Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1877

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-09-2014
Datum publicatie
28-10-2014
Zaaknummer
13/01582
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3042, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verstekverlening ten onrechte?. Uit de vermelde stukken – aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet kan worden getwijfeld – moet worden afgeleid dat verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak in h.b. i.v.m. een andere zaak was gedetineerd, zodat ’s Hofs oordeel om tegen verdachte verstek te verlenen en het onderzoek ttz. voort te zetten, achteraf bezien onjuist was. Gelet op het belang van verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn brengt het vorenoverwogene mee dat verdachte de mogelijkheid dient te hebben om zijn zaak alsnog in h.b. in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/01582

Zitting: 16 september 2014

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 29 januari 2013 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

2. Namens verdachte heeft mr. A.H.P. Swinkels, advocaat te Eindhoven, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R.J.M. Oerlemans, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte verstek heeft verleend tegen de verdachte nu hij ten tijde van de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde was gedetineerd.

4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) De dagvaarding van de verdachte om op 15 januari 2013 te verschijnen ter terechtzitting van het Hof te ’s-Hertogenbosch is op 6 december 2012 uitgereikt aan een huisgenoot van verdachte op het GBA-adres.
(ii) Blijkens een zich bij de stukken van het geding bevindende ID-staat SKDB van 13 december 2012 verkeerde de verdachte ten tijde van de betekening van de dagvaarding niet in detentie.
(iii) Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 15 januari 2013 vermeldt dat de verdachte noch zijn raadsvrouw zijn verschenen en houdt voorts het volgende in:

“Hierop onderbreekt het hof het onderzoek om bij de raadsvrouwe te laten navragen wat de reden is van haar afwezigheid ter zitting van heden.

Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter mede dat de griffier telefonisch contact heeft gehad met de raadsvrouwe en dat deze te kennen gaf verdachte niet langer bij te staan.

De advocaat-generaal draagt de zaak voor en vraagt verstek tegen de niet verschenen verdachte.

Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt, dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”

5. Uitgangspunt is dat, indien de dagvaarding van een verdachte die is ingeschreven in een GBA rechtsgeldig is betekend en de verdachte noch zijn raadsman op de terechtzitting is verschenen, de rechter - behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel - kan uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht.1

6. Uit de stukken van het geding waarover het Hof ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep de beschikking had volgt op zichzelf niets wat het Hof ertoe had behoren te bewegen het zojuist genoemde vermoeden van vrijwillige afstand te laten varen. Daar staat tegenover dat uit de betreffende stukken niet blijkt dat op enig moment voorafgaand aan de terecht-zitting van 15 januari 2013 nog een laatste naslag van de ID-staat SKDB dan wel een andere verificatie met betrekking tot de verdachte heeft plaatsgevonden. De meest recente ID-staat SKDB in het dossier dateert van 13 december 2012. Blijkens de inhoud van een tweetal aan de cassatieschriftuur gehechte documenten – te weten: een kopie van een “proces-verbaal t.b.v. raadkamerzitting d.d. 23 januari 2013, verdachte [verdachte] en een kopie van een bevel tot bewaring – is de verdachte op 13 januari 2013 – zijnde twee dagen voor de terechtzitting in hoger beroep – in verband met een andere strafzaak in verzekering gesteld en is hij op de dag van de terechtzitting in hoger beroep in bewaring gesteld. Uit deze twee documenten – aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet kan worden getwijfeld – moet worden afgeleid dat de verdachte op het tijdstip van de terechtzitting zelf nog altijd in detentie zat. Het is de vraag of het Hof, indien voorafgaand aan de terechtzitting wel een laatste naslag van de ID-staat SKDB met betrekking tot de verdachte zou zijn uitgevoerd, van de betreffende inverzekeringstelling (op het politiebureau) op de hoogte was geraakt maar het antwoord op deze vraag kan in het midden blijven. Immers achteraf moet worden vastgesteld dat de inverzekeringstelling en/of bewaring van de verdachte in een andere zaak hem in deze zaak heeft belet van zijn aanwezigheidsrecht gebruik te kunnen maken. Van een ondubbelzinnige afstand van dat recht blijkt niet. In aanmerking genomen het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, brengt dit mee dat de verdachte de mogelijkheid moet hebben om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen.2

7. Het middel is terecht voorgesteld.

8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Hof, teneinde deze op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 en HR 17 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3490.

2 Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 en HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8984.