een strafbare voorbereiding op als bewijs kan worden aangedragen voor een criminele bestemming die de dader aan de voorwerpen heeft toegewezen.3 De nadruk ligt op het opzet van de verdachte om met het voorwerp een strafbaar feit voor te bereiden.4

8. Het hof heeft bewezenverklaard dat de onder de verdachte en zijn medeverdachte [betrokkene 1] aangetroffen voorwerpen kennelijk (cursief DA) bestemd waren tot het in vereniging begaan van een ‘ripdeal’ (hetzij in de vorm van een diefstal met geweld, hetzij in de vorm van een afpersing). Daarmee heeft het hof – overeenkomstig de inhoud van de tenlastelegging – kennelijk abusievelijk de tekst van art. 46 (oud) Sr gebezigd. Hierover wordt evenwel niet geklaagd.

9. Daarmee resteert de vraag of het hof zich door bewezenverklaring van het bestanddeel “kennelijk” in de problemen heeft gebracht, en of het hof meer in het algemeen heeft verzuimd bewijs te leveren voor het misdadige doel dat de verdachte naar ’s hofs oordeel voor ogen heeft gestaan. Ik meen van niet. De wetgever heeft met de schrapping van het woord “kennelijk” de wet in overeenstemming willen brengen met de jurisprudentie van de Hoge Raad. Deze toonde zich geen voorstander van een ‘objectieve’ uitleg van dit bestanddeel en oordeelde dat veeleer de bedoeling van de dader bepalend is voor de bestemming van de voorwerpen.5 Het verval van “kennelijk” is in zoverre dus van geringe betekenis geweest. De Hoge Raad kan de bewezenverklaring zo nodig met verbetering van deze misslag lezen.6

10. In cassatie wordt er geen punt van gemaakt dat, zoals het hof heeft vastgesteld, de aangetroffen voorwerpen (een personenauto, twee vuurwapens met bijbehorende munitie en twee pakketten valse biljetten van 50 euro) naar hun uiterlijke verschijningsvorm gebruikt kunnen worden voor het plegen van ripdeals. Uit de bewijsmiddelen kan, volgens de steller van middel, evenwel niet volgen dat de verdachte in het onderhavige geval ook concrete plannen had voor het plegen van zo’n ripdeal. Daarin kan ik de steller van het middel niet volgen. In de voor het bewijs gebezigde tapgesprekken blijkt niet alleen van verdachtes betrokkenheid bij ripdeals in algemene zin, in het tapgesprek tussen ene [betrokkene 2] en een NN-man twee weken na de aanhouding van de verdachte en de inbeslagname van de voorwerpen wordt bovendien gesproken over de verdachte die met zijn nieuwe Golf 6 op weg was naar een ripdeal en dat de politie de auto (toen) van hem heeft afgenomen.7 Bewijsmiddel 10 houdt, voor zover van belang, in:

“Op 23 december 2011 wordt een gesprek opgenomen van [betrokkene 2] met een onbekende man. In dit gesprek wordt door verdachte [betrokkene 2] gesproken over die neger, ene [verdachte], tegen een onbekende man NN. Dit gedeelte van het gesprek staat hieronder letterlijk weer gegeven:

Y: Die neger wordt er ook al mee gezocht, die [verdachte] Ja

NN: Ja? En die gasten dan, door skotoe?

Y: Nee skotoe

NN: Door die aktie?

Y: Nee, andere aktie, (ntv) rip ofzo. Had ie die Golf 6 had ie pas gehaald voor achttien ruggen, had ie die Golf 6 meegenomen naar die ripdeal, hebben ze die Golf 6 hem afgenomen.

NN: die gasten?

Y: Nee die agenten toch mongool.. Hoe kan dat nou? (ntv) Die jongen is ook alles, het is wel zielig, op zich.

NN: Die is ook alles kwijt?

Y: Die is alles kwijt, nou niet ook, maar ehh (ntv)

NN: Wat een ellende jongen, wat een ellende

Dit gesprek wordt door het onderzoeksteam geïnterpreteerd als dat [verdachte] met zijn nieuwe Golf 6 op weg was naar een ripdeal en dat de politie (skotoe) de auto van hem heeft afgenomen”

Tellen we hierbij op de omstandigheden waaronder de voorwerpen zijn aangetroffen, in het bijzonder dat de medeverdachte kort voor de aanhouding handelingen heeft verricht met de munitie, en dat van het stapeltje bankbiljetten alleen de bovenste echt waren, dan is het oordeel van het hof dat de verdachte en de medeverdachte de wapens, munitie en de twee geldpakketten in de auto voorhanden hadden ter voorbereiding van een in vereniging te plegen diefstal c.q. afpersing met geweld niet onbegrijpelijk. Dat oordeel is toereikend gemotiveerd.

11. Het middel faalt.

12. Het tweede middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 6. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet op welke datum en op welke plaats het feit is gepleegd.

13. Ten laste van de verdachte is onder 6 bewezenverklaard dat:

“hij op 31 januari 2012 te Amsterdam in het bezit was van een Nederlands identiteitsbewijs, waarvan verdachte wist dat het vals [was], bestaande die valsheid hierin dat het document van een ander materiaal is gemaakt dan het gebruikelijke basismateriaal van PVC.”

14. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“18. Een proces-verbaal met nummer 2011315121 van 2 februari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar T016 [doorgenummerde pagina's 209-210].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Bij de insluitingsfouillering (door arrestantenzorg) van de genoemde [verdachte] bleek dat deze iets in zijn mond had dat hij uit wilde spugen in een spoelbak. Hetgeen hij uit spuugde is opgevangen door een medewerker van de arrestantenzorg en overgedragen aan een medewerker van de Regionale Recherche. Het bleken twee stukjes plastic folie te zijn, ongeveer ter grootte van een bankpas. In de fouillering van [verdachte] is een wit kaartje aangetroffen (zie bijlage 1.). Ik, verbalisant, heb nader onderzoek verricht naar deze drie bestanddelen. Hierbij is gebleken dat het gaat om bestanddelen die gezamenlijk de uiterlijke kenmerken vertonen van een Nederlandse identiteitskaart. Een groot deel van de gegevens op de twee stukken plastic folie zijn niet leesbaar meer, vermoedelijk door het kauwen hierop.

Via internet heb ik, verbalisant, vervolgens een afbeelding gezocht van een Nederlandse identiteitskaart. Deze afbeelding komt van de website www.paspoortinfonnatie.nl van het Nederlandse Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Uit deze afbeelding blijkt dat het Burger Service Nummer (BSN) van de houder van de identiteitskaart op de achterzijde van de kaart, op de bovenste regel aan de onderzijde staat vermeld, voor de afsluiting met <<<<<..

Bij bestudering van één van de twee stukjes plastic folie bleek dat hierop nog een BSN aanwezig was dat nog vrijwel geheel te lezen was. Het BSN bestaat uit negen cijfers. Uit bestudering van de restanten bleek dat het BSN hierop vermeld vermoedelijk [001] was.

Uit navraag in de Gemeentelijke Basisadministratie bleek dat dit BSN toebehoort aan [betrokkene 3], geboren [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats], wonende [b-straat 1] te [woonplaats]. Vervolgens bleek dat onderaan het deel met het BSN de letters '[A]' en '[B]' nog te lezen waren, alwaar vermoedelijk '[betrokkene 3]' heeft gestaan, dit gezien het feit dat op de onderste regel de voornamen van de houder van de identiteitskaart staan vermeld.

Op het andere stukje plastic folie dat in beslag is genomen is de naam '[betrokkene 3]' nog te lezen, alsmede de geboortedag '15' en de eerste letter van de geboorteplaats, de 'A'.

Gezien het bovenstaande waren de personalia op het aangetroffen plastic folie zeer waarschijnlijk van de genoemde [betrokkene 3]. Conform de GBA is dit een neef van de verdachte [verdachte]

19. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2011315121 van 1 februari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar Tl 10 [doorgenummerde pagina 218].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Naar aanleiding van de twee aangetroffen stukken folie en het stuk karton, die kenmerken hadden van een Nederlandse Identiteitskaart, werd door mij telefonisch contact opgenomen met de Koninklijke Marechaussee te Schiphol. Van de Koninklijke Marechaussee sprak ik met [betrokkene 4] van de afdeling "Expertise Centrum Identiteitsfraude & Documenten" (ECID). Ik vroeg [betrokkene 4] of de door ons aangetroffen voorwerpen van "echt" Nederlands identiteitsbewijs afkomstig konden zijn. [betrokkene 4] verklaarde aan mij dat een Nederlands identiteitsbewijs bestaat uit 1 basismateriaal van PVC en dat het document niet te splitsen is. Verder verklaarde [betrokkene 4] mij dat een voorwerp met uiterlijke kenmerken van een Nederlandse identiteitsbewijs dat wel gesplitst is of kan worden vals is.

20. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2011315121 van 13 februari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar Tl 10 [doorgenummerde pagina 295].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Onder de verdachte [verdachte] werden twee stukken plastic folie en een stukje karton aangetroffen. Deze stukken waren allen in het formaat van een bankpas en vertoonden kenmerken van een Nederlandse identiteitskaart. Daar een officiële Nederlandse identiteitskaart is gemaakt van één materiaal soort, namelijk PVC, kan dit aangetroffen document niet echt zijn. De aangetroffen onderdelen waren namelijk niet van PVC, maar van plasticfolie en karton.”

15. Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat, zoals onder 6 is bewezenverklaard, het feit is gepleegd op 31 januari 2012 te Amsterdam. De motivering van de bewezenverklaring schiet in zoverre dan ook tekort.

16. Tot cassatie behoeft dit evenwel niet te leiden. Uit het in bewijsmiddel 18 genoemde proces-verbaal van bevindingen, dat zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt, volgt immers dat de insluitingsfouillering waarbij de valse identiteitskaart bij de verdachte is aangetroffen op dinsdag 31 januari 2012 te Amsterdam heeft plaatsgevonden. Derhalve kan niet gezegd worden dat de verdachte een voldoende in rechte te respecteren belang heeft bij zijn klacht. Een nieuwe behandeling van de zaak zal immers niet tot een andere uitkomst ten aanzien van de bewezenverklaring leiden.8

17. Het middel faalt.

18. Het derde middel klaagt erover dat het hof ten aanzien van feit 10 de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.

19. Ten laste van de verdachte is onder 10 tenlastegelegd dat:

“Primair

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 12 december 2011, te Amsterdam en/of Diemen, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte van een of meer voorwerp(en) en/of een of meer geldbedrag(en), te weten

- een of meer (personen)auto('s), te weten een Volkswagen, kenteken [AA-00-BB] en/of een Opel, kenteken [CC-00-DD] en/of een Fiat, kenteken [EE-00-FF] en/of een Volkswagen, kenteken [GG-00-HH] en/of een Volkswagen, kenteken [II-00-JJ] en/of

- een bromfiets (kenteken [KK-00-LL]) en/of

- een tas (merk Gucci) en/of

- een of meer kledingstuk(ken) en/of schoenen (met een totale waarde van (ongeveer) 8276,35 euro) en/of

- een gouden armband en/of

- een horloge (merk Cartier) en/of

- een gouden ring met diamanten en/of

- een of meer geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) 22120 euro (zegge: tweeëntwintigduizend en honderdentwintig euro),

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft hij verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op voornoemde voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) was/waren of wie bovenomschreven voorwerp(en) en/of geldbedrag(en), voorhanden had/hadden, terwijl hij wist dat dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en)- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit een misdrijf;

Subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 12 december 2011 te Amsterdam en/of Diemen, althans in Nederland, van een of meer voorwerp(en) en/of geldbedrag(en), te weten

- een of meer (personen)auto('s), te weten een Volkswagen, kenteken [AA-00-BB] en/of een Opel, kenteken [CC-00-DD] en/of een Fiat, kenteken [EE-00-FF] en/of een Volkswagen, kenteken [GG-00-HH] en/of een Volkswagen, kenteken [II-00-JJ] en/of

- een bromfiets (kenteken [KK-00-LL]) en/of

- een tas (merk Gucci) en/of

- een of meer kledingstuk(ken) en/of schoenen (met een totale waarde van (ongeveer) 8276,35 euro) en/of

- een gouden armband en/of

- een horloge (merk Cartier) en/of

- een gouden ring met diamanten en/of

- een of meer geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) 22120 euro (zegge: tweeëntwintigduizend en honderdentwintig euro), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) was of wie bovenomschreven voorwerp(en) en/of geldbedrag(en), voorhanden had/hadden, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit een misdrijf.”

20. Met betrekking tot deze tenlastelegging heeft het hof voorts nog overwogen:

“Het hof stelt vast dat zowel in het dossier 'witwassen' als op de behandeling in eerste aanleg het onder feit 10 onder primair en subsidiair tenlastegelegde is begrepen als gericht op het in artikel 420bis onder b Wetboek van Strafrecht (Sr) (juncto artikel 420ter Sr) neergelegde strafbare feit. Het door de rechtbank bewezen verklaarde feit valt ook onder die delictsomschrijving. Ook bij de behandeling in hoger beroep zijn de raadsman en de advocaat-generaal van die bewezen verklaarde strafbare gedragingen uitgegaan.

Onder die omstandigheden en nu de strafmaat niet verschilt leest het hof de tenlastelegging verbeterd, als mede inhoudend (achter uit een misdrijf):

en/of die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) voorhanden heeft gehad terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit een misdrijf. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.”

21. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 december 2011, te Amsterdam en/of Diemen, voorwerpen en geldbedragen, te weten

- personenauto's, te weten een Opel, kenteken [CC-00-DD] en een Fiat, kenteken [EE-00-FF] en

- een bromfiets (kenteken [KK-00-LL]) en

- kledingstukken (met een totale waarde van ongeveer 8276,35 euro) en

- een horloge (merk Cartier) en

- een gouden ring met diamanten en - geldbedragen van in totaal ongeveer 19120 euro (zegge: negentienduizend en honderdtwintig euro), voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat die voorwerpen en geldbedragen - onmiddellijk of middellijk

- afkomstig waren uit een misdrijf.”

22. Het hof heeft de tenlastelegging die was toegesneden op art. 420bis, eerste lid onder a, Sr, waarin het (gewoonte)witwassen bestaat uit het verhullen en verbergen van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats etc. van een voorwerp, aldus verstaan dat daaronder mede is begrepen het voorhanden hebben van een voorwerp zoals is omschreven in art. 420bis, eerste lid onder b, Sr.

23. Bij de vraag of het hof een verbeterde lezing is toegestaan zij vooropgesteld dat de uitleg van de tenlastelegging is voorbehouden aan de feitenrechter. Het ligt op zijn weg om misslagen die in de tenlastelegging voorkomen te verbeteren, zolang de verdachte daardoor niet in zijn verdediging wordt geschaad.9 Verbeterde lezing betreft geen wijziging van de tenlastelegging, maar een vaststelling van de juiste inhoud ervan.10

24. Met de steller van het middel ben ik van mening dat van een verbeterde lezing in bovengenoemde zin geen sprake is. Niet gezegd kan worden dat de uitleg die hof heeft gegeven aan de tenlastelegging verenigbaar is met de bewoordingen van de (oorspronkelijke) tenlastelegging. Evenmin is vol te houden dat het de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging is geweest om ook de in het eerste lid onder b genoemde handeling(en) ter toetsing aan de rechter voor te leggen. Hoewel de tenlastelegging in hoger beroep is gewijzigd heeft de advocaat-generaal niet van die gelegenheid gebruik gemaakt de tenlastelegging in vorenbedoelde zin aan te vullen. De wetgever heeft reden gezien om onderscheid te maken tussen de onder a en b omschreven witwashandelingen. Door bij arrest aan de tenlastelegging een dermate ruime uitleg te geven, heeft het hof de tenlastelegging in mijn ogen op ontoelaatbare wijze aangevuld. Aan de tenlastelegging is immers een zelfstandig verwijt toegevoegd. Dat de onder b genoemde witwashandelingen met dezelfde straf worden bedreigd doet aan het voorgaande niet af. Uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep valt niet af te leiden dat de verdediging is uitgegaan van de uitleg van de tenlastelegging zoals door het hof in zijn arrest is omschreven.

De verdacht mocht er anders gezegd op vertrouwen dat het hof bij de beraadslaging zou uitgaan van hetgeen in de tenlastelegging is opgenomen. Door het andersluidende oordeel van het hof is de verdachte in zijn verdedigingsrecht geschaad. Aldus is sprake van grondslagverlating door het hof.

25. Het middel slaagt.

26. Het eerste en het tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering. Het derde middel slaagt.

27. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

28. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 10 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Stb. 2006, 580, inwerkingtreding 1 februari 2007.

2 Kamerstukken II, 2004/05, 30164, nr. 3, p. 49.

3 Kamerstukken II 2005/06, 30164, nr. 7, p. 11.

4 Kamerstukken I 2006/07, D, p. 24

5 Kamerstukken II 2005/06, 30164, nr. 12, p. 1.

6 Vgl. CAG Knigge van 21 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1956.

7 Vgl. HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4481 (HR 81 RO).

8 Vlg. HR 2 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5960, NJ 2013/383 en HR 11 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2547, NJ 2013/577.

9 Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2012, p. 215 – 216, 238 – 240. Zie ook: HR 24 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0510.

10 In zijn dissertatie wijst Boksem erop dat het niet de taak van de rechter is om de tenlastelegging te wijzigen. De rechter kan alleen maar een wijziging die niet voldoet aan de voorwaarden tegenhouden. De rechter treedt slechts controlerend op: J. Boksem, Op den grondslag der telastlegging, Nijmegen: Ars Aequi Libri 1996, p. 235. Ook De Jong schrijft in zijn dissertatie dat de rechter alleen de grenzen van art. 313 Sv dient te bewaken: D.H. De Jong, De macht van de telastelegging in het strafproces, Arnhem: Gouda Quint 1981, p. 181. Zie voorts mijn conclusie van 12 maart 2013, ECLI:NL:PHR:2013:220.