Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1835

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-08-2014
Datum publicatie
15-10-2014
Zaaknummer
12/05304
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2966, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 314.2 jo. art. 314.1 Sv, voortzetting oz ttz. na toewijzing van vordering wijziging tll zonder toestemming verdachte of uitdrukkelijk gemachtigd raadsman. Gelet op de tekst van de wet moet worden aangenomen dat art. 314.1 Sv slechts betrekking heeft op de behandeling van de zaak bij verstek, terwijl art. 314.2 Sv ziet op de behandeling van de zaak op tegenspraak, met het gevolg dat de in art. 314.1.2e volzin Sv omschreven maatstaf voor de te nemen beslissing niet van toepassing is bij een o.g.v. art. 314.2 Sv te nemen beslissing. Een andersluidende uitleg van de betrokken artikelleden valt niet te verenigen met de wetsgeschiedenis. Bij de behandeling van een zaak op tegenspraak zal het onderzoek dus slechts aanstonds kunnen worden voortgezet indien verdachte of zijn uitdrukkelijk gemachtigd raadsman daartoe toestemming heeft gegeven. I.c. is sprake van een behandeling van de zaak op tegenspraak. De raadsvrouwe heeft geen toestemming als hiervoor bedoeld gegeven en om aanhouding van de zaak verzocht. Het oordeel van het Hof dat het onderzoek niettemin aanstonds kan worden voortgezet op de grond dat verdachte door het achterwege laten van een kennisgeving van de wijziging redelijkerwijze niet in zijn verdediging wordt geschaad, is derhalve onjuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/05304

Mr. Machielse

Zitting 26 augustus 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]1

1. Het Gerechtshof Arnhem heeft verdachte op 6 november 2012 voor 1 primair: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, en 2: medeplegen van een ander door geweld en bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen, veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden.

2. Namens verdachte is cassatie ingesteld. Mr. E.G.C. Groenendaal, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt over de gang van zaken rond de toewijzing van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep.

3.2. Ter terechtzitting van 23 oktober 2012 is verdachte niet ter terechtzitting in hoger beroep verschenen. Wel is verschenen mr. N.W.A. Dekens, advocaat te Amsterdam, die verklaarde uitdrukkelijk door verdachte gemachtigd te zijn om de verdediging te voeren. De AG vorderde dat de tenlastelegging zou worden gewijzigd. De advocaat van verdachte gaf op inhoudelijk geen bezwaar tegen de wijziging te hebben, maar de wijziging met haar cliënt te willen bespreken en verzocht daartoe om aanhouding.

De voorzitter deelde vervolgens mee dat de beslissing op het verzoek om aanhouding zou worden genomen nadat de overige verzoeken van de verdediging besproken zouden zijn.

Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting houdt vervolgens in:

"Het hof wijst voorts de vordering tot wijziging van de tenlastelegging toe. Aan de raadsvrouw wordt een door de griffier gewaarmerkt afschrift van de gewijzigde tenlastelegging ter hand gesteld.

Het hof vindt dat sprake is van een kleine wijziging, nu het hetzelfde feitencomplex betreft als de oorspronkelijke tenlastelegging, en is van oordeel dat de verdachte door het achterwege laten van kennisgeving van de wijziging redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, te meer nu hij wordt vertegenwoordigd door zijn raadsvrouw en zij kennis heeft genomen van de gewijzigde tenlastelegging.

Het onderzoek wordt aanstonds voortgezet.

De raadsvrouw van verdachte merkt op - zakelijk weergegeven - :

Ik geef een andere uitleg aan artikel 314 van het Wetboek van Strafvordering."

Bij de stukken bevindt zich een pleitnota die ook aandacht schenkt aan de wijziging van de tenlastelegging. Deze wijziging is de dag voor de terechtzitting aan de advocaat van verdachte gemaild. De pleitnota vat de voorgestelde wijziging aldus samen dat in feit 1 worden toegevoegd de woorden "dan wel een werkloosheidsuitkering" en dat wordt toegevoegd een feit 2 met dezelfde omschrijving als feit 1, behoudens de woorden "met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen".

3.3. Bij Wet van 14 september 1995, Stb. 1995, 401 is artikel 359a Sv ingevoerd. Het doel van de wetgever was om een bijdrage te leveren aan het terugdringen van de ongewenste gevolgen die aan vormverzuimen in het strafproces werden verbonden.2 Alleen die vormvoorschriften waarvan schending in alle gevallen tot nietigheid moet leiden, omdat geen geval denkbaar is waarin deze sanctie te zwaar is, moeten met formele nietigheid worden bedreigd. In de andere gevallen is de beslissing aan de rechter.3

In het wetsvoorstel vormverzuimen was voorgesteld het tweede lid van artikel 314 Sv van de volgende inhoud te voorzien:

“2. De rechtbank schorst het onderzoek, tenzij zij van oordeel is dat de verdachte door voortzetting van het onderzoek, redelijkerwijs niet in zijn verdediging kan worden geschaad.” 4

Hoewel de Memorie van toelichting vermeldde dat deze wijziging van het tweede lid van artikel 314 Sv op een bepaalde plaats werd toegelicht, is zo een toelichting in deze Memorie niet te vinden, zoals ook leden van de Tweede Kamer in het Verslag opmerkten.5 Leden van de Tweede Kamer vreesden voor een uitholling van de rechten van de verdediging en dienden een amendement in om de voorgestelde wijziging van het tweede lid van artikel 314 ongedaan te maken. De bevoegdheid van de verdachte om toestemming te geven voor voortzetting van het onderzoek moest intact blijven.6 Het amendement is aangenomen zodat artikel 314 lid 2 Sv ongewijzigd is gebleven.7

3.4. Artikel 314 Sv is wel gewijzigd bij Wet van 15 januari 1998, Stb 1998, 33 (herziening onderzoek ter terechtzitting). In dit wetsvoorstel is rekening gehouden met andere voorstellen tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, zoals het voorstel vormverzuimen (23705).8

In het oorspronkelijke voorstel was niet voorzien in een wijziging van artikel 314 Sv. Wel voorzag het oorspronkelijke voorstel in de mogelijkheid dat een advocaat door de niet verschenen verdachte zou worden gemachtigd om de verdediging te voeren. Toen rees bij leden van de Tweede Kamer de vraag of de betekening van de gewijzigde tenlastelegging aan de niet verschenen verdachte ook nodig is als de advocaat toestemt in onmiddellijke voortzetting van het onderzoek ter terechtzitting.9 In de Nota naar aanleiding van het verslag antwoordde de Minister aldus:

“Terecht vragen deze leden, samen met die van de fracties van CDA, VVD, D66 en SGP, aandacht voor de reikwijdte van de machtiging en de omvang van de bevoegdheden van de raadsman die bij afwezigheid van de verdachte diens verdediging op de terechtzitting voert. Ik stel daartoe bij nota van wijziging een nadere regeling voor. Deze behelst het volgende.

Indien de verdachte ervan afziet om in persoon op de terechtzitting aanwezig te zijn en hij zijn raadsman machtigt zijn verdediging te voeren, dan dient deze in beginsel alle processuele bevoegdheden van de verdachte te kunnen uitoefenen. Dit uitgangspunt is reeds neergelegd in artikel 331, tweede lid, en wordt hierbij verduidelijkt.

Bij de uitoefening van de volgende bevoegdheden die bij uitstek aan de verdachte toekomen, kan men zich, zoals de leden van voornoemde fracties, afvragen of deze eveneens toekomen aan de raadsman die bij afwezigheid van zijn cliënt diens verdediging voert. Het gaat daarbij in het bijzonder over a) de instemming met de voortgang van het onderzoek na de toewijzing van een vordering tot wijziging of aanvulling van de telastlegging op grond van artikel 314, tweede lid, b) het doen van een aanbod met bereidverklaring tot het ondergaan van de straf van onbetaalde arbeid en c) de mogelijkheid om na de uitspraak afstand te doen van een openstaand rechtsmiddel.

ad a) Ik zie geen overwegend beletsel voor de introductie van de mogelijkheid dat de raadsman namens zijn cliënt instemt met het voortzetten van de terechtzitting, nadat de officier van justitie een vordering tot wijziging van de telastlegging heeft ingediend. In het bijzonder de juridische beoordeling van de vraag of door toewijzing van deze vordering tot wijziging niet de telastlegging een ander feit in de zin van artikel [68] van het Wetboek van Strafrecht zal inhouden, kan uiteraard heel goed aan de raadsman worden overgelaten. Evenmin dient er een verschil in regime te ontstaan ten aanzien van de vordering op grond van artikel 312 (de aanvulling met strafverzwarende omstandigheden) die niet afzonderlijk aan de verdachte behoeft te worden betekend, en de vordering ex artikel 313 (tot wijziging van de telastlegging) die wel aan de verdachte moet worden betekend. Bij afwezigheid van de verdachte leidt de toewijzing van de laatste vordering volgens de huidige regeling steeds tot schorsing van het onderzoek. Daarin komt verandering na aanvaarding van het onderhavige voorstel. Desgeraden kan de rechtbank een korte onderbreking met het oog op (telefonisch) overleg tussen raadsman en cliënt toestaan. Al naar gelang de uitkomst daarvan kan de raadsman hetzij om een schorsing van het onderzoek in het belang van de verdediging vragen, hetzij instemmen met de voortzetting van het onderzoek. Ik stel daartoe een wijziging van artikel 314, tweede lid, voor.” 10

3.5. Artikel 314 Sv heeft door deze wetswijziging de volgende inhoud gekregen:

“1. Indien de telastlegging overeenkomstig artikel 313 is gewijzigd, wordt aan de verdachte door de griffier een gewaarmerkt afschrift van de gewijzigde telastlegging op de terechtzitting verstrekt, tenzij de rechtbank oordeelt dat met de uitreiking van een door de griffier gewaarmerkt afschrift van de wijzigingen kan worden volstaan. Is tegen de verdachte verstek verleend, dan wordt de gewijzigde telastlegging hem zo spoedig mogelijk betekend.

2. De rechtbank schorst het onderzoek zo nodig voor een bepaalde tijd; met toestemming van de verdachte of de raadsman die op grond van artikel 279, eerste lid, tot de verdediging is toegelaten, kan het onderzoek echter aanstonds of na een korte onderbreking worden voortgezet.”

Ik vermoed dat de woorden "zo nodig" in het tweede lid van artikel 314 Sv duiden op de situatie waarvan de Minister in het laatste deel van de Nota naar aanleiding van het verslag repte, te weten de situatie waarin niet kan worden volstaan met een korte onderbreking van het onderzoek met het oog op (telefonisch) overleg tussen advocaat en verdachte. Ik denk niet dat die woorden aldus kunnen worden verstaan dat de rechtbank ook zonder toestemming van verdachte of gemachtigd advocaat zonder meer kan doorgaan met het onderzoek na een wijziging van de tenlastelegging.

3.6. Bij Wet van 5 oktober 2006, Stb. 2006, 470 (stroomlijnen hoger beroep) is de tweede volzin van het eerste lid van artikel 314 Sv als volgt komt te luiden:

"Is tegen de verdachte verstek verleend, dan wordt het onderzoek op de gewijzigde telastlegging aanstonds voortgezet indien de verdachte door het achterwege laten van kennisgeving van de wijziging redelijkerwijze niet in zijn verdediging wordt geschaad. In het andere geval wordt de gewijzigde telastlegging hem zo spoedig mogelijk betekend."

De Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel houdt het volgende over de toen geldende regeling in:

“De voorgestelde wijziging dient op schrift te zijn gesteld, een gewaarmerkt afschrift wordt aan de verdachte verstrekt (artikelen 313 en 314 Sv). Is tegen de verdachte verstek verleend, dan wordt de gewijzigde telastlegging hem zo spoedig mogelijk betekend (artikel 314 Sv). De Hoge Raad heeft aan schending van deze bepaling de sanctie van substantiële nietigheid verbonden, aangezien de wetgever een wijziging van de telastlegging als kennelijk bijzonder ingrijpend zag. Het voorschrift wijzigingen van telastleggingen te betekenen heeft gevolgen voor de voortgang van de behandeling, die immers in geval van verstek altijd moet worden geschorst en in andere gevallen soms. De vraag kan worden gesteld of voor deze vertraging wel een redelijke grond bestaat. Bovendien levert dit voorschrift in de praktijk problemen op: de wijziging moet worden betekend aan een verdachte die inmiddels weer verhuisd kan zijn of anderszins onvindbaar. Het levert altijd een schorsing van het onderzoek en dus een langere doorlooptijd op.”

Vervolgens gaat de Minister in op de relatie tussen schorsing van het onderzoek en de waarborgen voor de verdediging. Een van de waarborgen dat verdachte niet wordt overvallen door een wijziging van de grondslag van het proces, die voor verdachte onvoldoende te verwachten was, is gelegen in het toepasselijke artikel 68 Sr.11 Maar er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin een betekening van een wijziging van de tenlastelegging niet geboden lijkt.12 De Minister wijst ook op de door de wet aan het OM gegeven mogelijkheid om strafverzwarende omstandigheden mondeling ten laste te leggen, zonder betekening daarvan zelfs ingeval van verstek. Ook bij presentatie van nieuwe onderzoeksgegevens verplicht de wet niet tot aanhouding om de verdediging in staat te stellen daarop te kunnen reageren. Maar er kunnen zich omstandigheden voordoen die nopen tot een aanhouding:

"Dat vloeit voort uit het recht om in het licht van de ontwikkelingen tijdens de vervolging en berechting behoorlijk tijd en gelegenheid voor de verdediging te krijgen. De voorgestelde wijziging van artikel 314, eerste lid, Sv laat de mogelijkheid van schorsing van het onderzoek ter betekening van een wijziging aan een niet aanwezige verdachte open voor het geval deze door het achterwege laten van kennisneming van de wijziging in zijn verdediging wordt geschaad." 13

In de artikelsgewijze bespreking voegde de Minister daar nog het volgende aan toe:

“In het algemeen deel is reeds uitvoerig ingegaan op de ratio van het voorschrift wijzigingen van telastleggingen te moeten betekenen indien de behandeling bij verstek plaatsvindt. Geconcludeerd is dat indien een wijziging van ondergeschikte aard is, de verdachte bij het achterwege laten van een betekening niet in het recht op informatie in de zin van artikel 6 EVRM wordt geschaad. In dat geval zal de verdachte door het achterwege laten van kennisgeving van de wijziging redelijkerwijze niet in zijn verdediging worden geschaad. Een wijziging van ondergeschikte aard raakt de richting en reikwijdte van het onderzoek ter terechtzitting immers niet, maar betreft een aanpassing van de telastlegging die volgens het openbaar ministerie bij nader inzien behoort plaats te vonden en die door de rechter in de beslissing op de vordering wordt toegelaten. Een dergelijke aanpassing kan wel verder gaan dan het herstel van een kennelijk fout, die thans al zonder de wijzigingsprocedure zou kunnen worden gerealiseerd.

Of een wijziging van zodanige aard is dat de verdachte door het achterwege laten van kennisgeving van de wijziging redelijkerwijze in zijn verdediging wordt geschaad, zal per zaak moeten worden bezien. De gekozen formulering sluit nauw aan bij elders in de wet gehanteerde criteria (zie bijvoorbeeld artikel 288 Sv). Het is in de voorgestelde redactie van artikel 314 Sv aan de rechter overgelaten om te bepalen of een betekening van de wijziging moet plaatsvinden.” 14

De Tweede Kamer betuigde instemming met de voorgestelde wijziging van het eerste lid van artikel 314 Sv. Men sprak van een zinvolle bijdrage om zinloze hobbels in een strafrechtelijke procedure te slechten en opperde dat de nieuwe regeling rond de wijziging van de tenlastelegging tot minder aanhoudingen zou leiden.15 In de Eerste Kamer werd nog steun betuigd aan de weigering van de Minister om de mogelijkheid de tenlastelegging ook in hoger beroep te wijzen af te schaffen, maar daar bleef het wel bij.16

3.7. In de literatuur wordt de gelding van tweede volzin van het eerste lid van artikel 314 Sv beperkt tot de behandeling bij verstek. Zo schrijft Corstens:

"Als de verdachte wel op de terechtzitting aanwezig is, wordt het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst, tenzij het onderzoek met toestemming van de verdachte of de op de wet van art. 279 lid 1 uitdrukkelijk gemachtigde raadsman aanstonds wordt voortgezet (art. 314 lid 2)." 17

Ook Reijntjes gaat kennelijk uit van het stelsel dat de nieuwe tweede volzin van het eerste lid van artikel 314 Sv beperkt is tot de gevallen van verstekverlening.18 Hetzelfde geldt voor het losbladig commentaar op het Wetboek van Strafvordering waarin is te lezen dat bij afwezigheid van de verdachte ter terechtzitting hem de gewijzigde tenlastelegging zo spoedig mogelijk moet worden betekend en dat dan het onderzoek steeds voor een bepaalde tijd wordt geschorst. De rechter mag niet zonder instemming van verdachte beslissen dat de toegestane wijziging van zo weinig belang is dat zij schorsing van het onderzoek niet rechtvaardigt.19

3.8. Van een duidelijke stellingname in de rechtspraak van de Hoge Raad over de vraag of het onderzoek ter terechtzitting na wijziging van de tenlastelegging zonder toestemming van de gemachtigd advocaat mag worden voortgezet op grond van het oordeel van de rechter dat door zo'n gang van zaken de verdediging niet in haar belangen wordt geschaad, is mij nog niet gebleken. Wel zou men uit HR 12 oktober 1999, NJ 1999, 829, rov. 4.5, steun voor het vermoeden kunnen putten dat de Hoge Raad hecht aan de eis van toestemming om het onderzoek na een wijziging van de tenlastelegging voort te zetten. Dit arrest is overigens wel gewezen in een zaak waarop de wijziging van het tweede lid van artikel 314 Sv, aangebracht door de Wet van 15 januari 1998, Stb 1998, 33 (herziening onderzoek ter terechtzitting), nog niet van toepassing was. Overigens neemt de Hoge Raad de tekst van het tweede lid van artikel 314 Sv niet zo letterlijk dat alleen een schorsing van het onderzoek in aanmerking komt als verdachte of de gemachtigd advocaat geen toestemming geeft tot onmiddellijke voortzetting van het onderzoek. Ook onderbreking van het onderzoek overeenkomstig een eerder aan de verdediging uitgereikt zittingsrooster kan voldoende gelegenheid bieden om de verdediging tegen de wijziging van de tenlastelegging voor te bereiden als de betekening van de gewijzigde tenlastelegging correct is geschied tussen twee onderbrekingen door. Niet valt in te zien in welk rechtens te respecteren belang de verdediging is geschaad doordat overeenkomstig het opgegeven rooster het onderzoek is onderbroken in plaats van geschorst zoals artikel 314 lid 2 Sv inhoudt.20

Maar dat betreft wel een andere situatie dan die waarin de rechter besluit het onderzoek voort te zetten zonder toestemming van de gemachtigd advocaat, zoals in de onderhavige zaak het geval is geweest.

3.9. Uit de geschiedenis van de Wet vormverzuimen blijkt dat het oorspronkelijk voorstel van de Regering om het aan de rechter over te laten om uit te maken of de verdachte door voortzetting van het onderzoek na wijziging van de tenlastelegging redelijkerwijs niet in zijn verdediging kan worden geschaad is verworpen. Als verdachte geen toestemming geeft tot onmiddellijke voortzetting moet, zo maak ik op uit de wetsgeschiedenis, het onderzoek worden geschorst. Bij de herziening van de voorschriften betreffende het onderzoek ter terechtzitting is hieraan niets gewijzigd, maar is enkel de bevoegdheid om toestemming te verlenen ook aan de gemachtigd advocaat toegekend. De wijziging van artikel 314 Sv door de Wet stroomlijnen hoger beroep was slechts ingegeven door de wens om in geval van verstek te kunnen afzien van het betekenen van de wijziging van de tenlastelegging als deze wijziging slechts een ondergeschikt karakter had, om onnodige vertraging van het onderzoek te kunnen voorkomen.

3.10. Dit voert mij tot de slotsom dat het wettelijk stelsel de rechter noopt het onderzoek ter terechtzitting steeds te schorsen of te onderbreken als de telastlegging is gewijzigd en de advocaat, aan wie het is toegestaan overeenkomstig artikel 279 Sv de verdediging te voeren, geen toestemming verleent tot onmiddellijke voortzetting van het onderzoek.

De uitleg die het hof heeft gegeven aan artikel 314 Sv staat naar mijn oordeel op gespannen voet met de wetsgeschiedenis.

Het middel lijkt mij gegrond te zijn.

4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met nr. 12/05323 ([medeverdachte]) waarin ik ook vandaag concludeer.

2 Kamerstukken II 1993/94, 23705, nr. 3, p. 1.

3 Kamerstukken II 1993/94, 23705, nr. 3, p. 2.

4 Kamerstukken II 1993/94, 23705, nr. 2.

5 Kamerstukken II 1994/95, 23705, nr. 5, p. 8.

6 Kamerstukken II 1994/95, 23705, nr. 9. Zie ook de kritiek van de RvS op dit punt; Kamerstukken II 1993/94, 23705, nr. B. De Minister gaf evenwel in antwoord op deze kritiek van de RvS te kennen niet op de suggestie van de RvS in te zullen gaan omdat anders de mogelijkheid voor verdachte om misbruik van bevoegdheden te maken te groot zou zijn.

7 Handelingen 60-3657.

8 Kamerstukken II 1995/96, 24692, nr. 3, p. 1. Ten tijde van het indienen van het voorstel tot wijziging van de voorschriften over het onderzoek ter terechtzitting was het voorstel vormverzuimen echter al wet geworden.

9 Kamerstukken II 1996/97, 24692, nr. 5, p. 15, 16.

10 Kamerstukken II 1996/97, 24692, nr. 6, p. 6/7.

11 Kamerstukken 2005/06, 30320, nr. 3, p. 33/34.

12 Het voorbeeld dat de Minister geeft komt mij niet erg gelukkig voor. Het betreft HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2853 waarin was te laste gelegd dat verdachte opzettelijk een ander van het leven heeft beroofd immers heeft verdachte met dat opzet (...) de ademhaling van het slachtoffer belemmerd door de mond en/of de neusopening van het slachtoffer af te sluiten en/of de luchtweg(en) van het slachtoffer dicht te drukken. (..). Het hof achtte bewezen dat verdachte met opzet de ademhaling van slachtoffer heeft belemmerd ten gevolge waarvan het slachtoffer is gestikt. In cassatie werd geklaagd dat het hof aldus de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door wel bewezen te achten dat verdachte de ademhaling van slachtoffer heeft belemmerd, maar zich niet uit te laten over de verbijzonderingen hiervan. De HR verwierp deze klacht omdat het hof de in de tenlastelegging genoemde verbijzonderingen van de wijze waarop de ademhaling belemmerd zou kunnen zijn, kennelijk niet heeft opgevat als een limitatieve opsomming waarbij andere vormen van het belemmeren van de ademhaling zouden zijn uitgesloten. Deze uitleg was volgens de HR niet onbegrijpelijk. Als in zo'n situatie in hoger beroep de AG een wijziging van de tenlastelegging noodzakelijk zou oordelen zou deze wijziging weer moeten worden betekend. Volgens de Minister is dat toch niet evenwichtig te noemen. Maar mijns inziens is zo een predikaat alleen maar begrijpelijk tegen de achtergrond van het reddende oordeel van de HR. Als na eerste aanleg zou zijn gebleken dat de in de tenlastelegging genoemde wijzen van verstikking niet met de werkelijkheid overeenkwamen lag een vordering tot wijziging van de tenlastelegging met aanvulling daarvan met de nieuwe gegevens voor de hand. De uitleg van de tenlastelegging zoals de HR die aan het hof toerekende was zeker niet tevoren vanzelfsprekend te noemen.

13 Kamerstukken 2005/06, 30320, nr. 3, p. 34.

14 Kamerstukken 2005/06, 30320, nr. 3, p. 46.

15 Tweede Kamer 2005/06, 30320, nr. 5, p. 6, 7.

16 Eerste Kamer 2005/06, 30320, B, p. 2.

17 Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, zevende druk, p. 568.

18 Prof. mr. J.M. Reijntjes, Nederlandse Strafvordering, 11e druk, p. 361. In voetnoot 292 wijst Reijntjes er echter op dat de wet naar de letter wel toelaat om zonder toestemming van de aanwezige verdachte of diens gemachtigde advocaat voort te gaan wanneer de rechtbank zelf schorsing overbodig acht. Hij leidt dit kennelijk af uit de woorden "zo nodig" in het tweede lid van artikel 314, welke woorden naar zijn oordeel beter geschrapt kunnen worden.

19 Sv (losbladig) 2/314. Ik vraag mij overigens wel af of de inhoud van deze aantekening op artikel 314 Sv up-to-date is, omdat daarin de situatie waarin niet de verdachte, maar wel een gemachtigd advocaat aanwezig is niet wordt besproken.

20 HR 31 augustus 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2047.