Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1858

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-10-2014
Datum publicatie
05-12-2014
Zaaknummer
13/05530
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3522, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. (Appel)procesrecht. Art. 226 Rv, schorsing procedure wegens verlies hoedanigheid advocaat; behandelend of procesadvocaat? Verval van instantie, art. 251 Rv, art. 2.21 Landelijk procesreglement gerechtshoven. Recht op pleidooi? Art. 134, 353 lid 1 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 13/05530

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 10 oktober 2014

Conclusie inzake:

[eiser]

tegen

de Staat der Nederlanden

(Ministerie van Financiën)

Deze zaak ziet in de kern op de vraag of het hof met toepassing van art. 2.21 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (LPH) terecht heeft vastgesteld dat het recht van eiser tot cassatie, [eiser], om grieven te nemen, is vervallen. Voorts komt in deze conclusie aan de orde de regeling met betrekking tot wijziging/beëindiging van procesvertegenwoordiging en het recht op (het zich mogen uitlaten over) pleidooi.

1. Procesverloop 1

1.1 [eiser] heeft bij inleidende dagvaarding van 7 juni 2010, verweerder in cassatie, de Staat, gedagvaard voor de rechtbank ‘s-Gravenhage. Hij heeft daarbij gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Staat zal veroordelen tot vergoeding van de door [eiser] geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de eerste beslaglegging tot aan de dag der algehele voldoening.

1.2 [eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat met het arrest van de Hoge Raad van 8 december 20062 vaststaat dat de Ontvanger van de Belastingdienst onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door ten laste van hem in de periode mei 1998-juli 1998 conservatoire en executoriale beslagen te leggen en te handhaven en dat de Staat aan [eiser] de door hem geleden en nog te lijden schade dient te vergoeden.

1.3 Nadat de rechtbank bij tussenvonnis van 26 januari 2011 een comparitie van partijen had gelast, die vervolgens op 26 mei 2011 heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank de vordering bij vonnis van 27 juli 2011 afgewezen.

1.4 [eiser] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag.

1.5 Het hof heeft [eiser] bij arrest van 23 juli 2013 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat [eiser] geen grieven heeft ingediend.

1.6 [eiser] heeft tegen dit arrest tijdig3 beroep in cassatie ingesteld.

De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

De Staat heeft zijn standpunt schriftelijk toegelicht4, waarna [eiser] nog heeft gerepliceerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel, dat vijf onderdelen5 en diverse sub- dan wel nadere klachten6 bevat, is gericht tegen het arrest van 23 juli 2013, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

“Het geding

Bij exploot van 12 oktober 2011 is [eiser] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 27 juli 2011, door de rechtbank 's-Gravenhage gewezen tussen partijen.

Op de rolzitting van 6 december 2011 is de zaak aangebracht.

Op de rol van 14 februari 2012 heeft [eiser] geen grieven genomen. Vervolgens is de zaak aangehouden voor het nemen van een memorie van grieven op de rol van 27 maart 2012, 24 april 2012 en 7 mei 2013. Op de rol van 7 mei 2013 [] is de procesvertegenwoordiger van [eiser] gewijzigd en is de zaak op de voet van artikel 2.21 van het Landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (LPH) aangehouden tot 18 juni 2013. Op de rol van 18 juni 2013 heeft [eiser] geen grieven genomen en heeft de Staat op grond van het bepaalde in artikel 2.21 sub a. LPH arrest gevraagd. Op grond van artikel 2.21 sub a. LPH is het recht van [eiser] grieven te nemen vervallen.

Bij H formulier van 22 juni 2013 heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen het arrestverzoek van de Staat en alsnog vier weken uitstel voor memorie van grieven gevraagd. Dit verzoek is afgewezen. Onjuist is het standpunt van [eiser] dat het regime van artikel 2.21 LPH in deze zaak anders zou moeten zijn dan het thans gevolgde omdat de zaak bij exploit van 12 oktober 2011 is aangebracht.

De zaak is naar de rol van 23 juli 2013 verwezen voor arrest.

Beoordeling van het hoger beroep

ln hoger beroep kan het hof het geschil alleen onderzoeken aan de hand van behoorlijk in het geding naar voren gebrachte grieven. Nu [eiser] geen grieven heeft ingediend tegen het vonnis waarvan beroep, dient hij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn hoger beroep. [eiser] zal in de proceskosten van het hoger beroep worden veroordeeld.”

2.2

Onderdeel 1 klaagt dat het hof ten onrechte (i) niet heeft vastgesteld dat het geding per 16/187 januari 2012 op de voet van art. 226 lid 1 Rv. van rechtswege was geschorst vanwege de omstandigheid dat de (behandelend) advocaat van [eiser], mr. P. Garretsen, gedurende de procedure in hoger beroep van het tableau is geschrapt, en (ii) [eiser] niet in de gelegenheid heeft gesteld zich door een andere advocaat te laten vertegenwoordigen waardoor [eiser] is benadeeld nu hij in hoger beroep niet van grieven heeft kunnen dienen8.

Het onderdeel betoogt daartoe (a) dat het er (voorshands) voor dient te worden gehouden dat mr. Garretsen bij het behandelen van de zaak van [eiser] rekening hield met het definitief worden van zijn schrapping en daarom mr. Reinders Folmer heeft verzocht als (proces)advocaat op te treden, en (b) dat mr. Reinders Folmer – naar algemeen bekend is – een aanzienlijke en respectabele dienstverlening in stand houdt ter zake van het als procesadvocaat verlenen van administratieve bijstand aan andere advocaten en dat het hof wist, althans kon weten, dat niet mr. Reinders Folmer “dominus litis” was in relatie tot [eiser] maar mr. Garretsen. Gelet op deze feiten en omstandigheden had het hof, aldus het onderdeel, behoren in te zien dat de procedure op 16/18 januari 2012 van rechtswege was geschorst en had (de rolraadsheer van) het hof bij [eiser] actief moeten nagaan of deze zich nog in de procedure wilde laten vertegenwoordigen en zo ja, [eiser] een termijn moeten bieden om opnieuw advocaat te laten stellen, althans de schorsing van de procedure aan de Staat kenbaar moeten maken9. In dit verband verwijst het onderdeel naar de (telefoon)contacten met mr. Garretsen, de Nederlandse Orde van Advocaten in Den Haag, de Orde van Advocaten bij de Hoge Raad en het hof10.

Voorts stelt het onderdeel met betrekking tot de wijziging van de procesvertegenwoordiging, waarbij mr. Zegers zich heeft gesteld (in de plaats van mr. Reinders Folmer), dat [eiser] mr. Zegers geen opdracht heeft gegeven om namens hem als advocaat in de appelprocedure op te treden, hetgeen het hof had kunnen vaststellen indien het [eiser] in de gelegenheid had gesteld zich uit te laten over zijn voornemen om het recht om grieven te nemen vervallen te verklaren, althans om arrest te wijzen.

Subsidiair wordt geklaagd dat het hof niet heeft vastgesteld dat de Staat of het hof een ‘laatste waarschuwing’ heeft doen uitgaan aan (de advocaat van) [eiser]. Door de definitieve schrapping en de slechte bereikbaarheid van mr. Garretsen wist [eiser] niet dat hij uiterlijk op 18 juni 201311 van grieven had moeten dienen en behoort het nalaten daarvan niet voor zijn risico te komen. [eiser] biedt in dit verband schriftelijk bewijs dan wel getuigenbewijs aan.

2.3

Met betrekking tot de eerste klacht van het onderdeel is allereerst de feitelijke gang van zaken in hoger beroep van belang.

De appeldagvaarding is op 12 oktober 2011 uitgebracht. Daarin wordt mr. P. Garretsen genoemd als procesadvocaat van [eiser] en is de Staat opgeroepen om ter rolle van 6 december 2011 te verschijnen.

Vervolgens heeft mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer zich op 6 december 2011 gesteld als procesadvocaat van [eiser]12.

In cassatie is niet in geschil dat mr. Garretsen op 13 januari 2012 van het tableau is geschrapt13, waardoor hij zijn hoedanigheid van advocaat heeft verloren.

2.4

In geval van verlies van de betrekking van de gestelde advocaat, waarbij onder verlies van de hoedanigheid van advocaat mede valt te verstaan schorsing als advocaat, hetzij op grond van disciplinaire maatregel, hetzij op andere wettelijke grond14, wordt op grond van art. 226 Rv. het geding van rechtswege geschorst, tenzij het geding in staat van wijzen verkeert15. Hetzelfde geldt indien de gestelde advocaat overlijdt. Deze beide gevallen hebben gemeen dat de partij haar advocaat verliest door oorzaken buiten haar invloedssfeer16. Ratio van deze bepaling – die opgeld doet onafhankelijk van de vraag of de rechtsbetrekking tussen de advocaat en zijn cliënt voortduurt – is de desbetreffende partij te beschermen tegen de gevolgen van het feit dat zij niet langer in de procedure is vertegenwoordigd ten gevolge van een van de beide in het artikel genoemde omstandigheden. Van dit feit zal de partij niet altijd op de hoogte zijn, zonder dat haar dit valt toe te rekenen, hetgeen rechtvaardigt dat de schorsing van rechtswege plaatsvindt17. De proceshandelingen die zijn verricht na het intreden van de schorsing, zijn nietig18. Voor een geslaagd beroep op deze nietigheid is echter wel vereist dat degene die dat beroep doet, gemotiveerd stelt dat hij is benadeeld door het feit dat de procedure niet is stilgelegd en dat hij aldus is getroffen in het belang dat art. 226 Rv. beoogt te beschermen19.

2.5

De schrapping op 13 januari 2012 van mr. Garretsen van het tableau brengt m.i. niet mee dat de appelprocedure waarin [eiser] de eisende partij was, van rechtswege is geschorst omdat voordien – op 6 december 2011 – zich reeds een andere advocaat, mr. Reinders Folmer, voor [eiser] had gesteld.

2.6

Kennelijk uitgangspunt van de eerste klacht van het onderdeel is dat een lopende procedure op de voet van art. 226 Rv. wordt geschorst indien de behandelend advocaat, niet tevens zijnde de procesadvocaat, van een partij wordt geschorst.

Dit uitgangspunt acht ik evenwel onjuist. Art. 226 Rv. spreekt over “de gestelde advocaat”, terwijl daarnaast uit de hiervoor vermelde ratio van art. 226 Rv. volgt dat het om de procesadvocaat gaat.

2.7

Dat in de relatie tot [eiser] mr. Garretsen wellicht ‘dominus litis’ was, doet daaraan niet af. De samenwerking tussen de verschillende advocaten (behandelend advocaat en procesadvocaat of verschillende behandelend advocaten) is een de cliënt persoonlijk betreffende omstandigheid die wordt beheerst wordt door het contractenrecht en advocatentuchtrecht. Hetzelfde geldt voor (het al dan niet bestaan van) de relatie met mr. Zegers, die zich blijkens het in cassatie overgelegde20 H2-formulier van 2 mei 2013 en het bestreden arrest op de rol van 7 mei 2013 heeft gesteld in de plaats van mr. Reinders Folmer. Er was derhalve geen taak voor het hof weggelegd om vast te stellen of [eiser] aan mr. Zegers opdracht had gegeven om hem te vertegenwoordigen.

2.8

Uit het voorgaande volgt dat [eiser] ten tijde van de schrapping van mr. Garretsen – alsmede gedurende de gehele appelprocedure – werd vertegenwoordigd door een advocaat. Hierop stuit ook de tweede klacht af dat het hof [eiser] in de gelegenheid had moeten stellen zich door een andere advocaat te laten vertegenwoordigen.

De primaire klacht van onderdeel 1 faalt derhalve.

De subsidiaire klacht wordt nader uitgewerkt in onderdeel 2 en behoeft naast dat onderdeel geen afzonderlijke bespreking.

2.9

Onderdeel 2 klaagt dat het hof ten onrechte heeft gemeend [eiser] afdoende gelegenheid te hebben geboden om zijn grieven kenbaar te maken21. Volgens de nadere uitwerking van deze klacht is het hof “ten aanzien van het bestaan en de omvang van zijn bevoegdheid met betrekking tot art. 2.21 sub a LPH van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan, althans heeft het hof bij gebruikmaking van die bevoegdheid miskend wat de goede procesorde in verband met de bij zijn beslissing betrokken belangen onder de gegeven omstandigheden eist”, althans is zijn beslissing van 18 juni 2013 om de zaak te verwijzen naar de rol van 23 juli 2013 voor het wijzen voor arrest, onbegrijpelijk.

Het onderdeel betoogt dat het LPH in het kopje boven art. 2.21 uitdrukkelijk naar de wettelijke regeling omtrent verval van instantie verwijst, zodat die wettelijke regeling, waaronder een vooraankondiging die voldoet aan de eisen van art. 251 lid 3 Rv.22, op overeenkomstige wijze moet worden toegepast en voorts dat het hof de zaak – anders dan art. 2.21 LPH voorschrijft – heeft verwezen naar de rol van vijf weken later, 23 juli 2013, in plaats van zes weken.

De toelichting op de klacht bevat daarnaast nog de klacht dat het hof in strijd met art. 133 lid 4 Rv. niet heeft vastgesteld dat uitstel voor het verrichten van de vereiste rolhandeling niet meer kon worden verleend en voorts dat het hof ten onrechte niet, althans niet tijdig, is ingegaan op het uitstelverzoek van 22 juni 2013.

2.10

Art. 251 Rv., dat in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is (art. 353 lid 1 Rv.), bepaalt dat de rechter, indien de proceshandeling waarvoor de zaak staat, langer dan twaalf maanden23 niet is verricht, op verlangen van de wederpartij van de partij die de proceshandeling moet verrichten, of ambtshalve een roldatum bepaalt waarop deze wederpartij verval van instantie kan vorderen, dan wel kan vragen om een laatste uitstel te verlenen aan de nalatige partij of om vonnis te wijzen24. Verval van instantie kan op de bepaalde roldatum slechts worden gevorderd indien het voornemen daartoe ten minste twee weken vóór die roldatum aan de nalatige partij is aangezegd. Indien verval van instantie is aangezegd kan de nalatige partij dit uitsluitend voorkomen door alsnog de vereiste proceshandeling te verrichten of aannemelijk te maken dat het tijdsverloop gerechtvaardigd is. In geval van verval van instantie wordt de procedure beëindigd op grond waarvan de uitspraak in eerste aanleg in kracht van gewijsde gaat.

Verval van instantie moet worden gevorderd; het kan niet ambtshalve door de rechter worden uitgesproken. Indien geen verval van instantie is gevorderd, de vereiste proceshandeling op de door de rechter bepaalde roldatum niet alsnog door de nalatige partij wordt verricht en de wederpartij zich ook niet anderszins heeft uitgelaten over de voortgang van het geding, wordt de zaak op de voet van art. 251 lid 5 Rv. op de rol ambtshalve doorgehaald (geroyeerd).

Na ambtshalve doorhaling25 is geen sprake van een vervallen verklaring van het recht van de nalatige partij om een proceshandeling te verrichten en is hervatting van de procedure in beginsel mogelijk.

2.11

Art. 2.21 van het – ten tijde van de onderhavige procedure geldende en toepasselijke26 –LPH luidt als volgt:

2.21

Artikel 251 Rv: verval van instantie, e.d.

Indien een proceshandeling na 53 weken niet wordt verricht, wordt op verzoek van de wederpartij van de partij die de proceshandeling moet verrichten of ambtshalve, een roldatum bepaald op een termijn van zes weken, waarop:

a. de procespartij die de proceshandeling moet verrichten, de proceshandeling alsnog kan verrichten, op straffe van verval van het recht hiertoe indien die procespartij de proceshandeling niet verricht en de wederpartij arrest vraagt;

b. die wederpartij:

– verval van instantie kan vorderen;

– kan vragen om een laatste uitstel te verlenen aan de partij die de proceshandeling moet verrichten;

– arrest kan vragen;

c. het hof de zaak ambtshalve kan doorhalen.”

2.12

Zoals uit de vermelding “e.d.” in het vetgedrukte kopje blijkt, handelt art. 2.21 LPH onder meer over verval van instantie27. Dat laatste doet het in de aanhef en onder b. Daarin wordt ten opzichte van art. 251 leden 1 en 2 Rv. een invulling aan de termijn van langer dan twaalf maanden gegeven, alsmede aan de termijn waarop de roldatum wordt bepaald waarop verval van instantie kan worden gevorderd, een laatste uitstel kan worden verleend of arrest kan worden gevraagd.

In het onderhavige geval heeft de Staat geen verval van instantie gevorderd.

2.13

Het bepaalde in de aanhef van art. 2.21 en onder a. LPH betreft het voorschrift van art. 133 lid 4 Rv. waaraan (ten opzichte van art. 251 Rv.) als voorwaarde is toegevoegd dat de wederpartij arrest vraagt. Art. 133 lid 4 Rv. is een operationalisering van art. 20 Rv., waarin de rechter is opgedragen te waken tegen onredelijke vertraging van de procedure en zo nodig, op verzoek van een partij of ambtshalve, rekening houdend met de belangen van partijen maatregelen te treffen zoals te bepalen dat het recht om te concluderen is vervallen28.

2.14

De klacht dat de wettelijke regeling van verval van instantie in een geval als bedoeld in art. 2.21 aanhef en onder a. LPH op overeenkomstige wijze moet worden toegepast, berust op een verkeerde lezing van (het kopje van) art. 2.21 LPH. Indien geen verval van instantie wordt gevorderd, is een vooraankondiging die voldoet aan de eisen van art. 251 lid 3 Rv. derhalve niet vereist.

2.15

In verband met de klachten dat het hof de zaak op 18 juni 2013 in strijd met art. 2.21 LPH heeft verwezen naar de rol van vijf weken later (23 juli 2013) in plaats van zes weken en dat het hof in strijd met art. 133 lid 4 Rv. niet heeft vastgesteld dat uitstel voor het verrichten van de vereiste rolhandeling niet meer kon worden verleend, heb ik ambtshalve de rolkaart opgevraagd29.

Deze rolkaart, die ik aan deze conclusie hecht, geeft – voor zover thans relevant – het volgende overzicht:

“Datum

Omschrijving procedurestap/Aanvulling

Termijn

(…)

Uitkomst procedurestap/ opmerking

(…)

03-01-2012

Afwachten griffierecht appellant

(Dagv)/

+ overleggen dagvaarding eerste aanleg

1

Betaald/

14-02-2012

Memorie van grieven/

1

aangehouden/

27-03-2012

Memorie van grieven/

2

aangehouden/

24-04-2012

Memorie van grieven/

3

aangehouden/

07-05-2013

Memorie van grieven/

4

aangehouden/ adv.app vraagt 6 mnd. uitstel, rol 070513

07-05-2013

*wijziging procesvertegenwoordiger appellant/

wijziging procesvertegenwoordiger appellant/ mr. BWM Zegers ipv mr. drs. IMCA Reinders Folmer.

18-06-2013

Memorie van grieven/ of AR

5

Memorie van grieven niet genomen/

18-06-2013

*Geïntimeerde vraagt arrest/

Geïntimeerde vraagt arrest/

25-06-2013

Beslissing hof verdere voortgang/

1

Beslissing hof/

25-06-2013

*Geïntimeerde vraagt arrest/

Geïntimeerde vraagt arrest/

23-07-2013

Arrest/

Beslissing mr. Pinckaers: bezwaar app. wordt afgewezen.

1

Eindarrest gewezen/”

2.16

In cassatie is voorts een H14-formulier (bezwaar tegen verzoek wederpartij) van 22 juni 2013 overgelegd30 waaruit blijkt dat mr. Zegers namens [eiser] bezwaar heeft gemaakt tegen het ter rolle van 18 juni 2013 gedane arrestverzoek van Staat31. Daarbij is de volgende motivering gegeven:

“Dit is niet mogelijk! Bij exploit van 12 oktober 2011 is hoger beroep ingesteld tegen de roldatum van 6 december 2011! Kortom deze zaak valt nog onder het oude regime. Appellant is nimmer door geïntimeerde peremptoir gesteld. Dit houdt in dat uitsluitend conform het oude regime de zaak ambtshalve zou kunnen worden geroyeerd. Appellant vraagt echter vier weken voor memorie van grieven !!”

2.17

Op het bij het hof ambtshalve door mij opgevraagde en aan deze conclusie gehechte exemplaar van dit H-formulier is onder vermelding van een paraaf en de datum “24-6” de volgende (handgeschreven) tekst opgenomen:

“2.21 hetzelfde als in voorheen geldende LPH. Bezwaar wordt afgewezen (doorbellen).

(app kon op 18-6 alleen met consent geï een laatste uitstel krijgen 2.21 sub b LPH)”

Voorts is op het formulier met de hand naast de naam van de (advocaat van) appellant aangegeven “24/6 beslissing tel doorgegeven”.

2.18

Uit de hiervoor weergegeven rolkaart volgt dat het hof in de onderhavige zaak met toepassing van artikel 2.11 LPH eerst zes weken en daarna nog vier weken uitstel heeft verleend voor het dienen van grieven tot 24 april 2012. Nadat het hof de zaak op laatstgenoemde roldatum met toepassing van art. 2.12 LPH 53 weken heeft aangehouden tot 7 mei 2013, heeft het hof op die roldatum het verzoek voor zes maanden uitstel (kennelijk) afgewezen en bepaald dat [eiser] in de gelegenheid wordt gesteld om de vereiste proceshandeling – het dienen van grieven – alsnog te verrichten op de rol van zes weken later, 18 juni 2013. Dat is de termijn van zes weken die wordt genoemd in artikel 2.21 LPH. De klacht dat dit voorschrift ook inhoudt dat een termijn van zes weken moet worden aangehouden voor het wijzen van arrest, berust op een verkeerde lezing van het LPH.

2.19

[eiser] heeft nadat de zaak na 53 weken weer op de rol was gekomen en vervolgens was verwezen naar de rol van zes weken later op 18 juni 2013, niet alsnog van grieven gediend32. Nu de Staat hem geen nader uitstel had verleend én de Staat arrest had gevraagd, geeft het oordeel van het hof dat het recht van [eiser] om van grieven te dienen op grond van artikel 2.21 onder a LPH is komen te vervallen, dan ook niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel behoefde ook geen nadere motivering.

2.20

De klacht dat het hof niet heeft beslist op het uitstelverzoek van 22 juni 2013 mist feitelijke grondslag. Uit de ambtshalve door mij opgevraagde correspondentie met het hof (hiervoor weergegeven onder 2.17) blijkt dat de rolraadsheer op 24 juni 2013 het bezwaar heeft afgewezen en dat de advocaat van [eiser] telefonisch van deze beslissing op de hoogte is gesteld. Met betrekking tot de tijdigheid van die beslissing merk ik op dat – anders dan in het geval van het in het onderdeel aangehaalde arrest van HR 17 juni 201133 – een uitstelverzoek is gedaan met betrekking tot een reeds op 18 juni 2013 vervallen proceshandeling34, zodat de klacht dat het hof niet (tijdig) heeft beslist ook faalt.

Onderdeel 2 faalt mitsdien in zijn geheel.

2.21

Onderdeel 3 klaagt dat het hof [eiser] ten onrechte niet heeft gehoord op het voornemen van het hof om hem, [eiser], niet-ontvankelijk te verklaren35. In de toelichting op deze klacht wordt ten eerste gesteld36 dat het hof het recht heeft geschonden door het uitstelverzoek van 22 juni 2013 van mr. Zegers af te wijzen zonder [eiser] te horen.

Zie ik het goed, dan klaagt het onderdeel daarnaast37 dat het hof verplicht was om [eiser] te horen op het verzoek van de Staat om arrest te wijzen op de grond dat deze verplichting voortvloeit uit de bepalingen van art. 251 lid 4 onder b in verbinding met art. 208 lid 1 en met art. 133 lid 1 Rv. Volgens de klacht dient het verzoek van de Staat om arrest te wijzen te worden behandeld als een (incidentele) vordering tot vervallenverklaring van de instantie, zodat het hof [eiser] een termijn had dienen te stellen om bij conclusie op het verzoek te reageren, temeer gezien de bij H-formulier van 22 juni 2013 opgeworpen juridische discussie.

Voorts betoogt het onderdeel onder verwijzing naar HR 10 februari 201238 dat het hof [eiser] in de gelegenheid had moeten stellen zich mondeling dan wel schriftelijk uit te laten over het verzuim ten einde een beroep te kunnen doen op de in art.1.15 LPH neergelegde bevoegdheid van het hof om ten gunste van [eiser] van het LPH af te wijken.

2.22

De eerste klacht faalt omdat de wet noch het LPH steun biedt voor het aannemen van een verplichting om een partij te horen naar aanleiding van een uitstelverzoek. Het onderdeel noemt overigens ook geen grondslag.

Voor zover is bedoeld ook hier de verplichting daartoe te baseren op de bepalingen van art. 251 lid 4 onder b in verbinding met art. 208 lid 1 en met art. 133 lid 1 Rv., geldt hetzelfde als met betrekking tot de tweede klacht. Deze ziet eraan voorbij dat het verzoek van de Staat geen vordering tot vervallen verklaring van de instantie betreft (zie hiervoor onder 2.12).

2.23

Het beroep op het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2012, betreffende de hoorplicht in geval van niet tijdige betaling van het griffierecht omdat bij gebreke daarvan geen mogelijkheid bestaat om een beroep te doen op de hardheidsclausule, stuit af op de omstandigheid dat het daarin berechte geval zich niet laat vergelijken met het onderhavige geval.

In het onderhavige geval heeft het hof [eiser] op de rol van 7 mei 2013 overeenkomstig art. 2.21 LPH in de gelegenheid gesteld om de vereiste proceshandeling – het dienen van grieven – nog te verrichten op de rol van 18 juni 2013. [eiser], die op de rol van 7 mei 2013 werd vertegenwoordigd door mr. Zegers, kon en behoorde derhalve vanaf 7 mei 2013 te weten dat, indien hij op 18 juni 2013 niet van grieven zou dienen én de Staat arrest zou vragen, zijn recht om van grieven te dienen direct zou vervallen hetgeen tot niet-ontvankelijkheid zou leiden.

Onderdeel 3 faalt dan ook.

2.24

Onderdeel 4 klaagt dat het hof “ten onrechte zijn beslissing omtrent het verval van recht van [eiser] om van grieven te dienen en om de zaak voor arrest te plaatsen niet [heeft] herzien”39. Volgens de toelichting is het hof van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan indien het van oordeel was dat het niet kon terugkomen op zijn beslissing en is het oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd indien het hof heeft gemeend dat de door [eiser] aangevoerde redenen het terugkomen van zijn beslissing niet rechtvaardigden. Beslissende omstandigheid is, aldus het onderdeel, dat de Staat [eiser] niet peremptoir heeft gesteld.

2.25

Uit het bestreden arrest volgt dat het hof het verzoek van 22 juni 2013 (tevens) heeft opgevat als een bezwaar tegen het arrestverzoek van de Staat en een verzoek om uitstel voor het dienen van grieven. Tegen deze uitleg is in cassatie niet opgekomen.

Voor zover het onderdeel betoogt dat het verzoek van 22 juni 2013 door het hof had moeten worden opgevat als een verzoek om terug te komen op de rolbeslissing van 18 juni 2013 om het recht om van grieven te dienen, vervallen te verklaren en de zaak naar de rol te verwijzen voor arrest, geldt het volgende.

2.26

Zoals hiervoor onder 2.16 en 2.17 vermeld, heeft mr. Zegers met een H14-formulier van 22 juni 2013 namens [eiser] bezwaar gemaakt tegen het verzoek van Staat om arrest te wijzen met als argument dat [eiser] “nimmer” door de Staat peremptoir is gesteld.

In de (telefonische) rolbeslissing van 24 juni 2013 en het arrest van 23 juli 2013 ligt besloten dat het hof dit verzoek (eveneens) heeft afgewezen op de grond dat het recht van [eiser] om van grieven te dienen op de voet van artikel 2.21 onder a LPH is vervallen en dat het standpunt van [eiser] dat het regime van artikel 2.21 LPH in deze zaak anders zou moeten zijn omdat de zaak bij exploit van 12 oktober 2011 is aangebracht, onjuist is.

Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd nu het in deze zaak toepasselijke procesreglement geen (afzonderlijke) peremptoirstelling eist.

Ook onderdeel 4 faalt derhalve.

2.27

Onderdeel 5 tot slot klaagt dat het hof [eiser] ten onrechte geen gelegenheid heeft gegeven pleidooi te vragen op de voet van art. 134 lid 1 in verbinding met art. 353 lid 1 Rv. 40. Hiertoe voert het onderdeel, met verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 27 januari 2012, aan dat uit niets blijkt dat het hof vanwege bepaalde omstandigheden meende dat het [eiser] niet in de gelegenheid behoefde te stellen om zich uit te laten over de wenselijkheid van pleidooi op de voet van artikel 2.24 LPH. Daar komt volgens het onderdeel bij dat het hof uit het uitstelverzoek van 22 juni 2013 tenminste had moeten afleiden dat [eiser] het voornemen om hem niet-ontvankelijk te verklaren ter discussie had willen stellen. Indien het hof toepassing heeft gegeven aan art. 2.16 LPH of meende dat het pleidooi [eiser] niets zou hebben gebracht, heeft het hof miskend dat het zich niet aan een prognose van een hypothetisch pleidooi mocht wagen, althans heeft het hof dat oordeel onvoldoende gemotiveerd. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 15 maart 199641, betoogt het onderdeel voorts dat, gezien de mogelijkheid om – als uitzondering op de in beginsel strakke regel – (nog) bij pleidooi grieven aan te voeren, het mogelijke betoog dat de rechter in eerste aanleg heeft nagelaten normen van openbare orde na te leven en de mogelijkheid om bewijs te kunnen aanbieden, [eiser] ook recht had op een “reparatiepleidooi” teneinde het hof te overreden hem alsnog een uitstel te verlenen voor het formuleren van grieven. Voor zover het hof meende dat sprake was van bijzondere omstandigheden die maakten dat [eiser] geen recht had op pleidooi dan wel dat de eisen van de goede procesorde zich daartegen verzetten, heeft het hof zijn oordeel ondeugdelijk gemotiveerd.

2.28

In de literatuur is de vraag aan de orde geweest of de appellant die niet van grieven heeft gediend, gelegenheid moet krijgen tot een door hem verzocht pleidooi42.

Volgens Vranken43 zal de appelrechter in een dergelijk geval een verzoek daartoe moeten weigeren, tenzij:

a. het vonnis in eerste aanleg in strijd is met een bepaling van openbare orde;

b. de wederpartij er ondubbelzinnig mee instemt dat de appellant tijdens het pleidooi alsnog grieven formuleert;

c. uit de aard van de procedure duidelijk volgt waartegen het hoger beroep zich keert;

d. gelet op de aard van de procedure in een later stadium van de procedure nog grieven mogen worden aangevoerd (en dit in het concrete geval niet in strijd is met de goede procesorde)44.

Naast de door Vranken genoemde situaties ziet Snijders ook reden om appellant tot pleidooi toe te laten om toe te lichten waarom een memorie van grieven niet tijdig is ingediend en waarom dit verzuim nog hersteld zou mogen worden. Hij meent dat een appellant het recht zou moeten krijgen om (bijvoorbeeld bij akte) aan te geven dat een van voornoemde bijzondere redenen om pleidooi toe te staan zich voordoet, maar dat de rechter om proceseconomische redenen het pleidooiverzoek ook direct zou kunnen toestaan45.

2.29

Daargelaten of in het geval niet van grieven is gediend recht op pleidooi bestaat onder de door [eiser] genoemde omstandigheden, er is in deze zaak geen pleidooi verzocht (vgl. art. 134 lid 1 Rv.: “desverlangd”). Zelfs in het door Snijders bepleite geval geldt m.i. dat appellant een verzoek moet doen dan wel initiatief moet ontplooien om zich daarover uit te laten. In het uitstelverzoek van [eiser] van 22 juni 2013 is geen verzoek van de hier bedoelde strekking opgenomen en het hof behoefde dat er ook niet in te lezen.

Het hof was voorts op grond van art. 134 Rv. noch op grond van enige bepaling van het LPH verplicht om partijen ambtshalve in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de wenselijkheid van pleidooi.

Het onderdeel faalt derhalve in zijn geheel.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaa l bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Voor zover van belang. Zie het vonnis van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 27 juli 2011, rov. 1 en 3.1 en het arrest van het gerechtshof Den Haag van 23 juli 2013, p. 1 onder “Het geding”. Gelet op de in cassatie aan de orde zijnde vragen laat ik vermelding van de feiten achterwege.

2 HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, (NJ 2006/659). In het vonnis van de rechtbank van 27 juli 2011 (rov. 2.2) wordt per abuis 8 december 2005 als datum van het arrest vermeld.

3 De cassatiedagvaarding is op 23 oktober 2013 uitgebracht.

4 [eiser] heeft afgezien van het geven van een schriftelijke toelichting.

5 Zie de klachten a-e in de cassatiedagvaarding onder 2 (p. 3).

6 Te weten in de toelichting op de verschillende onderdelen.

7 De publicatiedatum van het persbericht van de Haagse Orde dan wel van de uitspraken van het Hof van Discipline van 13 januari 2012.

8 Zie de cassatiedagvaarding, p. 3 onder 2a, nader toegelicht onder 11 t/m 38.

9 Het onderdeel verwijst daarbij naar HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:BT2915, (NJ 2012/514).

10 Prod. 5 bij de cassatiedagvaarding.

11 De cassatiedagvaarding vermeldt onder 35 per abuis 18 juni 2012.

12 Zie het door [eiser] in cassatie overgelegde roljournaal van 27 maart 2013 (prod. 1 bij de cassatiedagvaarding) en het door mij bij het hof opgevraagde roljournaal (zie hierna onder 2.15).

13 Zie de cassatiedagvaarding onder 12 en de s.t. van de Staat onder 2.14.

14 HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2915, (NJ 2012/514), rov. 3.2.

15 Art. 226 lid 2 Rv. in verbinding met art. 225 lid 4 Rv.; Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2011/188; Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 2012, nr. 105 met verwijzingen; Van Maanen/Van Dam-Lely, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 226 Rv, aant. 4.

16 Van Maanen/Van Dam-Lely, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 226 Rv, aant.1.

17 HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2915, (NJ 2012/514), rov. 3.2.

18 Art. 226 lid 2 Rv. in verbinding met art. 225 lid 3 Rv.; Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2011/26, 190; Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 2012, nr. 105.

19 HR 24 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:146, (NJ 2014/71), rov. 3.4; HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2915, (NJ 2012/514), rov. 3.4; Von Schmidt auf Altenstadt, Burgerlijke Rechtsvordering art. 226.

20 Prod. 2 bij de cassatiedagvaarding.

21 Zie de cassatiedagvaarding, p. 3 onder 2b, nader toegelicht onder 39 t/m 50.

22 De cassatiedagvaarding verwijst per abuis naar art. 351 lid 3 Rv.

23 Deze periode wordt verlengd indien het geding geschorst is geweest. Zie HR 19 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1962, (NJ 1996/336), rov. 3.2.

24 Zie over art. 251 Rv. o.m. Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 2012, nr. 109; Snijders/Klaassen/Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, 2011, nr. 197; Van Dam-Lely, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 251 Rv, alle aant.

25 Geregeld in art. 247 Rv. Zie over (ambtshalve) royement Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 2012, nr. 107 en Snijders/Klaassen/Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, 2011, nr. 195.

26 Tweede versie, januari 2011, gepubliceerd in Stcrt. 2010/19241.

27 Evenals art. 251 Rv. waar in lid 5 tevens de ambtshalve doorhaling (royement) wordt geregeld.

28 Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 135 en 332.

29 Per fax ontvangen op 7 juli 2014 van het hof Den Haag.

30 Prod. 4 bij de cassatiedagvaarding.

31 Zie de in het H14-formulier opgenomen rubriek: “Tegen welk verzoek van de wederpartij heeft u bezwaar” en het antwoord daarop: “Geintimeerde vraagt om arrest!”

32 Anders dan in het geval van HR 10 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6519, (NJ 2006/405 m.nt. G.R. Rutgers) waar het hof na aanhouding van de zaak na 53 weken (ten onrechte) had beslist dat het recht om de proceshandeling te verrichten direct was vervallen doordat de nalatige partij niet direct op die rol zijn proceshandeling had verricht.

33 HR 17 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1774, (NJ 2013/376).

34 Zie onderdeel 4 voor de bespreking van het bij hetzelfde H-formulier van 22 juni 2013 gedane verzoek om terug te komen op de beslissing van het hof.

35 Zie de cassatiedagvaarding onder 2c (p. 3), nader toegelicht onder 51-54.

36 In nr. 51 van de cassatiedagvaarding.

37 In nr. 52 van de cassatiedagvaarding.

38 HR 10 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7255, (RvdW 2012/538).

39 Cassatiedagvaarding onder 2d, nader toegelicht onder 55-59.

40 Zie de cassatiedagvaarding onder 2e (p. 3), nader toegelicht onder 60-68.

41 HR 15 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2013, (NJ 1997/341).

42 Zie daarover Snijders/Wendels, Civiel appel, 2009, nr. 165 en 179.

43 Zie zijn conclusie vóór HR 15 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2013, (NJ 1997/341) onder 8-10; hierover Snijders/Wendels, Civiel appel, 2009, nr. 179; en de annotaties onder HR 4 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7220 van H.J. Snijders (NJ 1998/220) en G. Rutgers (AA 1997, p. 868 onder 6).

44 Vranken neemt de omstandigheden c en d samen onder c en noemt als vierde omstandigheid “d. appellant zijn eis wil vermeerderen met een vordering die niet reeds in eerste aanleg is afgewezen of in het verlengde daarvan ligt en de wederpartij hiertegen geen bezwaar maakt of indien het bezwaar wordt verworpen.” Vanwege HR 20 juni 2009 (Willemsen/NOM), ECLI:NL:HR:2009:BC4959, (NJ 2009/21, m.nt. J.M. Maeijer en H.J. Snijders) noem ik deze niet als nog bestaande uitzonderingssituatie. Zie ook Snijders/Wendels, nr. 179.

45 Snijders/Wendels, Civiel appel, 2009, nr. 179.