Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1841

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-08-2014
Datum publicatie
15-10-2014
Zaaknummer
13/03707
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2973
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 420bis en art. 420ter Sr, gewoontewitwassen. Gedeeltelijk slagende bewijsklacht. V.zv. het middel opkomt tegen ’s Hofs oordelen m.b.t. de in de bewezenverklaring genoemde drie personenauto’s en het geldbedrag van € 117.451,70 kan het middel niet tot cassatie leiden. Het oordeel van het Hof dat het voorhanden hebben van € 20.000 en € 6.000 witwassen oplevert is ontoereikend gemotiveerd, aangezien uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat sprake is van meer dan het enkele voorhanden hebben van deze geldbedragen doordat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst ervan. Dat de genoemde geldbedragen zijn aangetroffen in het huis van de verdachte in de binnenzak van een jas in de hal van de woning resp. onder een kastje op de overloop, brengt niet mee dat de verdachte de criminele herkomst ervan heeft getracht te verbergen of te verhullen. Het middel slaagt in zoverre. De HR doet de zaak om doelmatigheidsredenen zelf af en spreekt verdachte alsnog vrij van deze onderdelen van de tll.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/03707

Zitting: 26 augustus 2014

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verzoeker = verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 22 maart 2012 door het Gerechtshof te Leeuwarden, nevenzittingsplaats Arnhem, wegens 1. primair “medeplegen van [het misdrijf: van] het plegen van witwassen een gewoonte maken” en 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de in beslag genomen, nog niet teruggegeven, bankbiljetten ter waarde van € 26.000,- verbeurd verklaard.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken 12/02857P, 12/02859P, 12/02861P, 13/03703, 13/03707 en 13/03710. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verzoeker heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel behelst, onder verwijzing naar HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6910, NJ 2013/266 m.nt. Borgers, de klacht dat de bewezenverklaring van feit 1 primair niet naar de eis van de wet voldoende met redenen is omkleed, nu uit het bewezenverklaarde niet kan volgen dat sprake is van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven, voorhanden hebben, overdragen en/of omzetten en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het door eigen misdrijf van verzoeker en zijn mededaders verkregen voorwerp gericht karakter heeft.

5. Ten laste van verzoeker is onder 1 primair bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 01 januari 2005 tot en met 01 oktober 2008, tezamen en in vereniging met anderen, in de gemeente Zwolle, telkens van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders voorwerpen, te weten geldbedragen (totaal 117.451,70 euro) en een geldbedrag van 20.000 euro en een geldbedrag van 6.000,- euro en een personenauto (merk BMW, type 320d, kenteken [AA-00-BB]) en een personenauto (merk BMW, type 323ci, kentekenen [CC-00-DD]) en een personenauto (merk Volkswagen, type Passat, kenteken [EE-00-FF]), verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl zij wisten dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”

6. Het Hof heeft in het arrest het volgende overwogen:

“Overweging met betrekking tot het bewijs

(…)

Ten aanzien van feit 1:

Uit de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat door verdachte en of de medeverdachten, zijn broers [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] over een lange periode en meerdere keren forse geldbedragen werden gestort of overgeboekt op rekeningen, terwijl de herkomst van die geldbedragen onverklaarbaar, niet traceerbaar en niet aannemelijk is geworden. In ieder geval ging het veelal om bedragen die volstrekt niet pasten bij de inkomenspositie van verdachte. Ook is geen aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat verdachte met regelmaat (hoge) - van medeverdachte [medeverdachte 2] afkomstige - bedragen stortte op zijn eigen RABO-bankrekening, waarna min of meer overeenkomstige bedragen werden doorgeboekt naar de rekening van [A]. Deze zaak stond vanaf 12 maart 2007 op naam van [medeverdachte 3]. Bovendien stortte verdachte in opdracht van medeverdachte [medeverdachte 2] ook al flinke sommen geld op de hierboven bedoelde rekening toen hij nog niet bij [A] werkte. Daarnaast hadden verdachte en zijn medeverdachten de beschikking over dure personenauto's, waarvan de aankoop kennelijk contant kon worden betaald. Verdachtes medeverdachte [medeverdachte 2] is accountant van beroep en was als het financiële brein nauw betrokken bij de financiële transacties, de aan- en verkoop van auto's die hebben plaatsgevonden en het financieel-administratief beheer van [A] en de Growshop. Uit dit samenstel van handelen blijkt volgens het hof van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking dat van medeplegen kan worden gesproken. Alhoewel verdachtes medeverdachte [medeverdachte 2] diverse financiële stukken heeft aangeleverd hebben hij en zijn medeverdachten geen plausibele en aanvaardbare verklaring kunnen geven voor de vermogenstransacties en voor de bij de doorzoeking aangetroffen gelden. Op geen wijze zijn de verklaringen van verdachte voor de herkomst van het geld aannemelijk geworden. Juist voor iemand met de specifieke kennis op financieel gebied als verdachtes medeverdachte [medeverdachte 2] is de wijze waarop de financiële transacties werden verricht en flinke bedragen aan contante gelden werden gestort en weer werden opgenomen, thuis bewaard en weer werden uitgegeven, verre van gebruikelijk en begrijpelijk te noemen. Naar het oordeel van het hof kan het daarom niet anders zijn dat dit handelen voortvloeide uit de criminele activiteiten zoals onder feit 3 ten laste zijn gelegd en hierna bewezen zullen worden verklaard en dat aldus de gelden en goederen uit misdrijf verkregen waren.”

7. De hier relevante artikelen 420bis Sr en 420ter Sr luiden als volgt:1

Artikel 420bis Sr (witwassen)

“1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie:

a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf;

b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp –onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.

2.

Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.”

Artikel 420ter (gewoontewitwassen)

“Hij die van het plegen van witwassen een gewoonte maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

8.

Deze witwasmisdrijven2 zijn sinds het arrest van HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4440, NJ 2010/655 door de Hoge Raad onder de loep genomen en met betrekking tot de motivering van de bewezenverklaring en de kwalificatie op belangrijke onderdelen van nieuwe vereisten voorzien. In dat verband is de Hoge Raad een andere weg ingeslagen waarbij de vraag of het voorwerp, waaronder uiteraard mede een geldbedrag is begrepen, wel of niet uit eigen misdrijf is verkregen een tweesprong vormt3, en heeft hij hier een bijzondere kwalificatie-uitsluitingsgrond geïntroduceerd en nader omlijnd. Ik geef de loop van deze nieuwe rechtspraak hieronder weer.

9.

In dat aanvangsarrest van 26 oktober 2010 overwoog de Hoge Raad met betrekking tot het witwassen door het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf nog enkel het volgende:

“2.4.1. Vooropgesteld moet worden dat op zichzelf noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de art. 420bis en 420quater Sr eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens - kort gezegd - (schuld)witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het voorhanden hebben van zo'n voorwerp (vgl. HR 2 oktober 2007, LJN BA7923, NJ 2008/16).

2.4.2. Dit betekent niet dat elke gedraging die in de art. 420bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de - in beide bepalingen nader omschreven - kwalificatie witwassen onderscheidenlijk schuldwitwassen rechtvaardigt (vgl. in ander verband HR 5 september 2006, LJN AU6712, NJ 2006/612). Zo kan ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het "voorhanden hebben" daarvan wordt verweten, de vraag rijzen of een dergelijk enkel voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt.
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen".
Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.”

10.

Aan deze overwegingen heeft de Hoge Raad in zijn arrest van HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6910, NJ 2013/266 het volgende toegevoegd:

“2.3.2. (…). Met deze rechtspraak wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen.4 Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat. Daarom is beslist dat "indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd".
Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.
In die eerdere rechtspraak is voorts tot uitdrukking gebracht dat een vonnis of arrest voldoende duidelijkheid moet verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.”

11.

Tegen deze achtergrond is het niet verrassend5 dat de Hoge Raad in zijn arrest van 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:121, NJ 2013/425 heeft geoordeeld dat hetgeen hierboven is vooropgesteld met betrekking tot witwassen door het ‘voorhanden hebben’ van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, ook van toepassing is op het bewijs aangaande het ‘verwerven’ (dat immers veelal nauw samenhangt met het ‘voorhanden hebben’) van een dergelijk voorwerp:

“2.5. Hetgeen hiervoor onder 2.4 is vooropgesteld met betrekking tot witwassen door het "voorhanden hebben" van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, geldt ook indien het "verwerven" van een dergelijk voorwerp is bewezenverklaard. Ook dan dient de eis te worden gesteld dat er sprake is van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft (vgl. HR 18 juni 2013, LJN CA3302).”6

12.

De hiervoor aangehaalde van koers wijzigende rechtspraak van de Hoge Raad heeft – ik wijs daar nadrukkelijk op – betrekking op het verwerven of het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, welke gedraging een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Indien er geen sprake is van, kort gezegd, een voorwerp uit eigen misdrijf verkregen – de verdachte wandelt bijvoorbeeld rond op Schiphol of fietst op straat met een tas vol geld -, kan niettemin worden tenlastegelegd en worden bewezenverklaard dat het onder hem aangetroffen contante geldbedrag "uit enig misdrijf afkomstig is". Wel moet dan kunnen worden gezegd – en die eis wordt door de Hoge Raad aan de motivering van de rechter gesteld - dat het in het licht van de feiten en omstandigheden van het voorkomende geval niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn.7

13.

Vervolgens oordeelde de Hoge Raad in zijn arrest van 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75:

“2.4.1. Deze rechtsregels (zoals hiervoor geciteerd weergegeven, EH) hebben slechts betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.”

14.

Deze overweging werd in dat arrest niet toegelicht, maar deed al wel enigszins vermoeden dat de Hoge Raad hier over het ‘overdragen’, het ‘omzetten’ en het ‘gebruik maken’ wel eens anders zou kunnen denken. Kennelijk was die wat mysterieuze overweging alvast een voorbode van de rechtspraak die toen nog in de maak was. In 2014 zijn namelijk wederom arresten van de Hoge Raad verschenen die ter zake enige preciseringen behelzen. Het gaat mij om de arresten van HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302, HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:714, NJ 2014/303 en HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:956, NJ 2014/304.8 Daarover nu meer.

15.

Een niet onbelangrijk punt met betrekking tot het verwerven en het voorhanden hebben in de hier bedoelde zin, was door de Hoge Raad nog niet beantwoord. Ik doel op het gebruik van de termen “onmiddellijk” en “middellijk”, waarvan art. 420bis, eerste lid aanhef en onder b, Sr zich immers bedient, en de vraag of dat onderscheid van betekenis is. De hiervoor weergegeven rechtspraak van de Hoge Raad ziet namelijk op het onmiddellijk, dus rechtstreeks (of direct), uit het eigen misdrijf afkomstig voorwerp. Maar hoe nu als de verdachte dat voorwerp niet rechtstreeks maar via een omweg – bijvoorbeeld na omzetting of overdracht, dus middellijk – heeft verworven of voorhanden heeft gekregen? In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de ‘Wet van 6 december 2001 (Stb. 2001, 606) tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven’ wordt in dat verband het volgende gezegd:

"Onmiddellijk of middellijk; indirecte opbrengsten

Zoals hiervoor aangegeven beslaan witwastrajecten veelal vele achtereenvolgende stappen, waarbij de uit misdrijf afkomstige voorwerpen worden omgezet in andere, die op hun beurt worden omgezet, enzovoort. Om ook handelingen aan het eind van het traject effectief te kunnen aanpakken, dient een desbetreffende strafbepaling niet alleen het witwassen van de directe opbrengsten uit misdrijf strafbaar te stellen, maar ook het witwassen van een voorwerp dat indirect, middellijk afkomstig is uit enig misdrijf. Ook meergenoemde internationale overeenkomsten gaan uit van een ruim begrip «opbrengsten». De helingbepalingen van artikel 416, eerste lid, en 417bis, eerste lid, Sr kunnen op dit punt problemen opleveren, omdat wordt aangenomen dat onder «een door misdrijf verkregen goed» níet valt het indirect verkregene – hetgeen voor gestolen geld is gekocht –, zodat ten aanzien daarvan geen sprake kan zijn van heling (J. Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 2 op art. 416). Om zeker te stellen dat de artikelen 420bis en 420quater zich ook uitstrekken tot witwashandelingen ten aanzien van de indirecte opbrengsten, zijn daarin de woorden «onmiddellijk of middellijk» (afkomstig uit) opgenomen."9

16.

Mede onder verwijzing naar zijn eerdere, hiervoor weergegeven, vernieuwende rechtspraak en naar de door mij geciteerde passage uit de Memorie van Toelichting overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302:

“3.7. Hieruit blijkt dat met het gebruik van de term "middellijk" is beoogd ook gevallen waarin sprake is van witwashandelingen ten aanzien van de indirecte opbrengsten van een misdrijf, zoals gevallen waarin uit misdrijf afkomstige voorwerpen zijn omgezet in andere voorwerpen, binnen het bereik van de delictsomschrijvingen van art. 420bis en 420quater Sr te brengen.

3.8.

In die gevallen waarin sprake is van voorwerpen die "middellijk" afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf doordat direct uit misdrijf afkomstige voorwerpen nadien zijn omgezet in andere voorwerpen, doet zich niet de onder 3.3 bedoelde situatie voor waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daardoor de uit dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Dat brengt mee dat er in beginsel geen grond is de onder 3.3 bedoelde rechtsregels ook toe te passen op dergelijke gevallen, nu het automatisme dat deze rechtsregels beogen tegen te gaan, zich in die gevallen niet voordoet.”

17.

Op grond van het voorgaande kan de slotsom tot dusver luiden dat ten aanzien van het verwerven dan wel voorhanden hebben van rechtstreeks – onmiddellijk - uit eigen misdrijf verkregen voorwerpen wordt verlangd dat daarbij sprake moet zijn van een gedraging die tot verberging of verhulling strekt, doch dat dit vereiste in beginsel niet van toepassing is ingeval van middellijkheid.

18.

In die laatste overweging van de Hoge Raad klinkt al door dat de tussenliggende omzetting van direct uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen een belangrijke factor is in de zienswijze van de Hoge Raad omtrent de beoordeling en de kwalificatie van het witwassen. In het arrest van 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:714, NJ 2014/303 laat de Hoge Raad, aanknopend bij zijn eerdere vernieuwende rechtspraak zoals hierboven weergegeven, daarover geen onduidelijkheid bestaan:

“2.4.1. Deze regels zien uitsluitend op gevallen waarin slechts het verwerven en/of voorhanden hebben van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen is bewezenverklaard. Zij hebben in beginsel geen betrekking op een geval als het onderhavige waarin is bewezenverklaard het "overdragen" en het "gebruik maken" - een en ander in de betekenis die ingevolge art. 420bis, eerste lid sub b, Sr aan die begrippen toekomt - van zulke voorwerpen, en evenmin op het daarin voorkomende begrip "omzetten".

2.4.2. In het vorenstaande wordt gesproken over "in beginsel", omdat niet valt uit te sluiten dat anders moet worden geoordeeld in het bijzondere geval dat zulk "overdragen", "gebruik maken" of "omzetten" van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen. Voorkomen moet immers worden dat de hiervoor onder 2.3 weergegeven regels worden omzeild enkel door het tenlasteleggen en/of bewezenverklaren van een andere delictsgedraging dan "verwerven" of "voorhanden hebben". In zo een bijzonder geval geldt eveneens dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als "witwassen", sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen gericht karakter heeft in de hierboven onder 2.3 omschreven zin.”

19.

Mijn ambtgenoot Vegter meende in zijn conclusie vóór HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:714, NJ 2014/303 dat indien, evenals bij het verwerven en het voorhanden hebben, “vaststaat dat het enkele overdragen of gebruik maken door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd”. De Hoge Raad ziet dat dus anders, en beoordeelt deze kwestie vanuit een andere invalshoek: de regels aangaande het verwerven en voorhanden hebben ter zake van uit eigen misdrijf verkregen voorwerpen, hebben in beginsel geen betrekking op het overdragen, omzetten en gebruik maken van dergelijke voorwerpen. Annotator Keijzer merkt daaromtrent op: “Ten aanzien van ‘overdraagt’, ‘omzet’ en ‘gebruik maakt’ als bedoeld in art. 420bis eerste lid onder b Sr is voor de strafbaarheid wegens witwassen ‘in beginsel’ niet vereist dat de gedraging een op daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft (NJ 2014/303, r.o. 2.4.1.). Overdragen, omzetten of gebruik maken kan dus witwassen opleveren, ook indien het niet ter verhulling geschiedt.” Of de Hoge Raad het zo bedoeld heeft, weet ik zo net nog niet. Ik acht het niet uitgesloten dat de Hoge Raad van oordeel is dat het overdragen, het omzetten en – toegegeven minder sterk – het gebruikmaken in het kader van de witwasbepalingen op zichzelf al een versluierende of wegsluizende inhoud hebben, en dat dus in die zin deze gedragingen al het karakter van verbergen of verhullen – van uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen, dus voorwerpen met een criminele herkomst, want daar gaat het nog steeds over – in zich bergen en uitstralen.10 Zo bevat bijvoorbeeld het samenstel van feitelijk overboeken op en doorboeken naar diverse bankrekeningnummers van uit eigen misdrijf verkregen geldbedragen in verschillende parten en met versmelting met bestaande banksaldi reeds de elementen van verbergen of verhullen. Zo dit in een zeldzaam geval anders ligt, is het aan de verdachte om dat aannemelijk te maken. Aldus verstaan is het obiter dictum in voormeld arrest – betreffende de toevoeging “in beginsel” – begrijpelijk.

20.

Het voorgaande brengt mee dat de motiveringseisen die de Hoge Raad aan de kwalificatie van het verwerven respectievelijk het aanwezig hebben van uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen, in beginsel niet gelden ingeval van overdragen, omzetten of gebruik maken van dergelijke voorwerpen.

21.

Het arrest van 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:956, NJ 2014/304 bevat het volgende slotakkoord:

“3.3. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat de recente rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de nadere motiveringseisen van het oordeel dat sprake is van witwassen in het geval dat de verdachte een uit enig door hemzelf begaan misdrijf afkomstig voorwerp heeft verworven of voorhanden heeft gehad, ook betrekking heeft op het bewezenverklaarde verbergen en verhullen als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder a, Sr. Die opvatting is onjuist (vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2004:716, rov. 3.4.1.). Het oordeel van het Hof dat het bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als witwassen, geeft dan ook niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.”

22.

Daarmee lijkt de Hoge Raad het witwassen zowel materieelrechtelijk als strafvorderlijk geheel te hebben doorgelicht en nader vorm en inhoud te hebben gegeven.

23.

Ik keer terug naar de voorliggende zaak. Bezien we de gebezigde bewijsmiddelen en ’s Hofs bewijsvoering met betrekking tot feit 1 primair, door het Hof gekwalificeerd als gewoontewitwassen, tegen de hiervoor geschetste achtergrond nader. Dan vloeit daaruit allereerst voort dat het Hof aannemelijk heeft geacht dat de bewezenverklaarde geldbedragen en personenauto’s afkomstig zijn uit eigen misdrijf, dit is op de keper beschouwd de handel in hennep.11 De nieuw ontwikkelde standpunten van de Hoge Raad zijn dus op de uitspraak van het Hof van toepassing.

24.

Probleem is echter dat het onder 1 primair bewezenverklaarde niet alleen het ‘verwerven’ en het ‘voorhanden hebben’ omvat maar ook het ‘overdragen’ en het ‘omzetten’, en dit alles in een ‘en/of constructie’. Daarnaast heeft het Hof bewezenverklaard dat de genoemde geldbedragen en personenauto’s “onmiddellijk of middellijk” van misdrijf afkomstig waren. Gelet op het voorgaande behoeft geen uitleg meer dat de eerste vraag onder welke witwasgedraging die voorwerpen naar het kennelijke oordeel van het Hof zijn begrepen, van belang is.

25.

Ten aanzien van de drie personenauto’s kan uit de bewijsmiddelen (met name 2, 3 en 11), bezien in samenhang met ’s Hofs bewijsoverweging, worden afgeleid dat het Hof het oog heeft op het ‘omzetten’ in de zin van art. 420bis Sr.12 De uit eigen misdrijf verkregen inkomsten zijn voor een deel aangewend voor de aanschaf van twee BMW’s en een VW Passat. Aldus is dat deel van het misdaadgeld geïnvesteerd in de verkrijging van deze personenauto’s en is het uit de eigen criminele, onder feit 3 bewezenverklaarde, activiteiten verkregen voordeel belichaamd in de aanschaf van deze goederen.13 Dit is precies de omzettingshandeling waarop de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot de Wet tot ‘Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven’ doelde. Ik meen dat in deze omzetting het verbergend of verhullend karakter besloten ligt, waarbij ik ’s Hofs overweging in aanmerking neem dat verzoeker en zijn medeverdachten geen plausibele en aanvaardbare verklaring hebben kunnen geven voor de vermogenstransacties en de herkomst van het geld, en dat het Hof op dit onderdeel niet tot een nadere motivering gehouden was. In zoverre faalt het middel.

26.

Met verwijzing naar hetgeen ik hierboven onder 19 heb opgemerkt, kom ik tot eenzelfde slotsom aangaande het in de bewezenverklaring van feit 1 primair genoemde geldbedrag van € 117.451,70. Ik begrijp de inhoud van de bewijsmiddelen in het licht van de bewijsoverweging van het Hof aldus, dat dit geldbedrag het totaal is dat verzoeker en zijn medeverdachten contant uit hun eigen drugshandel hebben verkregen en verbergend dan wel verhullend door stortingen op verschillende bankrekeningen en doorboekingen naar andere rekeningnummers hebben overgedragen en/of omgezet. Daarbij neem ik in aanmerking dat het Hof op basis van de door hem gebezigde bewijsmiddelen in zijn bewijsoverweging niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat sprake was van (i) stortingen op bepaalde bankrekeningen en doorboekingen naar andere rekeningen zoals het rekeningnummer van [A], (ii) het op ongebruikelijke wijze flinke bedragen aan contante gelden storten en weer opnemen, thuis bewaren en weer uitgeven, en (iii) het ontbreken van een aannemelijke verklaring van verzoeker en zijn medeverdachten voor de vermogenstransacties en de herkomst van het geld. Ook wat het totaalbedrag van € 117.451,70 betreft, was het Hof niet tot een nadere motivering gehouden en faalt het middel in zoverre.14

27.

Voor zover de steller van het middel zijn pijlen richt tegen de tijdens de doorzoeking aangetroffen geldbedragen van € 20.000,- (in de binnenzak van een jas in de hal van de woning) en € 6.000,- (onder een kastje op de overloop) heeft hij echter een doeltreffend punt. Uit de bewijsconstructie van het Hof kan slechts worden afgeleid dat verzoeker en zijn medeverdachten deze geldbedragen, welke afkomstig waren uit de eigen drugshandel, hebben verworven en voorhanden hebben gehad.15 Uit de bewijsmiddelen noch uit bewijsoverweging van het Hof kan echter volgen dat ten aanzien van deze door eigen misdrijf verkregen geldbedragen de gedragingen van verzoeker en/of zijn medeverdachten meer omvatten dan het enkele verwerven en/of voorhanden hebben en een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen gericht karakter hebben. Het oordeel van het Hof dat ook dit bewezenverklaarde onderdeel als gewoontewitwassen kan worden gekwalificeerd, is dan ook niet zonder meer begrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd.16 In zoverre is het middel terecht voorgesteld.

28.

Het middel slaagt ten dele.

29.

Het tweede middel houdt in dat het onder 3 (ik begrijp: onder 2, EH) bewezenverklaarde medeplegen van het aanwezig hebben van hennep in de woning van medeverdachte [medeverdachte 3] en in de growshop [B], “waar deze broer (zie bewijsmiddel 20) de enige aanwezige in die growshop is”, niet uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

30.

Ten laste van verzoeker is onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 03 september 2008 tot en met 09 oktober 2008 in de gemeente Zwolle (respectievelijk) in een schuur nabij een woning, gelegen aan de [a-straat 1] en in een personenauto (merk BMW, kenteken [AA-00-BB]) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer (respectievelijk) 1.4 kilogram en 5.12 kilogram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II”

31.

Ik vermoed dat sprake is van een vergissing, het middel mist namelijk feitelijke grondslag. Ten laste van verzoeker is niet bewezenverklaard het medeplegen van het aanwezig hebben van hennep in de woning van medeverdachte [medeverdachte 3] (gelegen aan de [b-straat 1]) en in de growshop [B] (het bedrijfspand gelegen aan de [c-straat 1]), terwijl het Hof in de onderhavige zaak geen bewijsmiddel 20 in de aanvulling op het arrest heeft opgenomen.

32.

Het middel faalt.

33.

Het derde middel houdt in dat het Hof verzuimd heeft te reageren op het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard met betrekking tot de weedafval in het schuurtje.

34.

Ter terechtzitting in hoger beroep is namens verzoeker blijkens de pleitnota het volgende verweer gevoerd:

“Bovendien: cliënten beroepen zich op een arrest van de Hoge Raad, LJN1275, waaruit nog eens blijkt dat het aanwezig hebben van vijf planten wordt gedoogd. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij 3 a 4 planten in zijn tuin had en dat de weed die bij hem thuis aan de [b-straat 1] werd gevonden van die planten afkomstig is. [medeverdachte 2] bevestigt dat die planten daar hebben gestaan. Dat de vriendin van [medeverdachte 3] ze niet heeft gezien, zegt niets. Het was een grote woekertuin. Ik leg nogmaals over de uidraaien van internet dat buitenplanten 250 gram tot 500 gram per stuk kunnen opbrengen. Het aanwezig hebben op de [b-straat 1] van 1 kilo weed afkomstig van 2 of 3 planten mag dan ook niet vervolgd worden. En dat geldt ook voor het afval van die planten, zoals dat aan de [a-straat 1] lag. Als 3 tot 4 planten gedoogd worden, geldt dat ook voor de weed die daarvan af komt.

Ik meen dat het OM niet-ontvankelijk is ten aanzien van de weed in het schuurtje en de weed aan de [b-straat 1].”

35.

Het Hof Het Hof heeft deze verhandeling van de raadsman kennelijk niet opgevat als een uitdrukkelijk voorgedragen verweer in de zin van art. 358, derde lid, Sv. Gelet op de inhoud van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht, acht ik dat kennelijke oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk en was het Hof mijns inziens niet gehouden de verwerping van dit verweer (nader) te motiveren.

36.

Het middel faalt.

37.

Het eerste middel slaagt ten dele. De andere in dit middel verwoorde klachten kunnen, lijkt mij, evenals de middelen 2 en 3 worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

38.

Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Verzoeker heeft op 3 april 2012 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal in deze zaak uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art.6, eerste lid, EVRM wordt overschreden. Dit punt kan echter onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en de zaak dient te worden teruggewezen.

39.

Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

40.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de bewezenverklaring van de onder 1 primair tenlastegelegde geldbedragen van € 20.000,00 en € 6.000,00 en voor wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Wat betreft de internationale verplichting tot strafbaarstelling - met inbegrip van Richtlijn 91/308/EEG van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financiële door het witwassen van geld (Pb 28 juni 1991 L166, p. 77) en de Richtlijnconforme interpretatie - en de wetsgeschiedenis, wijs ik op de annotatie van N. Keijzer onder de hierna te bespreken arresten van HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302, HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:714, NJ 2014/303, HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:956, NJ 2014/304 en HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1237, NJ 2014/305, alsook op de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter voorafgaand aan genoemd arrest NJ 2014/303 en de publicatie van S.S. Buisman, Witwassen-het enkele verwerven en voorhanden hebben en richtlijnconforme interpretatie, DD 2013/53.

2 En zo ook het schuldwitwassen (art. 420quater Sr).

3 In HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1237, NJ 2014/305 lijkt het Hof dat onderscheid uit het oog te hebben verloren.

4 De Hoge Raad wil dus het toepassingsbereik van de witwasbepalingen beperken tot de echte (typische) witwasgedragingen en dubbele bestraffing voor in de kern hetzelfde feit voorkomen. Zie J. de Hullu, Materieel strafrecht, 2012, p. 420-421.

5 Vgl. mijn conclusies ECLI:NL:PHR:2013:CA3302 en ECLI:NL:PHR:2013:78.

6 In dezelfde zin HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3302 en HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75.

7 Het is dan aan het Openbaar Ministerie bewijs bij te brengen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. Dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de voorwerpen, leidt er niet zonder meer toe dat het dan aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat de voorwerpen niet van misdrijf afkomstig zijn. Zie HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, NJ 2010/456 en HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:127, NJ 2014/78.

8 Zie daarnaast HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:716, HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1164, HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1180 en HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1237, NJ 2014/305.

9 Kamerstukken II 1999-2000, 27 159, nr. 3, p. 17.

10 De aanduiding overdragen heeft dezelfde betekenis als in de helingbepalingen en “veronderstelt feitelijke zeggenschap ten aanzien van het voorwerp, al is niet vereist dat het voorwerp zich in de fysieke nabijheid bevindt” (MvT, Kamerstukken II 1999/2000, 27 159, nr. 3, p. 15). Met de in de witwasbepalingen gekozen bewoordingen heeft de wetgever welbewust gekozen voor een volstrekt eigen terminologie en willen aansluiten bij het dagelijks woordgebruik en bij de (in die tijd geldende) interpretatie van de Hoge Raad, en niet bij het burgerlijk recht. Het gaat derhalve om het overdragen van de feitelijke zeggenschap en niet om een rechtshandeling die tot gevolg heeft dat de juridische zeggenschap over de voorwerpen van de één op de ander overgaat. De term omzetten duidt op het wisselen van geld of goederen met een andere geldswaarde of met handelsartikelen, in die zin dat door vervanging, ruil of investering andere voorwerpen worden verkregen, die het voordeel uit het grondmisdrijf belichaamt, zoals de aanschaf van luxegoederen. Zo bijvoorbeeld het aanwenden van een geldbedrag voor de aanschaf van een auto. (Vgl. Kamerstukken II 1999/2000, 27 159, nr. 3, p. 2, 6 en 15).

11 Zie ook bewijsmiddel 1.

12 Als ik het goed zie is de Hoge Raad van oordeel dat uitgegeven geldbedragen niet meer als “voorhanden hebben” gelden en dat dit uitgeven eerder als omzetten dan wel gebruik maken in de zin van de witwasbepalingen zijn aan te merken. Vgl. HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6909 en HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4440, NJ 2010/655.

13 Vgl. Kamerstukken II 1999/2000, 27 159, nr. 3, p. 15. Zie ook noot 11. Anders mijn ambtgenoot Knigge, die in zijn conclusie voorafgaand aan HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302 de mening is toegedaan dat het feit dat van het misdaadgeld dure auto’ zijn gekocht, niet zonder meer aangemerkt lijkt te worden als verhullen of verbergen. In dezelfde zin de steller van het middel.

14 Vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702.

15 Zie in het bijzonder bewijsmiddel 4.

16 In HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1237, NJ 2014/305 wordt de motiveringseis ter zake van de kwalificatie van het voorhanden hebben van uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen als witwassen nog eens onderstreept. De door de verdachte gestolen sieraden waren aangetroffen in een paars plastic doosje in een plastic zakje in de binnenvoering van een rugkussen van een tweezitsbank in de woonkamer. Dat brengt, aldus de Hoge Raad, nog niet mee dat de verdachte de criminele herkomst van de voorwerpen heeft getracht te verbergen of te verhullen, zodat het andersluidende oordeel van het Hof ontoereikend is gemotiveerd. In dezelfde lijn HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3302, NJ 2013/453 (op verschillende plaatsen in huis weggeborgen misdaadgeld) en HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6910, NJ 2013/266 (crimineel geld in kluis in woning). Overigens deed de Hoge Raad in het, in deze noot, eerstgenoemde arrest de zaak om doelmatigheidsredenen zelf af. Annotator Keijzer merkt daarbij op dat de Hoge Raad tot een vrijspraak kwam in plaats van een ontslag van alle rechtsvervolging zoals men bij een kwalificatie-uitsluitingsgrond zou verwachten.