Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1843

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-08-2014
Datum publicatie
15-10-2014
Zaaknummer
12/02859
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2975, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. HR: art. 81.1 RO. De strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie wordt toegepast in de samenhangende strafzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/02859P

Zitting: 26 augustus 2014

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[betrokkene]

1. Het Gerechtshof te Leeuwarden, nevenzittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 22 maart 2012 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel pondspondsgewijze vastgesteld op € 50.000,- en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van € 45.000,-.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken 12/02857P, 12/02859P, 12/02861P, 13/03703, 13/03707 en 13/03710. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens de betrokkene heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, valt uiteen in twee motiveringsklachten. De eerste klacht houdt in dat, voor zover de schatting van de omvang van het te ontnemen bedrag is gerelateerd aan de bewezenverklaring van het misdrijf ‘gewoontewitwassen, het Hof heeft miskend dat gelden die voorwerp van dit bewezenverklaarde misdrijf waren niet reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormen, zodat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is dat verzoeker daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde gewoontewitwassen. De tweede klacht luidt dat de pondspondsgewijze verdeling onbegrijpelijk is, althans niet zonder meer begrijpelijk is gemotiveerd.

5. Het bestreden arrest houdt onder meer het volgende in:

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 22 maart 2012 (parketnummer 21-002111-09) terzake van

1. medeplegen van het misdrijf: van het witwassen een gewoonte maken, en

2. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en

3. medeplegen van valsheid in geschrift, en

4. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,

veroordeeld tot straf.

Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.

Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op (afgerond) een bedrag van EUR 150.000,— (éénhonderd en vijftigduizend euro). Het hof komt als volgt tot deze schatting.

Het hof heeft kennis genomen van het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met bijlagen van de regiopolitie IJsselland, opgemaakt door [verbalisant 4], brigadier van politie, gesloten op 10 november 2008. Op basis van de door de politie opgemaakte kasopstelling (ordner 1, bijlage F) is gebleken dat door of namens veroordeelde uitgaven en stortingen zijn gedaan die de verifieerbare ontvangsten met EUR 154.799,82 overstijgen.

De verdediging heeft gesteld dat van enig wederrechtelijk verkregen voordeel nimmer sprake is geweest en heeft ter onderbouwing van die stelling diverse financiële stukken in de procedure gebracht. Het hof heeft in de hoofdzaak geoordeeld dat veroordeelde noch zijn medeveroordeelde broers een plausibele en aanvaardbare verklaring hebben kunnen geven voor alle vermogenstransacties en voor de bij de doorzoekingen aangetroffen gelden. De door de verdediging in deze procedure ingebrachte stukken maken dat niet anders nu de daarin achteraf vermelde betalingen, ontvangsten en verklaringen daarvoor evenmin verifieerbaar zijn.

Aangezien de strafbare feiten samen met anderen zijn gepleegd wordt in beginsel het totale voordeel ponds-pondsgewijs over de veroordeelde mededaders verdeeld. Een andere verdelingsmaatstaf is niet aannemelijk geworden. Uitgaande van een verdeling door drie kan aan veroordeelde een bedrag van (afgerond) EUR 50.000,- worden toegerekend.

(…)

Het hof zal in verband met de schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6

EVRM een korting van 10% op bovengenoemd bedrag toepassen zodat resteert een bedrag van EUR 45.000,-.”

6. De eerste klacht, inhoudende dat het Hof heeft miskend dat gelden die voorwerp van het bewezenverklaarde ‘gewoontewitwassen’ waren niet reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormen, lijkt mij te berusten op een onjuiste lezing van het arrest. Uit de hiervoor weergegeven overwegingen blijkt ten eerste (de steller van het middel heeft dit punt op zichzelf niet over het hoofd gezien) dat het Hof de vaststelling van de omvang van het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel niet alleen heeft gebaseerd op verzoekers veroordeling in de hoofdzaak wegens het medeplegen van gewoontewitwassen, doch ook op zijn veroordeling wegens het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen, medeplegen van valsheid in geschrift en handelen in strijd met art. 26, eerste lid, WWM. Ten tweede blijkt uit de door mij geciteerde overwegingen dat het Hof aan de hand van de door de politie opgemaakte kasopstelling heeft vastgesteld dat de betrokkene tezamen met zijn medeveroordeelden uit deze bewezenverklaarde strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft genoten, waarbij, zo ligt in deze overwegingen besloten, het Hof in aanmerking heeft genomen dat het (overstijgende) bedrag van € 154.799,82 uit een onbekende bron afkomstig is en dat de betrokkene en de medeveroordeelden met betrekking tot de herkomst van dit bedrag geen plausibele en aanvaardbare verklaring hebben kunnen geven. Op grond van het voorgaande meen ik dat de eerste klacht feitelijke grondslag mist.

7. De tweede klacht, die tegen ’s Hofs pondspondsgewijze verdeling opkomt, treft evenmin doel. De betrokkene en de medeveroordeelden zijn in de hoofdzaak als medeplegers ter zake van de bewezenverklaarde feiten veroordeeld. In de hierboven onder 5. weergegeven overwegingen ligt tevens besloten de vaststelling van het Hof dat deugdelijke aanknopingspunten voor een andere verdeling geheel ontbreken. Derhalve mocht het Hof hier zonder nadere motivering komen tot een pondspondsgewijze verdeling.1

8. Het middel faalt.

9. Het tweede middel behelst de klacht dat het Hof heeft verzuimd te reageren op het verweer dat de medeveroordeelde [betrokkene] (ik begrijp de betrokkene, EH) veel gelden die hij opnam om te gokken ook weer teruggestort heeft op de bank en dat die bedragen niet als illegale inkomsten mogen worden beschouwd. Door zulks in het midden te laten is de met het oordeel van het Hof onverenigbare mogelijkheid blijven bestaan dat in zoverre van wederrechtelijk genoten voordeel geen sprake is, aldus de steller van het middel.

10. Het Hof heeft blijkens zijn aangehaalde overwegingen feitelijk vastgesteld dat de betrokkene en zijn medeveroordeelde broers geen plausibele en aanvaardbare verklaring hebben kunnen geven voor alle vermogenstransacties noch voor de bij de doorzoekingen aangetroffen gelden. Naar mijn inzicht heeft het Hof daarmee aan zijn motiveringsplicht voldaan. Ook in dit verband is het bestreden oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

11. Het middel faalt.

12. Beide middelen falen en kunnen mijns inziens worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

13. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. De betrokkene heeft op 3 april 2012 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal in deze zaak uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM wordt overschreden. Nu in de hoofdzaak tevens cassatie aanhangig is en daarin de redelijke termijn ook is overschreden, kan de compensatie, tot welke de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, worden toegepast in de hoofdzaak - die naar mijn mening op een onderdeel door het Hof opnieuw moet worden behandeld - en kan in de onderhavige zaak met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, worden volstaan.2

14. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie HR 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8491 en HR 26 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5729, NJ 2009/264.

2 Vgl. onder meer HR 16 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8050 en de daarmee samenhangende hoofdzaak HR 16 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3630, NJ 2010/625.