Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1807

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-09-2014
Datum publicatie
07-11-2014
Zaaknummer
14/03179
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3124, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. Partneralimentatie; art. 1:157 BW. Verzoek om nihilstelling op de voet van art. 1:160 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

14/03179

mr. Keus

Zitting 26 september 2014

Conclusie art. 80a RO inzake:

[de man]

(hierna: de man)

verzoeker tot cassatie

tegen

[de vrouw]

(hierna: de vrouw)

verweerster in cassatie

1. Partijen zijn op 1 november 2004 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 22 augustus 2013, die op 29 november 2013 in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven, heeft de rechtbank Den Haag de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

2. Bij diezelfde beschikking is de door de man verschuldigde partneralimentatie bepaald op € 425,- per maand, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

3. In hoger beroep heeft de vrouw het hof Den Haag onder meer verzocht de haar toekomende partneralimentatie nader te bepalen op een bedrag van € 1.168,80 per maand totdat de echtscheiding definitief is en op € 1.015,80 per maand na de scheiding, althans op een bedrag als het hof vermeent te behoren. In incidenteel appel heeft de man verzocht de partneralimentatie op nihil te stellen, omdat de vrouw zou samenwonen met haar nieuwe partner als waren zij gehuwd (art. 1:160 BW).

4. Bij beschikking van 9 april 2014 heeft het hof Den Haag de partneralimentatie voor de vrouw met ingang van 29 november 2013 vastgesteld op € 969,- per maand. Het beroep van de man op art. 1:160 BW is door het hof met de navolgende overwegingen verworpen:

“10. Tussen partijen staat vast dat de vrouw en haar huidige partner een duurzame affectieve relatie hebben. Ter zitting van het hof heeft de man gepersisteerd bij zijn stelling dat de vrouw en haar huidige partner samenwonen en hij wijst in dit kader met name op de volgende omstandigheden:

- sinds december 2012 heeft de man de woning van de vrouw niet meer mogen betreden en bij het halen en brengen van de minderjarige zag hij de partner van de vrouw vaak in de tuin zitten;

- sinds augustus 2013 betaalt de man geen huur meer voor de vrouw en sinds de inschrijvingsdatum de lagere alimentatie. Ondanks deze aanzienlijke achteruitgang heeft de vrouw haar levensstijl kunnen voortzetten;

- de vrouw heeft geen pogingen ondernomen om een goedkopere huurwoning te zoeken en de man trekt daaruit de conclusie dat de vrouw in de woning wil (blijven) samenwonen met haar nieuwe partner;

- alle vakanties en weekenden worden samen doorgebracht;

- waar de partner van de vrouw staat ingeschreven is niet relevant.

11. Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat er geen sprake is (geweest) van een samenleven van de vrouw met haar huidige partner in de zin van artikel 1:160 BW. Uit de door de man aangevoerde omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof niet dat sprake is van een wederzijdse verzorging, gemeenschappelijke huishouding en samenwoning van de vrouw met haar huidige partner. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het aannemelijk is dat de nieuwe partner van de vrouw, die kennelijk eveneens in een echtscheidingsprocedure is verwikkeld met alle financiële gevolgen van dien, thans financieel niet in staat is om de verplichting op zich te nemen financieel voor de vrouw te zorgen. Tevens merkt het hof op dat het binnen een affectieve relatie niet ongebruikelijk is om samen te winkelen en/of boodschappen te doen, gezamenlijk activiteiten te ondernemen, soms de nacht in elkaars woning door te brengen, al dan niet samen met de kinderen een vakantie door te brengen en aanwezig te zijn bij wederzijdse familieaangelegenheden.”

5. De man heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Hij heeft drie cassatiemiddelen voorgedragen, waarvan de middelen 1 en 3 zijn gericht tegen rov. 11, en meer in het bijzonder tegen de daarin voorkomende zinsnede “die kennelijk eveneens in een echtscheidingsprocedure is verwikkeld met alle financiële gevolgen van dien, thans financieel niet in staat is om de verplichting op zich te nemen financieel voor de vrouw te zorgen”. Naar de kern genomen betogen beide middelen dat de omstandigheid dat de nieuwe partner de vrouw financieel wellicht minder heeft te bieden dan de man (waarvoor overigens geen enkel bewijs is geleverd) aan toepassing van art. 1:160 BW niet in de weg staat en dat de eis van wederzijdse verzorging niet impliceert dat de nieuwe partner van de vrouw tot financiële verzorging van de vrouw in staat moet zijn.

6. Ik acht deze klachten in die zin gegrond, dat (i) toepassing van art. 1:160 BW niet vereist dat de nieuwe partner tot financiële verzorging van de (oorspronkelijk) alimentatiegerechtigde in staat is en (ii) dat de in de rechtspraak verlangde “wederzijdse verzorging” niet noodzakelijkerwijs samenvalt met “financiële” verzorging, laat staan met financiële verzorging van de (oorspronkelijk) alimentatiegerechtigde door de nieuwe partner. Toch meen ik dat de middelen 1 en 3 klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. In haar verweerschrift in incidenteel appel, onder 4-5, heeft de vrouw aangevoerd dat haar nieuwe partner in een echtscheidingsprocedure is verwikkeld. De man heeft dat in de appelprocedure niet weersproken. Evenmin heeft hij (anders dan de beperkte financiële mogelijkheden van de nieuwe partner) in cassatie ter discussie gesteld dat (ook) het hof van een kennelijk nog lopende echtscheidingsprocedure van de nieuwe partner van de vrouw is uitgegaan. Nog daargelaten of de door de man aangevoerde omstandigheden, gelet op de restrictieve rechtspraak, de door hem gestelde samenleving “als waren zij gehuwd” kunnen dragen en nog daargelaten of het hof met de bestreden zinsnede niet louter heeft gerespondeerd op de door de man gesuggereerde en mede aan zijn beroep op art. 1:160 BW ten grondslag gelegde financiële afhankelijkheid van de vrouw van haar nieuwe partner, staat aan toepassing van art. 1:160 BW in de weg dat, naar in cassatie als uitgangspunt moet gelden, de nieuwe partner van de vrouw nog in een echtscheidingsprocedure is verwikkeld en derhalve nog is gehuwd en dat die omstandigheid volgens recentelijk bevestigde rechtspraak van de Hoge Raad toepassing van art. 1:160 BW uitsluit1. Bij die stand van zaken mist de man klaarblijkelijk belang bij de besproken klachten.

7. Middel 2 klaagt dat het hof art. 1:157 BW heeft geschonden omdat het de door de rechtbank aangenomen verdiencapaciteit van de vrouw volledig buiten beschouwing heeft gelaten.

8. Het tweede middel kan bij gebrek aan feitelijke grondslag klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. De rechtbank heeft de behoefte van de vrouw in eerste instantie vastgesteld op € 2.028,- netto per maand (p. 4, beschikking rechtbank 22 augustus 2013). Na te hebben overwogen dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft van € 500,- bruto per maand, heeft de rechtbank de resterende behoefte van de vrouw bepaald € 1.512,- netto (€ 2.785,- bruto) per maand. Van deze bedragen (en dus mede van de door de rechtbank vastgestelde verdiencapaciteit van de vrouw) is ook het hof uitgegaan, nu het in rov. 12 heeft overwogen dat “(d)e behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage van de man van € 2.785,- bruto per maand (…) in hoger beroep niet ter discussie (staat).”

9. Omdat de man klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij de klachten van de middelen 1 en 3 de klacht van middel 2 klaarblijkelijk bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kan leiden, strekt deze conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2058, NJ 2014/143 m.nt. S.F.M. Wortmann.