Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1826

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-08-2014
Datum publicatie
13-10-2014
Zaaknummer
14/03871
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2937, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

BOPZ. Verzoek voorlopige machtiging, art. 2 Wet Bopz. Afhankelijkheid van verslavende middelen. Stoornis van de geestvermogens? HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU0372, NJ 2007/230. Art. 5 EVRM. Geneeskundige verklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

14/03871

Mr. F.F. Langemeijer

29 augustus 2014

Conclusie inzake:

[betrokkene]

tegen

Officier van Justitie Oost-Nederland

In deze Bopz-zaak keert het cassatiemiddel zich tegen een voorlopige machtiging, verleend ten aanzien van een verslaafde patiënt.

1 De feiten en het procesverloop

1.1.

De officier van justitie heeft aan de rechtbank Gelderland verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om verzoeker tot cassatie (geb. 1968, hierna: betrokkene) te doen opnemen en verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis; zie art. 2 Wet Bopz. Bij het verzoek was een geneeskundige verklaring gevoegd van een niet bij de behandeling betrokken psychiater, waarin het eindoordeel was opgenomen dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens als gevolg waarvan hij gevaar doet veroorzaken, dat niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. In deze verklaring is de volgende diagnose gesteld: “Afhankelijkheid van zowel opioïden, alcohol als cannabis. Vermoeden van psychiatrische problematiek”1.

1.2.

De rechtbank heeft het verzoek behandeld op 1 mei 20142 in aanwezigheid van betrokkene en zijn advocaat, van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] van IrisZorg en van een functionaris van politiedistrict Neder-Betuwe. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend voor de duur van zes maanden. De rechtbank overwoog, voor zover hier van belang, dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens, dat die stoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken, welk gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. De rechtbank lichtte dit oordeel toe als volgt:

“Betrokkene is afhankelijk van zowel opioïden, methadon, alcohol als cannabis. Deze verslavingen hebben hem geheel in hun macht en beheersen zijn denken, willen en handelen in overheersende mate. Daarnaast is er een vermoeden van psychiatrische problematiek. Hij zwerft op straat en slaapt op diverse plekken voor zwervers. Hij is niet in staat zijn situatie goed te overzien. Betrokkene zorgt slecht voor zijn lichamelijke conditie, is vermagerd en vervuild. De behandelaar is bang dat, wanneer er nu niet ingegrepen wordt, betrokkene zal overlijden op straat. Volgens de behandelaar zakt hij wel eens in elkaar, ook als hij fietst. Zonder de onderhavige machtiging zal betrokkene zichzelf niet laten behandelen. In dat geval is er - onder meer - gevaar voor maatschappelijke teloorgang en ernstige zelfverwaarlozing. Er is geen basis voor een vrijwillige opname.”

1.3.

Namens betrokkene is − tijdig3 − beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.

Onderdeel I heeft betrekking op de stoornis. De rechtsklacht onder a houdt in dat de rechtbank de verzochte machtiging heeft verleend hoewel zij niet heeft vastgesteld dat de verslaving gepaard gaat met (andere) psychische stoornissen van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst4. Ter toelichting is aangevoerd dat sprake is van een vermoeden en dat in de geneeskundige verklaring niet is vermeld welke stoornis(sen) van de geestvermogens aanwezig zou(den) zijn.

2.2.

In de aangehaalde beschikking van 23 september 2005 is mede aan de hand van de parlementaire geschiedenis van de Wet Bopz een standaard gezet5. Van de ontwikkelingen na september 2005 valt te melden dat binnen de desbetreffende medische beroepsgroepen enkele voor dit onderwerp relevante “richtlijnen” tot stand zijn gebracht. Deze laatste zijn geenszins bindend voor de rechter, maar verschaffen inzicht in de huidige opvattingen binnen deze beroepsgroepen6.

2.3.

De huidige geneeskundige inzichten hebben een weerslag gevonden in het (gewijzigde) wetsvoorstel Wet verplichte ggz, dat momenteel bij de Tweede Kamer in behandeling is. Volgens het voorgestelde art. 5:11 Wet verplichte ggz worden in de medische verklaring onder meer vermeld:

“a. de symptomen die betrokkene vertoont, en zo mogelijk, een diagnose van de psychische stoornis van betrokkene;

b. de relatie tussen de psychische stoornis en het gedrag dat tot het aanzienlijke risico op ernstige schade leidt;

c. de zorg die minimaal noodzakelijk is om het aanzienlijke risico op ernstige schade weg te nemen;

(…)”7

Met betrekking tot de in dit wetsvoorstel gebruikte term ‘psychische stoornis’ vermeldt de memorie van toelichting8:

“Aansluiting is ook gezocht bij de ontwikkeling in de tijd van het «stoornis-begrip» in de Wet bopz. «De stoornis moet de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheersen», aldus de wetgever in 1979 (Kamerstukken II, 1979/80, 11 270). De gedachte van de wetgever was dat betrokkene als het ware willoos werktuig in handen van de stoornis zou moeten zijn, waarbij de toerekenbaarheid voor het gevaar is vervallen, wil er sprake kunnen zijn van een geestesstoornis (zie ook de uitgebreide toelichting op het stoornisbegrip in R.H. Zuijderhoudt, Stoornis en de Wet bopz, praktijkreeks Bopz, nr. 8). Deze gedachte bracht mee dat gevaar dat voortvloeide uit middelenafhankelijkheid (verslaving) of een persoonlijkheidsstoornis niet als een geestesstoornis kon worden gekwalificeerd, tenzij de stoornis «de gevaarvolle daden overwegend zou beheersen». Aangezien tegenwoordig verslaving als een ziekte wordt opgevat en ook meer geneeskundige verklaringen voor persoonlijkheidsstoornissen worden uitgeschreven, is het oorspronkelijke onderscheid dat de wetgever aanbracht tussen «echte» psychiatrische ziektebeelden zoals psychotische aandoeningen en andere stoornissen vervaagd. Dit hangt ook samen met het ruimere arsenaal aan interventies op het terrein van de zorg die op grond van het wetsvoorstel mogelijk zijn.”

en, onder het kopje “zorgwekkende zorgmijders”:

“De groep zorgwekkende zorgmijders bestaat uit mensen die ernstige problemen hebben om zich staande te houden, maar die niet dan wel zeer moeilijk te overreden zijn om zorg te accepteren. Hieronder vallen vaak verslaafden en dak- en thuislozen met psychische problemen. Zoals in het voorafgaande uiteen is gezet is voor de omschrijving van de term «psychische stoornis» aansluiting gezocht bij de classificatie van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorder (DSM-IV). Uit de DSM-IV vloeit voort dat ook verslaving als «psychische stoornis» kan worden aangemerkt. Verslaving aan alcohol en drugs valt daarmee onder de reikwijdte van het wetsvoorstel. Dit maakt een einde aan de nu nog heersende verschillen in opvatting of verslaving aan verdovende middelen of excessief alcoholgebruik het al dan niet toepassen van dwang en drang kunnen rechtvaardigen.”

2.4.

De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat het antwoord op de vraag of een bepaalde aandoening wel of niet in de DSM is vermeld, niet beslissend is voor de kwalificatie bij toepassing van de Wet Bopz9. Wel is uit de aangehaalde toelichting op het wetsvoorstel duidelijk dat ‘in het veld’ de discussie verschuift van de vraag of een verslaving (afhankelijkheid van alcohol, drugs of andere middelen) kan worden aangemerkt als een ‘stoornis van de geestvermogens’ naar de vraag of deze afhankelijkheid het in art. 2 Wet Bopz bedoelde ‘gevaar’ oplevert en of oorzakelijk verband bestaat tussen de stoornis en dat gevaar. Hoe dan ook, de afhankelijkheid van betrokkene van opioïden, methadon, alcohol en cannabis kan niet tot de verzochte machtiging leiden, tenzij deze afhankelijkheid gepaard gaat met een psychische stoornis (of stoornissen) van een zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor worden beïnvloed zodanig dat aan de betrokkene het gevaar niet kan worden toegerekend omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst. In de woorden van Dijkers10: de aanwezigheid van een geestesstoornis is condicio sine qua non voor toepassing van de Wet Bopz, er dient een gevaar te zijn dat ernstig genoeg is om vrijheidsbeneming te rechtvaardigen, en de stoornis moet zodanig zijn dat deze betrokkene het gevaar “doet” veroorzaken. Indien betrokkene bewust en wilsbekwaam kiest voor een zwervend bestaan als verslaafde - zoals hij ter zitting in eerste aanleg stelde - zou er geen ruimte zijn voor een voorlopige machtiging op deze grond.

2.5.

De rechtbank heeft, blijkens haar aangehaalde overweging, onmiskenbaar het oog op de maatstaf van HR 23 september 2005: in zoverre mist de rechtsklacht feitelijke grondslag. De rechtbank is klaarblijkelijk van oordeel dat bij betrokkene niet slechts sprake is van de door haar genoemde verslavingen, maar ook dat de afhankelijkheid van deze middelen gepaard gaat met een stoornis van de geestvermogens van een zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor worden beïnvloed, in die mate dat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst. Dat oordeel is feitelijk van aard. De vraag of dat oordeel toereikend is gemotiveerd, komt aan de orde in de klacht onder b.

2.6.

De klacht onder b houdt in dat de beslissing dat sprake is van een stoornis van de geestvermogens, ontoereikend is gemotiveerd. Anders dan de rechtbank overweegt, kan dit volgens de klacht niet worden afgeleid uit de gedingstukken en de ter zitting gedane mededelingen.

2.7.

Het feit dat betrokkene verslaafd is aan opioïden, methadon, alcohol en cannabis was in eerste aanleg − en is in cassatie − geen punt van discussie. Volgens het verweer leeft betrokkene al vele jaren zo, is dit zijn zelfgekozen levenswijze en moet hij wilsbekwaam worden geacht. Hoewel de beslissing aansluit bij het uiteindelijke oordeel van de rapporterende psychiater, levert de in alinea 1.1 aangehaalde diagnose inderdaad weinig steun voor de bestreden beslissing11. Uit hetgeen de psychiater in rubriek 5.a van de geneeskundige verklaring heeft opgemerkt, te weten dat het oordeelsvermogen van betrokkene wordt aangetast doordat hij voortdurend onder invloed is, volgt niet zonder meer dat de stoornis ‘in overwegende mate’ de gevaarvolle daden van betrokkene beheerst. In de motivering van haar beslissing heeft de rechtbank dit gegeven echter in verband gebracht met het feitelijk gedrag van betrokkene en met de gevolgen daarvan voor zijn (lichamelijke) gezondheid. Uit dit een en ander heeft de rechtbank opgemaakt, en kunnen opmaken, dat ook is voldaan aan het vereiste dat de stoornis ‘in overwegende mate’ de gevaarvolle daden van betrokkene beheerst. De slotsom is dat onderdeel I niet tot cassatie leidt.

2.8.

Onderdeel II heeft betrekking op het door de rechtbank aangenomen gevaar. De rechtbank noemt in het voetspoor van de geneeskundige verklaring: het gevaar dat betrokkene maatschappelijk te gronde gaat of zichzelf in ernstige mate zal verwaarlozen12. In eerste aanleg is namens betrokkene aangevoerd dat een zwervend bestaan zijn manier van leven is en dat hij deze levenswijze wil voortzetten. Volgens de klacht is onbegrijpelijk hoe de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat sprake is van een uit de stoornis van de geestvermogens voortvloeiend gevaar voor betrokkene dat van dien aard is dat het een vrijheidsbeneming voor de duur van maximaal zes maanden rechtvaardigt.

2.9.

Gevaar is: het risico dat een bepaald onheil zich voordoet. Bij de beoordeling van een gesteld gevaar moet zowel worden gelet op de mate van waarschijnlijkheid dat het onheil zich zal voordoen als op de ernst van de gevolgen indien het onheil zich openbaart. De ernst van het gevaar moet opwegen tegen het belang van betrokkene bij het behoud van zijn vrijheid. Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het gevaar zo ernstig is dat vrijheidsbeneming gerechtvaardigd is, berust - ook in deze zaak - op een waardering van de feiten welke is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Het gevaar dat betrokkene zichzelf in ernstige mate zal verwaarlozen is hier door de rechtbank toegelicht (mede) aan de hand van concrete gevolgen voor zijn lichamelijke conditie, waaronder het risico dat betrokkene op straat in elkaar zakt. Dit gevaar voor betrokkene kan de beslissing zelfstandig dragen. Om die reden faalt de klacht van onderdeel II.

2.10.

De term 'maatschappelijk te gronde gaan' in art. 1 lid 1 Wet Bopz moet met enige voorzichtigheid worden gehanteerd: een keuze voor een van de gangbare maatschappelijke normen afwijkende levensstijl behoeft niet te duiden op de aanwezigheid van dit gevaar. Bij `maatschappelijk te gronde gaan' pleegt te worden gedacht aan de patiënt die als gevolg van de stoornis van zijn geestvermogens zijn maatschappelijke positie (bijvoorbeeld: zijn werkkring, woning, vermogen) of zijn sociale relaties (waaronder: zijn gezin of contacten met familie, buren en vrienden) verliest en ongewenst in een maatschappelijk isolement raakt. Bij patiënten die niet beschikken over een werkkring, woning, vermogen en gezin kan in dit verband bijvoorbeeld worden gedacht aan het dreigend verlies van de contacten met vrienden of hulpverleners die de betrokkene in staat stellen zich zelfstandig in de maatschappij staande te houden13. De rechtbank heeft het gevaar van maatschappelijk te gronde gaan niet anders toegelicht dan door verwijzing naar ‘de overgelegde stukken’. Het gevaar van ‘maatschappelijke teloorgang’ is genoemd in de geneeskundige verklaring (rubriek 5.b en 5.c), maar ook daar niet nader uitgewerkt, naast het gevaar van ernstige zelfverwaarlozing. Het zou m.i. in dit geval niet voldoende zijn geweest om de beslissing zelfstandig te dragen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Zie rubriek 4.d.

2 De vermelding van de datum 26 mei 2014 in het proces-verbaal berust kennelijk op een verschrijving (vgl. het cassatieverzoekschrift blz. 3).

3 Een faxkopie van het cassatieverzoekschrift is op 1 augustus 2014 ontvangen, op 5 augustus gevolgd door het door een advocaat bij de Hoge Raad ondertekende origineel.

4 De toelichting op deze klacht verwijst naar HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU0372, NJ 2007/230 m.nt. J. Legemaate, BJ 2005/35 m.nt. W. Dijkers. Zie ook: Rb Rotterdam 22 november 2005, ECLI:NL:RBROT:2005:AV4497, BJ 2006/17.

5 Zie nadien: HR 5 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3320 (art. 81 RO), BJ 2007/43; HR 5 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3321, NJ 2007/541, BJ 2007/44 m.nt. W. Dijkers; HR 8 februari 2008 (art. 81 RO), ECLI:NL:HR:2008:BC3845, BJ 2008/19; HR 3 oktober 2008 (art. 81 RO), ECLI:NL:HR:2008:BD7573, BJ 2008/60. Over deze rechtspraak: R. Keurentjes, Alcoholverslaving en de Wet Bopz, Trema 2013/5, blz. 173 - 177.

6 W. van Tilburg e.a., Richtlijn besluitvorming dwang: opname en behandeling (2008), i.h.b. blz. 59-60; Richtlijn stoornissen in het gebruik van alcohol (2009); beide te raadplegen via de website van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (nvvp.net).

7 Nota van wijziging, Kamerstukken II 2013-2014, 32 399, nr. 10, blz. 10.

8 MvT, Kamerstukken II 2009-2010, 32 399, nr. 3, blz. 11-12 respectievelijk blz. 15-16.

9 HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1477, NJ 2013/223, JVggz 2013/22.

10 Noot onder HR 5 oktober 2007, reeds aangehaald, BJ 2007/44.

11 Mogelijk houdt deze diagnose verband met hetgeen in het “behandelplan ten behoeve van aanvraag voorlopige machtiging” was vermeld als één van de vijf doelen van de aanvraag: “observatie op psychose: komt het extreem zorgmijdende gedrag voort uit een waansysteem?”.

12 Vgl. art. 1 lid 1 Wet Bopz.

13 Zie over het gevaarscriterium: SDU commentaar De Wet Bopz, losbladig, art. 2, aantek. 3.4.3 en 3.7 (W. Dijkers); P.P.J.N. van Ginneken, Een zodanig gevaar. Het gevaarscriterium bij gedwongen opneming in een psychiatrisch ziekenhuis, Utrecht: Ned. Centrum voor Geestelijke Volksgezondheid, 1993; nadere Memorie van Antwoord bij het wetsvoorstel Bopz (Kamerstukken II 1979-1980, 11 270, nr. 12, blz. 18); Rb. Haarlem 13 mei 2003, ECLI:NL:RBHAA:003:AS7598, BJ 2004, 1 met annotaties vanuit verschillende disciplines.