Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1880

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-09-2014
Datum publicatie
28-10-2014
Zaaknummer
13/01941
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3045, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Roekeloosheid, art. 6 jo. art. 175 WVW 1994. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:960. In het licht daarvan schiet de bewijsvoering van het Hof tekort. De door het Hof blijkens de nadere bewijsoverweging i.h.b. in aanmerking genomen omstandigheden zouden toereikend kunnen zijn voor het oordeel dat verdachte zoals eveneens is tenlastegelegd “zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend” heeft gereden onder een van de in art. 175.3 WVW 1994 tot strafverhoging leidende omstandigheden, maar zij zijn niet zonder meer toereikend voor ’s Hofs oordeel dat de verdachte “roekeloos” in de zin van art. 6 jo. art. 175.2 WVW heeft gereden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/01941

Zitting: 2 september 2014

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 27 juni 2012 de verdachte ter zake van “overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met een bijzondere voorwaarde. Voorts heeft het hof de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van 3 jaren.

2. Namens de verdachte heeft [betrokkene 3], administratief ambtenaar bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. W.G.M.M. van Montfort, advocaat te Heerlen, bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. In de middelen wordt opgekomen tegen ’s hofs oordeel dat sprake is van schuld in de vorm van roekeloosheid. Zij lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 3 november 2008 in de gemeente Maastricht als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de N2, gaande in de richting van België en gekomen bij de oversteekplaats ter hoogte van de Regentesselaan/Prinsenlaan, welke N2 ter plaatse bestaat uit twee rijbanen welke rijbanen elk zijn onderverdeeld in twee rijstroken, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos,

- na gebruik van alcoholhoudende drank -

- met een voor de verkeerssituatie ter plaatse te hoge snelheid -

met het door hem, verdachte, bestuurde, motorrijtuig voornoemde oversteekplaats te naderen en vervolgens een op de rechterrijstrook van voornoemde N2 stilstaande personenauto links te passeren en vervolgens zonder gevolg te geven aan een voor hem, verdachte, bestaande verplichting te stoppen, ingevolge een in zijn, verdachtes, richting gekeerd staand rood licht uitstralend driekleurig verkeerslicht, die oversteekplaats op te rijden op het moment dat de bestuurster van een bromfiets, doende was gezien zijn, verdachtes rijrichting, de rijbaan van de N2 over te steken van rechts naar links, ten gevolge waarvan hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig in botsing is gekomen met de bestuurster van die bromfiets, door welk verkeersongeval [slachtoffer], zijnde de bestuurster van die bromfiets, werd gedood.”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van bevindingen van politie regio Limburg Zuid, district Maastricht, basiseenheid Mstr-West, afdeling Basis Politiezorg, procesverbaalnummer 2008148573-9, dossierpagina's 28 t/m 31, d.d. 3 november 2008 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 8] en [verbalisant 9], beide hoofdagent van politie, voor zover inhoudende als relaas van bevindingen en verrichtingen van de betreffende verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Maandagochtend 3 november 2008 waren wij met algehele surveillance belast. Wij kregen omstreeks 04.55 uur de melding om te gaan naar de provinciale weg N2 ter hoogte van hectometerpaal 261.5 te Maastricht. Aldaar zou een aanrijding hebben plaatsgevonden tussen een bromfiets en een personenauto.

Toen wij de oprit van de A2 in noordelijke richting opreden, zagen wij op de A2 in zuidelijke richting ter hoogte van het viaduct op de vluchtstrook een donkerkleurige auto staan. Wij zagen dat bij deze personenauto een vrouw liep met blond haar.

Ter plaatse zagen wij dat er op de weg, direct naast de oversteekplaats, een helm op de weg stond. Verder zagen wij dat er meerdere onderdelen van de bromfiets over een groot deel van het wegdek lagen. Wij zagen dat enkele meters, op de rechterrijstrook, na de oversteekplaats aan de zuidzijde een slachtoffer lag. Wij zagen dat naast het slachtoffer een blanke man stond. Tegenover deze man stond een negroïde persoon. Ik zag dat nabij het slachtoffer een gedeelte van een bumper lag die vermoedelijk afkomstig was van de personenauto. Ik, verbalisant Zeggelaar, zag dat eerdergenoemde blonde vrouw over de vluchtstrook in de richting van de aanrijding kwam lopen. Ik hoorde haar in de Engelse taal "accident" (het hof begrijpt dat hierna dient te volgen: zeggen). Ik vroeg de vrouw in de Engelse taal wat ze bedoelde. Ik hoorde haar antwoorden dat zij en haar vriend betrokken waren bij een aanrijding. Ik vroeg haar wie de bestuurder was geweest. Ik hoorde haar zeggen dat het de negroïde man was die bij de plaats van de aanrijding stond, naast het slachtoffer. Hierop ben ik naar de verdachte (het hof begrijpt dat hierna dient te volgen: gegaan) en heb hem medegedeeld dat hij was aangehouden. Hierop overhandigde de verdachte mij zijn paspoort. Verdachte bleek te zijn: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986.

Het slachtoffer is door de ambulance met zwaar lichamelijk letsel vervoerd naar het AZM te Maastricht. Na onderzoek bleek het slachtoffer te zijn: [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats].

2. Een proces-verbaal van verhoor van politie regio Limburg Zuid, district Maastricht, basiseenheid Mstr-West, afdeling Basis Politiezorg, proces-verbaalnummer 2008148573-12, dossierpagina 51, d.d. 3 november 2008 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:

Vandaag, maandag 3 november 2008 omstreeks 09.15 uur, werd ik door de politie thuis opgehaald in verband met het feit dat mijn dochter [slachtoffer] werd aangereden. Ik werd toen naar het Academisch Ziekenhuis in Maastricht gebracht. Daar werd ik bij mijn dochter gebracht. Ik herken haar als mijn dochter [slachtoffer], geboren [...]-[...]-1970 te [geboorteplaats].

3. Een proces-verbaal VerkeersOngevalAnalyse van politie Limburg-Zuid, Forensische Opsporing, proces-verbaalnummer 2008148573-13, d.d. 31 december 2008 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden brigadier van politie, voor zover inhoudende als relaas van verrichtingen en bevindingen van de betreffende verbalisanten, zakelijk weergegeven:

p.3

1. Algemeen

Wij hebben op maandag 3 november 2008 een onderzoek ingesteld naar de aanleiding/oorzaak/vermijdbaarheid van een verkeersongeval dat op maandag 3 november 2008, omstreeks 04.55 uur, had plaatsgevonden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de N2 te Maastricht. Volgens de officier van justitie P. Bertrands en inmiddels afgenomen getuigenverklaringen bleek dat:

- de bestuurder van een personenauto, merk Volkswagen, voorzien van het Belgische kenteken [AAA 000], had gereden over de N2, komende uit de richting van de Scharnerweg en gaande in de richting België;

- de bestuurder van een bromfiets, merk Peugeot, type Ludix, voorzien van het kenteken [BB-000-B], had gereden over de oversteekplaats, bestemd voor bromfietsers vanaf de zijde van de Prinsenlaan in de richting van de Regentesselaan te Maastricht.

p.5

2.2.1 Wegsituatie

Het ongeval vond plaats op de N2, ter plaatse gelegen binnen de als zodanig aangeduide bebouwde kom van de gemeente Maastricht. De maximumsnelheid ter plaatse bedraagt voor bestuurders van motorvoertuigen 50 kilometer per uur. De N2 bestaat uit twee door een middenberm van elkaar gescheiden rijbanen. De rijbanen van de N2 zijn verdeeld in twee rijstroken.

De oversteekplaats welke door de bestuurster van de Peugeot werd gebruikt, is bestemd voor (brom)fietsers in de beide rijrichtingen.

2.2.6. Zicht

Het zicht van de bestuurders op elkaars, rijdende, benadering werd door de aanwezige betonnen wal bemoeilijkt c.q. onmogelijk gemaakt. Het zicht van de bestuurders op elkaar, zowel bij een rijdende nadering dan wel bij stilstand, kan verder door voertuigen op de rechter rijstrook van de N2 belemmerd worden. Ten tijde van het ongeval bevond zich een van de getuigen, met zijn voertuig, op deze rijstrook en stond stil voor de aangebrachte stopstreek.

p. 14

4.2.3 Gloeilampen

De gloeidraad van de in de koplamp van het voertuig (het hof begrijpt: de Peugeot) aanwezige gloeilamp vertoonde sporen van een warme schok. De gloeidraad was uitgerekt en vervormd, waarbij de afschermingsplaat met de draagpoot was verbogen. Door de verbuiging van deze afschermingsplaat zal een koude gloeidraad breken, terwijl een warme gloeidraad in staat is om te vervormen.

In de verlichtingsarmatuur aan de achterzijde was ten behoeve van het remlicht een afzonderlijke gloeilamp geplaatst. Wij zagen dat de gloeidraad van de lamp was opgerekt en in zijn geheel was verdraaid.

Het achterlicht van het voertuig werd uitgestraald door twee steeklampen. Wij zagen dat de gloeidraden van deze beide lampen sporen vertoonden van een warme schok. De beide gloeidraden waren uitgerekt en vervormd.

Gelet op het vorenstaande werd ten tijde van het ongeval door de bestuurster van de Peugeot aan de voor- en achterzijde van haar voertuig verlichting gevoerd. Bovendien straalde op het moment van de botsing het remlicht licht uit.

4.2.5 Valhelmen

De bestuurster van de Peugeot droeg een goedgekeurde helm. De sluiting van deze helm werkte naar behoren en werd in gesloten stand aangetroffen.

p. 15

4.3.3 Verkeersregeling

De regelinstallatie betreft een verkeersafhankelijke regelinstallatie, voor het verkeer op de kruisingen N2/Scharnerweg, Scharnerweg/Koningsplein en betrokken oversteekplaats.

Binnen de regelinstallatie is aan de rijrichting van de betrokken bestuurder van de Volkswagen de signaalgroep 602 toegewezen. Dit betreft dan ook de rijrichting van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2].

Aan de rijrichting van de betrokken bestuurster van de Peugeot is de signaalgroep 621 toegewezen.

De rijrichting van België in de richting van de Scharnerweg is binnen de regelinstallatie aangeduid als signaalgroep 608.

De voetgangers welke de rechterrijbaan van de N2 willen oversteken, hebben de signaalgroep 631 toegewezen gekregen, terwijl de voetgangers welke de linkerrijbaan van de N2 willen oversteken signaalgroep 632 hebben toegewezen gekregen binnen de installatie.

De signaalgroepen 602 en 608 hebben een hard conflict met de signaalgroepen 621, 631 en 632, hetgeen betekent dat 602 en 608 nimmer gelijktijdig groen licht kunnen stralen met een van de andere signaalgroepen.

De getuigen [getuige 2] en [getuige 1] verklaarden, dat de bestuurder ([getuige 1]) zijn voertuig tot stilstand bracht voor het in zijn richting rood licht uitstralende verkeerslicht (signaalgroep 602). De getuigen zagen dat rechts een bromfiets stilstond en vervolgens optrok. De getuige [getuige 1] zag hierbij dat het verkeerslicht voor deze bromfietser groen licht uitstraalde.

Uitgaande van de afgelegde verklaringen is het het meest waarschijnlijk dat de bestuurster van de Peugeot vanuit stilstand, en bij het verkrijgen van groen licht, is opgetrokken, terwijl de bestuurder van de Volkswagen het voor hem geldende rood licht negeerde.

p.17

4.4.1 Snelheid

Door de bestuurder van de Volkswagen werd in zijn verhoor verklaard dat hij aanvankelijk 70 kilometer per uur reed en vervolgens voor de botsing nog versnelde naar 90 kilometer per uur. De aard en omvang van de schadebeelden, alsmede de omvang van het verspreidingsgebied van de voertuigdelen en de eindpositie van de bromfiets (ten opzichte van de botsplaats) wijzen volgens ons op een aanzienlijk hogere rijsnelheid van de Volkswagen dan de toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur, en de door de bestuurder genoemde snelheden behoeven daarom niet te worden uitgesloten.

p.18

5.3 Oorzaak

Doordat de bestuurder van de Volkswagen geen gevolg gaf aan het voor hem geldende verkeersteken, i.e. een in zijn richting rood uitstralend driekleurig verkeerslicht, kwam hij met zijn voertuig op de (brom)fietsoversteekplaats in botsing met de betrokken Peugeot.

4. Een proces-verbaal van verhoor van politie regio Limburg Zuid, district Maastricht, basiseenheid Mstr-West, afdeling Basis Politiezorg, proces-verbaalnummer 2008148573-20, dossierpagina's 44 en 47, d.d. 5 november 2008 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 4], hoofdagent van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1], zakelijk weergegeven:

Op maandag 3 november 2008 omstreeks 05.00 uur reed ik met [getuige 2], mijn vriend, over de President Rooseveltlaan in Maastricht. Ik reed in de auto van de vriendin van [getuige 2], een gele Renault Twingo.

Ik reed vanaf de Scharnerweg naar de laatste stoplichten. Op ongeveer de helft van de Scharnerweg en de stoplichten zag ik het oranje worden. Ik liet mijn auto uitrollen en kwam stil te staan voor de stoplichten. Ik stond op de rechterweghelft en zag rechts van mij een persoon op een zwarte scooter (het hof begrijpt dat hier en hierna is bedoeld: bromfiets) zitten. Ik zag dat deze scooter licht aan had. Ik zag op de rijbaan voor het tegemoet komend verkeer ook verkeer stilstaan.

Ik zag dat de scooter groen licht kreeg en dat deze optrok. Ik zag links van mij in de spiegel 2 lampen en zag dat mij een zwarte Golf voorbij reed. Ik zag voor mij de scooter in confetti uit elkaar spatten. Ik zag dat de kap ontplofte. Ik zag dat het frame van de scooter op de grond terecht kwam en dat het frame en de bestuurder door de Golf over de grond werden geschoven. Ik zag dat het frame en de vrouw gewoon naar rechts werden geschoven en dat de Golf gewoon rechtdoor reed. De persoon van de scooter lag een heel stuk verderop. Ik zag dat de Golf helemaal niet remde. Hij remde niet, maakte geen uitwijkmanoeuvre, deed helemaal niets dan alleen maar rechtdoor rijden.

Ik ben achter de Golf aangereden en [getuige 2] ging 1-1-2 bellen.

5. Een proces-verbaal van verhoor van politie regio Limburg Zuid, district Maastricht, basiseenheid Mstr-West, afdeling Basis Politiezorg, proces-verbaalnummer 2008148573-19, dossierpagina's 46 en 45, d.d. 5 november 2008 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 4], voornoemd, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2], zakelijk weergegeven:

Op maandag 3 november 2008 omstreeks 05.00 uur stond ik op de President Rooseveltlaan in Maastricht. Mijn vriend [getuige 1] reed. We reden met de auto van mijn vriendin, een gele Renault Twingo.

Bij het laatste verkeerslicht liet [getuige 1] de auto uitrollen omdat het verkeerslicht op rood stond. Ik zag dat rechts van mij een persoon met een zwarte jas en zwarte helm op een scooter (het hof begrijpt dat hier en hierna is bedoeld: bromfiets) zat en stond te wachten bij het verkeerslicht. Ik zag dat deze scooter ging oversteken. [getuige 1] had rood licht en stond inmiddels stil.

We stonden op de rechter rijstrook. Ik zag dat de scooter al voor onze auto langs was gereden. Op dit moment zag ik links van mij met zeer hoge snelheid een zwarte Golf komen. Ik zag dat de scooter voor de zwarte Golf was. We wisten dat het fout zou gaan en konden niets doen. Het gebeurde in een flits. Ik zag dat de zwarte Golf tegen de scooter reed. Er vlogen duizenden stukjes door de lucht. Kort hierna zag ik de bestuurder van de scooter een heel stuk verderop op de grond liggen.

Ik heb geen remlichten van de Golf gezien. Hij reed gewoon door.

6. Een proces-verbaal "onnatuurlijke dood" van politie regio Limburg Zuid, district Maastricht, basiseenheid Mstr-West, afdeling Basis Politiezorg, procesverbaalnummer 2008148573-27, d.d. [geboortedatum] 2009 opgemaakt door [verbalisant 5], agent van politie (ambtseed), [verbalisant 6], brigadier van politie (ambtseed) en [verbalisant 7], hoofdagent van politie (ambtsbelofte), voor zover inhoudende als relaas van bevindingen en verrichtingen van de betreffende verbalisanten:

Overledene

[slachtoffer], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970.

Op 3 november 2008 was de overledene betrokken bij een verkeersongeval, waarbij zij als slachtoffer werd afgevoerd naar het Academisch Ziekenhuis Maastricht, alwaar zij op 5 januari 2009 kwam te overlijden.

Ik, [verbalisant 7], heb het stoffelijk overschot op maandag 5 januari 2009 te 04.00 uur in beslag genomen en ter beschikking gesteld van de hovj. Met verlof van de hovj is het stoffelijk overschot op 5 januari 2009 te 10.00 uur overgebracht naar het mortuarium Academisch Ziekenhuis Maastricht.

7. Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie, zaaknummer 2009.01.07.008, d.d. 13 mei 2009 op ambtsbelofte opgemaakt door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Datum aanvraag: [geboortedatum] 2009

Uw kenmerk: 2008.148.573

Overledene: [slachtoffer]

Geboortedatum: [geboortedatum] 1970

Geboorteplaats: [geboorteplaats]

Onderwerp: pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood

Vraagstelling

In opdracht van de officier van justitie te Maastricht werd nagegaan de oorzaak van de dood en hetgeen verder van belang mocht blijken.

Verkregen informatie

Naar verbalisant meldde zou deze bijna 39 jarige oud geworden vrouw 2 maanden voor overlijden betrokken zijn geweest bij een verkeersongeval. Ze zou in diep coma zijn opgenomen in het AZM Maastricht.

Pathologie onderzoek

Resultaten

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer]. Geboren op [geboortedatum] 1970, is het navolgende gebleken:

B.

2. Er waren zware, vochtrijke longen. Microscopisch werd in beide longen een uitgebreide (bilaterale bronchopneumonie) gezien.

3. De milt was week en te zwaar. Bij microscopisch onderzoek werden tekenen van bloedvergiftiging (sepsis) gezien.

4. Samengevat en vertaald werden bij het neuropathologisch onderzoek een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies (subduraal) gezien en een kneuzing in de linker grote hersenhelft aan de voorzijde/slaapzijde. Deze waren beide ten minste 1 maand oud. Daarnaast werden veranderingen gezien die gedeeltelijk terug te voeren zijn op het trauma en gedeeltelijk berusten op veranderingen kort voor het overlijden.

7. Er was een kleine bloeduitstorting in de linker slaapspier.

C. In de longen, milt, leveren in het hartbloed werden meerde bacteriën gekweekt.

Interpretatie (pagina 4)

Uit voorhanden medische gegevens blijkt dat [slachtoffer] op 3 november 2008 (dus 2 maanden vóór overlijden) betrokken is geweest bij een verkeersongeval, waarbij kort na de opname vele traumatische letsels werden gezien, waaronder meerdere kneuzingen in de hersenen met bloedingen. Bij sectie werd nog een deel van deze traumatische letsels vastgesteld (sub B4), qua ouderdom passend bij het ontstaan zijn tijdens het verkeersongeval.

Bij sectie werden voorts een dubbelzijdige longontsteking (sub B2) en tekenen van bloedvergiftiging door bacteriën (sub B3, C) vastgesteld.

Conclusie

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer], bijna 39 jaren oud, wordt het intreden van de dood verklaard door longontsteking en bloedvergiftiging, opgetreden als verwikkelingen van de opgelopen traumatische letsels, waaronder de hersenschade.

8. Een brief van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie aan het Kabinet rechter-commissaris in de rechtbank Maastricht, d.d. 11 juni 2010, zaaknummer 2009.01.07.008, opgemaakt door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog, ter beantwoording van via het Kabinet rechter-commissaris ingezonden door de verdediging geformuleerde vragen inzake de sectie op [slachtoffer], geboren [geboortedatum] 1970, onder meer inhoudende:

Zoals op pagina 4 van het definitief sectierapport d.d. 13 mei 2009 staat vermeld, was bij sectie in beide longen ontsteking vastgesteld en werden tekenen van bloedvergiftiging vastgesteld. Deze worden gezien als verwikkelingen van de opgelopen traumatische hersenschade. De uitgebreide longontsteking en bloedvergiftiging, verwikkelingen van de traumatische hersenschade, kunnen op zich het overlijden verklaren.

9. De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 13 juni 2012 en zoals opgenomen in het proces-verbaal van die terechtzitting, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik bestuurde de auto. Ik had de avond voor de dag dat het ongeval plaatsvond op 3 november 2008, gegeten met mijn vrouw. Ik heb bij het eten twee glazen wijn gedronken. Ik heb haar naar huis gebracht en heb vervolgens een vriendin opgehaald. Toen ik bij haar was, stelde ze voor om naar Club Mondial in Beek te gaan. Dat is een discotheek. Ik heb haar daar naar toe gebracht. Ik heb daar 3 glazen Passoa gedronken. We zijn rond 3 uur 's nachts weggegaan uit Beek. Ik ging vanuit Beek via Maastricht naar Luik.

Ik weet dat er op de N2 in Maastricht verkeerslichten staan. Er zijn er vijf en daar is de toegestane snelheid 50 km/u. Ik ben verscheidene keren eerder op die weg geweest, misschien wel 8 tot 10 keer sinds ik in België woon. Ik wist dat er oversteekplaatsen voor onder meer (brom)fietsen zijn bij de stoplichten, ook bij het laatste stoplicht. U houdt mij voor dat ik bij de politie heb verklaard dat ik op de snelheidsmeter heb gezien dat ik 90 km/u reed. U houdt mij ook voor dat ik bij de rechter-commissaris heb verklaard dat ik aanvankelijk 70 km/u reed.

Nu u mij dit voorhoudt, verklaar ik dat het klopt dat ik 90 km/u reed.

Het kan zijn dat ik wel door het rode licht ben gereden.

Ik ben op een afstand van 300 tot 400 meter verderop gestopt.

10. Een proces-verbaal van verhoor van politie regio Limburg Zuid, district Maastricht, basiseenheid Mstr-Centrum, afdeling Basis Politiezorg, proces-verbaalnummer 2008148573-10, dossierpagina's 20 t/m 24, d.d. 3 november 2008 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 4], voornoemd, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte, zakelijk weergegeven:

p. 20:

Ik ben betrokken geweest bij een aanrijding. Ik zag plotseling een persoon met een scooter (het hof begrijpt hier en hierna: bromfiets) en een helm. Deze scooter kwam van rechts. Ik heb de scooter met mijn auto geraakt.

p. 22:

[betrokkene 2] en ik waren op maandag 3 november 2008 omstreeks 01.30 uur in de Mondial in Beek. Ik ben daar weggegaan en wilde naar Luik met mijn eigen Golf GTI. Ik reed. [betrokkene 2] was erbij. De aanrijding heeft plaatsgevonden bij het laatste stoplicht voor de richting Luik. Ik reed op de linker rijstrook.

p. 23:

Ik denk dat de snelheid van mijn auto op het moment van de aanrijding 90 kilometer per uur was. Ik heb deze snelheid op mijn snelheidsmeter gezien.

11. De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd tegenover de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Maastricht, d.d. 6 november 2008, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

ik weet dat je op de plaats van de aanrijding maximaal vijftig kilometer per uur mag rijden. Ik reed aanvankelijk zeventig kilometer per uur. Toen ik ongeveer twintig meter van de stoplichten af was versnelde ik mijn snelheid naar ongeveer negentig kilometer per uur omdat ik weet dat ik daarna (het hof begrijpt: na de verkeerslichten) de snelweg oprijd. Voor het stoplicht stond op de rechterrijstrook een auto voor het stoplicht te wachten.

12. Een proces-verbaal Algemeen dossier van politie regio Limburg Zuid, district Maastricht, basiseenheid Maastricht-Centrum, proces-verbaalnummer 2008148573, dossierpagina's 1 t/m 4, d.d. 16 december 2008 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 4], voornoemd, voor zover inhoudende als relaas van bevindingen en verrichtingen van de betreffende verbalisant, zakelijk weergegeven:

p. 1

Op maandag 3 november 2008 te 05.05 uur werd een persoon die opgaf te zijn [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, die een aanrijding had veroorzaakt te Maastricht aangehouden.

p.2:

Het rijbewijs van verdachte bleek te zijn afgegeven op 11 maart 2005. De verdachte bleek dus beginnend bestuurder te zijn.”

6. Het hof heeft met betrekking tot de bewezenverklaring voorts nog overwogen:

“Op grond van de voorhanden bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat door het rijgedrag van verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. Het hof is van oordeel dat het geheel van de gedragingen van verdachte kan worden aangemerkt als roekeloos.

Van roekeloosheid is sprake bij zeer onvoorzichtig rijgedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico's zijn genomen, waarbij op zeer lichtzinnige wijze ervan wordt uitgegaan dat deze risico's zich niet zullen realiseren. Roekeloosheid vereist een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid. Het hof is van oordeel dat daarvan in dit geval sprake is geweest, omdat verdachte in aanzienlijke mate de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur heeft overschreden door met een snelheid van ongeveer 70 kilometer per uur een oversteekplaats voor (brom)fietsers te benaderen en toen hij dicht bij die oversteekplaats was zijn snelheid te verhogen tot ongeveer 90 kilometer per uur en vervolgens met onverminderde snelheid die oversteekplaats op te rijden, dit terwijl:

- verdachte ter plaatse bekend was en wist dat er aldaar een oversteekplaats voor (brom)fietsers was;

- verdachte heeft gezien dat er op de rechter rijstrook een personenauto stil stond en zijn zicht op de oversteekplaats werd belemmerd door die personenauto;

- het voor hem geldende verkeerslicht op rood stond;

- verdachte onder invloed was van alcoholhoudende drank, immers hij had drie volle glazen Pasoa gedronken tijdens zijn bezoek aan een discotheek kort voorafgaand aan het ongeval. Dat het hof - nu het onderzoek naar het alcoholgehalte van de adem van verdachte niet overeenkomstig de daarvoor geldende regels heeft plaatsgevonden - niet kan vaststellen hoe hoog het alcoholpromillage precies is geweest maakt dit niet anders. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat verdachte een beginnend bestuurder was.

Verdachte heeft door aldus te handelen onaanvaardbare risico's genomen.”

7. De tenlastelegging is toegesneden op art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994. De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term “roekeloos” moet derhalve geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 175, tweede lid aanhef en onder a, WVW 1994.

8. De Hoge Raad heeft in zijn recente rechtspraak de eisen waaraan het bewijs van roekeloosheid moet voldoen aangescherpt. Omtrent de inhoud van het begrip roekeloosheid heeft de Hoge Raad in een aantal arresten van 15 oktober 2013 – waaronder ECLI:NL:HR:2013:960, NJ 2014/25 – het volgende vooropgesteld:

“Ingevolge bestendige rechtspraak kan in cassatie slechts worden onderzocht of de schuld aan een verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
Voor de schuldvorm “roekeloosheid” geldt op zichzelf hetzelfde, zij het dat daarbij moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als “de zwaarste vorm van het culpose delict” wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, dus de zwaarste vorm van schuld, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven. Dat geldt ook in de gevallen waarin de roekeloosheid in de kern bestaat uit de in art. 175, derde lid, WVW 1994 omschreven gedragingen, nu die gedragingen grond vormen voor een verdere verhoging van het ingevolge het tweede lid van dat artikel voor roekeloosheid geldende strafmaximum. (Vgl. HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU2016, NJ 2012/488)

(…) Het voorgaande brengt mee dat de vraag of in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994 een beoordeling vergt van de specifieke omstandigheden van dat geval. De Hoge Raad kan bij het beoordelen van cassatieberoepen die zich richten tegen beslissingen in concrete gevallen, slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen omtrent de inhoud van het begrip roekeloosheid. Bij die toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat “roekeloosheid” in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder “roekeloos” – in de betekenis van “onberaden” – wordt verstaan.

(…) Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Uit hetgeen hiervoor onder (…) is overwogen vloeit voort dat in dit verband doorgaans niet volstaat de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer in art. 175, derde lid, WVW 1994 genoemde, zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen.”

9. In de hiervoor weergegeven overweging stelt de Hoge Raad drie cumulatieve, materiële eisen aan roekeloosheid.1 Ten eerst moet het gaan om een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte. Ten tweede moet de betreffende gedraging een zeer ernstig gevaar in het leven hebben geroepen. Tot slot wordt de eis gesteld dat de verdachte zich ervan bewust was dat zijn gedraging een zeer ernstig gevaar in het leven zou roepen, althans dat hij dat had moeten zijn.

10. Dat de Hoge Raad hiermee de motiveringseisen die worden gesteld aan een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘roekeloosheid’ aanzienlijk heeft aangescherpt, lijdt geen twijfel. Tot dusver liet de Hoge Raad slechts in twee gevallen de bewijsvoering inzake roekeloosheid in stand. Deze zaken worden gekenmerkt door het ‘kat-en-muisspel’2 en de ‘snelheidswedstrijd’3 die de verdachten met andere automobilisten speelden tussen de overige weggebruikers. In alle andere zaken werden beslissingen van hoven over het roekeloze rijgedrag van verdachten vernietigd.4

11. Ik bespeur overigens een zekere, zij het geringe, spanning tussen deze meer recente rechtspraak van de Hoge Raad en hetgeen de wetgever blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet herijking strafmaxima5 voor ogen heeft gestaan, namelijk een adequate bestraffing mogelijk te maken in alle gevallen waarin sprake is van zeer onvoorzichtig rijgedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen.6 Daar waar de Hoge Raad oordeelt dat “doorgaans niet” kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer in art. 175, derde lid, WVW 1994 genoemde, zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen, zijn naar het oordeel van de minister ‘rijden onder invloed’ en ‘veel te hard rijden’ in de eerste plaats omstandigheden die door de rechter mogen worden betrokken bij de beoordeling van de mate van schuld aan het verkeersongeval in het concrete geval. Bij deze beoordeling legt de vaststelling dat onder invloed of veel te hard is gereden veel gewicht in de schaal, en is onder deze omstandigheden naar het oordeel van de minister “al snel” sprake van roekeloosheid.7 De Hoge Raad opereert dus iets behoedzamer, zo is mijn indruk, en legt de lat voor het bewijs van deze vorm van bewuste schuld hoog. Hij benadrukt de mogelijkheid van een discrepantie tussen de betekenis van ‘roekeloos’ naar algemeen spraakgebruik en de betekenis ervan in de zin der wet.

12. Wat er van dit alles ook zij, het komt mij zowel van de zijde van het openbaar ministerie als van de zijde van de feitenrechter verstandig voor om in gevallen waarin de strafbehoefte kennelijk geen overschrijding vergt van het strafmaximum van het eerste lid van art. 175 WVW, zoals in casu, niet aan te koersen op een discours over de vraag of de vastgestelde feiten een bewezenverklaring van ‘roekeloosheid’ wettigen, alleen al om de nabestaanden en de verdachte een langslepende en beladen procedure te besparen.

13. In de onderhavige zaak heeft het hof geoordeeld dat het rijgedrag van de verdachte moet worden aangemerkt als roekeloos. Het rijgedrag van de verdachte hield – kort gezegd – in dat hij de maximumsnelheid (50 km/h) in aanzienlijke mate heeft overschreden door met ongeveer 70 km/h een oversteekplaats voor (brom)fietsers te benaderen en toen hij dicht bij die oversteekplaats was zijn snelheid te verhogen tot ongeveer 90 km/h en met onverminderde snelheid die oversteekplaats is opgereden, en dit terwijl hij wist dat daar een oversteekplaats was, terwijl hij heeft gezien dat op de rechter rijstrook een personenauto stil stond en zijn zicht op de oversteekplaats daardoor werd belemmerd, terwijl het verkeerslicht op rood stond, de verdachte onder invloed was van alcohol en hij een beginnend bestuurder was.

14. Wanneer we het rijgedrag van de verdachte vergelijken met dat in de zaken waarin de Hoge Raad de bewijsvoering inzake roekeloosheid onvoldoende achtte, kan ik niet anders dan concluderen dat ook hier geen sprake is van rijgedrag dat zó buitengewoon is dat het als roekeloos kan worden aangemerkt. In dit verband kan worden gewezen op de casus die leidde tot HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:964. In die zaak oordeelde de Hoge Raad dat ’s hofs vaststelling dat de verdachte de maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden en met (nagenoeg) onverminderde snelheid een kruising – met een voor hem groen licht uitstralende verkeerslichten – is opgereden, terwijl het alcoholgehalte in zijn bloed 1,26 mg per ml bloed bedroeg, onvoldoende is voor het bewijs van roekeloosheid in de zin van art. 175 WVW 1994. Ofschoon deze zaak op een aantal punten verschilt met de onderhavige (o.a. het rijden door rood licht en het verhogen van de snelheid bij het naderen van de oversteekplaats) en ondanks dat het hof in zijn nadere bewijsmotivering aandacht heeft besteed aan de subjectieve gesteldheid van de verdachte, kan uit hetgeen het hof heeft vastgesteld omtrent de gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht de roekeloosheid niet volgen.

15. Het middel slaagt.

16. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit punt kan echter onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en de zaak dient te worden teruggewezen of verwezen.8

17. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Vgl. T. Kooijmans, ‘De roekeloze automobilist’, AA 2014/2, p. 118-124.

2 HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:959, NJ 2014/27.

3 HR 2 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1554, NJ 2014/30, m.nt. Keijzer.

4 Voor een overzicht hiervan zie Rozemond in zijn noot onder HR 1 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:773, NJ 2014/269.

5 De Wet van 22 december 2005 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994, in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima (Stb. 2006, 11).

6 Kamerstukken II 2001/02, 28 484, nr. 3, p. 10. In deze memorie van toelichting wordt als exemplarisch voor roekeloosheid uitdrukkelijk verwezen naar de casus die heeft geleid tot het Porsche-arrest, HR 15 oktober 1996, NJ 1997/199, waarin de bewijsmiddelen naar het oordeel van de Hoge Raad geen bewezenverklaring van voorwaardelijk opzet toelieten.

7 Zie vorige voetnoot, p. 13. Zie ook Kamerstukken II 2002/03, 28 484, nr. 7, p. 20.

8 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578 (http://pi.rechtspraak.minjus.nl/), NJ 2008/358, rov. 3.5.3.