Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1819

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-09-2014
Datum publicatie
13-10-2014
Zaaknummer
14/01632
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2909, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 14/01632 U

Zitting: 9 september 2014

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[de opgeëiste persoon]

  1. Bij beslissing van 20 maart 2014 heeft de Rechtbank Den Haag de uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan Australië toelaatbaar verklaard ter fine van strafvervolging ‘ter zake van de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd, zoals omschreven in de onder 4. genoemde documenten.’

  2. Mr. T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam, heeft namens de opgeëiste persoon drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. In de schriftuur wordt in een opmerking vooraf aangegeven dat de rechtbank abusievelijk in haar uitspraak onder punt 4 bij de omschrijving van het verzoek heeft opgenomen dat de opgeëiste persoon vervolgd wordt wegens betrokkenheid bij de import in Australië van methamfetamine terwijl het uitleveringsverzoek melding maakt van pseudo-efedrine en phenylpropanolamine, en de rechtbank bovendien zou hebben weggelaten dat het importeren in Australië van een hoeveelheid pseudo-efedrine en phenylpropanolamine, in strijd is met art. 233BAA van de Australische Douanewet.

  4. De rechtbank heeft het uitleveringsverzoek in de uitspraak onder 4 als volgt omschreven:

‘Blijkens de aanhoudingsbevelen van 24 juni 2010 en 28 augustus 2013 rust op de opgeëiste persoon de verdenking van de onderstaande feiten:

- samenspanning tot het importeren van een commerciële hoeveelheid verboden middelen (namelijk methamfetamine) in strijd met artikelen 11.5 en 307.1 van het Australisch Wetboek van Strafrecht 1995;

- samenspanning tot het importeren van een commerciële hoeveelheid verboden precursoren (namelijk pseudo-efedrine en phenylpropanolamine) in strijd met artikelen 11.5 van het Australisch Wetboek van Strafrecht 1995;

- tien gevallen van het opmaken van misleidende documenten in verband met de aanvraag van een Australisch reisdocument, in strijd met artikel 31(1) van de Australische Paspoortwet van 2005;

- twee gevallen van het opmaken van een vals document in verband met de aanvraag van een Australisch reisdocument, in strijd met artikel 31 (1) van de Australische Paspoortwet van 2005, en

- vijf gevallen van het oneigenlijk gebruik van een Australisch reisdocument, in strijd met artikel 32(2) van de Australische Paspoortwet van 2005.

Naar Australisch recht zijn deze feiten strafbaar gesteld met een gevangenisstraf van meer dan een jaar.

In het rechtshulpverzoek van 24 mei 2013 zijn deze verdenkingen als volgt toegelicht. De drugsdelicten vloeien voort uit de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de invoer van twee grote hoeveelheden verboden precursoren in Australië vanuit India. De eerste invoer betrof een overeenkomst tot het importeren van 250 kg pseudo-efedrine in Australië. De opgeëiste persoon zorgde voor de pseudo-efedrine in India en regelde dat ongeveer 130 kg aan expediteurs werd geleverd om verstopt te worden in een lading tweedehands meubilair die vanuit Mumbai naar Sydney, Australië verscheept zou worden. Op 19 juli 2012 kwam een lading in Australië aan die ongeveer 102 kg van een precursor, pseudo-efedrine, bevatte.

De tweede invoer betrof een overeenkomst om 460 kg pseudo-efedrine, verstopt in een zeecontainer met tweedehands meubelen, vanuit Mumbai naar Sydney, Australië te zenden. De pseudo-efedrine voor de tweede zending werd geregeld door [betrokkene 1], die er ook voor zorgde dat de drugs werden afgeleverd bij dezelfde expediteurs in Mumbai voor verscheping naar Australië. De opgeëiste persoon had een financieel belang in de tweede invoer en zou 60 kg pseudo-efedrine van die zending ontvangen. Uiteindelijk arriveerde er een zending in Australië op 31 december 2012 waarin ongeveer 200 kg van een precursor werd aangetroffen. Vermoed wordt dat de verdachten niet wisten dat de zending phenylpropanolamine betrof en niet pseudo-efedrine.

De paspoortdelicten vloeien voort uit het verkrijgen, door de opgeëiste persoon, van een Australisch paspoort op naam van [betrokkene 2] en het indienen van een aanvraag door de opgeëiste persoon voor een Australisch paspoort op naam van [betrokkene 3]. Ter ondersteuning van beide aanvragen had de opgeëiste persoon diverse documenten ingediend om zijn identiteit te bevestigen met een foto van zichzelf. De documenten die hij bij zijn aanvraag had ingediend waren een geboortebewijs, een rijbewijs, een Australische Medicare-pasje, een foto identiteitsbewijs, diverse bankpasjes en een kiezerspas. Naar aanleiding van de aanvragen door de opgeëiste persoon werd een paspoort op naam van [betrokkene 2] afgegeven. Vervolgens gebruikte de opgeëiste persoon dit paspoort om vijfmaal Australië in en uit te reizen tussen 2 juli 2006 en 22 augustus 2007.’

5. In het uitleveringsverzoek van 16 september 2013 wordt de uitlevering niet verzocht voor – kort gezegd – samenspanning tot het importeren van een commerciële hoeveelheid methamfetamine maar van ‘pseudo-ephedrine’ terwijl daarin inderdaad ook Section 233BAA(4) van de Customs Act 1901 wordt aangehaald.

6. De rechtbank heeft echter de uitlevering niet toelaatbaar verklaard voor de feiten zoals die in het uitleveringsverzoek zijn vermeld maar voor de feiten zoals die uiteen zijn gezet in de aanhoudingsbevelen van 24 juni 2010 en 28 augustus 2013 en het rechtshulpverzoek van 24 mei 2013. In deze documenten wordt ook gewezen op het importeren van een commerciële hoeveelheid methamfetamine terwijl daarin Section 233BAA(4) niet (altijd) wordt aangehaald.1 De rechtbank heeft het uitleveringsverzoek klaarblijkelijk zo uitgelegd dat het onder meer betrekking heeft op methamfetamine en dat de strafbaarheid daarvan naar Australisch recht niet berust op Section 233BAA(4) Customs Act 1901. Die uitleg is feitelijk en als zodanig voorbehouden aan de rechtbank en in het licht van de door haar aangehaalde documenten niet onbegrijpelijk. Ten overvloede merk ik op dat de uitlevering niet toelaatbaar is verklaard voor de feiten zoals de rechtbank die onder 4 heeft samengevat maar voor de feiten zoals die uiteen zijn gezet in de daar genoemde documenten.

7. Voor een verbeterde lezing van de uitspraak van de rechtbank is naar mijn mening dan ook geen aanleiding.

8. Het eerste middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte althans onbegrijpelijk heeft geweigerd [betrokkene 4] als deskundige ter zitting van 6 maart 2014 te horen.

9. De achtergrond van het verzoek om [betrokkene 4] als deskundige ter zitting te horen is het debat dat tijdens de behandeling van het uitleveringsverzoek gevoerd is naar aanleiding van de vraag of phenylpropanolamine hetzelfde is als norefedrine. Zou dat niet zo zijn, dan zou de vereiste dubbele strafbaarheid ontbreken voor zover het uitleveringsverzoek betrekking heeft op de stof phenylpropanolamine. Op de zitting van de rechtbank van 29 november 2013 heeft de raadsman van de opgeëiste persoon aangevoerd dat de invoer van phenylpropanolamine in Nederland niet strafbaar is. De officier van justitie bracht daar tegenin dat phenylpropanolamine hetzelfde is als norefedrine dat in Nederland strafbaar is gesteld in art. 2 onder a i.v.m. art. 4 lid 2 Wet voorkoming misbruik chemicaliën.

10. Bij tussenuitspraak van 13 december 2013 heeft de rechtbank het onderzoek heropend omdat het standpunt van de officier van justitie inzake de strafbaarheid in Nederland nadere onderbouwing behoefde ‘nu de unieke cas-nummers die in Nederland voor deze stoffen worden gehanteerd, niet overeen lijken te komen.’ Daarnaast heeft de rechtbank de officier van justitie in de gelegenheid gesteld duidelijkheid te verschaffen omtrent de strafbaarheid van de invoer van phenylpropanolamine en/of norefedrine naar Australisch recht. Dat laatste is voor de beoordeling van het middel echter niet relevant.

11. In een brief van de raadsman van de opgeëiste persoon aan de rechtbank van 28 februari 2014 heeft hij verzocht de door [betrokkene 4] opgestelde verklaring van 27 februari 2014 als contra-expertise aan het dossier toe te voegen en verzocht [betrokkene 4] ter zitting als getuige-deskundige te horen. [betrokkene 4] had in zijn verklaring vermeld dat norefedrine weliswaar altijd phenylpropanolamine is, maar dat phenylpropanolamine niet per definitie norefedrine hoeft te zijn. Ter zitting van 6 maart 2014 heeft de rechtbank beslist om [betrokkene 4] niet als deskundige aan te merken maar de verklaring van [betrokkene 4] aan het dossier toe te voegen waarbij de rechtbank heeft opgemerkt dat zij van die verklaring kennis heeft genomen.

12. Het middel is kort gezegd gericht tegen de beslissing van de rechtbank om [betrokkene 4] niet als deskundige aan te merken en te horen. In de eerste plaats wordt gesteld dat dat oordeel onjuist of onbegrijpelijk is omdat het zou gaan om de gebruikte nomenclatuur binnen de scheikunde waarvoor kennis van de organische chemie, waarover [betrokkene 4] volgens de rechtbank wel beschikte, voldoende is. Ten tweede wordt gesteld dat de rechtbank de vraag of [betrokkene 4] als deskundige kan worden aangemerkt kennelijk heeft getoetst aan de regels die daarvoor zijn ingevoerd met de Wet deskundige in strafzaken (art. 51i e.v. Sv), terwijl deze regels niet van overeenkomstige toepassing zijn verklaard op de uitleveringsprocedure. Tot slot heeft de rechtbank – enigszins tegenstrijdig met de beslissing dat [betrokkene 4] niet als deskundige wordt aangemerkt – de door [betrokkene 4] uitgebrachte contra-expertise wel gebruikt bij de onderbouwing van de beslissing dat het uitleveringsverzoek ziet op norefedrine.

13. Het verzoek om [betrokkene 4] als getuige-deskundige ter zitting te horen had betrekking op de vraag of phenylpropanolamine kan worden aangemerkt als norefedrine omdat de Nederlandse strafbaarstelling alleen op de laatstgenoemde stof betrekking heeft. In dit verband is van belang dat de raadsman van de opgeëiste persoon ter zitting eveneens heeft verzocht ‘een deskundige’ te horen over het antwoord op de vraag of phenylpropanolamine dezelfde stof is als norefedrine, in geval de rechtbank ‘de opinie van [betrokkene 4] niet [zou] volgen’. Op dit verzoek heeft de rechtbank in haar einduitspraak als volgt beslist:

‘Met de aanvullende inlichtingen (zoals genoemd onder 3.I) is de rechtbank van oordeel dat voldoende duidelijk is geworden dat met phenylpropanolamine ook bedoeld wordt norefedrine. Dit blijkt uit het feit dat het CAS nummer van norefedrine zoals genoemd in de Verordening (EG) Nr. 273/2004 van 11 februari 2004 op grond waarvan norefedrine in bepaalde gevallen in Nederland strafbaar is gesteld, gelijk is aan het CAS nummer van phenylpropanolamine zoals vermeld in diverse chemische handboeken. Daarnaast blijkt uit de Expert Certificate van de deskundige E.M. Ellis, genoemd onder 3. I, dat volgens de Merck Index norefedrine een synoniem is voor phenylpropanolamine. De verklaring van [betrokkene 4] in de uitgevoerde contra-expertise sluit deze uitleg ook niet uit. In die verklaring wordt slechts een nuance aangebracht dat norefedrine weliswaar altijd phenylpropanolamine is, maar dat phenylpropanolamine niet per definitie norefedrine hoeft te zijn. Gelet echter op de verklaring van de Australische autoriteiten gaat de rechtbank ervan uit dat met de in Australië aangetroffen stof phenylpropanolamine norefedrine wordt bedoeld. Voorts blijkt uit de onder 3.I genoemde supplementary affidavit of prosecutor dat en op grond van welke wettelijke bepalingen de invoer van phenylpropanolamine in Australië strafbaar is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de overgelegde stukken ook ten aanzien van dit feit genoegzaam zijn zoals bedoeld in het Uitleveringsverdrag. Het door de door de raadsman subsidiair gedane verzoek tot het horen van een deskundige is derhalve niet noodzakelijk en in deze uitleveringsprocedure niet vereist.’

14. Hieruit kan worden opgemaakt dat de rechtbank ‘de opinie van [betrokkene 4]’ in beginsel heeft gevolgd, nu de beslissing van de rechtbank dat ‘met de in Australië aangetroffen stof phenylpropanolamine norefedrine wordt bedoeld’ in deze opinie niet wordt uitgesloten. De vraag is vervolgens of de beslissing van de rechtbank, om [betrokkene 4] niet als getuige-deskundige ter zitting te horen, onbegrijpelijk is.

15. Bij de beoordeling van het verzoek om een deskundige te horen, heeft voor de rechtbank als maatstaf te gelden of de rechtbank ‘zulks noodzakelijk acht in het kader van haar onderzoek van de ontvankelijkheid van het verzoek tot uitlevering en de mogelijkheid van inwilliging daarvan.’2 De rechtbank heeft overwogen dat het horen van een deskundige ‘niet noodzakelijk’ is ‘en in deze uitleveringsprocedure niet vereist’ is. Daarbij heeft de rechtbank de juiste maatstaf aangelegd. Onbegrijpelijk is haar oordeel niet gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en de inhoud van de verklaring van de (ter zitting te horen) deskundige. De beoordeling door de rechtbank van de vraag of [betrokkene 4] als deskundige kan worden aangemerkt en welke maatstaf hiervoor moet worden aangelegd, doet hier verder niet ter zake. De hieraan voorafgaande beslissing van de rechtbank dat het horen van een deskundige niet noodzakelijk is, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

16. Het middel faalt.

17. Het tweede middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte althans onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat met de stof ‘phenylpropanolamine’ de stof ‘norefedrine’ wordt bedoeld.

18. Ter zitting van de rechtbank van 6 maart 2014 is aangevoerd dat ‘het zou zo kunnen zijn’ dat het bij phenylpropanolamine gaat om dezelfde stof als norefedrine, maar dat dat ‘niet per se een gegeven’ is.

19. De rechtbank heeft in zijn uitspraak met betrekking tot beide stoffen overwogen zoals hierboven onder 13 is weergegeven bij de beoordeling van het verzoek om [betrokkene 4] als getuige-deskundige te horen.

20. Bij de aanvullende gegevens die van de verzoekende Staat zijn verkregen, bevindt zich een verklaring van E.M. Ellis die inhoudt dat norefedrine een synoniem is voor phenylpropanolamine.3 Uit deze verklaring heeft de rechtbank opgemaakt dat de phenylpropanolamine waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft dezelfde stof is als norefedrine. De uitleg van het uitleveringsverzoek is feitelijk en voorbehouden aan de rechtbank. Onbegrijpelijk is deze uitleg evenmin gelet op de verklaring van E.M. Ellis die niet onverenigbaar is met de verklaring van [betrokkene 4]. In zijn verklaring heeft [betrokkene 4] immers niet aangegeven dat norefedrine geen phenylpropanolamine kan zijn maar dat phenylpropanolamine niet per definitie norefedrine is.

21. Ten overvloede wijs ik erop dat de stof phenylpropanolamine als synoniem wordt gebruikt voor de stof norefedrine in het Report of the International Narcotics Control Board.4 De werkzaamheden van deze toezichtraad strekken tot uitvoering van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, waarbij Nederland en Australië partij zijn.5 De Nederlandse Wet voorkoming misbruik chemicaliën, waarop de strafbaarheid van norefedrine berust, strekt tot uitvoering van dit verdrag.6

22. Voor [de opgeëiste persoon] betekent dit dat de uitlevering toelaatbaar is verklaard voor zover de phenylpropanolamine hetzelfde is als norefedrine. Gelet op het specialiteitsbeginsel blijft het voor [de opgeëiste persoon] mogelijk om in Australië aan te voeren dat de phenylpropanolamine waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, in zijn concrete geval géén norefedrine betreft. In het kader van een uitleveringsprocedure moet er echter van worden uitgegaan dat de door de verzoekende Staat verstrekte informatie juist is, zodat het ervoor moet worden gehouden dat het uitleveringsverzoek betrekking heeft op de stof phenylpropanolamine die ook kan worden aangemerkt als norefedrine.

23. Het middel faalt.

24. Het derde middel klaagt dat de dubbele strafbaarheid ontbreekt voor zover de uitlevering is verzocht en toelaatbaar is verklaard ter zake van de drugsdelicten. De dubbele strafbaarheid zou om twee redenen ontbreken. De eerste reden is dat de Wet voorkoming misbruik chemicaliën niet hetzelfde rechtsgoed beschermt als het commune delict waarop de strafbaarheid naar Australisch recht berust. De tweede reden houdt in dat sprake is van eendaadse samenloop hetgeen ‘een absolute beperking op de strafbaarheid inhoudt’.

25. De klacht dat de Wet voorkoming misbruik chemicaliën niet hetzelfde rechtsgoed beschermt als het commune delict waarop de strafbaarheid naar Australisch recht berust op de veronderstelling dat het commune delict een volledig verbod behelst terwijl de Nederlandse wet ziet op ‘de communautaire controle van de handel in bepaalde stoffen’. Nog daargelaten of daarmee niet langer hetzelfde rechtsgoed zou kunnen worden beschermd, berust de klacht op een onjuiste lezing van Section 307.11 (1) Criminal Code. De tekst van dit artikel, zoals die bij het verzoek tot uitlevering is gevoegd, houdt het volgende in:

‘A person commits an offence if:

  • -

    a) the person imports or exports a substance; and

  • -

    b) either or both of the following apply:
    (i) the person intends to use any of the substance to manufacture a controlled drug;
    (ii) the person believes that another person intends to use any of the substance to manufacture a controlled drug; and

  • -

    c) the substance is a border controlled precursor; and

  • -

    d) the quantity imported or exported is a commercial quantity.’

26. Aan de klacht dat de dubbele strafbaarheid ontbreekt is ten grondslag gelegd dat naar Nederlands recht geen sprake is van een algeheel verbod en het beschermde rechtsgoed is gelegen in de communautaire controle van de handel in bepaalde stoffen. Voor zover de suggestie wordt gewekt dat het beschermde rechtsgoed is gelegen in de communautaire controle is dit onjuist omdat de regelgeving van de Europese Unie sterkt tot uitvoering van het hierboven reeds genoemd Verdrag van de VN tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit de tekst van Section 307.11(1) Criminal Code blijkt bovendien duidelijk dat het beschermde rechtsgoed de invoer of uitvoer betreft van handelshoeveelheden ‘precursors’ voor het vervaardigen van verboden drugs. Dat sluit aan bij de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet voorkoming misbruik chemicaliën waarin wordt gewezen op ‘maatregelen om te voorkomen dat bepaalde stoffen worden misbruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen.7

27. De rechtbank heeft het verweer, dat de dubbele strafbaarheid ontbreekt omdat de Nederlandse strafbaarstelling niet hetzelfde rechtsgoed beschermt als de buitenlandse strafbaarstelling, verworpen en daartoe in haar uitspraak als volgt overwogen:

‘Gezien het feitencomplex dat aan het uitleveringsverzoek ten grondslag ligt, wordt de opgeëiste persoon ervan verdacht dat hij verboden middelen binnen Australisch grondgebied heeft gebracht en dat hij dit in samenwerking met anderen heeft gedaan. Dit levert naar Nederlands recht de hierboven reeds omschreven strafbare feiten op. De uiteindelijke kwalificatievraag staat niet aan de toelaatbaarheid van de uitlevering in de weg.’

28. Bij de beoordeling van de klacht moet worden vooropgesteld dat het vereiste van dubbele strafbaarheid niet vergt dat een met de buitenlandse delictsomschrijving als zodanig overeenstemmende Nederlandse strafbepaling bestaat. Het materiële feit waarvoor de uitlevering is verzocht en dat strafbaar is naar het recht van de verzoekende Staat, dient binnen de termen van een Nederlandse strafbepaling te vallen. Daarbij doet dus niet ter zake of de buitenlandse strafbaarstelling in alle opzichten overeenstemt met de Nederlandse. Voldoende is dat die buitenlandse strafbaarstelling in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermt als de Nederlandse strafbaarstelling. Dat is het geval als een wettelijke bepaling is aan te wijzen op grond waarvan het materiële feit als eenzelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar is gesteld.8

29. In de overweging van de rechtbank ligt besloten dat met de Wet voorkoming misbruik chemicaliën het materiële feit als eenzelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar is gesteld. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk gelet op de tekst van Section 307.11 (1) Criminal Code en de strekking van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën.

30. De klacht faalt.

31. De klacht inzake de eendaadse samenloop houdt in ‘dat eendaadse samenloop als bedoeld in art. 55 Sr een absolute beperking op de strafbaarheid inhoudt, welke aan dubbele strafbaarheid in de weg staat’. Wat met deze klacht wordt bedoeld, is mij niet duidelijk. Als ik het goed begrijp, wordt aangevoerd dat eendaadse samenloop bestaat tussen de invoer als douanedelict en als commuun delict. Maar dat kan geen eendaadse samenloop zijn naar Nederlands recht omdat de invoer niet als douanedelict strafbaar is gesteld maar strafbaar is op grond van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën. De eendaadse samenloop zou, als ik het goed begrijp, bestaan naar Australisch recht maar daarop is het Nederlandse art. 55 Sr niet van toepassing.

32. Mogelijk is bedoeld dat sprake zou kunnen zijn van eendaadse samenloop naar Nederlands recht waarbij de dan toe te passen Nederlandse strafbaarstelling in de kern niet hetzelfde rechtsgoed beschermt als de buitenlandse strafbaarstelling zodat om die reden niet is voldaan aan de vereiste dubbele strafbaarheid. Maar dat is niet aangevoerd en is evenmin aan de orde.

33. Ook deze klacht faalt.

34. Het middel faalt.

35. De middelen falen. Het derde middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, ontleende motivering.

36. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

37. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Rechtshulpverzoek van 24 mei 2013, par. 8, 27 en 35 (daar afgekort als ‘ice’); aanhoudingsbevel van 28 augustus 2013, par. 55.

2 HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW2489, NJ 2013/263 r.o. 3.2.3. ‘Gelet hierop moet worden aangenomen dat het huidige eerste lid van art. 26 UW — niettegenstaande de bewoordingen waarin het is gesteld — niet eraan in de weg staat dat de rechtbank de oproeping van getuigen of deskundigen niet alleen kan gelasten met het oog op de vaststelling van de identiteit van de opgeëiste persoon, maar ook indien zij zulks noodzakelijk acht in het kader van haar onderzoek van de ontvankelijkheid van het verzoek tot uitlevering en de mogelijkheid van inwilliging daarvan.’

3 ‘6. […] I have been requested by […] to provide comment on whether phenylpropanolamine and norephedrine are the same substance. 7. I am aware that norephedrine is a synonym for phenylpropanolamine. 8. Noredrine exists in two forms which are termed d-norephedrine [(1S,2R)-2-amino-1-phenyl-1-propanol] and I-norephedrine [(1R,2S)-2-amino-1-phenyl-1-propanol]. These two forms have the same chemical structure but differ in the 3-dimensional arrangement of the atoms. 9. According to the MERCK Index (Fourteenth Edition), phenylpropanolamine is termed (1RS,2SR)-2-amino-1-phenyl-1-propanol. Phenylpropanolamine is listed a being a race mix of d- and I-norephedrine.’

4 Report of the International Narcotics Control Board for 2012 on the Implementation of Article 12 of the United Nations Convention against Illicit Traffic in Narcotic Drugs and Psychotropic Substances of 1988, ‘Precursors and chemicals frequently used in the illicit manufacture of narcotic drugs and psychotropic substances, New York: United Nations 2013, p. 64-80.

5 Wenen 20 december 1988, Trb. 1989, 97; in werking getreden op 11 november 1990, voor Nederland op 7 december 1993 en voor Australië op 14 februari 1993, Trb. 1993, 140, respectievelijk p. 9 en 3.

6 Kamerstukken II 1993/94, 23 779, nr. 3, p. 1-2.

7 Kamerstukken II 1993/94, 23 779, nr. 3, p. 1 en 2 ‘Ter uitvoering van de in artikel 12 van vorenvermeld verdrag neergelegde verplichting heeft de Raad van de Europese Gemeenschappen op 13 december 1990 verordening (EEG) nr. 3677/90, houdende maatregelen om te voorkomen dat bepaalde stoffen worden misbruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen (PbEG L 357), vastgesteld. […]Het onderhavige wetsvoorstel voorziet in alle bepalingen die ter uitvoering van de verordening nodig zijn.

8 HR 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1442 r.o. 3.3. onder verwijzing naar HR 4 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0451.