Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1797

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-09-2014
Datum publicatie
03-10-2014
Zaaknummer
14/00486
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:962, Gevolgd
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

(i) Moeder met HIR-vrijval richt dochter op die (i) meteen gevoegd wordt, (ii) een even groot verlies op optiecontracten organiseert en (iii) op basis van een put-optie meteen daarna weer ontvoegd wordt, commercieel met medeneming van het verlies. Is het verlies een resultaat uit (belanghebbendes) onderneming? Schijnhandelingen? Komt het verlies via de fiscale eenheid voor rekening van de moeder? Fraus legis?

(ii) Is uitstel van aangifte verleend? Toerekenbare schijn van vertegenwoordigings-bevoegdheid van de belastingadviseur?

Feiten: Bij de belanghebbende viel in 2005 een herinvesteringsreserve vrij ad € 2,4 mio. Op 13 december 2006 vormde zij een fiscale eenheid met haar op die dag opgerichte dochter [BB] BV. Voegingsverzoek werd verzocht op 28 december 2006. Op 1 december 2006 kocht de belanghebbende van [I] Coöperatief UA voor € 1 een putoptie op haar aandelen [BB] (i.o.); zij kon uiterlijk 30 januari 2007 haar aandelen [BB] aan [I] verkopen voor € 18.000. Die optie is uitgeoefend op 12 januari 2007.

[BB] (i.o.) is op 1 december 2006 als commandiet een samenwerking aangegaan met [G] CV. [BB] heeft zes promissory notes à € 1 miljoen die zij heeft verkregen van [I] als storting ingebracht in [G] CV. Op 4 december 2006 heeft [G] CV drie optiecontracten gesloten met [K] CV, wier commandiet en beherend vennoot op de Britse Maagdeneilanden zijn gevestigd. De opties konden alleen op de afloopdatum 15 december 2006 uitgeoefend worden. Het resultaat voor [G] CV op de afloopdatum was een verlies ad € 2.588.000 dat geheel in [BB]’s commerciële jaarstukken is opgenomen. [K] CV heeft een concomitant positief resultaat behaald.

Belanghebbendes gemachtigde heeft op 27 maart 2007 volgens de Beconregeling uitstel gevraagd voor het doen van belanghebbendes aangifte Vpb 2006. Dat verzoek is door de Inspecteur op dezelfde dag ontvangen. Op 30 maart 2007 is de aangifte Vpb 2006 ingediend, in afwijking van eerdere jaren met aanvinking van het vakje ‘geen belastingconsulent’. Op 5 april 2007 is het uitstelverzoek door de fiscus verwerkt en is de toewijzing [C] meegedeeld. De aanslag Vpb 2006 is opgelegd op 9 januari 2010, i.e. na de reguliere aanslagtermijn, die afliep op 31 december 2009.

De Inspecteur heeft [BB]’s optieverliezen niet in aftrek toegelaten op de winst van de belanghebbende.

In geschil is (i) of uitstel van aangifte is verleend en daarmee of de aanslag Vpb 2006 tijdig is opgelegd en (ii) of de Inspecteur terecht de belastbare winst van de fiscale eenheid heeft verhoogd door geen rekening te houden met het door [BB] geleden verlies.

De Rechtbank en het Gerechtshof achtten aannemelijk dat [C] uitstel heeft gevraagd en dat het kenbaar is verleend, nu dit op de gebruikelijke wijze aan [C] is meegedeeld. Hieraan doet niet af dat de belanghebbende zelf het aangifteformulier heeft ingediend en daarop heeft aangevinkt geen gebruik te maken van een belastingconsulent; de belanghebbende en [C] hebben toerekenbaar de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid gewekt.

Inzake het door [BB] geleden verlies heeft de Rechtbank de beschreven rechtshandelingen aangemerkt als schijn. Het Hof daarentegen zag geen aanwijzingen dat de rechtshandelingen niet reëel (gewild) zouden zijn, maar heeft wel geoordeeld dat bij de aanvraag van de fiscale eenheid al vaststond dat de putoptie op de aandelen [BB] zou worden uitgeoefend, zodat voor het aangaan van de fiscale eenheid geen zakelijke reden bestond; commercieel kon het verlies niet ten laste van de belanghebbende komen. Bovendien was met de rechtshandelingen slechts beoogd een aftrek te creëren voor belanghebbendes HIR-probleem. De aanvraag en totstandkoming van de fiscale eenheid kunnen er daarom volgens het Hof niet toe leiden dat [BB]’s verlies bij de belanghebbende in mindering wordt gebracht, nu het geen resultaat uit haar ondernemingsuitoefening is.

Cassatiemiddelen belanghebbende: (i) een onontkoombaar gevolg van de totstandkoming van de fiscale eenheid is dat [BB] en de belanghebbende één gemeenschappelijk fiscaal resultaat hebben, zodat het Hof een onjuiste rechtskundige maatstaf heeft aangelegd; (ii) aan de belanghebbende, die zelf haar aangifte deed, is geen uitstel van aangifte verleend; evenmin is op basis van haar eigen verklaringen/gedrag enige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van de belastingadviseur toe te rekenen aan haar.

Voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel Staatssecretaris: het Hof heeft de rechtshandelingen ten onrechte niet als schijn aangemerkt.

A-G Wattel acht de opvatting van het Hof over toerekenbare schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid de juiste, gezien de relevante civiele en fiscale jurisprudentie. Het Hof kon vervolgens op basis van de vaststaande feiten (met name: (i) [C] heeft zowel vóór als na de indiening van de aangifte 2006 de belanghebbende steeds vertegenwoordigd, (ii) [C] heeft de belanghebbende niet van de Becon-uitstellijst afgemeld, (iii) de belanghebbende noch [C] hebben de Inspecteur op andere wijze laten weten dat [C] niet bevoegd zou zijn; (iv) niet gesteld is dat de belanghebbende haar volmacht had herroepen, noch dat [C] die had opgezegd) zonder motiveringsgebrek oordelen dat naar verkeersopvatting de door belanghebbendes nalaten/gedragingen gewekte schijn haar kon worden toegerekend.

Ad (i) meent A-G Wattel dat het Hof terecht belanghebbendes constructie heeft laten stranden. De grondslag daarvoor is zijns inziens uw onzakelijke-kostenrechtspraak, met name HR BNB 1995/15 en 16: kosten die geen verband houden met enig ondernemingsnut worden verondersteld aandeelhoudersbelangen te dienen, tenzij de belanghebbende het tegendeel aannemelijk maakt, hetgeen zij niet heeft gedaan. Het Hof heeft de verliesoverheveling binnen de eenheid genegeerd maar [BB]’s verlies kennelijk fiscaal onaangetast gelaten. Nu ’s Hofs vaststellingen echter geen andere conclusie toelaten dan dat het verlies onzakelijk is, meent de A-G dat ook bij [BB] het volstrekt ondernemingsvreemde verlies niet in aftrek komt (en daarmee a fortiori niet bij de belanghebbende). Dat niet vaststaat dat de up en down van de optiecontracten bij gelieerde personen zijn terechtgekomen doet volgens de onzakelijke-kostenjurisprudentie niet ter zake.

Ook indien de onzakelijke-kostenjurisprudentie als rechtsbasis tekort zou schieten, strandt het cassatieberoep volgens de A-G, en wel op fraus legis. De vastgestelde feiten laten geen andere conclusie toe dan dat de belanghebbende met het fiscale samenstel van putoptie, commanditaire deelname, optiecontracten en voeging/ontvoeging volstrekt overwegend antifiscale bedoelingen had, zodat aan het feitelijke, subjectieve vereiste voor toepassing van fraus legis wordt voldaan. Wat het objectieve en rechtskundige element van fraus legis betreft – dat door de Hoge Raad zelfstandig onderzocht kan worden – is het onmiskenbaar niet de bedoeling van de wetgever dat vennootschapsbelastingheffing veronmogelijkt wordt door kunstmatige en herhaalbare fiscale verliescreatie (‘kunstgrepen’) die geen enkel verband houdt met de economische werkelijkheid, voorzienbaar nadelig is en geen invloed heeft op de vermogenspositie van de belastingplichtige, zodat rechtskundig het gevolg moet worden getrokken dat de belanghebbende c.s. met deze constructie in strijd met doel en strekking van de belastingwet hebben gehandeld.

Toepassing van fraus legis kan leiden tot substitutie of eliminatie van feitelijke handelingen of (de fiscale gevolgen van) rechtshandelingen. Belanghebbendes geval rechtvaardigt volgens de A-G bijna elke ingreep: negeren van (het fiscale gevolg van) de voeging, het kunstmatige verlies of (de oprichting van) [BB], die immers geen ander dan een onzakelijk en antifiscaal doel dient en geen andere dan onzakelijke (uitsluitend op verlies maken gerichte) en antifiscale activiteiten liet zien.

Aan het incidentele cassatieberoep komt de Hoge Raad volgens de A-G niet toe, maar als dat anders is, meent hij dat het Hof kon oordelen dat van schijn geen sprake is omdat de betrokkenen de (gevolgen van de) civielrechtelijke rechtshandelingen (wél) wensten en fiscaalrechtelijk een fiscale eenheid wensten, juist met het oog op de civielrechtelijke en de fiscale gevolgen ervan (die zij aanvaardden).

Conclusie: cassatieberoep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2280
V-N Vandaag 2014/1963
V-N 2014/53.17

Conclusie

Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

mr. P.J. Wattel

Advocaat-Generaal

Conclusie van 10 september 2014 inzake:

Nr. Hoge Raad: 14/00486

Holding [X] B.V.

Nrs. Gerechtshof: 12/00735 en 12/00736

Nrs. Rechtbank: AWB 10/3105 en 10/6848

Derde Kamer A

tegen

Vennootschapsbelasting 2006

Staatssecretaris van Financiën

en vice versa

1 Overzicht

1.1

Bij Holding [X] BV (de belanghebbende) viel in 2005 een herinvesterings-reserve (HIR) vrij ad € 2.428.130. Op 13 december 2006 heeft zij een dochter ([BB] BV) opgericht, met wie zij per oprichtingsdatum een fiscale eenheid vormde. Het verzoek tot voeging is ingediend op 28 december 2006.

1.2

Op 1 december 2006 heeft de belanghebbende ter zake van haar aandelen [BB] (i.o.) voor een premie ad € 1 een putoptie gekocht van [I] Coöperatief UA. De belanghebbende verkreeg het recht om uiterlijk 30 januari 2007 haar aandelen [BB] aan [I] te verkopen voor € 18.000. Die optie is uitgeoefend op 12 januari 2007.

1.3

[BB] (i.o.) is op 1 december 2006 als commandiet een samenwerking aangegaan met [G] CV. [BB] heeft zes promissory notes à € 1 miljoen als storting ingebracht in [G] CV. Zij heeft die notes verkregen van [I]. Op 4 december 2006 heeft [G] CV drie deep-out-of-the-money put- en calloptiecontracten gesloten met [K] CV, wier commandiet en beherende vennoot op de Britse Maagdeneilanden zijn gevestigd. De opties konden alleen op de afloopdatum 15 december 2006 uitgeoefend worden. Het resultaat voor [G] CV op die afloopdatum was een verlies ad € 2.588.000.1 Dit verlies is geheel in [BB]’s commerciële jaarstukken opgenomen. [K] CV heeft een concomitant positief resultaat op de put en calls behaald.2

1.4

Belanghebbendes gemachtigde [C] heeft op 27 maart 2007 volgens de Beconregeling uitstel gevraagd voor het doen van belanghebbendes aangifte Vpb 2006. Dat verzoek is door de Inspecteur op dezelfde dag ontvangen. Op 30 maart 2007 is de aangifte Vpb 2006 ingediend, in afwijking van eerdere jaren met aanvinking van het vakje ‘geen belastingconsulent’. Op 5 april 2007 is het uitstelverzoek door de fiscus verwerkt en is de toewijzing [C] meegedeeld. De aanslag Vpb 2006 is opgelegd op 9 januari 2010, i.e. na de reguliere aanslagtermijn, die afliep op 31 december 2009. De Inspecteur heeft [BB]’s optieverliezen niet in aftrek toegelaten op de winst van de belanghebbende.

1.5

In geschil is (i) of uitstel van aangifte is verleend en daarmee of de aanslag Vpb 2006 tijdig is opgelegd en (ii) of de Inspecteur terecht de belastbare winst van de fiscale eenheid heeft verhoogd door geen rekening te houden met het door [BB] geleden verlies.

1.6

Rechtbank en Hof achtten aannemelijk dat [C] uitstel heeft gevraagd en dat het kenbaar is verleend, nu dit op de gebruikelijke wijze aan [C] is meegedeeld. Hieraan doet niet af dat de belanghebbende zelf het formulier heeft ingediend en daarop heeft aangevinkt geen gebruik te maken van een belastingconsulent; de belanghebbende en [C] hebben toerekenbaar de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid gewekt.

1.7

De Rechtbank heeft de beschreven rechtshandelingen aangemerkt als schijn. Het Hof daarentegen zag geen aanwijzingen dat de rechtshandelingen niet reëel (gewild) zouden zijn en heeft hen daarom niet als schijn aangemerkt.

1.8

Het Hof heeft geoordeeld dat op het moment van aanvraag van de fiscale eenheid al vaststond dat de putoptie op de aandelen [BB] zou worden uitgeoefend, zodat voor het aangaan van de fiscale eenheid geen zakelijke reden bestond. De aanvraag en totstandkoming van de fiscale eenheid kunnen er daarom volgens het Hof niet toe leiden dat [BB]’s verlies bij de belanghebbende in mindering wordt gebracht. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat het om een gefixeerd verlies gaat waarvan het risico – door de optieverlening op de aandelen [BB] – economisch gezien geheel was afgedekt, zodat het commercieel niet ten laste van de belanghebbende kon komen; met de rechtshandelingen was bovendien slechts beoogd een aftrek te creëren voor belanghebbendes HIR-probleem.

1.9

De belanghebbende stelt twee middelen voor: (i) onontkoombaar gevolg van de totstandkoming van de fiscale eenheid is dat [BB] en de belanghebbende één gemeenschappelijk fiscaal resultaat hebben, zodat het Hof een onjuiste rechtskundige maatstaf heeft aangelegd; (ii) aan de belanghebbende, die zelf haar aangifte deed, is geen uitstel van aangifte verleend; evenmin is op basis van haar eigen verklaringen of gedrag enige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [C] aan haar toe te rekenen.

1.10

Ad middel (i): het Hof heeft geoordeeld dat de rechtshandelingen slechts zijn verricht met het oog op creatie van een fiscaal verlies en dat het resultaat ervan van te voren vrijwel vaststond; de kans op een ongewenst resultaat was bijzonder klein en bovendien kon het gewenste resultaat (een verlies ad € 2,6 mio) zonodig alsnog met een tweede of volgende transactieronde worden bereikt; het verlies is voorts nagenoeg gelijk aan de HIR-vrijval. Belanghebbendes vermogenspositie werd door de voeging niet beïnvloed; het verlies kon door de putoptie economisch niet te haren laste komen, maar bleef bij [BB]; het hield geen verband met belanghebbendes ondernemingsuitoefening. Onder die omstandigheden is het enkele – meteen voorbijgaande – tot stand komen van een fiscale eenheid onvoldoende om het verlies te beschouwen als voortvloeiend uit belanghebbendes ondernemingsuitoefening.

1.11

Ik meen dat de belanghebbende kan worden toegegeven dat ’s Hofs overwegingen niet erg duidelijk maken wat zijn rechtskundige maatstaf is, maar dat baat haar niet. Wat er zij van ’s Hofs rechtskundige onderbouwing, hij heeft terecht belanghebbendes constructie laten stranden omdat daarvoor rechtsgrondslag gevonden kan worden in uw onzakelijke-kostenrechtspraak: kosten die geen verband houden met enig ondernemingsnut, worden verondersteld aandeelhoudersbelangen te dienen tenzij de belanghebbende het tegendeel aannemelijk maakt, hetgeen zij niet heeft gedaan. Het Hof heeft daarbij kennelijk niet de voeging genegeerd, noch [BB]’s verlies, maar alleen de verliesoverheveling binnen de eenheid: het Hof lijkt [BB]’s verlies op zichzelf fiscaal onaangetast te laten. Nu ’s Hofs vaststellingen echter geen andere conclusie toelaten dan dat het verlies onzakelijk is, meen ik dat ook bij [BB] het volstrekt ondernemingsvreemde verlies reeds niet in aftrek komt (en daarmee a fortiori niet bij de belanghebbende). Dat niet duidelijk is wie achter de Ltd op de British Virgin Islands zit, waardoor niet vast staat dat de up en down van de optiecontracten bij gelieerde personen zijn terechtgekomen, doet volgens uw onzakelijke-kostenjurisprudentie niet ter zake; dat is het bewijsprobleem van de onzakelijke kostenmaker.

1.12

Mocht u deze rechtsgrondslag voor ’s Hofs oordeel op basis van gewone rechtsvinding niet in zijn arrest lezen, dan nog strandt het cassatieberoep mijns inziens, alsdan op fraus legis. Weliswaar heeft de Inspecteur fraus legis niet gesteld voor het Hof, maar de vastgestelde feiten laten geen enkele andere conclusie toe dan dat de belanghebbende met het samenstel van fiscale voeging/ontvoeging, putoptie, commanditaire vennootschap en optiecontracten volstrekt overwegend antifiscale bedoelingen had. Daarmee is aan het feitelijke, subjectieve vereiste voor toepassing van fraus legis voldaan.

1.13

Wat het objectieve en rechtskundige element van fraus legis betreft – dat u dus zelfstandig kunt beoordelen (u acht u daartoe zelfs gehouden ex (analogische toepassing van) art. 25 Rv.) – geldt dat het onmiskenbaar niet de bedoeling van de wetgever was dat reguliere vennootschapsbelastingheffing, al dan niet over een HIR-vrijval, veronmogelijkt wordt door kunstmatige en herhaalbare fiscale verliescreatie (‘kunstgrepen’) die geen enkel verband houdt met economische werkelijkheid, voorzienbaar nadelig is en geen invloed heeft op de vermogenspositie van de belastingplichtige. Rechtskundig moet daarom het gevolg getrokken worden dat met deze constructie de belanghebbende c.s. in strijd met doel en strekking van de belastingwet hebben gehandeld.

1.14

Uit ’s Hofs uitspraak volgt dus dat (ook) voldaan is aan de eisen voor toepassing van fraus legis. Die toepassing kan leiden tot substitutie of eliminatie van feitelijke handelingen of rechtshandelingen (of beide) of van de (fiscale) gevolgen van rechtshandelingen. Het Hof heeft in casu (i) [BB]’s kunstmatige verlies, of (ii) [BB]’s voeging in de fiscale eenheid, of (iii) de fiscale gevolgen van de voeging genegeerd. Al deze drie mogelijkheden kunnen op fraus legis worden gebaseerd. ’s Hofs overwegingen houden – zij het op kennelijk andere rechtsgrond – toepassing van mogelijkheid (iii) in. Voor de belastingheffing ten laste van de belanghebbende doet een keuze overigens niet ter zake (mogelijk wél voor de belastingheffing ten laste van [BB]), nu alle drie de mogelijkheden uit fraus legis voortvloeien en zij alle drie tot hetzelfde resultaat leiden: belanghebbendes HIR-vrijval wordt niet wegverrekend door [BB]’s kunstmatige optieverlies.

1.15

Ad middel (ii): [C] heeft zowel vóór als na de indiening van de aangifte 2006 de belanghebbende steeds vertegenwoordigd. [C] heeft de belanghebbende niet van de Becon-uitstellijst afgemeld en de belanghebbende noch [C] hebben de Inspecteur op andere wijze laten weten dat [C] niet bevoegd zou zijn het uitstelverzoek in te dienen en de aangifte Vpb 2006 in te dienen. Het Hof heeft daarom mede aan de belanghebbende toerekenbare schijn van bevoegdheid van [C] aangenomen. Dit oordeel geeft mijns inziens geen blijk van onjuist rechtsinzicht, nu ook een nalaten naar verkeersopvatting kan leiden tot schijntoerekening, en is overigens verweven met beoordeling van feiten die in cassatie niet onderzocht worden. Het is niet onbegrijpelijk, nu het verstaan moet worden als inhoudende dat, gegeven [C]’s structurele bevoegdheid, de belanghebbende onvoldoende, nl. niets gedaan heeft om de door haar handelen en nalaten volgens ervaringsregelen te verwachten indruk van vertegenwoordigingsbevoegdheid bij de fiscus (ook) voor één incidentele handeling (het indienen van het aangifteformulier 2006) weg te nemen.

1.16

De Staatssecretaris betoogt bij incidenteel cassatieberoep dat het Hof de rechtshandelingen ten onrechte niet als schijn heeft aangemerkt. Nu zijn cassatieberoep is ingesteld onder de voorwaarde van slagen van één van belanghebbendes middelen, behoeft het geen behandeling. Mocht u er wél aan toekomen, dan meen ik dat het Hof kon oordelen dat van schijn geen sprake is omdat de betrokkenen de (gevolgen van de) civielrechtelijke rechtshandelingen (wél) wensten en fiscaalrechtelijk een fiscale eenheid wensten, juist met het oog op de civielrechtelijke en de fiscale gevolgen ervan (die zij aanvaardden).

1.17

Ik geef u in overweging het principale cassatieberoep ongegrond te verklaren en het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep buiten behandeling te laten.

2 De feiten

2.1

De belanghebbende belegt in en beheert courante vermogenswaarden zoals beursgenoteerde effecten. Directeur-grootaandeelhouder (dga) is [A].

2.2

In 2005 is bij de belanghebbende een herinvesteringsreserve (HIR) vrijgevallen ad € 2.428.130. Belanghebbendes belastingadviseur, [C] Belastingadviseurs BV en [D] BV ([D]) hebben de belanghebbende een manier aan de hand gedaan om belastingheffing over deze vrijval te neutraliseren. Het daartoe strekkende advies is opgenomen in een brief van [B] van [C] aan de belanghebbende en luidt (zie r.o. 2.3 Rechtbank):

“2.3. (…). Indien Holding [X] B.V. op dit moment nieuwe activiteiten zou opstarten, welke tot verliezen leiden, zou er een terugwenteling ('carry-back') van deze resultaten plaats vinden naar de eerder gerealiseerde winsten. Op grond van art. 20, lid 2, Wet vpb is het immers mogelijk om in 2006 opgekomen verliezen te compenseren met winsten die zijn gerealiseerd in de jaren 2003, 2004 en 2005 (en zelfs nog in 2006, met positieve resultaten behaald voor het voegingstijdstip) [...]. De betaalde vennootschapsbelasting kan op deze wijze als het ware worden terugverdiend.

[D] B.V. heeft in dit kader een voorstel gedaan dat separaat aan u zal worden toegezonden. Kort samengevat komt dit voorstel er op neer dat Holding [X] B.V. een nieuwe vennootschap opricht, welke per datum oprichting in een fiscale eenheid met de Holding wordt opgenomen en waarin vervolgens de (nieuwe) verlieslatende activiteiten worden ondergebracht. Op grond van art. 5, lid 4 van het Besluit fiscale eenheid 2003 juncto art. 15ae, lid 1, sub b Wet vpb zou het mogelijk moeten zijn om resultaten die bij de dochter opkomen, tot verrekening kunnen leiden met voorvoegingswinsten. Uitgangspunt bij deze transactie dient naar onze mening te zijn dat het financiële risico voor Holding [X] B.V. en voor u in privé, naast onze advieskosten, beperkt blijft tot het bedrag aan vennootschapsbelasting dat ook zonder de transactie uiteindelijk zou moeten worden betaald. (…).”

2.3

Op 24 september 2006 heeft [E] ([E]) van het Londense bedrijf [H] Ltd3 een powerpointpresentatie getiteld ‘[D] Transaction Proposal’ aan [F] ([F]) van [D] gestuurd. De begeleidende email (van [E] aan [F]), die de hieronder nog te beschrijven transacties noemt, luidt (r.o. 2.4 Rechtbank):

“2.4. (…). Toelichting track record en index optie ervaring

We hebben in een aantal transacties soortgelijke deep out-of-the-money opties gebruikt (waarover onder meer) en deze hebben nog nooit tot problemen m.b.t. het verwachte expiratie scenario geleid. (...)

Transactie structuur en documentatie

We gaan er vanuit dat de wederpartij de transactie via een nieuw op te richten dochter BV in de fiscale eenheid zal laten lopen. (...) Met uitzondering van de SPV oprichtingsakte en notariële akte van levering bij uitoefening van de SPV Put Option, hebben wij voor alle relevante stappen (eerder gebruikte) documentatie klaar liggen.

Index opties

In onze presentatie gaan wij uit van een investering in de ABC CV van EUR 6m. De aan te kopen optie combinaties zullen zo worden gekozen dat wij verwachten dat deze binnen korte tijd nog een restwaarde van EUR 3.1m hebben. Wij menen dat dit er optisch iets beter uitziet dan een investering van 2.9m die naar EUR 0 gaat. Qua onderliggende transacties maakt dit overigens in principe niet bijzonder veel uit. Zoals gezegd, in eerder transacties hebben wij nog nooit problemen met een onverwachte uitkomst gehad (dit komt doordat de opties deep out-of-the-money zijn en een kans op uitbetaling bij expiratie derhalve bijzonder klein is).

De index optie counterparty is in beginsel goed voor zijn geld en de Trading CV zal ook met een behoorlijk kapitaal worden opgericht (of een beherend vennoot hebben met een groot kapitaal). Wij denken dat dit van belang is voor de fiscale analyse voor SPV/BV A, aangezien het aangaan van een transactie met een partij waarvan vooraf vast zou staan dat deze zijn verplichtingen niet kan nakomen wellicht als niet aftrekbare uitgave / uitdeling zou kunnen worden aangemerkt.

Het door jouw gesignaleerde punt over het (theoretische) geval waarin de optie tot winst leidt is op zich juist. In dat geval zou er sprake zijn van zowel fiscale als economische winst. Dit is voor ons om twee redenen ongewenst. Ten eerste leidt dit niet tot het gewenste resultaat (en dus is er geen fee voor ons) en ten tweede zou de Trading CV een economisch verlies leiden (hetgeen uiteindelijk indirect een kost voor ons zal zijn).

In onze ervaring is dit punt op twee manieren te ondervangen.

Allereerst kiezen we een optie serie die zeer ver out-of-the-money ligt (bijv. een call AEX nov 510 of een put AEX nov 420, bij een AEX van 473). De op de pricing van deze opties gebaseerde kans dat deze tot uitbetaling bij expiratie leiden ligt iets boven de 1%. We stellen voor om gebruik te maken van wekelijkse of maandelijkse AEX of S&P500 index opties.

In het geval dat er sprake zou zijn van winst bij expiratie, dan zal ABC CV met Trading CV in een nieuwe transactie treden, SPV/BV A heeft als commanditair vennoot geen bemoeienis met het bestuur van ABC CV en dit wordt uitsluitend gevoerd door [G] LLP. Op deze manier houden wij controle dat er in een dergelijk geval een tweede transactie plaatsvind en dat de transactie conform onze verwachting (en die van Trading CV) kan worden afgerond. Aangezien de participatie in ABC CV niet vrij overdraagbaar is, kan BV A in de praktijk deze eventuele (tijdelijke) economische winst niet realiseren (verder bouwen we een clausule in de Receivable vordering dat er een 'negative pledge'4 en vervreemdingsverbod op de aandelen in SPV en BV A rust, dit ter zekerheid van onze vorderingen op BV A)."

2.4

Bij brief van 12 oktober 2006 aan [F] heeft [E] het transactieplan toegelicht. De Rechtbank heeft die email als volgt samengevat:

“2.5. In een brief van 12 oktober 2006 van [E] van [H] Limited aan [F] van [D] doet zij een voorstel aan eiseres [de belanghebbende; PJW] waarbij zij verwijst naar de powerpointpresentatie van 27 september 2006 en licht zij punten uit de presentatie nog eens toe. Zij gaat er vanuit dat eiseres een "[[X] SPV B.V.]" opricht, dat een groepsmaatschappij van [H] ([I] Coöperatief U.A.) een promissory note van € 6 miljoen aan de SPV verkoopt, die wordt uitgereikt aan [G] Global Arbitrage C.V., dat [H] Investments LLP, de SPV en een [H] groepsmaatschappij "[G] Investments CV" zullen vormen, dat de SPV aan haar stortingsverplichting voldoet met de promissory notes, dat eiseres en [I] een put optie overeenkomst aangaan die eiseres het recht geeft de aandelen in de SPV aan [I] te verkopen, dat [K] Investment Limited, een naar het recht van de British Virgin Islands opgerichte vennootschap van wie de eigendom onafhankelijk is van [H] groep, [K] Trading CV zal oprichten en dat [G] Options Investments CV en [K] Trading CV optiecontracten zullen aangaan, waartoe eerstgenoemde de promissory notes aan de tweede cedeert, en dat indien eiseres effectief gebruik kan maken van de door de SPV geleden fiscale verliezen, eiseres 65% van het belastingvoordeel deelt met [D] door een kapitaalstorting in de SPV.”

2.5

[E] heeft bij email van 27 november 2006 aan [M] (werkzaam bij Citco)5 geschreven (zie r.o. 2.6 Rechtbank):

"2.6. (…). Even een update wat betreft de transacties waar we mee bezig zijn. We zijn van plan om deze week een transactie te closen met een wederpartij die Holding [X] B.V. heet. Ik heb een power point bijgevoegd waarin de transactie wordt uitgelegd.

In het kort komt het er op neer dat wij proberen een fiscaal verlies binnen de fiscale structuur van Holding [X] B.V. te creëren, [curs. rechtbank; PJW]. Wanneer dit door de fiscus in de aanslagregeling is geaccepteerd, zullen wij hiervoor een fee ontvangen van Holding [X] B.V. Holding [X] B.V. wordt bijgestaan door[C].

Voor een aantal stappen van deze transactie zouden we graag [I] gebruiken. Ik heb de stukken waarin [I] partij is in de finale draft vorm bijgevoegd.

De rol van [I] in deze transactie is die van wederpartij bij een put-optie en een call-optie en het tijdelijk verstrekken van een lening. Aan het einde van de transactie zal [I] alle aandelen in een nieuw op te richten B.V. verkrijgen (dit zal in Januari 2007 zijn).

Het is de bedoeling dat de closing deze week vrijdag zal plaatsvinden. Kun je mij laten weten of het mogelijk is (zodra ik het groene licht heb ontvangen van [A] en ik je dit zo spoedig mogelijk laat weten) om de getekende stukken woensdag per email naar mij te sturen?

Omdat de stukken in counterparts worden getekend verzoek ik je vriendelijk waar vereist de documenten in tweevoud of drievoud door [AA] te laten ondertekenen. Voor de closing hebben we voldoende aan de electronische versies van de door [AA] getekende stukken. We zullen direct na de closing doorgeven waar de originele docs naar toegezonden kunnen worden."

2.6

Op 13 december 2006 heeft de belanghebbende [BB] B.V. opgericht, die per oprichtingsdatum met de belanghebbende is gevoegd. Het verzoek tot om een fiscale eenheid met terugwerkende kracht is door hen ingediend op 28 december 2006 (zie 2.22). Bestuurder van [BB] is de vennootschap [CC] BV, die bestuurd wordt door [F].

2.7

De belanghebbende heeft zich tegen het risico van verlies op de aandelen [BB] ingedekt door op 1 december 2006 van [I] Coöperatief U.A. ([I]) een putoptie te kopen voor € 1 die haar het recht geeft uiterlijk 30 januari 2007 de aandelen [BB] voor € 18.000 aan [I] te verkopen, mits [BB] op uitoefeningsdatum een cash balance heeft ad minstens € 18.000 en geen schulden aan anderen dan [I].

2.8

[BB]’s doel is commanditair deelnemen in [H] Investments LLP (handelend onder de naam [G] Option Investments C.V.; hierna: [G] CV). [G] CV heeft speculeren met derivaten als doel. Op 1 december 2006 is [BB] (i.o.) een samenwerkingsovereenkomst aangegaan met [G] CV.

2.9

Om aan haar stortingsverplichting in [G] CV te voldoen heeft [BB] € 6 mio geleend van [I], welk bedrag haar verstrekt is in de vorm van zes promissory notes van elk € 1 mio, tegen een jaarlijkse rente ad 5,05%. [BB] is die rente schuldig gebleven. Op 1 december 2006 heeft [BB] een ‘contribution and assignment agreement’ met [G] CV gesloten op grond waarvan de zes promissory notes zijn ingebracht in [G] CV. Voor het overige heeft [BB] geen activiteiten ontplooid.

2.10

[G] CV heeft op 4 december 2006 drie call- en putoptiecontracten gesloten met [K] Trading C.V. ([K]). De Rechtbank heeft hieromtrent vastgesteld:

“2.11. [G] heeft drie optieovereenkomsten met de commanditaire vennootschap [K] Trading C.V. (hierna: [K]) gesloten. De beherend, respectievelijk commanditaire vennoot van [K] zijn [K] Investments LLP en [K] Investments Limited, beide vennoten gevestigd op de Britse Maagdeneilanden. De bezitter van de aandelen [K] Investments Limited is onbekend. De onderhandse overeenkomsten zijn gedateerd 4 december 2006, betreffen beleggingen in kortlopende opties met als onderliggende waarde de AEX-index en hebben een looptijd tot en met 15 december 2006. Uitoefening van het optierecht is alleen op de afloopdatum mogelijk. De AEX-index is op 30 november 2006 geëindigd op 473,32. De uitoefenprijs in de optiecontracten is 420 voor de gekochte put- en callopties en 440 voor de verkochte calloptie.”

2.11

Het per saldo resultaat van de onder 2.10 gesloten optiecontracten is een verlies ad € 2.588.000 voor [G] CV, dat als volgt in dier jaarrekening is verwerkt:

betaling op de drie optiecontracten € 3.000.000

resultaat op de drie optiecontracten € 2.588.000 -/-

te vorderen van [K] € 412.000

2.12

Er hebben geen girale transacties plaatsgevonden ter zake van de optiecontracten en de promissory notes. [G] CV’s resultaat over 2006 luidt als volgt:

resultaat op drie optiecontracten € 2.588.000 -/-

rente promissory notes € 10.574

resultaat [G] € 2.577.426 -/-

2.13

Als commandiet van [G] CV heeft [BB] dit verlies ad € 2.577.426 opgenomen in haar commerciële jaarstukken. In de aangifte Vpb 2006 is het verlies opgenomen in het resultaat van de fiscale eenheid, dus van de belanghebbende.

2.14

Op 12 januari 2007 heeft de belanghebbende de door [I] geschreven putoptie uitgeoefend, waardoor [I] de aandelen [BB] verwierf en de fiscale eenheid werd verbroken.

2.15

Belanghebbendes aangiften Vpb vóór en ná 2006 zijn verzorgd door [C]. De belanghebbende is door de Inspecteur uitgenodigd tot het doen van aangifte Vpb 2006. [C] heeft op 27 maart 2007 voor haar cliënten uitstel gevraagd van het doen van aangifte (kenmerk [001]; het Beconnummer van [C]). Het Hof heeft aannemelijk geoordeeld (r.o. 4.1 en 4.2.5) dat zulks mede namens de belanghebbende is geschied. De Belastingdienst heeft dat verzoek op dezelfde 27 maart 2007 ontvangen.

2.16

Een intern memo van [C] van 30 maart 2007 vermeldt over het indienen van belanghebbendes aangifte Vpb 2006 (zie r.o. 2.19 Rechtbank):

“2.19. Onderwerp: jaarstukken en aangifte vennootschapsbelasting 2006 [….]

([H] transactie) (...)

Hedenochtend heb ik overleg gevoerd met [EE] inzake de afwikkeling van met name de aangifte vennootschapsbelasting 2006 van bovenstaande cliënt (inclusief verwerking [H] transactie). Naar nu blijkt dient niet door of namens [F] deze aangifte te worden ingediend maar door [A] zelf.

De jaarrekeningen 2006, alsmede de aangifte vennootschapsbelasting 2006 zijn in concept gereed en op blanco papier beschikbaar, dat wil zeggen dat cliënt zelf de jaarrekening opmaakt en zelf de aangifte indient. Aan [A] is gisteren een opdrachtbevestiging voorgelegd met dagtekening 29 maart 2007 waaruit blijkt dat [C] geen verantwoordelijkheid neemt voor de jaarrekening 2006. De jaarrekeningen alsmede de aangifte vennootschapsbelasting 2006 worden op basis van door [A] verstrekte informatie, en op basis van door [F] verstrekte fiscale input, geconcipieerd. In de opdrachtbevestiging is ook duidelijk vastgelegd dat wij op basis van deze informatie-input de jaarrekeningen en de aangifte hebben geconcipieerd. In het verleden hebben wij enkel een civielrechtelijke opinie over het [H] traject gegeven en dus geen fiscale opinie.

Via het originele aangifteprogramma van de Belastingdienst zal op basis van de door [A] verstrekte wachtwoorden de aangifte vennootschapsbelasting 2006 voor 1 april a.s. namens hem worden ingediend. Ik heb de vraag voorgelegd of het niet raadzaam is om in dezen een uitdrukkelijke standpuntbepaling in of bij deze aangifte op te nemen versus de fiscus. Dit zou ook kunnen door een separate (aanbiedings-) brief door [C] met standpuntbepaling over de verwerkte transactie. Aangezien de stukken thans reeds gereed zijn en een deadline dreigt, wordt er door [EE] uit efficiency-overwegingen de voorkeur aan gegeven de aangifte op vorenstaande wijze in te dienen. Ik heb aangegeven dat dan achteraf nog een separate toelichting door [C] kan worden ingediend.

Vervolgens heb ik aangegeven de diverse indieningsvarianten voor te leggen aan cliënt, die dan vervolgens zelf kan bepalen hoe hij de aangifte vennootschapsbelasting 2005 [sic; PJW] wil indienen.

Ik heb dan ook heden uitvoerig over deze kwestie getelefoneerd met [A] en hem de vraag voorgelegd of hij conform de opdrachtverstrekking zelf op blanco papier de jaarrekeningen wenst op te maken en de aangifte vennootschapsbelasting 2006 wenst in te dienen, dan wel of hij er voor kiest om dit door [C] te laten verzorgen. [A] geeft er de voorkeur aan om dit op de wijze in te dienen zoals door Kantoor [Q] is voorbereid, kortom via de methode dat hij zelf de aangifte indient en niet [C].

Nadat [A] heden de opdrachtbevestiging naar [FF] heeft gemaild, wordt namens [A] de aangifte vennootschapsbelasting via zijn eigen wachtwoord ingediend."

2.17

Op 4 november 2009 heeft de Belastingdienst [R] de Belastingdienst [P] het volgende bericht over de gang van zaken rond het verzoek om uitstel van aangifte:

"Uit onderstaand printje kun je zien dat door beconnr. [001] uitstel op papier (FU) is aangevraagd. (...) De ontvangstdatum was 27-03-2007. Aangezien er onder meldingen/foutmeldingen niets staat wil zeggen dat voor deze post gewoon uitstel is verleend. (...) Met een dagtekening op 5 april 2007 is aan de consulent een ontvangstbevestiging van dit formulier (niet reproduceerbaar) verzonden. Van de 20 verzoeken zijn er een aantal afgekeurd, zie de meldingen hieronder. BSN [002] staat hier niet tussen, maw uitstel is toegekend. Deze afkeuringen zijn ook met een dagtekening van 05-04-2007 aan hem toegezonden. (...)."

2.18

De Inspecteur heeft een en ander voor het Hof als volgt toegelicht (r.o. 2.6.2 Hof):

“* de eerste schermprint:

hieraan is te zien (zie de daarboven en daaronder vermelde uitleg) dat het kantoor met beconnummer [001] (dat is het beconnummer van [C]) uitstel voor het doen van aangifte heeft gevraagd voor belanghebbende. Er is vermeld dat de ontvangstdatum van die aanvraag 27 maart 2007 is. Ieder van de 20 belastingplichtigen waarvoor dit uitstel is gevraagd heeft eenzelfde soort schermprint als u hier ziet voor belanghebbende. Bovenaan staat de datum en het tijdstip van uitdraai van deze schermprint (4 november 2009, 15.55 uur). Het op 27 maart 2007 in gang gezette proces van de beoordeling van de aanvraag en de verlening van het uitstel wordt niet meer beïnvloed door een registratie van binnenkomst van de aangifte in een ander systeem. Daartussen is geen koppeling.

* de tweede schermprint:

hieraan is te zien (zie de daaronder vermelde uitleg) dat het uitstel is verleend voor de aangifte van belanghebbende. Zij komt niet voor in de lijst met foutmeldingen. U vraagt mij naar het 'zwart gemaakte balkje'; ik antwoord daarop dat dat de regel is die is aangeklikt voor een specificatie op een subscherm. Op dat subscherm staan de foutmeldingen, lk zou graag willen vaststellen dat [C] voor belanghebbende uitstel heeft gevraagd (schermprint 1) en dat zich daarbij geen incidenten hebben voorgedaan (schermprint 2). Daarmee staat tevens vast dat het beconuitstel op de reguliere wijze is verleend en dat [C] daar bericht over heeft ontvangen.”

2.19

Na de aangifte is een boekenonderzoek ingesteld bij de belanghebbende. Het controlerapport van 15 december 2009 vermeldt onder meer (zie r.o. 2.22 Rechtbank, overgenomen door het Hof):

"7. (…). Holding [X] BV heeft nog niet de gelegenheid gehad te reageren op het geschetste feitencomplex en het standpunt van de belastingdienst. De oorzaak is gelegen in het feit dat het rapport is uitgebracht kort voor het verstrijken van de termijn voor het vaststellen van de aanslag vennootschapsbelasting 2006. Deze termijn bedraagt 3 jaar, conform artikel 3 [bedoeld zal zijn: 11, lid 3; PJW] van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen. De aanslag wordt dan ook vastgesteld tot behoud van rechten."

2.20

Het rapport vermeldt over het resultaat van [BB] (zie r.o. 2.3 Hof):

"4.2. [BB] BV als commanditair vennoot

Op 1 december 2006 besluit [BB] BV i.o. een samenwerkingsovereenkomst aan te gaan (...) met [H] Investments LLP. Deze Limited Partnership Agreement is als samenwerkingsvorm vergelijkbaar met de Nederlandse commanditaire vennootschap. De nieuw overeengekomen samenwerkingsvorm gaat handelen onder de naam [[G] CV]. (...) [[G] CV] is een besloten CV, want er is geen vrije toetreding van vennoten. (...) het resultaat van de CV [wordt] rechtstreeks in aanmerking genomen bij [BB] BV. (...)

4.6

Resultaat [BB] BV 2006

[BB] BV heeft zelfstandig geen activiteiten, anders dan het deelnemen in (...) [[G] CV]. Het resultaat van [BB] BV wordt dan ook met name bepaald door het resultaat van de commanditaire vennootschap [[G] CV]. Deze CV heeft via zogenaamde OTC-contracten (...) belegd in zeer kortlopende opties op de AEX-index. (...) Het door [[G] CV] in 2006 in de jaarrekening verwerkte resultaat met deze optiecontracten bedraagt negatief € 2.577.426,-. (…).

Samenstelling resultaat 2006:

Call Option Premium Received € 25.000

[G] Options Investments Result -/- € 2.577.426

Interest expense -/- € 25.627

Resultaat 2006 [BB] B.V. -/- € 2.578.053

(…).

8. Conclusie (...) Bij het bepalen van het fiscale resultaat 2006 van [belanghebbende] dient het aan [BB] BV toe te rekenen verlies te worden geëlimineerd. (…).

Aangegeven belastbaar bedrag -/- € 2.449.796

Correctie:

Resultaat samenhangend met [BB] BV -/- € 2.578.053

Vast te stellen belastbaar bedrag 2006 € 128.257”

2.21

Het controlerapport gaat ook in op de door [G] CV met [K] gesloten optieovereenkomsten (zie r.o. 2.4 Hof).

"5.3 Optietransacties [G] Options Investments CV

5.3.1

Vormgeving optietransacties

Op 4 december 2006 sluit [G] Option Investments CV een drietal optieovereenkomsten met [K] Trading CV. Dit betreft zogenaamde OTC-contracten. Over The Counter (OTC) is een term die in de financiële wereld gehanteerd wordt wanneer de financiële transacties niet via de beurs verlopen, maar direct tussen twee partijen worden afgesloten. (...)

5.3.2.

Investering in drie OTC-optiecontracten

In de administratie zijn de drie volgende, op 4 december 2006 gedateerde OTC-overeenkomsten aangetroffen:

1. [G] Option Investments CV koopt 207.864 put-optiecontracten van [K] Trading CV. De onderliggende waarde is de AEX-index en de uitoefenprijs bedraagt 420. De premie bedraagt € 0,125 en is gebaseerd op de slotnotering aan Euronext van vrijdag 1 december 2006. De premie is gelijk aan het rekenkundig gemiddelde van de bied- en laatkoers. De totale koopsom bedraagt € 2.598.300,- zijnde 100 (omvang 1 optiecontract) * € 0,125 (optiepremie) * 207.864 (totaal aantal optiecontracten).

2. [G] Option Investments CV koopt 206 call-optiecontracten van [K] Trading CV. De onderliggende waarde is de AEX-index en de uitoefenprijs bedraagt 420. De premie bedraagt € 52,25 en is gebaseerd op de slotnotering aan Euronext van vrijdag 1 december 2006. De premie is bijna gelijk aan het rekenkundig gemiddelde van de bied- en laatkoers. De totale koopsom bedraagt € 1.076.350,- zijnde 100 (omvang 1 optiecontract) * € 52,25 (optiepremie) * 206 (totaal aantal contracten).

3. [G] Option Investments CV verkoopt 206 call-optiecontracten aan [K] Trading CV. De onderliggende waarde is de AEX-index en de uitoefenprijs bedraagt 440. De premie bedraagt € 32,75 en is gebaseerd op de slotnotering aan Euronext van vrijdag 1 december 2006. De premie is bijna gelijk aan het rekenkundig gemiddelde van de bied- en laatkoers. De totale verkoopsom bedraagt € 674.650,- zijnde 100 (omvang 1 optiecontract) * € 32,75 (optiepremie) * 206 (totaal aantal contracten).

Voor alle drie contracten geldt dat het Europese optiecontracten zijn, dit wil zeggen dat uitoefening alleen op de afloopdatum mogelijk is [Hof: te weten op 15 december 2006, 16.30u, Nederlandse tijd, als vermeld in bijlage 13 bij het verweerschrift in eerste aanleg].

De AEX-index is op vrijdag 30 november 2006 geëindigd op een stand van 473,32.

(...)

5.3.3

Resultaat [G] Options Investments CV

De AEX-index is vrijdag 15 december 2006 gesloten op een stand van 495,11. De investering in het putoptiecontract, ter waarde van € 2.598.300, heeft daarmee zijn waarde verloren. De invloed van de twee calloptiecontracten is relatief gering. Per saldo is op deze contracten een winst geboekt van € 10.300,- zijnde een winst van € 470.916,- en een verlies van € 460.616 (...)."

2.22

Het controlerapport vermeldt over de totstandkoming van de fiscale eenheid tussen de belanghebbende en [BB] (zie r.o. 2.5 Hof):

"7.2 De fiscale eenheid

[Belanghebbende] heeft op 28 december 2006 een fiscale eenheid Vennootschapsbelasting aangevraagd met ingang van de oprichtingsdatum van haar dochtermaatschappij [BB] BV. In het aanvraagformulier Vpb 62B heeft de adviseur van [belanghebbende] bij vraag 9 ingevuld dat zij de economische en juridische eigendom bezit van tenminste 95% van de aandelen van haar te voegen dochtermaatschappij [BB] BV. Op 18 januari 2007 heeft de Belastingdienst (...) de beschikking fiscale eenheid afgegeven. In het aanvraagformulier voor het afgeven van de beschikking fiscale eenheid heeft [belanghebbende] de Belastingdienst niet ingelicht over de op 1 december 2006 gedateerde optieovereenkomst met betrekking tot de bestaande aandelen [BB] BV."

2.23

De litigieuze aanslag Vpb 2006 is opgelegd op 9 januari 2010. De Inspecteur heeft [BB]’s optiesverlies niet in aftrek toegelaten, waardoor belanghebbendes belastbare winst gecorrigeerd is van negatief € 2.499.796 naar positief € 128.257. De belanghebbende heeft daartegen, en tegen de bijbehorende verliesvaststellingsbeschikking bezwaar ingediend, waarin zij onder meer betoogde dat de aanslag Vpb 2006 niet tijdig is opgelegd, nu geen uitstel voor het doen van aangifte is verleend. De Inspecteur heeft het bezwaar op 2 juni 2010 ongegrond verklaard. De belanghebbende is daartegen in beroep gekomen.

3 Het geding in feitelijke instanties

De Rechtbank Haarlem 6

3.1

In geschil was (i) of uitstel ex art. 11(3) van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is verleend voor het doen van aangifte Vpb 2006 en in verband daarmee of de Inspecteur de aanslag Vpb 2006 tijdig heeft opgelegd en zo ja, (ii) of terecht de belastbare winst van de fiscale eenheid is gecorrigeerd door [BB]’s verlies te veronachtzamen.

3.2

Ad (i) heeft de Rechtbank geoordeeld dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat [C] uitstel heeft gevraagd en dat het verzochte uitstel is verleend en op de gebruikelijke wijze aan [C] is gecommuniceerd, zodat de aanslag tijdig is opgelegd.

3.3

Ad (ii) heeft de Rechtbank geoordeeld dat het boven beschreven samenstel van rechtshandelingen een te negeren schijnconstructie is:

“4.3. De rechtbank is van oordeel dat er bij het samenstel van de handelingen bedoeld onder 2.7 tot en met 2.12 waar eiseres bij was betrokken, sprake is van schijnhandelingen in die zin dat de betrokken partijen hebben geweten dat de tussen hen naar de schijn gesloten overeenkomsten en door hen verrichte rechtshandelingen in werkelijkheid niet gelden. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van de volgende overwegingen en omstandigheden, gezamenlijk en in onderlinge samenhang beschouwd:

  1. Gelet op de gekozen uitoefenprijs bij en de aard van de optiecontracten, de zeer korte looptijd van deze contracten, de voor de opties betaalde prijs en de AEX-koers bij het afsluiten daarvan was het, zoals verweerder ook onbestreden heeft gesteld, nagenoeg zeker (bijna 99%) dat [BB] en dus eiseres een verlies van de omvang van de vrijgevallen herinvesteringsreserve zou lijden. De rechtbank verwijst hierbij naar de emails en andere stukken, hiervoor onder 2.3 tot en met 2.6 weergegeven, waaruit de vooropgezette bedoeling blijkt;

  2. Uit de hiervoor genoemde correspondentie komt bovendien naar voren dat indien de AEX-index zich anders zou ontwikkelen dan waar partijen bij het sluiten van de overeenkomsten vanuit zijn gegaan, de CV beoogde en in staat zou zijn door middel van aanvullend te sluiten soortgelijke overeenkomsten alsnog het gewenste verlies te realiseren;

  3. Het oorspronkelijk door [G] in het e-mailbericht van 24 september 2006 genoemde risico van iets boven de 1 % wordt nog verder verkleind doordat de in de overeenkomst tussen [G] en [K] genoemde optierechten uitsluitend op 15 december 2006 konden worden uitgeoefend;

  4. Het is in het zakelijk verkeer zeer onwaarschijnlijk dat een derde tegen een vergoeding van € 1 de verplichting op zich neemt op korte termijn aandelen [BB] voor € 18.000 te kopen terwijl voordien door deze vennootschap naar alle waarschijnlijkheid een zeer significant verlies gerealiseerd zal worden ten gevolge waarvan [BB] een zeer groot negatief vermogen zou hebben;

  5. De rechtbank acht het in het zakelijk verkeer verder zeer onwaarschijnlijk dat [BB], een nieuw opgerichte vennootschap met een eigen vermogen van € 18.000 zonder enige activiteiten, zonder verdere voorwaarden van een derde € 6.000.000 zou kunnen lenen voor transacties waarvan het nagenoeg zeker is dat [BB] hierop een significant verlies zal lijden;

  6. Op grond van de gesloten leningovereenkomst heeft [I] het recht eiseres aan te spreken voor niet-(volledige) terugbetaling van de lening van € 6.000.000 door [BB], nu eiseres op 12 januari 2007 nog aandeelhouder van [BB] was, maar verweerder heeft onweersproken gesteld dat dit tot op heden niet gebeurd is, hetgeen in derdenverhoudingen ongebruikelijk is;

  7. Uit de genoemde e-mailberichten volgt ook - naar de rechtbank begrijpt - dat weliswaar voor € 3.000.000 optiecontracten zijn gesloten door de CV waarin [BB] als commanditair vennoot participeerde en dat de leningen betrekking hadden op € 6.000.000, maar dat de verschillen in bedragen tussen de gesloten overeenkomsten slechts bedoeld zijn om de feitelijke bedoeling van partijen te verhullen.

4.4.

De werkelijke bedoeling van partijen is het met behulp van een papieren werkelijkheid waaraan geen reële betekenis kan worden toegekend, een fiscaal verlies voor eiseres te creëren waarvan 65% ten goede komt aan de bij de overeenkomsten betrokken wederpartijen van eiseres. Uit het hiervoor overwogene volgt dan ook dat de door eiseres en [BB] gesloten overeenkomsten - de lening door [BB] van € 6.000.000 van [I], de optietransacties die [G] Options Investments CV is aangegaan en de putoptie die eiseres op de aandelen [BB] heeft verkregen - dienen te worden genegeerd. Verweerder heeft derhalve terecht aangevoerd dat daarom bij de vennootschapsbelastingheffing bij eiseres met het gestelde verlies van [BB] geen rekening hoeft te worden gehouden.”

3.4

De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep, ook wat betreft de verliesvaststelling, ongegrond verklaard. De belanghebbende is daartegen in hoger beroep gekomen.

Het Gerechtshof Amsterdam 7

3.5

Ook voor het Hof was in geschil, voor zover in cassatie nog van belang, (i) of uitstel is verleend voor het doen van aangifte Vpb 2006 en in verband daarmee of de Inspecteur de aanslag Vpb 2006 tijdig heeft opgelegd; zo ja (ii) of terecht de belastbare winst van de fiscale eenheid is gecorrigeerd door [BB]’s verlies te veronachtzamen.

3.6

De belanghebbende stelde ad (i) dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat uitstel is verleend noch dat zulk uitstel aan haar kenbaar is gemaakt. Zij wees op een Resolutie uit 1968,8 waaruit volgt dat de Inspecteur alleen buiten de reguliere aanslagtermijn kan aanslaan als zekerheid bestaat over verleend uitstel. Ad (ii) stelde de belanghebbende dat geen sprake was van schijn, noch van strijd met goed koopmansgebruik. Aan alle eisen voor totstandkoming van de fiscale eenheid was voldaan, nu de economische eigendom van de aandelen [BB] ten tijde van de aanvraag bij de belanghebbende berustte. Zij was gerechtigde en houder van een putoptie die zij naar eigen inzicht al dan niet kon uitoefenen.

3.7

De Inspecteur stelde ad (i) dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat [C] onder de Beconregeling namens de belanghebbende uitstel heeft gevraagd en gekregen en dat zulks is meegedeeld aan [C]. De Inspecteur stelde ad (ii) dat het gaat om absolutie simulatie van een verlies en dat de last om ondernemingslasten te bewijzen bij de belastingplichtige ligt. Subsidiair stelde hij dat de belanghebbende onzakelijk heeft gehandeld en in strijd met goed koopmansgebruik een verlies heeft genomen. Meer subsidiair stelde hij dat het resultaat van de transacties niet via de fiscale eenheid kan worden toegerekend aan de belanghebbende omdat zij bij het fiscale-eenheidsverzoek niet alle relevante informatie heeft verstrekt, zodat de eenheidsbeschikking ten onrechte is gegeven.

3.8

Ook het Hof achtte ad (i) aannemelijk dat uitstel is verleend tot 1 april 2008. Hij achtte op basis van de gedingstukken ten minste het vermoeden gerechtvaardigd dat de uitstelverlening ook aan [C] is bekendgemaakt; de belanghebbende heeft dat vermoeden niet ontzenuwd. Daar doet volgens het Hof niet aan af (i) dat de aangifte niet door [C] is ingediend, nu het bij art. 11(3) AWR niet gaat om de vraag wie het aangiftebiljet heeft ingediend, maar om de vraag of kenbaar uitstel is verleend; (ii) dat volgens de aangifte geen belastingconsulent optrad, nu [C] twee dagen voor de aangifte werd ingediend onder de Beconregeling namens de belanghebbende een uitstelverzoek had ingediend, waarmee de belanghebbende en [C] toerekenbaar de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid hebben gewekt; (iii) dat de controlerapporteurs dwaalden omtrent de uitstelverlening, noch (iv) de Resolutie uit 1968, nu voldoende zekerheid over het verleend zijn van uitstel bestond. Het Hof achtte daarom de aanslag tijdig opgelegd en heeft het beroep van de Inspecteur op conversie van de aanslag in een navorderingsaanslag buiten behandeling gelaten.

3.9

Ad (ii) achtte het Hof op basis van het controlerapport en de aanwezigheid van de contracten in het procesdossier – behoudens tegenbewijs door de Inspecteur – voldoende aannemelijk dat de rechtshandelingen reëel zijn:

“4.3.5. Uit het controlerapport blijkt dat in de administratie van belanghebbende overeenkomsten zijn aangetroffen. Tevens zijn in het controlerapport de tussen [BB] BV i.o. en [G] CV overeengekomen samenwerkingsovereenkomst en de aan belanghebbende toegekende putoptie op aandelen in [BB] BV beschreven. Tot de stukken van het geding behoren kopieën van deze overeenkomsten. Bovendien ontbreken in het controlerapport aanwijzingen (van feitelijke aard) die erop zouden wijzen dat sprake is van schijnhandelingen (in absolute zin). Op deze gronden dient naar het oordeel van het Hof in beginsel - en behoudens door de inspecteur te leveren tegenbewijs - ervan te worden uitgegaan dat sprake is van reële rechtshandelingen.”

3.10

Anders dan de Rechtbank, achtte het Hof de Inspecteur niet geslaagd in het (tegen)bewijs van schijnhandelingen, nu geen sprake was van (r.o. 4.3.6):

“een (samenstel van) rechtshandeling(en) dat (die) niet alleen fiscaalrechtelijk, maar ook civielrechtelijk niet bestaat(n), omdat partijen die rechtshandeling(en) in hun onderlinge verhouding niet zijn overeengekomen dan wel in hun onderlinge verhouding een of meer van die rechtshandeling(en) afwijkende rechtshandelingen zijn overeengekomen (schijnhandeling in absolute zin).”

3.11

Het Hof heeft vervolgens beoordeeld of [BB]’s verlies voortvloeit uit de door de belanghebbende gedreven onderneming, en heeft die vraag ontkennend beantwoord:

“4.3.9. Voor de beoordeling van de vraag of het verlies (van [BB] BV) als een 'voordeel' uit de door belanghebbende gedreven onderneming kan worden beschouwd is van belang dat belanghebbende zich tegen het voor haar rekening komen van dat verlies op voorhand had ingedekt door middel van de door haar verkregen put-optie op de aandelen in [BB] BV. Deze putoptie hield in dat belanghebbende zich vóór 12 januari 2007 en nadat zij bekend kon zijn met de aanwezigheid van het verlies van haar belang in [BB] BV kon ontdoen.

4.3.10.

Op 28 december 2006, bijna twee weken nadat is komen vast te staan dat het verlies is geleden ((…) na 15 december 2006, de afloopdatum van de optieovereenkomsten, (…)), is namens belanghebbende een aanvraag gedaan voor het aangaan van een fiscale eenheid tussen haar en [BB] BV per 13 december 2012, de oprichtingsdatum van [BB] BV. In beginsel zou dit aangaan van een fiscale eenheid tussen belanghebbende en [BB] BV ertoe leiden dat het resultaat over 2006 van [BB] BV als resultaat van belanghebbende zou behoren te worden aangemerkt. Echter, dit aangaan van een fiscale eenheid kan niet worden losgezien van de overige daarmee samenhangende rechtshandelingen, waaronder het door belanghebbende aangaan van de put-optieovereenkomst op aandelen in [BB] BV, in het kader waarvan aannemelijk is te achten dat het voor rekening van belanghebbende komen van een reëel verlies niet is beoogd. Belanghebbende had zich immers tegen de eventualiteit dat een verlies van [BB] BV voor haar rekening zou komen reeds op 1 december 2006 door het aangaan van die put-optieovereenkomst ingedekt.

4.3.11.

Onder de omstandigheden die zich nadien (meer in het bijzonder: op 15 december 2006) hebben voorgedaan, waarbij in aanmerking wordt genomen dat niet is gebleken van enige andere (voorgenomen) activiteit van [BB] BV dan het participeren in [G] CV, zou belanghebbende onzakelijk hebben gehandeld, indien zij ervoor zou kiezen de putoptie niet uit te oefenen. Naar mag worden aangenomen stond ook reeds eind 2006 vast dat belanghebbende de putoptie zou gaan uitoefenen, er is althans geen enkele zakelijke reden aannemelijk te achten op grond waarvan dat reeds toen niet moest worden verwacht.

4.3.12.

Dit betekent dat toen de aanvraag voor het aangaan van de fiscale eenheid werd ingediend, aannemelijk is te achten dat belanghebbende de putoptie zou gaan uitoefenen en dat daardoor die fiscale eenheid op een onmiddellijk aan de vervreemding van de aandelen [BB] BV voorafgaand moment zou worden ontbonden. Die vervreemding heeft, blijkens een tot de stukken behorende akte van 'verkoop, koop en levering' plaatsgevonden op 12 januari 2007.

4.3.13.

Het vorenstaande houdt in dat de enige relatie tussen het verlies en (de door) belanghebbende (gedreven onderneming) bestaat uit het, vanaf haar oprichting op 13 december 2006 tot - in ieder geval - 1 januari 2007 gevoegd zijn van [BB] BV met belanghebbende, terwijl aannemelijk is dat belanghebbende ten tijde van het aanvragen van de fiscale eenheid voornemens was [BB] BV te vervreemden. Die vervreemding lag als het ware besloten in het samenstel van rechtshandelingen dat door (onder meer) belanghebbende en haar directeur enig aandeelhouder was aangegaan.

4.3.14.

In het licht van de onder 4.3.13 bedoelde vervreemding van de aandelen in [BB] BV en het streven dat verlies economisch uitsluitend voor rekening van [BB] BV te laten bestond er voor belanghebbende, anders dan in het voorkomen van belastingheffing over een herinvesteringsreserve, geen zakelijke reden voor het door haar aanvragen van een fiscale eenheid. Weliswaar zou het (door [BB] BV geleden) verlies op grond van de totstandkoming van de fiscale eenheid met belanghebbende per 13 december 2006 als een verlies van belanghebbende moeten worden beschouwd, maar, nu vaststaat dat belanghebbende, beoordeeld naar het moment waarop zij besloot een fiscale eenheid met [BB] BV aan te vragen, civielrechtelijk/commercieel uit hoofde van de door [BB] BV aangegane rechtshandelingen geen verlies kon lijden, kan uitsluitend die aanvraag en de daarop gevolgde totstandkoming van de fiscale eenheid niet tot gevolg hebben dat het door [BB] BV (als 'special purpose vehicle') geleden verlies, als een (negatief) voordeel uit de onderneming van belanghebbende moet worden aangemerkt.”

3.12

Het Hof is tenslotte – volgens hem ten overvloede – ingegaan op het verband tussen [BB]’s verlies en [K]’s winst, oordelende dat met de optiecontracten slechts was beoogd een aftrekpost te creëren die de HIR-vrijval moest compenseren:

“4.3.15. Voor zover nodig voegt het Hof hieraan toe dat als gevolg van de optiecontracten tegengestelde risico's zijn komen te liggen bij [BB] BV en [K] in die zin dat [BB] BV een zeer grote kans op een gefixeerd verlies van ten naaste bij het bedrag van de vrijgevallen HIR, en een vrijwel verwaarloosbare kans op een zeer grote winst had, terwijl het omgekeerde het geval was bij [K]. Het negatieve risico van [BB] kon door middel van de garantiebepaling voor rekening van T. worden gebracht. Daarbij geldt dat positieve en negatieve risico's van optiecontracten kunnen worden 'uitgedoofd' door de winsten en corresponderende verliezen bij gelieerde partijen te laten neerslaan, dat de identiteit van de uiteindelijke belanghebbenden bij [K] niet kon worden vastgesteld en dat het om ongebruikelijke optiecontracten gaat die op maat kunnen worden gesneden. Op deze gronden is aannemelijk te achten dat met die rechtshandelingen geen ander belang is gediend dan het creëren van een aftrekpost ten behoeve van een belastingplichtige met een HIR-probleem.

4.3.16.

Het beroep van de inspecteur op de regels van goed koopmansgebruik behoeft verder geen behandeling. Dat geldt eveneens voor de stelling van de inspecteur dat tussen belanghebbende en [BB] BV ten onrechte een fiscale eenheid is tot stand gekomen.”

3.13

Het Hof heeft belanghebbendes hogere beroep daarom ongegrond verklaard.

4 Het geding in cassatie

Het principale cassatieberoep van de belanghebbende

4.1

De belanghebbende heeft tijdig en regelmatig beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris) heeft zich verweerd. De belanghebbende heeft gerepliceerd.

4.2

De belanghebbende stelt twee cassatiemiddelen voor, die ik als volgt samenvat:

(i) schending van art. 15 Wet Vpb of vormverzuim doordat het Hof heeft geoordeeld dat het door [BB] geleden verlies niet als negatief voordeel uit belanghebbendes onderneming kan worden aangemerkt; en

(ii) schending van art. 11 AWR of vormverzuim doordat het Hof heeft geoordeeld dat de aanslag Vpb 2006 tijdig is opgelegd.

4.3

Ad (i) stelt de belanghebbende dat het Hof een onjuiste maatstaf heeft gebruikt of onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn maatstaf. Uit ’s Hofs oordeel dat een fiscale eenheid tot stand is gekomen (r.o. 4.3.14 en 4.3.16) volgt onontkoombaar dat er in 2006 slechts één gemeenschappelijk resultaat van de belanghebbende en [BB] was. Het Hof schendt dit wettelijke uitgangspunt door [BB]’s negatieve voordeel buiten beschouwing te laten. Irrelevant is ’s Hofs oordeel dat de belanghebbende geen zakelijke reden zou hebben gehad om [BB] te voegen: de motieven voor voeging doen immers niet ter zake: de strekking van de fiscale eenheid is dat belastingplichtigen zich er naar eigen inzicht van fiscale wenselijkheid van kunnen bedienen en ook er weer van kunnen afzien. In het licht van de essentie van de fiscale eenheid (verrekening van winsten en verliezen in moeder-dochter-situaties) was er voor de belanghebbende nauwelijks een zakelijker reden voor voeging te bedenken dan compensatie van haar winst met [BB]’s verlies.

4.4

De belanghebbende stelt voorts dat het Hof buiten de rechtsstrijd is getreden en een verrassingsbeslissing heeft genomen, nu de Inspecteur bij verweer naast (i) schijnhandeling en (ii) het niet tot stand komen van de fiscale eenheid, slechts heeft gesteld (iii) dat de belanghebbende onzakelijk en in strijd met goed koopmansgebruik zou hebben gehandeld. Het Hof heeft die stelling anders uitgelegd dan de Inspecteur bedoelde en dan de belanghebbende mocht begrijpen. Uit geen enkele rechtsregel volgt dat een relatie vereist is tussen het verlies van een gevoegde dochter en de ondernemingsuitoefening van de moeder. Zelfs als dat anders zou zijn, spoort een verliesgevende dochter bij uitstek aan tot het aangaan van een fiscale eenheid. De beslissing tot voeging was al veel eerder genomen en de eenheid zou zijn tot stand gekomen ongeacht of ‘de beleggingen’ (de belanghebbende bedoelt denkelijk de optiecontracten; PJW) tot positief of negatief resultaat zouden leiden.

4.5

De belanghebbende acht voorts onbegrijpelijk ’s Hofs oordeel (r.o. 4.3.1.5) dat de positieve en negatieve risico’s ex de optiecontracten konden worden ‘uitgedoofd’ ‘door de winsten en corresponderende verliezen bij gelieerde partijen te laten neerslaan’, nu het Hof zelf heeft geoordeeld dat niet kon worden vastgesteld dat de partijen gelieerd waren.

4.6

Ad middel (ii) stelt de belanghebbende dat vertegenwoordigingsbevoegdheid slechts op verklaringen of gedragingen van de belastingplichtige zelf kan worden gebaseerd. Nu de belanghebbende binnen de reguliere aangiftetermijn zélf (door aan te vinken dat geen gebruik wordt gemaakt van een belastingconsulent) de aangifte heeft ingediend, had het Hof nader moeten motiveren waarom hij vertegenwoordigingsbevoegdheid aannam. Ad r.o. 4.2.8 betoogt de belanghebbende dat het Hof de omstandigheden had moeten aangeven die de Inspecteur in het controlerapport tot dwaling zouden hebben geleid en had moeten aangeven welke rol de belanghebbende daarbij dan wel zou hebben gespeeld; daarzonder kan niet geoordeeld worden dat de controlerapporteurs zouden hebben gedwaald. Ook acht de belanghebbende ’s Hofs verwerping van haar beroep op de Resolutie onjuist, nu de Inspecteur (het rapport) zelf heeft verklaard dat de reguliere aanslagtermijn gold, zodat sprake was van onduidelijkheid; in elk geval van een vermoeden dat geen uitstel was verleend. ‘s Hof oordeel dat er geen onzekerheid was, is daarmee onbegrijpelijk.

4.7

Bij verweer betoogt de Staatssecretaris ad middel (i) dat de belanghebbende ’s Hofs oordeel verkeerd leest:

“Anders dan belastingplichtige betoogt, koppelt het Hof "de gevolgtrekkingen" niet aan de fiscale eenheid. Het Hof overweegt aan de hand van de feiten dat belastingplichtige’s handelen onzakelijk is en dat het verlies derhalve moet worden geëcarteerd uit belastingplichtige's totaalwinst. Het Hof heeft dit zonder schending van enige rechtsregel kunnen oordelen en dit oordeel is ook op de juiste wijze gemotiveerd.”

4.8

Ad middel (ii) meent de Staatssecretaris dat het Hof zonder schending van enige rechtsregel kon oordelen dat kenbaar uitstel is verleend. De belanghebbende heeft niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat [C] – in afwijking van de jaren vóór en ná 2006 – in 2006 niet bevoegd was om rechtshandelingen namens de belanghebbende te verrichten. Pas in cassatie stelt de belanghebbende dat de aangifte door haar is ingediend; dit is in feitelijke instanties niet gesteld of aannemelijk geworden. De Staatssecretaris acht het beroep op de Resolutie terecht verworpen, nu bij de Inspecteur geen onzekerheid bestond over uitstelverlening.

Het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep van de Staatssecretaris

4.9

Voor het geval u één of meer principale cassatiemiddelen gegrond zou bevinden, heeft de Staatssecretaris incidenteel beroep in cassatie ingesteld. De belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

4.10

De Staatssecretaris stelt voorwaardelijk incidenteel één middel voor: het Hof heeft ten onrechte de stelling verworpen dat de belanghebbende in werkelijkheid geen verlies heeft geleden. Het Hof is ten onrechte voorbij gegaan aan de door de Rechtbank (r.o. 2.4 en 2.6) geciteerde stukken waaruit volgt dat de door de belanghebbende gepretendeerde rechtshandelingen niet zijn verricht. Het is nooit de bedoeling geweest dat de belanghebbende het verlies in economische zin zou dragen.

4.11

Bij verweer betoogt de belanghebbende dat de keuze en weging van bewijsmiddelen is voorbehouden aan het Hof. Ook overigens kan het voorwaardelijke incidentele middel haars inziens niet slagen omdat de stukken waarnaar de Staatssecretaris verwijst geenszins bewijs van schijn inhouden. De Staatssecretaris miskent dat fiscale motieven irrelevant zijn voor de vraag of sprake is van een schijnhandeling; het gaat erom dat de partijen bij de optiecontracten en de samenwerkingsovereenkomst in werkelijkheid niet iets anders zijn overeengekomen dan in die overeenkomsten staat.

5 Is uitstel van het doen van aangifte verleend? (middel (ii))

A. Uitstel van het doen van aangifte

5.1

Art. 9 AWR bepaalt onder meer dat de inspecteur een door hem bij de uitnodiging tot aangifte gestelde termijn kan verlengen. Wordt uitstel verleend, dan verlengt art. 11(3) AWR de aanslagtermijn met de duur van het uitstel:

“3. De bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag vervalt door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt deze termijn met de duur van dit uitstel verlengd.”

5.2

Art. 16(3) AWR verlengt ook de navorderingstermijn:

“3. De bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. (…). Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt de navorderingstermijn met de duur van dit uitstel verlengd. (…).”

5.3

De MvA bij art. 11(3) AWR vermeldt:9

“De vraag van de hier aan het woord zijnde leden of het uitstel voor het doen van aangifte ook ongevraagd of zelfs tegen de zin van een belastingplichtige kan worden verleend, kan ontkennend worden beantwoord.”

5.4

De MvA bij art. 16(3) AWR vermeldt:10

“Reeds thans is het gebruik, dat de inspecteur aan de belastingplichtige een kennisgeving toezendt van het op verzoek van deze laatste verleende uitstel en tevens in de eigen administratie aantekening houdt van de verleende uitstellen. Aan de hand van deze administratie kan de inspecteur op eenvoudige wijze nagaan of de navorderingsaanslag nog rechtsgeldig kan worden vastgesteld, terwijl ook de belastingplichtige van zijn kant aan de hand van de hem verstrekte kennisgeving kan vaststellen of de gestelde termijn is in acht genomen. (…).”

5.5

In de zaak HR BNB 1997/15911 oordeelde u op basis van deze parlementaire geschiedenis dat uitstelverlening slechts kan worden aangenomen als voor de belanghebbende duidelijk kenbaar was dat en voor welke periode uitstel is verleend. Nu daar in het berechte geval geen sprake van was, was de aanslagtermijn ex art. 11(3) AWR evenmin verlengd zodat de aanslag buiten de aanslagtermijn was opgelegd:

“3.4. (…). Ingeval een inspecteur op de voet van het bepaalde in artikel 9, lid 2, van de AWR de termijn voor het indienen van de aangifte heeft verlengd, heeft dit voor de belastingplichtige tot gevolg dat (…) de in artikel 11, lid 3, en artikel 16, lid 3, van de AWR genoemde termijnen, binnen welke de inspecteur bevoegd is hem een aanslag dan wel een navorderingsaanslag op te leggen, met het verleende uitstel worden verlengd. In het bijzonder laatstbedoeld gevolg is voor de belastingplichtige van zodanig gewicht, dat voor hem duidelijk kenbaar dient te zijn dat en voor welke periode het gevraagde uitstel is verleend. Anders dan het middel betoogt, is de enkele omstandigheid dat de belastingplichtige uit de gedragingen van de belastingadministratie heeft kunnen opmaken dat het gevraagde uitstel (stilzwijgend) is verleend, daartoe onvoldoende. De in het middel genoemde regeling van het zogenaamde automatische uitstel doet daaraan niet af, aangezien dit uitstel niet buiten medeweten van de belastingplichtige wordt verleend.”

Uitstel van het doen van aangifte kan dus niet impliciet of stilzwijgend verleend worden;12 de aanslagtermijn wordt slechts verlengd als aan de belastingplichtige (i) op diens verzoek, (ii) expliciet (voor hem duidelijk kenbaar) en (iii) termijnbepaald uitstel is verleend. U zie nader mijn conclusie van 18 juni 2014 in de bij u aanhangige zaak met nr. 13/05776.

B. De Uitstelregeling belastingconsulenten (Beconregeling) (2013)13

5.6

Ingevolge de Uitstelregeling belastingconsulenten (Beconregeling) kan door een belastingconsulent (voor meer cliënten tegelijk) uitstel worden gevraagd. Als een belastingconsulent om uitstel voor een cliënt verzoekt, wordt vertegenwoordigings-bevoegdheid van de consulent verondersteld:

“Uw verantwoordelijkheid als belastingconsulent

Wij beschouwen u als rechtsgeldige vertegenwoordiger van uw klanten. Als u een verzoek om uitstel doet en wij uitstel verlenen, verlenen wij dus uitstel aan uw klanten. En als u de uitstelregeling niet goed toepast, zijn de eventuele gevolgen voor uw klant. Het is daarom op de eerste plaats in het belang van uw klant dat u zich houdt aan de voorwaarden van de uitstelregeling. U bent er als belastingconsulent voor verantwoordelijk dat u uw klant informeert over het aanvragen van uitstel voor het doen van aangifte en de gevolgen daarvan.”

5.7

De Beconregeling vermeldt voorts:

“3.3.1. Ontvangstbevestiging

Nadat de belastingconsulent uitstel heeft aangevraagd, verwerkt de Belastingdienst zijn verzoek. De belastingconsulent krijgt van de Belastingdienst geen schriftelijke ontvangstbevestiging van zijn uitstelverzoek. Heeft de belastingconsulent een digitaal verzoek gedaan, dan krijgt hij direct een digitale ontvangstbevestiging. Als blijkt dat de Belastingdienst een bestand niet kan verwerken, krijgt de belastingconsulent hiervan meteen bericht. Na de verwerking van de uitstelverzoeken controleert de Belastingdienst de gegevens inhoudelijk. Als blijkt dat er fouten of gebreken zijn, ontvangt de belastingconsulent hiervan direct bericht.

3.3.2.

Overzicht met geweigerde uitstelverzoeken

Als de Belastingdienst het verzoek om uitstel weigert, krijgt de belastingconsulent een brief met daarin een overzicht van de geweigerde uitstelverzoeken. In het overzicht wordt aangegeven voor welke BSN/sofinummers en/of RSIN/fiscaal de verzoeken om uitstel zijn geweigerd. (…).

3.3.3.

Beslissing op het uitstelverzoek

In de maand april ontvangt de belastingconsulent van de Belastingdienst/Oost/team CVU/kantoor Almelo een inleverschema waarin staat hoeveel aangiften de belastingconsulent per inleverperiode moet insturen. Tevens ontvangt hij een overzicht met alle BSN/sofinummers en/of RSIN/fiscaal nummers waarvoor uitstel is verleend. Voor deze aangiften geldt de uitstelregeling met een uitstelperiode die loopt tot 1 mei.”

5.8

De Beconregeling vermeldt over afmelding van cliënten:

“Afmelden van een klant

Wilt u oude klanten voor het aangiftejaar 2013 van uw uitstellijst verwijderen? Stuur dan een Verklaring beëindiging machtiging (zie bijlage 2) naar Belastingdienst/kantoor Almelo, team CVU. Deze verklaring kunt u tot 15 maart 2015 insturen. Als u een klant afmeldt, sturen wij uw klant een brief met de nieuwe uiterste inleverdatum.”

5.9

De ‘Verklaring beëindiging machtiging’ (Bijlage 2) moet worden ondertekend door de belastingconsulent; ondertekening door de belanghebbende is optioneel:

“Verklaring beëindiging machtiging

(afmelding klant voor Uitstelregeling belastingconsulenten)

Aan belanghebbende [vermelden naam, adres en BSN of RSIN/fiscaal nummer van uw klant] is uitstel verleend voor het doen van aangifte [vermelden belastingsoort en aangiftejaar]. Dit uitstel is verleend naar aanleiding van een verzoek om toepassing van de Uitstelregeling belastingconsulenten [vermelden jaar] op naam van de belastingconsulent van belanghebbende [vermelden uw naam, adres en beconnummer]. Het verzoek is gebaseerd op een machtiging die belanghebbende aan de belastingconsulent heeft verleend. De machtiging van belanghebbende is beëindigd.

(Toelichting: maak uw keuze uit de volgende twee mogelijkheden)

[1 Onbekend is of belanghebbende een andere belastingconsulent heeft gemachtigd.

2 Belanghebbende heeft (nog) geen andere belastingconsulent gemachtigd.]

Verzoek

Ondergetekende(n) verzoekt (verzoeken) de registratie van het verleende uitstel te verwijderen uit de Uitstelregeling belastingconsulenten.

(Toelichting: maak uw keuze uit de volgende twee mogelijkheden)

[1 Belanghebbende is geïnformeerd over de gevolgen van dit verzoek.

2 Belanghebbende wordt zo spoedig mogelijk nader geïnformeerd over de gevolgen van dit verzoek.]

Als gevolg van deze afmelding kan de Belastingdienst het uitstel herzien dat aan de belanghebbende is verleend.

Ondertekening

Belastingconsulent Belanghebbende

(namens deze) (als dit van toepassing is)”

(Toerekenbare) (schijn van) vertegenwoordigingsbevoegdheid

5.10

Art. 41 AWR regelde tot 2007 de vertegenwoordiging van een belastingplichtige:

“1. Vertegenwoordiging kan plaats hebben krachtens volmacht dan wel met vergunning van de inspecteur.”

5.11

Per 1 januari 2007 is art. 41 AWR vervallen. Dat is als volgt toegelicht:14

“Artikel 41, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalt dat vertegenwoordiging kan geschieden krachtens volmacht dan wel met vergunning van de inspecteur. Artikel 2:1 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen door een gemachtigde kan laten vertegenwoordigen. Daarvoor gelden dan de bepalingen over vertegenwoordiging uit het Burgerlijk Wetboek. Er is derhalve geen reden voor handhaving van de in artikel 41, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen opgenomen bepaling dat vertegenwoordiging kan geschieden krachtens volmacht. (…).”

5.12

Art. 2:1(1) Awb luidt:

“1. Een ieder kan zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.”

5.13

De civielrechtelijke regels over volmacht waarbij aansluiting wordt gezocht, art. 3:60–3:79) van het Burgerlijk Wetboek (BW). Art. 3:60(1) BW luidt:

“1. Volmacht is de bevoegdheid die een volmachtgever verleent aan een ander, de gevolmachtigde, om in zijn naam rechtshandelingen te verrichten.”

5.14

Art. 3:72 BW bepaalt over het einde van een volmacht:

“'Een volmacht eindigt:

(...)

c. door herroeping door de volmachtgever;

d. door opzegging door de gevolmachtigde.”

5.15

In beginsel kan een volmachtgever slechts worden gebonden aan rechtshandelingen door een gevolmachtigde namens hem verricht voor zover hij daartoe volmacht heeft verleend, maar art. 3:61(2) BW breidt de juridische binding van de ‘vertegenwoordigde’ uit tot gevallen van toerekenbare schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid:

“2. Is een rechtshandeling in naam van een ander verricht, dan kan tegen de wederpartij, indien zij op grond van een verklaring of gedraging van die ander heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend, op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep worden gedaan.”

Civiele rechtspraak

5.16

Uit de civiele zaak HR NJ 1968/24615 volgt dat de schijn van vertegenwoordigings-bevoegdheid in de zin van art. 3:62(2) BW ook kan worden gewekt door een nalaten van de ‘vertegenwoordigde’:

“O. (…). dat echter de schijn van vertegenwoordiging waarop derden mogen afgaan niet slechts door een doen, doch onder omstandigheden ook door een niet-doen kan worden gewekt; (…).”

U overwoog vervolgens in die zaak:

“dat het Hof bij het door het Hof bedoelde niet-doen van de Synode [de vertegenwoordigde; PJW] blijkbaar heeft gedacht aan de omstandigheid dat de Synode, nadat Porsius [de pseudovertegenwoordiger; PJW] de verbouwingsopdracht had gekregen, die verbouwing verder geheel aan Porsius heeft overgelaten en geen maatregelen heeft genomen die er toe konden leiden dat Clijnk [de wederpartij; PJW] van de achtereenvolgens door de Synode aan de verbouwingskosten gestelde limieten op de hoogte werd gesteld;

dat het Hof daarbij in aanmerking heeft genomen dat de Kerk geacht moet worden van duur en ingrijpendheid der werkzaamheden op de hoogte te zijn geweest en tevens van de aanvang af geweten heeft dat de kosten van het enigszins goed bewoonbaar maken van het pand meer zouden moeten bedragen dan achtereenvolgens door de Synode is gevoteerd;

dat het Hof door onder deze omstandigheden te oordelen dat ook het niet-doen van de Synode heeft bijgedragen tot de bij Clijnk opgewekte en aan de Kerk toerekenbare schijn dat Porsius t.a.v. alle aan Clijnk opgedragen werkzaamheden bevoegd was de Kerk te vertegenwoordigen, geen rechtsregel heeft geschonden, terwijl de vraag of het Hof zulks in het onderhavige geval terecht heeft gedaan, afhangt van de waardering van feitelijke omstandigheden, welke voor toetsing in cassatie niet vatbaar is; (…).”

Uit deze zaak blijkt dat schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid ook aan de vertegenwoordigde kan worden toegerekend als diens schijnwekkende gedraging niet rechtstreeks jegens de wederpartij plaatsvond, maar de schijn uit een andere voor die wederpartij kenbare schijnwekkende gedraging van de vertegenwoordigde voortvloeide:

“O. dat deze tegenwerping echter onjuist is omdat de gedragingen van de Kerk op grond waarvan Clijnk Porsius als vertegenwoordiger van de Kerk heeft mogen beschouwen niet behoeven te zijn gedragingen van de Kerk tegenover Clijnk, doch ook in andere voor Clijnk kenbare gedragingen van de Kerk kunnen hebben bestaan; (…).

O. dat het Hof, dat tot die gedragingen allereerst de door de Kerk aan Porsius verleende opdracht heeft gerekend, er blijkbaar van is uitgegaan dat juist die opdracht Porsius de ook voor Clijnk kenbare hoedanigheid van architect en gemachtigde van de Kerk heeft verleend, in welke hoedanigheid Porsius aanvankelijk en voor dat de door de Kerk gestelde limiet was overschreden, bevoegdelijk namens de Kerk aan Clijnk opdrachten heeft kunnen verstrekken en ook heeft verstrekt; dat duidelijk is dat naar 's Hofs inzicht Clijnk in vertrouwen, op die door de Kerk aan Porsius verleende volmacht, ook nadat de volgens de Kerk aan Porsius gestelde, doch aan Clijnk niet bekend gemaakte limiet was overschreden, de hem door Porsius namens de Kerk gegeven opdrachten is blijven uitvoeren, en het Hof dan ook geen rechtsregel heeft geschonden door onder de gedragingen van de Kerk waaraan naar 's Hofs oordeel Clijnk het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat Porsius tot vertegenwoordiging van de Kerk bevoegd was gebleven, mede de aanvankelijk door de Kerk aan Porsius gegeven opdracht te begrijpen; (…).”

5.17

Wel moet de schijn van volmacht terug te voeren zijn op verklaringen of gedragingen (waaronder nalaten) van de vertegenwoordigde, aldus HR NJ 1994/303:16

“3.2. (…). In een geval als het onderhavige, waarin iemand in naam van een ander een rechtshandeling heeft verricht zonder volmacht daartoe, zal (…) de wederpartij tegenover degene in wiens naam is gehandeld zich alleen dan erop kunnen beroepen dat hij in de veronderstelling verkeerde dat een toereikende volmacht was verleend, indien die veronderstelling is gegrond op een of meer verklaringen of gedragingen van degene in wiens naam is gehandeld en die wederpartij op grond daarvan heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht aannemen, dat een toereikende volmacht was verleend. (…).”

5.18

Uw eerste kamer oordeelde in HR NJ 2010/11517 dat de schijn van vertegenwoordiging aan de vertegenwoordigde kan worden toegerekend als de wederpartij op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de vertegenwoordigde komen erop mocht vertrouwen dat volmacht was verleend:

“3.4. Bij de beoordeling van de door ING [de wederpartij; PJW] aangevoerde stellingen moet uitgangspunt zijn dat voor toerekening van schijn van volmachtverlening aan de vertegenwoordigde ook plaats kan zijn ingeval ING gerechtvaardigd heeft vertrouwd op volmachtverlening aan M. Ramkalup [de pseudovertegenwoordiger; PJW] op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van Bera Holding [de vertegenwoordigde; PJW] komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigings-bevoegdheid kan worden afgeleid.

Het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting als het dit uitgangspunt heeft miskend en bij zijn oordeel is uitgegaan van een te strenge maatstaf door, zoals hiervoor in 3.3 onder (a) vermeld, slechts onder 'zeer bijzondere omstandigheden' een beroep op schijn van volmachtverlening toelaatbaar te oordelen. (…).”

5.19

In HR NJ 2012/39018 overwoog uw eerste kamer, in lijn met de geciteerde zaken HR NJ 2010/115 en HR NJ 1968/246, dat voor toerekening van schijn van vertegenwoordigings-bevoegdheid aan de vertegenwoordigde een bepaald ‘toedoen’ van die laatste geen noodzakelijke voorwaarde is als de omstandigheden die tot gerechtvaardigd vertrouwen bij de derde leidden naar verkeersopvatting voor risico van de ‘vertegenwoordigde’ komen:

“3.7.1 Het (…) oordeel van het hof komt in de kern erop neer dat de bekendheid met het verzoek van Fujitsu [de wederpartij; PJW] niet op de voet van art. 3:61 lid 2 kan worden toegerekend aan Exel [de vertegenwoordigde; PJW], de moedermaatschappij van EFM. De schijn dat EFM [de pseudovertegenwoordiger; PJW] bevoegd was om van dit verzoek kennis te nemen namens haar moedermaatschappij Exel, die uitsluitend is gewekt door de pseudogevolmachtigde zonder toedoen van de pseudovolmachtgever, kan deze toerekening immers niet rechtvaardigen, aldus het (…) hof.

Dit oordeel is onjuist omdat voor toerekening van schijn van deze vertegenwoordigings-bevoegdheid ook plaats kan zijn ingeval Fujitsu gerechtvaardigd heeft vertrouwd op de bevoegdheid van EFM van dit verzoek kennis te nemen op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de door deze onbevoegd vertegenwoordigde achterman Exel komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigings-bevoegdheid kan worden afgeleid. Een "toedoen" van de achterman zoals door het hof verlangd, is daarvoor niet noodzakelijk (vgl. HR 19 februari 2010, LJN BK7671, NJ 2010/115).”

Fiscale rechtspraak over vertegenwoordiging bij aangifte(uitstel)

5.20

In HR BNB 1996/17619 oordeelde u dat als een belastingconsulent bevoegd is om de aangifte van een cliënt te doen, dat de bevoegdheid meebrengt om uitstel te vragen:

“4.1.2. Het middel betoogt in de eerste plaats dat het krachtens de Uitstelregeling belastingconsulenten verleende uitstel niet kan worden aangemerkt als een aan belanghebbende verleend uitstel of een daarmede op een lijn te stellen uitstel. Het Hof heeft dienaangaande geoordeeld dat nu de verzoeken om uitstel voor het indienen van het aangiftebiljet afkomstig waren van een professioneel advieskantoor, de Inspecteur redelijkerwijze ervan kon en mocht uitgaan dat deze verzoeken waren gedaan met instemming van belanghebbende. Hiermee heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de aan een belastingconsulent verstrekte opdracht om een belastingaangifte te verzorgen een volmacht impliceert om, zo de consulent dat dienstig oordeelt, uitstel voor de indiening van die aangifte te vragen.”

Kan en mag de Inspecteur aannemen dat het uitstelverzoek door de belastingconsulent is gedaan met instemming van de belanghebbende, dan wordt het uitstel aangemerkt als verleend aan de belanghebbende:

“Terecht ervan uitgaande dat dit oordeel meebrengt dat belanghebbende bij de verzoeken om uitstel rechtsgeldig vertegenwoordigd is geweest, heeft het Hof evenzeer terecht geoordeeld dat het tot 1 november 1980 verleende uitstel heeft te gelden als een aan belanghebbende verleend uitstel.”

5.21

In HR BNB 1998/32820 oordeelde u dat als de belastingplichtige de inspecteur niet meldt dat de eerder gemachtigde niet meer bevoegd is, de inspecteur mag (in dit geval zelfs moest) aannemen dat de ‘oude’ gemachtigde nog steeds bevoegd is:

“3. (…). Het Hof heeft geoordeeld dat, nu het beroepschrift eerst op 9 december 1994 is ingediend, belanghebbende niet-ontvankelijk in haar beroep dient te worden verklaard. Het Hof heeft daartoe overwogen: dat met dagtekening 8 februari 1988 door N 'formeel bezwaar' is gemaakt tegen de onderhavige aanslag; dat de Inspecteur ervan mocht uitgaan dat uitsluitend C vanaf juni 1988, althans vanaf 14 november 1990, optrad als gemachtigde van belanghebbende in de bezwaarprocedure; dat niet gesteld of gebleken is dat N in oktober 1993 nog optrad als gemachtigde van belanghebbende; dat de Inspecteur in oktober 1993 de uitspraak op het bezwaarschrift aanvankelijk terecht aan C heeft toegezonden en dat, toen vervolgens bleek dat deze niet meer als gemachtigde optrad, de uitspraak ter kennis is gebracht van belanghebbende; dat het, nu belanghebbende te dien tijde geen andere gemachtigde had aangewezen, het op haar weg lag binnen de wettelijke termijn van twee maanden zelf een beroepschrift tegen de uitspraak in te dienen bij het Hof; dat er mitsdien geen goede grond bestaat, waarop dient te worden geoordeeld dat de beroepstermijn toen nog niet is aangevangen.

In zoverre de middelen opkomen tegen het in deze overwegingen besloten liggende oordeel dat de Inspecteur geen rechtsregel heeft geschonden door niet aan de indiener van het bezwaarschrift, N, een afschrift van haar uitspraak te zenden, zijn zij gegrond. 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding houden niet in dat van de zijde van belanghebbende aan de Inspecteur te kennen is gegeven dat N niet meer als haar gemachtigde optrad, zodat ervan dient te worden uitgegaan dat N nog als gemachtigde van belanghebbende is aan te merken.”

Happé annoteerde in BNB 1998/328:

“2. (…). Omdat belanghebbende nooit aan de inspecteur had kennisgegeven dat N niet meer zijn gemachtigde was, had de inspecteur ervan uit moeten gaan dat N nog steeds als gemachtigde was aan te merken. De rechter maakt hiermee duidelijk dat de inspecteur niet op de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid mag afgaan. Hij mag niet uit de omstandigheden afleiden of een belastingplichtige een gemachtigde heeft, en zo ja, wie dat is. Bij twijfel dient hij een en ander te verifiëren bij de belastingplichtige zelf. Aldus had de inspecteur de regel geschonden dat de stukken in elk geval aan de gemachtigde moeten worden gezonden. Gevolg hiervan was dat de beroepstermijn niet was begonnen en dat belanghebbende ruim een jaar later nog tijdig een beroepschrift kon indienen. Deze opvatting van de Hoge Raad is naar mijn mening duidelijk ontleend aan art. 3:72 BW. Voorzover van belang luidt dit artikel: 'Een volmacht eindigt: (...) door herroeping door de volmachtgever.' En een dergelijke herroeping, c.q. kennisgeving ontbrak in het onderhavige geval. (…).”

D. Toepassing op belanghebbendes geval

(Toerekenbare)(schijn van) vertegenwoordigingsbevoegdheid bij aangifte(uitstel)

5.22

De Staatssecretaris stelt dat de belanghebbende pas in cassatie stelt dat niet [C] maar de belanghebbende zelf de aangifte 2006 heeft gedaan. Uit r.o. 2.6.3 van de Hofuitspraak maak ik echter op dat het Hof feitelijk heeft vastgesteld dat de aangifte 2006 door de belanghebbende is ingediend:

“2.6.3. In het door [A] namens belanghebbende ingediende aangiftebiljet vennootschapsbelasting 2006 is bij de vraag of gebruik wordt gemaakt van een belastingconsulent "nee" geantwoord.”

Wel vermeldt het proces-verbaal van de Hofzitting dat de aangifte waarschijnlijk toch door [C] is ingediend, maar met gebruik van de gegevens van de belanghebbende. Wat daarvan zij, in elk geval tot de aangifte Vpb 2006 én daarna was [C] gemachtigd om namens de belanghebbende haar aangiften Vpb te verzorgen en in te dienen. Namens de belanghebbende heeft [C] ook voor 2006 om uitstel van aangifte verzocht, via de al die jaren gebruikelijke Beconregeling. [C] heeft de belanghebbende niet op het bij de Beconregeling horende formulier ‘Verklaring beëindiging machtiging’ afgemeld van de uitstellijst. Evenmin heeft de belanghebbende zelf de Inspecteur duidelijk gemaakt dat [C] eenmalig, uitsluitend voor het formele indienen van het aangifteformulier 2006, niet als gemachtigde zou optreden. De belanghebbende heeft in feitelijke instantie voorts niet gesteld dat zij [C]’s volmacht jegens [C] heeft herroepen, noch dat [C] jegens haar heeft opgezegd (zie art. 3:72 BW in 5.14). Zelfs als één van die handelingen zich zou hebben voorgedaan, is de Inspecteur daarvan noch door [C], noch door de belanghebbende op de hoogte gebracht. De belanghebbende heeft in hoger beroep juist gesteld dat de aangifte door [C] is opgesteld.21 Het enige dat de belanghebbende dus kennelijk zelf heeft gedaan (of zelfs dát heeft [C] voor haar gedaan), nadat [C] voor haar de aangifte had opgesteld, en slechts drie dagen nadat [C] namens haar om uitstel had verzocht, is een vakje aanvinken dat geen gebruik wordt gemaakt van een belastingconsulent, welke aanvinking onverenigbaar is met het drie dagen eerder namens haar door [C] gedane uitstelverzoek.

5.23

Gezien deze omstandigheden, kon het Hof zonder schending van het recht oordelen dat de Inspecteur bij de behandeling van het uitstelverzoek op [C]’s bevoegdheid mocht vertrouwen en dat bij eventueel ontbreken de schijn ervan toegerekend kan worden aan de belanghebbende. Toerekenbaarheid van de schijn van bevoegdheid aan de ‘vertegenwoordigde’ kan immers ook voortvloeien uit een nalaten zijnerzijds (zie 5.16 - 5.19 en 5.21 hierboven). De in 5.22 genoemde omstandigheden die de Inspecteur op het voortduren van de bekende machtiging deden vertrouwen, kon het Hof voorts naar verkeersopvatting voor risico van de belanghebbende houden (zie de rechtspraak in 5.16 t/m 5.19 hierboven). De enkele omstandigheid dat drie dagen nadat bevoegdelijk om uitstel van aangifte werd verzocht, de aangifte is ingediend met een daarmee onverenigbare aanvinking dat geen gebruik wordt gemaakt van een belastingconsulent, hoefde de Inspecteur niet te doen twijfelen aan de bevoegdelijkheid van het drie dagen daarvóór door [C] ingediende en kennelijk gebruikelijke uitstelverzoek. De Inspecteur hoefde niet te onderzoeken of de machtiging was ingetrokken (zie HR BNB 1998/328 in 5.21). Het lag op de weg van de belanghebbende dan wel [C] om de Inspecteur (expliciet) ervan in kennis te stellen dat de bevoegdheid was vervallen dan wel éénmalig niet gold voor de aangifte 2006.

5.24 ’

’s Hofs oordeel, erop neerkomende dat de ontstane situatie, met name de schijn van bevoegdheid die daardoor jegens de Inspecteur is gewekt, naar verkeersopvatting voor rekening van de belanghebbende komt, zodat de schijn van bevoegdheid van [C] haar rechtens toegerekend kan worden, getuigt mijns inziens niet van een onjuiste opvatting over de betekenis van de boven (5.10 – 5.21) geciteerde wetgeving en rechtspraak.

Kenbaarheid van de verlening van het uitstel

5.25

Een schermprint van de Belastingdienst vermeldt dat op 5 april 2006 – volgens de in de Beconregeling opgenomen gebruikelijke handelwijze – een ontvangstbevestiging van het uitstelverzoek is verzonden aan [C]. Op dezelfde datum is aan [C] ook een overzicht verstuurd van afgewezen uitstelverzoeken, waarin belanghebbendes BSN niet voorkomt. Het uitstel is in de systemen van de Belastingdienst verwerkt; op een print van de Belastingdienst is onder het kopje ‘meldingen/foutmeldingen’ niets vermeld.

5.26

Het Hof kon hieraan het vermoeden ontlenen dat de gebruikelijke Becon-wegen zijn gevolgd en dat [C] dus op de gebruikelijke wijze kenbaar is gemaakt dat en tot wanneer uitstel was verleend. De belanghebbende heeft dat vermoeden niet ontzenuwd: zij heeft niets gesteld dat twijfel doet rijzen aan het gevolgd zijn van de gebruikelijke Becon-wegen. Het aan [C] op 5 april 2006 meegedeelde uitstel heeft te gelden als aan de belanghebbende verleend uitstel (zie HR BNB 1996/176 in 5.20).

6 Komt [BB]’s optiesverlies ten laste van de belanghebbende? (middel (i))

A. Fiscale eenheid

6.1

Bij vennootschappen in een fiscale eenheid wordt vennootschapsbelasting geheven alsof er één belastingplichtige is (de moedermaatschappij). Art. 15 Wet Vpb luidt:

“1. Ingeval een belastingplichtige (moedermaatschappij) de juridische en economische eigendom bezit van ten minste 95 percent van de aandelen in het nominaal gestorte kapitaal van een andere belastingplichtige (dochtermaatschappij) wordt op verzoek van beide belastingplichtigen de belasting van hen geheven alsof er één belastingplichtige is, in die zin dat de werkzaamheden en het vermogen van de dochtermaatschappij deel uitmaken van de werkzaamheden en het vermogen van de moedermaatschappij. De belasting wordt geheven bij de moedermaatschappij. De belastingplichtigen tezamen worden in dat geval aangemerkt als fiscale eenheid. (…).

(…).

5. De fiscale eenheid komt tot stand op een door de belastingplichtigen in het verzoek, bedoeld in het eerste lid, aan te geven tijdstip, doch niet eerder dan drie maanden voor het tijdstip waarop het verzoek is gedaan.

6. De fiscale eenheid eindigt:

a. indien niet langer aan de bij of krachtens dit artikel gestelde vereisten wordt voldaan;

(…).”

6.2

Reeds in 194022 werd met het oog op verliesverrekening tussen maatschappijen binnen hetzelfde concern de mogelijkheid geopend fiscaal ‘in elkaar op te gaan’. De fiscale eenheid dient vooral saldering van winsten en verliezen binnen een groep:23

“Uitgangspunt bij de heffing van vennootschapsbelasting is de subjectieve belastingplicht, dat wil zeggen dat elk lichaam afzonderlijk in de heffing wordt betrokken. Dit geldt in beginsel ook voor lichamen die deel uitmaken van een concern, met als gevolg dat ook bij concerns alle lichamen zelfstandig hun fiscale winst dienen te bepalen en ook afzonderlijk daarvan aangifte moeten doen. Een uitvloeisel hiervan is dat er ook binnen een concern in beginsel geen onderlinge verrekening mogelijk is van winsten en verliezen die door de concernlichamen worden behaald. Behaalt het ene concernlichaam een winst, dan is dat lichaam daarover in beginsel vennootschapsbelasting verschuldigd (eventuele «eigen» verliescompensatie daargelaten) ook al behalen de andere concernlichamen een verlies.

Dit laatste vormde bij het ontwerp van de Wet op de winstbelasting 1940 de aanleiding een bepaling op te nemen op basis waarvan onderlinge verliesverrekening mogelijk zou worden. De bepaling is uiteindelijk geïntroduceerd in artikel 27 van het Besluit op de Winstbelasting 1940 en vervolgens opgenomen in artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet). Deze, als fiscale eenheid ingeburgerde, regeling is echter niet beperkt tot de mogelijkheid verliezen binnen een groep te verrekenen.”

6.3

Belastingheffing alsof er één belastingplichtige is, is ingevoerd bij de Wet herziening regime fiscale eenheid in 2003; tot die wijziging werd de gevoegde dochter geacht opgegaan te zijn in de moedervennootschap en dus fiscaal als subject verdwenen te zijn. Die opgaan-in-benadering zou aanvankelijk worden vervangen door fiscale consolidatie:24

"Voorgesteld wordt daarom de benadering van het «opgaan in» te vervangen door de, ook in het jaarrekeningenrecht bekende, rekentechnische benadering van «volledige consolidatie» van de winsten en vermogensbestanddelen van de fiscale eenheidsmaatschappijen, waarbij de subjectieve belastingplicht van die maatschappijen uitdrukkelijk gehandhaafd blijft.”

6.4

Die consolidatie is na de nodige kritiek vervangen door de alsof-benadering:25

“Een en ander is voor mij aanleiding geweest om de gekozen benadering [consolidatie; PJW] nog eens grondig te bezien. Centraal stond daarbij de vraag of het mogelijk is te komen tot een aanpak die wel de voordelen van de 'opgaan in' benadering heeft, maar buiten twijfel stelt dat de dochtermaatschappijen subjectief belastingplichtig blijven. Mijn conclusie is dat dit kan worden gerealiseerd door in de wettekst te verwoorden dat de belasting van de belastingplichtigen die deel uitmaken van de fiscale eenheid wordt geheven alsof sprake is van één belastingplichtige in die zin dat de werkzaamheden en het vermogen van de dochtermaatschappijen deel uitmaken van de werkzaamheden en het vermogen van de moedermaatschappij. Daarmee wordt aangegeven dat sprake is van een 'fictie': de vennootschappen blijven wel subjectief belastingplichtig, maar voor de bepaling van het heffingsobject, de verschuldigde belasting alsmede de eventuele vermindering daarvan ingevolge regels ter voorkoming van dubbele belasting worden de maatschappijen van de fiscale eenheid behandeld als één belastingplichtige. Het laatste betekent dat voor de toepassing van de bepalingen die het heffingsobject bepalen, dat wil zeggen voor de toepassing van de hoofdstukken II, III (en IV) van de wet, waar wordt gesproken van 'belastingplichtige', de maatschappijen van de fiscale eenheid tezamen in aanmerking worden genomen. Deze benadering benadrukt zoveel mogelijk het karakter van de fiscale eenheid, maar biedt toch ruimte voor het oplossen van knelpunten die zich bij de huidige 'opgaan in' benadering voordoen.”

6.5

In de alsof-benadering blijven gevoegde dochters zelfstandig subjectief belasting-plichtig, wat van belang is voor het onder belastingverdragen vereiste fiscale inwonerschap:26

“Het feit dat de subjectieve belastingplicht van de dochtermaatschappijen gehandhaafd blijft, is van belang voor de toepassing van de belastingverdragen. Op deze wijze wordt de verdragsgerechtigdheid van de dochtermaatschappijen gewaarborgd.”

6.6

Zelfstandige berekening van de winst van een gevoegde dochter is alleen aan de orde als de belastingwet dat expliciet bepaalt, zoals bij de voorkoming van dubbele belasting en bij de verrekening van (voorvoegings)verliezen binnen de fiscale eenheid:27

“Zoals gezegd, moeten bij deze benadering de wettelijke bepalingen die niet zien op de subjectieve belastingplicht, op het niveau van de fiscale eenheid worden toegepast, alsof er slechts één belastingplichtige is. Voor zover voor de toepassing van één van deze bepalingen de zelfstandigheid van een dochtermaatschappij wél voorop moet staan, zoals bij voorbeeld bij de berekening van de voorkoming van dubbele belasting in artikel 15ac, vierde lid, zal dit expliciet in de wet tot uitdrukking worden gebracht. Dit is dus anders dan bij de consolidatiebenadering, waarbij hoofdregel was dat de wet op de belastingplichtigen afzonderlijk zou moeten worden toegepast, tenzij expliciet anders was bepaald.“

6.7

Volgens Kok leidt winstbepaling alsof er één belastingplichtige is ertoe dat horizontale verliesverrekening (verrekening van winsten en verliezen binnen hetzelfde jaar, zie 6.16 – 6.23) strikt genomen binnen de eenheid niet kan bestaan:28

“Een tweede gevolg van de fiscale eenheid is dat niet alle gevoegde lichamen een eigen resultaat behalen, maar dat slechts sprake is van één resultaat: het resultaat van de fiscale eenheid. In dit verband wordt wel gezegd dat de fiscale eenheid horizontale verliescompensatie tot gevolg heeft.29

Strikt genomen, is het gebruik van de term ‘horizontale verliescompensatie’ onjuist: er zijn niet verschillende resultaten die met elkaar worden verrekend, er is maar één resultaat, namelijk het fiscale-eenheidsresultaat.30

(…). (…). Het feit dat (fiscaal) slechts sprake is van één resultaat is het automatische gevolg van het feit dat er (fiscaal) slechts sprake is van één vermogen.”31

95% van het juridische en economische aandelenbezit

6.8

De moedervennootschap moet minstens 95% van de juridische en economische eigendom van de aandelen in de te voegen dochter bezitten (art. 15(1) Wet Vpb). De MvT bij de herziening in 2003 geeft voorbeelden van gevallen waarin daar niet aan voldaan is:32

“(…). Ook indien de aandelen in de dochtermaatschappij zijn gecertificeerd, zal in het algemeen niet aan de bezitseis zijn voldaan. Evenmin wordt aan de bezitseis voldaan indien een moedermaatschappij de economische eigendom van alle aandelen in de dochtermaatschappij verliest. Gedacht kan bij voorbeeld worden aan de situatie van een projectontwikkelingsmaatschappij die in opdracht van een derde een project ontwikkelt. Indien van tevoren reeds bekend is dat de aandelen in die projectontwikkelingsmaatschappij zullen worden verkocht, wordt het project als het ware voor rekening en risico van deze derde ontwikkeld en berust de economische eigendom ook bij die derde.”

6.9

Volgens de Staatssecretaris33 kan het schrijven van een optie op de aandelen in de dochter ertoe leiden dat niet (meer) aan de bezitseis wordt voldaan.

6.10

Volgens Kok34 is de moedervennootschap geen economische bezitter van de aandelen in de dochter als de waardeveranderingen van die aandelen haar niet volledig aangaan:

“Indien een moedermaatschappij (een deel van) haar aandelenbelang in een dochtermaatschappij heeft afgedekt met putopties, heeft zij niet meer de volledige economische eigendom van (dat deel van) het aandelenbelang. Zij deelt immers niet meer (volledig) in een waardedaling van het belang.”

En dezelfde:35

“(…). Ik meen dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen door de moedermaatschappij geschreven opties op bestaande, in het bezit van de moedermaatschappij zijnde, aandelen en door de dochtermaatschappij uitgegeven opties op nieuwe of bestaande eigen aandelen. De toets die mijns inziens namelijk moet worden aangelegd, is of de moedermaatschappij de volledige juridische en economische eigendom van ten minste 95% van de bestaande aandelen in de dochtermaatschappij bezit. Indien de moedermaatschappij callopties heeft geschreven op aandelen in de dochtermaatschappij, heeft de moedermaatschappij niet meer de volledige economische eigendom van die aandelen. Het opwaartse potentieel komt immers aan de optiehouders toe.”

De fiscale-eenheidsbeschikking

6.11

De inspecteur beslist op het verzoek om een fiscale eenheid bij beschikking (art. 15(8) Wet Vpb). Hij doet dat op basis van de informatie die hem door de belastingplichtigen is toegestuurd met behulp van hiervoor door de Belastingdienst opgestelde formulieren.

6.12

Volgens Kok biedt de wet geen mogelijkheid om de fiscale-eenheidsbeschikking met terugwerkende kracht in te trekken als blijkt dat zij ten onrechte is afgegeven:36

“Mijns inziens kan van de inspecteur worden verwacht dat hij grondig onderzoekt of aan de eisen voor het vormen van een fiscale eenheid is voldaan. Indien de inspecteur op basis van een eventueel nader onderzoek zijn beschikking zou willen intrekken, heeft die intrekking, naar mijn mening, echter pas effect vanaf het moment dat zij aan de belastingplichtigen kenbaar is gemaakt. Deze benadering doet recht aan het streven naar rechtszekerheid, waarop de staatssecretaris met de beschikkingprocedure het oog heeft (…).
Ik meen dat de inspecteur de beschikking niet met terugwerkende kracht kan intrekken, omdat de wet deze mogelijkheid niet biedt. Dit betekent dat ook een belastingplichtige die informatie achterhoudt of onjuiste informatie verstrekt (bijvoorbeeld over het uitstaan van opties op aandelen in de dochtermaatschappij) ook als hij niet aan de fiscale-eenheidsvoorwaarden voldoet, het regime fiscale eenheid deelachtig is, totdat de inspecteur de beschikking intrekt. Ik leid mijn standpunt af uit het feit dat bij een aantal andere (maar overigens ook niet alle) beschikkingen in de Wet Vpb. 1969 en de Wet IB 2001 is bepaald dat zij kunnen worden herzien met terugwerkende kracht. Soms is dat niet aan een voorwaarde gebonden, zoals bij de vaststelling van het opgeofferde bedrag in art. 13d, tiende lid, Wet Vpb. 1969. Soms is dat onder de voorwaarde dat sprake is van een nieuw feit of het te kwader trouw zijn van de belastingplichtige, zoals bij art. 20b Wet Vpb. 1969.

Zou de bevoegdheid tot herziening als algemene rechtsregel bestaan, dan waren deze bepalingen niet nodig geweest. Ik neem daarom aan dat zo’n algemene rechtsregel niet bestaat. In dit verband kan voorts worden gewezen op de voorwaarden die worden gesteld aan navordering. Als er een algemene rechtsregel zou zijn dat de inspecteur beschikkingen zou kunnen herzien, dan zou art. 16 AWR hieraan beperkingen opleggen, wat zich niet laat rijmen met het oordeel van de Hoge Raad dat navordering een buitengewoon middel is tot belastingheffing.

Naar mijn mening wordt een belastingplichtige die verkeerde informatie verstrekt, dus beschermd. Ik begrijp dat dit een uiterst onbevredigende conclusie is. (…).”

6.13

Strik stelt dat herziening niet mogelijk is indien het gewijzigde inzicht van de inspecteur niet is gebaseerd op gewijzigde feiten en omstandigheden en stelt voorts dat het vertrouwensbeginsel in dat geval tot het moment van intrekking van de fiscale eenheid-beschikking in de weg kan staan aan een juiste wetstoepassing:37

“Het antwoord van de staatssecretaris brengt voorts mee dat de inspecteur bij onveranderde feiten en omstandigheden aan zijn goedkeurende beschikking gebonden is. Mocht de inspecteur op basis van een nadere beschouwing omtrent de (niet gewijzigde) feiten later alsnog tot het oordeel komen dat de desbetreffende belastingplichtigen niet in een fiscale eenheid verenigd kunnen zijn, dan zal hij hen daarvan schriftelijk in kennis moeten stellen en dienen aan te geven dat vanaf een bepaald in de schriftelijke aankondiging vermeld tijdstip de fiscale eenheid geacht wordt te zijn verbroken. Dit tijdstip kan niet liggen vóór de datum waarop de brief door de belastingplichtigen in ontvangst is genomen. Uiteindelijk zal het natuurlijk de belastingrechter zijn die over het al dan niet kunnen voortduren van de fiscale eenheid moet beslissen indien partijen daarover van mening blijven verschillen. Met betrekking tot situaties als deze kan worden geconcludeerd dat de door de inspecteur afgegeven goedkeurende beschikking op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel, tot aan het tijdstip van herroeping van de eerder afgegeven beschikking aan een juiste wetstoepassing in de weg kan staan. Van deze onjuiste wetstoepassing is natuurlijk alleen sprake in de gevallen waarin de inspecteur achteraf terecht heeft geconstateerd dat geen fiscale eenheid mogelijk was.”

6.14

Dit is volgens Strik anders als de fiscale-eenheidsbeschikking is gebaseerd op onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de aanvragers. De beschikking ontbeert zijns inziens in dat geval materiële rechtskracht:38

“Kan de goedkeurende beschikking inzake de fiscale eenheid door de inspecteur met terugwerkende kracht worden herzien indien de belastingplichtigen de inspecteur onjuist en/of onvolledig hebben voorgelicht? (…). Naar analogie van de navordering ex art. 16 AWR zien wij geen reden om de inspecteur gebonden te achten aan een beschikking die op basis van een onjuiste en/of onvolledige voorstelling van zaken door de belastingplichtigen is afgegeven. De beschikking ontbeert namelijk materiële rechtskracht zodat, zolang deze onjuiste relevante feiten en omstandigheden voortduren, de beschikking haar beoogde effect mist. Hierbij ware (nogmaals) te bedenken dat bij het aanvragen van een fiscale eenheid tussen de inspecteur en de betrokken maatschappijen veelal geen uitgebreide informatie-uitwisseling plaatsvindt. De belastingplichtigen volstaan in de regel met het kort beantwoorden van de in het hierboven genoemde formulier gestelde vragen. Dit komt neer op het vaak zonder enige toelichting verstrekken van de gevraagde feitelijke informatie alsmede een bevestigende/ontkennende beantwoording van de gesloten vragen.”

6.15

Kok meent dat als de fiscale-eenheidsbeschikking wordt vernietigd, de fiscale eenheid nooit heeft bestaan:39

“Ook tegen een toewijzende beschikking kan bezwaar (en beroep) worden ingesteld, bijvoorbeeld omdat de naam van een dochtermaatschappij onjuist is gespeld. Gelet op het feit dat bezwaar en beroep op grond van art. 6:16 Awb geen schorsende werking heeft, wordt de fiscale eenheid gedurende de bezwaarprocedure geacht te bestaan. Wordt de beschikking vernietigd, dan heeft de fiscale eenheid nooit bestaan.”

Verliesverrekening binnen de fiscale eenheid

6.16

Uit 6.1 – 6.7 hierboven volgt dat het heffingsobject van de fiscale eenheid in beginsel wordt bepaald alsof er één belastingplichtige is en dat het resultaat van een dochter slechts bij uitzondering afzonderlijk wordt bepaald, onder meer indien nodig voor de verrekening van (voor)voegingsverliezen en -winsten binnen de fiscale eenheid. Art. 15ae Wet Vpb ziet op de verticale verrekening van de verliezen van de fiscale eenheid (verliesverrekening over de jaren heen); art. 15ah Wet Vpb regelt de toerekening van het resultaat van de fiscale eenheid aan de afzonderlijke maatschappijen binnen hetzelfde jaar. De conclusie van deze paragraaf is dat de aan een bij oprichting meteen gevoegde dochter toe te rekenen eenheidsresultaten aangemerkt worden als resultaten van haar oprichtster, zodat in casu [BB]’s verlies normaal gesproken, zoals beoogd, bij de belanghebbende terecht zou komen. Om bij die conclusie te arriveren moet men een aantal taaie bepalingen langs die ik hieronder citeer, waarvoor ik om vergeving vraag (ook ik lees liever ander proza), maar het leek mij gewenst het volledige relevante verrekeningskader paraat te hebben.

6.17

Art. 15ae(1) Wet Vpb (tekst 2007) bepaalt – in aanvulling op artikel 20 Wet Vpb – ter zake van de verticale verrekening van verliezen van de fiscale eenheid met vóórvoegingsresultaten van een gevoegde maatschappij:

“1. Voor de toepassing van artikel 20, tweede lid, vindt: (…)

a. de verrekening van door een maatschappij voor haar voegingstijdstip geleden verliezen (voorvoegingsverliezen) met de belastbare winst van de fiscale eenheid plaats voorzover deze winst aan die maatschappij is toe te rekenen;

b. de verrekening van een verlies van de fiscale eenheid met de voor het voegingstijdstip van een maatschappij genoten belastbare winst van die maatschappij plaats voorzover het verlies aan die maatschappij is toe te rekenen;

c. indien een bestaande fiscale eenheid wordt uitgebreid of indien een bestaande fiscale eenheid wordt opgenomen in een nieuwe fiscale eenheid – de verrekening van een voor dat voegingstijdstip geleden verlies van die bestaande fiscale eenheid met de belastbare winst van de fiscale eenheid plaats voorzover deze winst is toe te rekenen aan de maatschappijen die direct voorafgaande aan dat voegingstijdstip tot de bestaande fiscale eenheid behoorden;

d. indien een bestaande fiscale eenheid wordt uitgebreid of indien een bestaande fiscale eenheid wordt opgenomen in een nieuwe fiscale eenheid – de verrekening van een na dat voegingstijdstip geleden verlies van de fiscale eenheid met de belastbare winst van de bestaande fiscale eenheid plaats voorzover dit verlies is toe te rekenen aan de maatschappijen die direct voorafgaande aan dat voegingstijdstip tot de bestaande fiscale eenheid behoorden.”

6.18

De bepaling is als volgt toegelicht (mijn curs.):40

“Dit artikel heeft betrekking op de verrekening van verliezen over het voegingstijdstip heen. (…). Voor zowel de voorwaartse verrekening van verliezen geleden vóór het voegingstijdstip met de winst van de fiscale eenheid als de achterwaartse verrekening van verliezen van de fiscale eenheid met vóór het voegingstijdstip behaalde winst geldt als uitgangspunt dat niet meer verrekend mag worden dan verrekend had kunnen worden wanneer de belastingplichtige geen deel zou hebben uitgemaakt van de fiscale eenheid. (…).

In onderdeel b is bepaald dat verliezen van de fiscale eenheid slechts mogen worden verrekend met winsten van een maatschappij van vóór het voegingstijdstip voorzover de verliezen van de fiscale eenheid aan die maatschappij zijn toe te rekenen.”

6.19

Uit 6.17 en 6.18 volgt dat om voorvoegingsresultaten van de (maatschappijen van de) fiscale eenheid te kunnen verrekenen eerst het resultaat van de fiscale eenheid moet worden toegerekend aan de gevoegde maatschappijen. Ingevolge art. 12 van het Besluit Fiscale Eenheid 2003 (BFE) geschiedt deze toerekening overeenkomstig art. 15ah Wet Vpb. Die bepaling luidde in 2007:

“1. Voor de toepassing van de artikelen 15ab, tweede lid, en 15ae wordt onder de aan een maatschappij toe te rekenen winst van de fiscale eenheid verstaan de winst van die maatschappij berekend alsof zij geen deel uitmaakt van de fiscale eenheid, voorzover deze winst zonder toepassing van artikel 10d bij de fiscale eenheid tot uitdrukking komt en met inachtneming van het tweede en derde lid. (…).”

6.20

Art. 12 BFE luidt (tekst 2007):

“1. Voor de toepassing [van; PJW] artikel 15ae van de wet wordt de aan een maatschappij toe te rekenen winst van de fiscale eenheid bepaald op de voet van artikel 15ah, eerste lid, van de wet met in achtneming van het navolgende: (…);

b. indien de berekening van het resultaat van de fiscale eenheid over een jaar per saldo leidt tot verlies, wordt de winst van een maatschappij over dat jaar zoveel mogelijk gesaldeerd met de verliezen van maatschappijen die geen aanspraak hebben op verrekening van verliezen van tijdens de fiscale eenheid met winsten van voor hun voegingstijdstip. Een resterend deel van die winst wordt gesaldeerd met de verliezen van de andere maatschappijen naar verhouding van de verliezen van die maatschappijen.”

6.21

Ingevolge art. 5(4) BFE (tekst 2007) worden voor de toepassing van art. 15ae Wet Vpb de aan een nieuw opgerichte dochter toerekenbare winsten aangemerkt als winsten van de maatschappij die de dochter heeft opgericht:

“4. Voor de toepassing van artikel 15ae, eerste lid, van de wet wordt de aan een met ingang van haar oprichting gevoegde dochtermaatschappij toe te rekenen winst van de fiscale eenheid aangemerkt als winst van de maatschappijen die deze dochter hebben opgericht, naar rato van hun kapitaalinbreng.”

6.22

De toelichting bij art. 5(4) BFE luidt:41

“Het vierde lid bevat een tegemoetkoming voor de verrekening van voorvoegingsverliezen. In artikel 15ae, eerste lid, van de wet is bepaald dat de verrekening van voorvoegingsverliezen van een maatschappij met de belastbare winst van de fiscale eenheid slechts kan plaatsvinden voorzover de winst van de fiscale eenheid aan die maatschappij is toe te rekenen. Het tweede [vierde; PJW] lid van artikel 5 maakt daarop een uitzondering voor de situatie waarin één of meerdere maatschappijen een nieuwe dochter oprichten die vanaf de oprichting wordt gevoegd in dezelfde fiscale eenheid. Indien in volgende jaren een winstsplitsing dient plaats te vinden op de voet van artikel 15ae van de wet, worden de resultaten van deze nieuw opgerichte dochtermaatschappij vanaf de oprichting voor de berekening van de aan een maatschappij toe te rekenen winst van de fiscale eenheid toegerekend aan de maatschappijen die de dochter hebben opgericht, naar rato van hun respectievelijke kapitaalinbreng. Dit lid maakt het mogelijk dat voorvoegingsverliezen van de oprichtende maatschappij, evenals thans, worden verrekend met winsten afkomstig van de nieuw opgerichte dochter en vice versa [curs. PJW]. Hiermee wordt gevolg gegeven aan een toezegging in de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer bij het wetvoorstel herziening regime fiscale eenheid (26 854, nr. 6, blz. 25). Deze regeling betekent een versoepeling ten opzichte van het huidige beleid, omdat niet langer van belang is of er binnen de bestaande fiscale eenheid op het moment van oprichting van de dochtermaatschappij al winstsplitsing dient plaats te vinden. Voor het opnemen van deze beperking zie ik thans niet langer aanleiding.

Overigens volgt uit de structuur van de wet en dit besluit dat de aan de nieuw opgerichte dochtermaatschappij toe te rekenen winst, die op grond van deze bepaling voor de toepassing van artikel 15ae van de wet wordt aangemerkt als winst van de oprichter(s), wordt bepaald met in achtneming van artikel 15ah van de wet. Verschuivingen van stille reserves van andere maatschappijen naar de nieuw opgerichte dochtermaatschappij werken dus niet via het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van dit besluit door naar de oprichtende maatschappijen.”

De bedoelde toezegging luidt:42

“De leden van de CDA-fractie vragen of er in navolging van de huidige regeling met betrekking tot dochtermaatschappijen die bij oprichting zijn gevoegd in een fiscale eenheid, geen beperkingen zullen gelden voor verliescompensatie over het voegingstijdstip heen.

Hierop kan ik antwoorden dat er in dit geval inderdaad geen beperkingen gelden voor verliescompensatie over het voegingstijdstip heen, tenzij de moedermaatschappij op dat tijdstip reeds een fiscale eenheid vormt met één of meer andere dochtermaatschappijen.”

6.23

Vanaf 1 januari 2007 verwijst de bepaling naar het (gehele) eerste lid van art. 15ae Wet Vpb; tot dit tijdstip verwees de bepaling slechts naar de onderdelen a en b van art. 15ae(1) Wet Vpb (zie onderdeel 6.17). De wijziging is als volgt toegelicht:43

“Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de verwijzing in het vierde lid naar artikel 15ae, eerste lid, onderdelen a en b, te vervangen door artikel 15ae, eerste lid. Het vierde lid dient ook te gelden voor de toepassing van de onderdelen c en d van dat lid.”

Hoewel in de bepaling en de toelichting slechts wordt gesproken over voorvoegingsverliezen (art. 15ae(1)(a)), ziet de regeling dus kennelijk ook op de verrekening van voorvoegingswinsten (art. 15ae(1)(b)), zoals die van de belanghebbende. De conclusie is dat deze regelingen, met name art. 5(4) BFE (tekst 2007) ertoe leiden dat in uitgangspunt [BB]’s verlies gecompenseerd kan worden met belanghebbendes voorvoegingswinst.

B. Niet uit de onderneming voortvloeiende lasten; veevoederprovisies, touroperators en renpaarden

6.24

Uit ’s Hofs r.o. 4.3.13 en 4.3.14 volgt dat hij geen relevant verband zag tussen [BB]’s verlies en belanghebbendes onderneming: hij ziet als enige relatie met belanghebbendes onderneming het zeer kortstondig met de belanghebbende gevoegd zijn van [BB], die zelf niets deed buiten het synthetiseren van een verlies, en acht dat onvoldoende verband met de ondernemingsuitoefening omdat van te voren vaststond dat die voeging meteen na de overheveling van het kunstmatige verlies weer ongedaan gemaakt zou worden en omdat het overgehevelde kunstmatige verlies noch civielrechtelijk noch economisch ten laste van de belanghebbende kon komen. In r.o. 4.3.15 voegt het Hof daar – zijns inziens ten overvloede – aan toe dat aannemelijk is dat de optiecontracten geen ander doel dienden dan het creëren van een aftrekpost voor belanghebbendes HIR-probleem.

6.25

Dit is een rechtskundig enigszins wollig oordeel. Het eerste deel lijkt gebaseerd te zijn op – zonder ernaar te verwijzen - uw onzakelijke-kostenrechtspraak, met name HR BNB 1995/15 (touroperator) en 1995/16 (veevoederprovisies), en mogelijk ook op uw gemengde-kostenrechtspraak: uw (1e44 en 2e45) Cessna-, Renpaarden-46 en Bentley47-arresten. Het laatste deel lijkt in te houden dat aan het subjectieve vereiste (antifiscale opzet) voor toepassing van fraus legis is voldaan.

6.26

HR BNB 1995/15 (touroperator) en BNB 1995/16 (veevoederprovisies) betroffen uitgaven die de ondernemingsuitoefening niet dienden, zodat zij in hun geheel niet konden worden aangemerkt als zakelijk en niet ten laste van de winst kwamen. De Cessna-, Renpaarden- en Bentleyrechtspraak houdt in dat uitgaven die weliswaar binnen de ondernemingsuitoefening vallen niettemin fiscaal niet ten laste van de ondernemingswinst komen voor zover zij in een zodanige wanverhouding tot het nut voor de onderneming staan dat geen redelijk denkende ondernemer die uitgaven tot een dergelijk beloop zou maken.

6.27

HR BNB 1995/1548 betrof een touroperator-BV die voor haar directeur, tevens 49%-aandeelhouder, ruim ƒ 13.000 aan reis- en verblijfkosten had uitgegeven. Het hof had, hoewel niet aannemelijk was dat de kosten de ondernemingsuitoefening dienden, aftrek toegestaan omdat de inspecteur niet had bewezen dat de directeur als aandeelhouder was bevoordeeld. U oordeelde echter dat als vaststaat dat de uitgaven niet zakelijk zijn, zij niet ten laste van de winst komen, ook niet als niet komt vast te staan dat de uitgaven aan een aandeelhouder ten goede zijn gekomen:

“3.2. Het Hof heeft - in cassatie niet bestreden - geoordeeld dat belanghebbende tegenover de betwisting door de Inspecteur onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat voornoemde kosten een zakelijk karakter dragen.

3.3.

Vervolgens heeft het Hof - eveneens in cassatie niet bestreden - geoordeeld dat de Inspecteur tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende heeft bedoeld B te bevoordelen in zijn hoedanigheid van aandeelhouder van belanghebbende door de kosten voor haar rekening te nemen. Het Hof heeft hieraan de gevolgtrekking verbonden dat voor een correctie op dit punt geen plaats is.

Het middel, dat zich tegen deze gevolgtrekking keert, slaagt.

's Hofs oordeel dat de onderhavige uitgaven niet een zakelijk karakter dragen, dwingt immers tot de slotsom dat zij niet ten laste van de winst kunnen worden gebracht, ook al is niet vastgesteld dat die uitgaven aan een aandeelhouder ten goede zijn gekomen.”

6.28

HR BNB 1995/1649 ging om een BV die in veevoederhalffabrikaten handelde. Haar grootste afnemer was een in de VS gevestigde ongelieerde vennootschap. Zij sloot een overeenkomst met een Antilliaanse NV die haar technische bijstand en marketingdiensten zou verlenen. De BV betaalde daarvoor grote bedragen aan de Antilliaanse vennootschap, maar ontving geen tegenprestatie. Onduidelijk bleef wie er achter de Antilliaanse vennootschap zat, maar duidelijk was dat de Amerikaanse afnemer er niet bij betrokken was. Het hof oordeelde dat de uitgaven slechts tot de kosten van belanghebbendes onderneming kunnen worden gerekend indien de betalingen zijn gedaan met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming. Nu de inspecteur dat gemotiveerd had betwist en het om een aftrekpost ging, lag het op de weg van de belanghebbende aannemelijk te maken dat de kosten ten behoeve van de onderneming waren gemaakt. Nu vaststond dat de Antilliaanse NV geen (tegen)prestatie had geleverd, achtte het zulks niet aannemelijk. U oordeelde:

“3.2. Indien vaststaat dat een belastingplichtig lichaam een betaling heeft gedaan zonder dat blijkt van enige tegenprestatie, kan deze uitgave slechts dan tot de kosten van de door de belastingplichtige gedreven onderneming worden gerekend, indien deze aannemelijk maakt dat de uitgave ten behoeve van die onderneming is gedaan. Door in de ten processe geschetste omstandigheden van belanghebbende het bewijs te verlangen dat de betalingen zijn gedaan met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming, heeft het Hof derhalve de bewijslast niet onredelijk verdeeld, zodat middel 1, voor zover dit van het tegendeel uitgaat, faalt.

Nu het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende voormeld bewijs niet heeft bijgebracht, welk oordeel als van feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst, heeft het belanghebbendes standpunt terecht verworpen.

(…).”

6.29

Uw tweede Cessna-arrest HR BNB 2002/210 bevestigde dat de Cessna-toets uit HR BNB 1983/202 voor gemengde kosten van een ondernemer/natuurlijke persoon (inkomsten-belasting; onttrekking) ook geldt voor rechtspersonen (vennootschapsbelasting: uitdeling).

6.30

Het Renpaardenarrest HR BNB 2002/290 betrof een uitzendbureau dat als verkoopkosten aftrok de kosten van het houden van twee renpaarden en het laten deelnemen van deze paarden aan drafwedstrijden. De inspecteur stond aftrek niet toe, nu de uitgaven zijns inziens slechts de aandeelhouder geriefden. Volgens het hof waren de kosten weliswaar in het kader van de onderneming gemaakt, maar zou een redelijk denkend ondernemer hen nooit tot dit beloop hebben gemaakt. U oordeelde:

“3.3. (…). Anders dan in de literatuur uit het arrest van de Hoge Raad van 21 september 1994, nr. 29 199, BNB 1995/15 [Touroperator; PJW], wel is afgeleid, ontberen door een vennootschap gedane uitgaven slechts dan een zakelijk karakter - en kunnen zij derhalve niet ten laste van de winst worden gebracht - indien en voor zover zij zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder(s).

3.4. (…)

dat het Hof op grond van de in zijn uitspraak omschreven wanverhouding die het heeft bevonden tussen de door belanghebbende gemaakte kosten voor het houden van paarden en het laten deelnemen van deze paarden aan drafwedstrijden en het bedrag dat een redelijk handelende ondernemer zou hebben besteed voor het bereiken van een resultaat dat vergelijkbaar is met hetgeen door belanghebbende is gerealiseerd en beoogd, alsmede op grond van de persoonlijke bijzondere interesse van de directeur/ enig aandeelhouder van belanghebbende in de paardensport, tot de gevolgtrekking is gekomen dat de bedoelde kosten niet alleen met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming zijn gemaakt, maar ook ter bevrediging van persoonlijke behoeften van de directeur/enig aandeelhouder. Deze oordelen en de daaraan verbonden gevolgtrekking geven, aldus verstaan, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op hun juistheid worden getoetst. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk.

(…).

3.7.

Het middel faalt ook voor het overige. Anders dan in het middel wordt betoogd, heeft het Hof (…) niet miskend dat bedrijfseconomische beslissingen ter beoordeling van de ondernemer staan en dat het niet aan de fiscus of de rechter is gevolgen te verbinden aan een van het oordeel van de ondernemer afwijkende opvatting over het zakelijk nut van bepaalde uitgaven. Indien in geschil is of de ondernemer een bepaalde uitgave heeft gedaan met het oogmerk daarmee de zakelijke belangen van de onderneming te dienen, dan wel (tevens) met het oogmerk van bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder(s), overschrijdt de rechter de grenzen van zijn taak niet door de werkelijke aard van de uitgaven te beoordelen.”

6.31

Het Bentley-arrest HR BNB 2008/139 tenslotte betrof een BV en haar gevoegde werkmaatschappij (een advocatenkantoor) die kosten ten behoeve van een groot aantal zeer dure en luxe auto’s ten laste van de winst bracht. Door de inspecteur werd een beperkt aantal auto’s als zakelijk geaccepteerd; de rest werd niet in aftrek toegelaten. U overwoog:

“3.2. (…). Door een vennootschap gedane uitgaven ontberen slechts dan een zakelijk karakter - en kunnen derhalve niet ten laste van de winst worden gebracht - indien en voor zover zij zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder(s). Indien in geschil is of de ondernemer een bepaalde uitgave heeft gedaan met het oogmerk daarmee de zakelijke belangen van de onderneming te dienen, dan wel (tevens) met het oogmerk van bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder(s), overschrijdt de rechter de grenzen van zijn taak niet door de werkelijke aard van de uitgaven te beoordelen (HR 14 juni 2002, nr. 36 453, BNB 2002/290).

3.3.

Het Hof heeft met betrekking tot de jaren 1998 en 1999 geoordeeld dat de Inspecteur voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de uitgaven voor auto's - met uitzondering van de uitgaven voor auto's die in aftrek zijn aanvaard - uitsluitend zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van A in zijn hoedanigheid van aandeelhouder van belanghebbende. Hierbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat A een liefhebber is van exclusieve auto's, dat (uitsluitend) hij besliste omtrent de aan- en verkoop van de auto's en dat die auto's (uitsluitend) hem ter beschikking stonden. Voorts heeft het Hof daarbij in aanmerking genomen de omvang van de totale uitgaven, het aantal auto's waarop die uitgaven betrekking hebben, alsmede het feit dat het om zeer luxe en dure auto's gaat. Dit oordeel, dat 's Hofs beslissing aangaande de uitgaven voor auto's zelfstandig draagt, geeft in het licht van het hiervoor in 3.2 overwogene geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het Hof heeft met dit oordeel evenmin de grenzen van zijn taak overschreden. De klachten falen derhalve ook voor het overige.”

6.32

Hoewel BV’s en NV’s geacht worden hun onderneming met hun gehele vermogen uit te oefenen (art. 2(5) Wet Vpb) kunnen lasten waarvan de onzakelijkheid vaststaat c.q. waartegenover geen tegenprestatie staat (hetgeen een rechtsvermoeden van onzakelijkheid vestigt) dus (geheel) van aftrek worden uitgesloten, óók als niet vast komt te staan dat die lasten direct of indirect ten goede zijn gekomen aan aandeelhouders. Uit het Renpaardenarrest (r.o. 3.3; zie 6.30) blijkt dat de geciteerde veevoederprovisie- en touroperatorarresten HR BNB 1995/15 en 16 niet inhielden – zoals de literatuur er uit afleidde – dat er een derde categorie lasten bestond naast (aftrekbare) ondernemingslasten en (niet-aftrekbare) uitdelingen, nl. niet-aftrekbare onzakelijke lasten die geen uitdelingen zijn, maar dat er toch maar twee categorieën zijn, zodat HR BNB 1995/15 en 1995/16 kennelijk aldus moeten worden verstaan dat bij ontbreken van enig zichtbaar nut voor de onderneming een rechtsvermoeden van uitdeling postvat, waardoor de bewijslast en het bewijsrisico van het tegendeel bij de vennootschap komt te liggen

6.33

In belanghebbendes geval heeft [BB] een uit weldenkend ondernemerschap volstrekt onverklaarbaar verlies omamrt: zij heeft, als enige zichtbare vennootschappelijke activiteit, opzettelijk een 99%-kans op een verlies ad € 2,6 mio opgezocht. Dat verlies kon bovendien in de economische werkelijkheid niet bij haar moeder (de belanghebbende) terecht komen, maar bleef bij [BB]; het komt fiscaal uitsluitend bij de belanghebbende terecht als gevolg van een voeging waarvan van te voren vaststond dat zij meteen na de overheveling van het volstrekt kunstmatige verlies weer ongedaan zou worden gemaakt.

6.34

Worden kosten gemaakt of een verlies geleden door een gevoegde vennootschap, dan moeten mijns inziens de onzakelijke-kostenarresten HR BNB 1995/15 en 16 toegepast worden op de fiscale eenheid, nu uit de parlementaire geschiedenis van art. 15 Wet Vpb e.v. blijkt (zie 6.1 – 6.7 hierboven) dat (i) het heffingsobject van de fiscale eenheid als bedoeld in hoofdstuk II van de Wet Vpb (waarin art. 8 Wet Vpb verwijst naar de totaalwinstbepaling ex art. 3.8 Wet IB) wordt bepaald alsof er één belastingplichtige is en (ii) de winst van een gevoegde vennootschap pas afzonderlijk wordt berekend als de wet dat expliciet bepaalt. Zijn de kosten, uitgaven of verliezen van een gevoegde vennootschap onzakelijk (niet ten behoeve van de onderneming gemaakt), dan brengt HR BNB 1995/15 mee dat zij behoudens tegenbewijs geacht worden ten behoeve van de aandeelhouder(s) van de eenheid gemaakt te zijn. Het Hof is er in casu van uitgegaan dat de fiscale eenheid tot stand is gekomen, en het verlies is juridisch pas geleden na [BB]’s voeging in die eenheid.

6.35

Volgens ’s Hofs feitelijke vaststellingen heeft [BB] ten behoeve van de HIR-behoeftebevrediging van haar moeder een synthetisch verlies ad € 2,6 mio georganiseerd dat geen enkele ondernemer – of dit nu [BB] is of de eenheid – zou accepteren op andere dan fiscale gronden. Het uit HR BNB 1995/15 en 16 voortvloeiende rechtsvermoeden van ondernemingsvreemdheid brengt dan mee dat het verlies, behoudens (tegen)bewijs van ondernemingsnut, wordt geacht te zijn opgezocht met het oog op de bevrediging van aandeelhoudersbehoeften. Het bewijs dat het om het wegpoetsen van belanghebbendes belaste HIR-vrijval van een jaar eerder ging (en niet om het privébelang van de achterliggende natuurlijke persoon), is niet zodanig tegenbewijs, aangezien dat motief geen ondernemingsbelang betreft, maar uitsluitend antifiscaal is en niets met ondernemingsnut te maken heeft; dat motief staat buiten belanghebbendes bedrijfsuitoefening. In ’s Hofs uitspraak ligt aldus besloten dat het ex HR BNB 1995/15 en 16 vereiste tegenbewijs van ondernemingsnut van [BB]’s verlies door de belanghebbende niet is geleverd.

6.36

Aan de toepassing van art. 5(4) BFE 2004 (zie 6.21 – 6.22 hierboven), op grond waarvan [BB]’s verliezen worden aangemerkt als verliezen van haar oprichtster, kom ik dus niet toe: het negatieve resultaat op de optiecontracten valt buiten de totale winst van de eenheid (en mijns inziens ook buiten [BB]’s totale winst), zodat het ook niet aan haar moeder kan worden toegerekend.

6.37

Vermoedelijk achtte het Hof het dogmatisch moeizaam om zijn oordeel in de sleutel van uw onzakelijke-kostenrechtspraak te plaatsen omdat er na [BB]’s voeging – als die voeging fiscaal erkend wordt, zoals het Hof doet – fiscaalrechtelijk geen aandeelhouders-relatie meer is tussen [BB] en de belanghebbende, zodat [BB]’s verlies ook geen uitdeling/onttrekking ten behoeve van haar aandeelhoudster (de belanghebbende) kan zijn, en bovendien art. 5(4) BFE [BB]’s verlies aanmerkt als verlies van de belanghebbende. Dat zou de dogmatisch moeizame plaatsbaarheid van ‘s Hofs redenering kunnen verklaren. Hij lijkt noch het verlies, noch de voeging te negeren, maar slechts het (één) gevolg van voeging. Het Hof wilde kennelijk niet aftrekbaarheid bij [BB] ontkennen, maar alleen bij de belanghebbende. Ik meen echter dat de voeging niet in de weg staat aan de toepassing van uw onzakelijke-kostenjurisprudentie. Geen weldenkende fiscale eenheid gaat met het oog op het nut voor haar onderneming een 99%-kans aan op een verlies ad € 2,6 mio, zodat op die fiscale eenheid (de belanghebbende) de last rust om het ondernemingsnut aannemelijk te maken van het aangaan van een 99%-kans-verliescontract ad negatief € 2,6 mio. Dat niet blijkt is dat het verlies de persoonlijke behoeftenbevrediging van de aandeelhouder van de fiscale eenheid dient, doet mijns inziens op grond van HR BNB 1995/15 en 16 niet ter zake.

6.38

Wat er zij van ’s Hofs rechtsgrondslag, zijn dictum lijkt mij dus juist. Ook als de onzakelijke-kostenjurisprudentie als rechtsbasis tekort zou schieten, blijft ’s Hofs dictum mijns inziens in stand, op grond van het volgende:

C. Fraus legis

6.39

Ook als u uw onzakelijke-kostenrechtspraak in casu niet toepasbaar acht omdat de fiscale eenheid met haar opzettelijk verlieslijden niet de privébelangen van de natuurlijke persoon dient, dan nog strandt belanghebbende trapezewerk mijns inziens, op fraus legis.

6.40

Feitelijke en rechtshandelingen kunnen – uitsluitend voor de toepassing van het belastingrecht – genegeerd of gesubstitueerd worden als voldaan is aan twee cumulatieve voorwaarden: (i) het verbinden van de door de belastingplichtige beoogde fiscale gevolgen aan de door hem verrichte (rechts)handelingen leidt tot een resultaat dat strijdt met doel en strekking van de belastingwet en (ii) met de gestelde (rechts)handelingen had de belastingplichtige de volstrekt overwegende bedoeling reguliere belastingheffing te verijdelen.50 Weliswaar heeft de Inspecteur bij het Hof fraus legis niet gesteld, maar het Hof heeft feitelijk geoordeeld, althans zijn feitelijke vaststellingen en oordelen laten geen enkele andere conclusie toe dan dat de belanghebbende met het samenstel van civiele rechtshandelingen en fiscale voeging/ontvoeging volstrekt overwegend antifiscale bedoelingen had (zie de r.o. 4.3.13 – 4.3.15). Daarmee is aan het feitelijke, subjectieve vereiste voor toepassing van fraus legis voldaan.

6.41

De vraag of aan het rechtskundige, objectieve element van fraus legis (strijd met doel en strekking van de wet) is voldaan, is een rechtsvraag, die u zo nodig van ambtswege kunt beantwoorden. Weliswaar bent u om onopgehelderde redenen uitgezonderd van de verplichting ex art. art. 8:69(2) Awb om de rechtsgronden van ambtswege aan te vullen (zie art. 29 AWR), maar u past traditioneel wel art. 25 Rv analoog toe in de fiscale procedure, en u bent wel verplicht art. 79 RO toe te passen. Uit die bepaling leidt uw eerste kamer af (HR NJ 1979, 218)51 dat u niet vernietigt als het recht niet is geschonden door de feitenrechter. U zie nader mijn aanvullende conclusie (bis) van 13 februari 2014 in de bij u aanhangige zaak met nr. 13/02210. In casu heeft het Hof het recht niet geschonden, immers: ook aan het objectieve element (strijd met doel en strekking van de wet) is voldaan als de beoogde verliesverrekening in casu verleend zou worden. Dat blijkt uit het volgende:

6.42

Uw fraus-legisjurisprudentie houdt in dat onder meer (i) willekeurige herhaalbaarheid, (ii) gebrek aan verband met economische realiteit en (iii) een voorzienbaar nadelig resultaat (afgezien van het fiscale effect) sterke aanwijzingen zijn dat doel en strekking van de belastingwet worden geschonden. In HR BNB 1982/24352 (gewezen onder het oude richtige-heffingregime ex art. 31 AWR) oordeelde u dat honorering van (rente)aftrekposten strijdt met doel en strekking van de wet als de belanghebbende min of meer onbeperkt en op ieder door hem daartoe nuttig geacht moment gebruik kan maken van de aftrek:

“dat het hier, zoals uit het hierboven overwogene blijkt, gaat om rechtshandelingen welke, afgezien van de daarmee beoogde besparing van inkomstenbelasting (in de vorm van aftrek van rente) en vermogensbelasting (door het opvoeren van een schuld waartegenover de blote eigendom van de vordering op BNG niet in het vermogen behoeft te worden opgenomen), een voorzienbaar negatief resultaat voor belanghebbende zouden opleveren en welke zijn verricht met als doorslaggevende reden de verijdeling van belastingheffing;

dat de in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 toegelaten aftrek van rente van schulden niet kan zijn bedoeld om belastingplichtigen in staat te stellen door het aangaan van transacties als de onderwerpelijke, waarbij de verworven vordering wordt gefinancierd met een daarvoor aangegane schuld, min of meer onbeperkt en op ieder door hen daartoe nuttig geacht moment hun belastbare inkomen te verminderen; (…).”

6.43

In HR BNB 1989/21753 gebruikte u voor de vaststelling van strijd met doel en strekking van de wet de criteria: (i) ‘naar willekeur’, (ii) ‘desgewenst herhaaldelijk’, (iii) ‘zonder dat zulks betekenis zou hebben voor haar vermogenspositie’ en (iv) ‘generlei functie in het kader van (de financiering van) de door de betrokken vennootschap gedreven onderneming’:

“4.3.3. Het als fiscaal toelaatbaar aanvaarden van een constructie als (…) bedoeld zou (…) ertoe leiden dat een naamloze of besloten vennootschap naar willekeur aanzienlijke bedragen als rente ten laste van haar winst zou kunnen brengen en aldus de heffing van de vennootschapsbelasting geheel of gedeeltelijk zou kunnen verijdelen door - desgewenst herhaaldelijk - zonder dat zulks betekenis zou hebben voor haar vermogenspositie dan wel voor de vermogenspositie of de zeggenschap van degenen bij wie het belang in haar berust, overeenkomstig bedoelde constructie te handelen.

Deze consequentie, die zou neerkomen op het aanvaarden van een rente-aftrek waarvoor een toereikende rechtvaardiging niet valt aan te wijzen, is strijdig met doel en strekking van de Wet Vpb.'69. Gelet op hetgeen onder 4.3.1 is overwogen, heeft de wetgever met de aldaar genoemde bepalingen niet beoogd een aftrek te verlenen voor rente op geldleningen die generlei functie hebben in het kader van de financiering van de door de betrokken vennootschap gedreven onderneming.”

6.44

Vermeulen wijst specifiek het langs omwegen willen verrekenen van andermans verliezen aan als strijdig met doel en strekking van de belastingwet.54 Volgens Wattel kan uw invulling van het objectieve criterium van fraus legis als volgt worden samengevat: het is in strijd met doel en strekking van de belastingwet dat belastingbetaling door toepassing van kunstgrepen een kwestie van vrijwilligheid wordt.55

6.45

Een voorbeeld van ontbreken van met de belastingverijdelende (rechts)handelingen strokende economische realiteit is de zaak HR BNB 2013/15156 over twee personen die voor één dag een partnerschap deden registreren om overdrachtsbelasting op een eigendoms-overdracht te verijdelen. Het partnerschap werd aangegaan met uitsluiting van elke gemeenschap, behalve van een aantal panden in eigendom bij de twee belanghebbenden, waarvan zij hun eigendomsverhoudingen wensten te wijzigen zonder overdrachtsbelasting. Het partnerschap had volgens u geen reële praktische betekenis:

“De in de Wet BRV geregelde overdrachtsbelasting heeft tot doel het belasten van de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken of van rechten waaraan dergelijke zaken zijn onderworpen (artikel 2, lid 1 , van de Wet BRV). De uitzondering van artikel 3, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet BRV (hierna: de vrijstelling) strekt ertoe dat heffing van overdrachtsbelasting achterwege blijft in geval van – onder meer – een verkrijging van een onroerende zaak krachtens verdeling van een gemeenschap van goederen die is ontstaan door een huwelijk. Op grond van artikel 2, lid 6, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen geldt hetzelfde bij verkrijging van een onroerende zaak krachtens verdeling van een gemeenschap van goederen die is ontstaan door een geregistreerd partnerschap. Deze regels strekken er niet toe om aan degene die een onroerende zaak gaat verkrijgen de mogelijkheid te bieden de ter zake van die verkrijging verschuldigde overdrachtsbelasting naar believen te verijdelen. Daarom verzetten doel en strekking van artikel 2 en artikel 3, lid 1, letter b, van de Wet BRV zich tegen toepassing van de laatstbedoelde bepaling in een geval als het onderhavige, waarin een geregistreerd partnerschap naar de bedoeling van partijen is aangegaan voor een zo korte periode dat de door de wet aan dit partnerschap verbonden plichten geen reële praktische betekenis konden hebben. Hierin onderscheidt het onderhavige geval zich van de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 14 april 1993, nr. 27 789, BNB 1993/201, waarin een gemeenschap van goederen ontstond tijdens het huwelijk van de betrokkenen, en er geen aanwijzing bestond dat dit huwelijk slechts was aangegaan om overdrachtsbelasting te vermijden.”

De motivering van dit arrest is onjuist omdat u ten onrechte het langdurige en reële huwelijk in HR BNB 1993/201 vergelijkt met het flitspartnerschap in HR BNB 2013/151; u had uiteraard de niet-reële (flits)wijziging in de huwelijkse voorwaarden van het reeds gestrande huwelijk moeten vergelijken met het flitspartnerschap. Maar de strekking van het arrest is duidelijk: fiscale gevolgen verbinden aan een kunstmatige, volstrekt efemere civielrechtelijke toestand waarvan van te voren vaststaat dat hij efemeer zal zijn en dat hij nagenoeg volledig zonder enig gevolg in de (niet-fiscale) werkelijkheid zal blijven (dat de partijen de door de wetgever beoogde gevolgen van die toestand buiten het fiscale effect helemaal niet wensen), komt in strijd met doel en strekking van de wet en kan worden genegeerd.

6.46

Evenzo kan in belanghebbendes zaak het volstrekt efemere karakter van de fiscale eenheid waarvan van te voren vaststond dat zij meteen weer verbroken zou worden genegeerd worden als die eenheid gebruikt wordt voor een doel waarvoor de eenheid door de wetgever niet bedoeld is. De fiscale eenheid moge op zichzelf bedoeld zijn juist om moeders en dochters in de gelegenheid te stellen verliezen van de één met winsten van de ander te verrekenen, zij is manifest niet bedoeld om een HIR-vrijval of enige andere winst bij een belastingplichtige uit een eerder jaar door kunstgrepen achteraf weg te poetsen met economisch voor die belastingplichtige niet-bestaande, synthetisch opgewekte verliezen die de enige bestaansreden en enige bezigheid zijn van een daartoe op te richten, meteen te voegen en meteen daarna weer te ontvoegen dochter, waartegenover bovendien precies even grote synthetische winsten staan bij een onopgehelderd betrokken Ltd op de British Virgin Islands.

6.47

De keuze voor negeren of substitueren van de rechtshandeling hangt af van de vraag wat de fiscale norm het beste en eenvoudigste tot gelding brengt:57

“De rechtshandeling waarmee de belastingplichtige zijn anti-fiscale opzet wil effectueren kan bij toepassing van fraus legis zowel genegeerd (geëlimineerd, veronachtzaamd, weggedacht) als vervangen (gesubstitueerd) worden, afhankelijk van welke ingreep het meest effectief is voor het tot gelding brengen van de fiscale norm. Indien het gaat om kunstmatig gecreëerde renteaftrek, zal het meest effectief en simpel het negeren van de lening zijn. Indien de belastingplichtige met zijn rechtshandelingen de fiscale arbitrage beoefent, dat wil zeggen het omkwalificeren van hoogbelaste inkomsten in laag- of niet-belaste inkomsten (bijvoorbeeld: dividend wordt juridisch omgebouwd tot vermogenswinst), dan is het meest passend het ‘terugkwalificeren' van het voordeel van vermogenswinst naar dividend (zoals geschiedde in de kasgeldarresten HR 11 juli 1990, BNB 1990/290-293).”

6.48

Niet alleen rechtshandelingen, ook feitelijke handelingen kunnen worden genegeerd of gesubstitueerd; u zie het Semigrant-arrest.58In HR BNB 1983/106 oordeelde u dat indien een rechtshandeling in verband met de toepassing van art. 31 AWR wordt genegeerd, ook de inkomstensbestanddelen die op de rechtshandelingen betrekking hebben worden genegeerd:59

“dat overigens een redelijke toepassing van artikel 31 meebrengt dat de omstandigheid dat bij de heffing van inkomstenbelasting van belanghebbende geen rekening wordt gehouden met de door belanghebbende gesloten overeenkomst van geldlening, tevens zal beletten rekening te houden met inkomensbestanddelen die zijn terug te voeren op de overeenkomst van geldlening; (…).”

Als [BB]’s verlies wordt genegeerd, wordt voor de toepassing van de Nederlandse belastingwet ook de corresponderende winst bij de onopgehelderd betrokken Ltd op de British Virgin Islands dus genegeerd.

6.49

In belanghebbendes zaak heeft het Hof vastgesteld dat het samenstel van rechtshandelingen geen invloed had op haar vermogenspositie ([BB]’s verlies kon economisch niet te haren laste komen), dat noch het designer verlies, noch het voegen en meteen weer ontvoegen enige functie vervulde in haar ondernemingsuitoefening en dat elk verband met een voor de belanghebbende economisch reëel verlies ontbrak. Ook in belanghebbendes geval is sprake van een voorzienbaar en zelfs beoogd (99% zeker) nadelig resultaat. Ook in belanghebbendes geval kan de opzet naar willekeur herhaald worden en is herhaling zelfs expliciet voorzien voor het geval de net-niet-verwaarloosbare kans op een up zich zou realiseren. Uit de vastgestelde feiten, met name de email geciteerd in 2.5, volgt dat [BB]’s verlies kunstmatig is afgestemd op de fiscaal weg te poetsen HIR-vrijval. Uit r.o. 2.4 Rechtbank blijkt dat geen relevante onzekerheid bestond over het resultaat van de opgezette structuur, nu (i) de kans op uitbetaling aan [BB] bij expiratie van de opties extreem klein was, (ii) mocht tóch sprake zijn van winst, die alsnog kunstmatig zou (kunnen) worden omgezet in het beoogde verlies door een tweede transactieronde en (iii) de putoptie en de garantie ervoor zorgden dat nooit enig werkelijk verlies voor rekening van de belanghebbende zou komen. Er kan min of meer onbeperkt verlies worden gecreëerd waarmee de belastbare winst naar eigen inzicht kan worden gemanipuleerd.

6.50

Aan alle denkbare criteria voor strijd met doel en strekking van de wet wordt dus voldaan. Gezien het eveneens vaststaande, manifeste antifiscale oogmerk achter het samenstel van rechtshandelingen, is een frauslegiaanser geval dan belanghebbendes geval nauwelijks denkbaar. Haar geval rechtvaardigt bijna elke ingreep: negeren van (i) het fiscale gevolg van voeging, of (ii) de voeging, of (iii) het kunstmatige verlies, maar ook (iv) van (de oprichting van) [BB], die immers geen ander dan een onzakelijk en antifiscaal doel dient en geen andere dan onzakelijke (uitsluitend op verlies maken gerichte) en antifiscale activiteiten liet zien. Vanuit welke hoek of rechtshandling men dit geheel van fiscale en burgerlijke rechtshandelingen ook beziet, het is uit geen enkel gezichtspunt géén kunstgreep. Het Hof had mijns inziens dus ook het gehele samenstel kunnen negeren voor de heffing van de vennootschapsbelasting ten laste van de belanghebbende. Hij heeft echter de minst ingrijpende optie gekozen: hij heeft het bestaan van [BB], haar verlies, haar voeging, en het bestaan van de eenheid allemaal erkend; alleen de verliesverrekening binnen de eenheid niet, zulks niet op basis van fraus legis, maar op basis van het totaalwinstconcept van art. 3:8 Wet IB 2001. Wat daar van zij; het resultaat acht ik correct.

6.51

Ceterum censeo: nu volgens ’s Hofs vaststellingen op het moment van aanvraag van de fiscale eenheid al vaststond dat de belanghebbende de putoptie zou uitoefenen, lijkt de belanghebbende economisch niet gerechtigd te zijn geweest tot de aandelen [BB]. Zij heeft dat ten onrechte de Inspecteur niet gemeld bij haar aanvraag. Verliesverrekening zou dan niet alleen in strijd zijn met doel en strekking van art. 15(1) Wet Vpb, maar ook rechtstreeks met zijn tekst. Zoals boven bleek, is de literatuur echter niet eenstemmig over de vraag of een fiscale-eenheidsbeschikking met terugwerkende kracht ingetrokken c.q. vernietigd kan worden als blijkt dat zij ten onrechte is genomen. Ik zou menen dat indien de beschikking ten onrechte is genomen als gevolg van (voorwaardelijk) opzettelijke onjuiste gegevensverstrekking door de belanghebbenden, er weinig reden is om de intrekking niet ex tunc maar ex nunc te laten werken.

7 Beoordeling van de middelen

A. Cassatieberoep belanghebbende

Middel (i)

7.1

Zoals uit het bovenstaande volgt, meen ik dat middel (i) faalt. Elke zakelijkheid ontbreekt, zodat moet worden vermoed dat het niet om een verlies uit onderneming gaat, welk vermoeden niet ontzenuwd is door de belanghebbende. Dat niet is komen vast te staan wie er achter de Ltd op de British Virgin Islands zit, zodat niet duidelijk is of de up en down van de optiecontracten bij gelieerde personen zijn terechtgekomen, en dat er geen aanwijzingen zijn dat [BB]’s verlies (het eenheidsverlies) de privébelangen van belanghebbendes aandeelhouder dient, doet volgens uw onzakelijke-kostenjurisprudentie (zie met name HR BNB 1995/16 in 6.26) niet ter zake. Dat ’s Hofs maatstaf niet erg duidelijk is, kan de belanghebbende worden toegegeven, maar baat haar niet. En ook al past uw onzakelijke-kostenrechtspraak dogmatisch misschien niet helemaal fijn op belanghebbendes geval, hoe dan ook is met vlag en wimpel voldaan aan alle feitelijke en rechtskundige voorwaarden voor toepassing van fraus legis.

7.2

Dat het Hof buiten de rechtsstrijd zou zijn getreden, zie ik niet. De strekking van het verweer van de Inspecteur was duidelijk en de belanghebbende kan mijns inziens niet verrast zijn door ’s Hofs uitspraak. De Inspecteur heeft uitdrukkelijk gesteld dat geen sprake was van een verlies uit ondernemingsuitoefening en dat geen sprake was van enige zakelijkheid, zodat beide wel degelijk in geding waren. Belanghebbendes stelling dat de beslissing tot voeging al eerder was genomen en ook zonder het designer verlies zou zijn geschied, is feitelijk en kan in cassatie niet worden onderzocht.

Middel (ii)

7.3

Uit de onderdelen 5.22 – 5.26 hierboven volgt dat ik meen dat middel (ii) faalt. Belanghebbende’s opvatting over toerekenbaarheid van schijn van vertegenwoordigings-bevoegdheid is te beperkt in het licht van de boven (5.16 – 5.21) aangehaalde jurisprudentie. Dat het Hof niet werd overtuigd door een volgens hem op dwaling berustende opmerking in het controlerapport en wél door de door de Inspecteur geproduceerde prints en de overige vaststaande feiten, zoals de voortdurende machtiging van [C] tot en met het aanvragen van het aangifte-uitstel 2006 drie dagen vóór de aangifte 2006 en de ná die aangifte kennelijk weer doorlopende machtiging hoefde het Hof niet nader te motiveren: de keuze en waardering van bewijsmiddelen, inclusief niet-ontzenuwde vermoedens, is aan de feitenrechter. Die kon heel wel oordelen dat de opmerking in het controlerapport op een vergissing berustte nu uit het systeem van de Belastingdienst bleek dat uitstel was verleend.

7.4

Dat het Hof de door de belanghebbende ingeroepen Resolutie in casu niet relevant acht, lijkt mij juist: de strekking van die (intern bedoelde) Resolutie is dat de Inspecteur indien het voor hem onzeker (niet kenbaar) is of hij uitstel heeft verleend, niet op de gok een uitsteltermijn aan de aanslagtermijn kan plakken. Nu die situatie zich in casu niet voordoet (uit het systeem van de Belastingdienst blijkt dat uitstel is gevraagd en voor bepaalde termijn is verleend; de opmerking in het controlerapport (zie 2.192.19) berust dan ook niet op onduidelijkheid in dat systeem, maar op een vergissing), kan een beroep op deze Resolutie de belanghebbende niet baten.

B. Voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep Staatssecretaris

Nu de voorwaarde waaronder de Staatssecretaris incidenteel beroep in cassatie heeft ingesteld mijns inziens niet is vervuld, behoeft zijn cassatieberoep geen behandeling. Mocht u er niettemin aan toekomen, dan meen ik dat het Hof kon oordelen dat de partijen de gepresenteerde rechtshandelingen wél hebben gewild én de daaraan verbonden gevolgen hebben aanvaard. Het moge nimmer de bedoeling zijn geweest dat de belanghebbende het verlies ook in economische zin zou dragen, maar juist daarop waren de rechtshandelingen kennelijk gericht, zodat zij civielrechtelijk overeenstemden met de wil van de partijen en van schijnhandelingen noch in relatieve, noch in absolute zin sprake is. Dat is volgens het Hof althans niet bewezen door de Inspecteur en dat oordeel lijkt mij in cassatie onaantastbaar.

8 Conclusie

Ik geef u in overweging belanghebbendes cassatieberoep ongegrond te verklaren en het voorwaardelijke incidentele beroep van de Staatssecretaris buiten behandeling te laten.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 [G] CV heeft op 4 december 2006 drie call- en optieovereenkomsten met [K] gesloten: koop van put-opties voor € 2.598.300; koop van call-opties voor € 1.076.350; verkoop van call-opties voor € 674.650. Op 15 december 2006 liepen de optiecontracten als volgt af: waarde eerste contract op 15 december: nihil (verlies € 2.598.300); waarde tweede contract: € 1.547.266 (winst € 470.916); waarde derde contract: € 1.135.266 (verlies € 460.616); per saldo een verlies ad € 2.588.000 op de € 3 mio die is geïnvesteerd.

2 [K] heeft € 3 mio ontvangen en was na afloop € 412.000 verschuldigd, zodat zij winst behaalde ad € 2.588.000.

3 De website http://[H].com/_en/index.html vermeldt: “[H] is an independent structured finance and alternative investment firm established in London in 2004. [H] seeks to realise an above-market return on investment by combining ‘conventional’ investment techniques with innovative structured finance transactions. In pursuing this strategy, [H] aims to increase its return on investment and/or to reduce its cost of funding, by entering into structured finance transactions with professional market parties whereby it acts as principal for its own risk and account.” (etc.; PJW).

4 Toevoeging PJW: Een negative pledge houdt in dat de geldnemer verklaart geen van de activa te zullen bezwaren ten behoeve van derden zonder voorafgaande toestemming van de geldgever. Vgl. de Nederlandse negatieve hypotheekverklaring.

5 De website http://www.citco.com/corporate-overview vermeldt: “The Citco Group of Companies is a worldwide group of independent financial service providers serving the world’s elite hedge funds, private equity and real estate firms, institutional banks, Global 1000 companies and high net worth individuals. Citco companies service these sectors around the world by offering hedge fund administration, custody and fund trading, financial products and corporate and trust planning solutions.” (etc.; PJW).

6 Rb. Haarlem 21 augustus 2012, nrs. AWB 10/3105 en 10/6848, ECLI:NL:RBHAA:2012:BY2145, NTFR 2013/120 met noot Van Daal, V-N Vandaag 2012/2659, V-N 2012/62.3.1, FutD 2012/46.

7 Gerechtshof Amsterdam 12 december 2013, nrs. 12/00735 en 12/00736, ECLI:NL:GHAMS:2013:4650, NTFR 2014/1734, FutD 2014/04.

8 Ministeriële Resolutie van 7 november 1968, nr. B68/12 738, FED 1987/371.

9 Kamerstukken II 1955/56, 4080 (Algemene Wet in zake Rijksbelastingen), nr. 5, p. 7 (MvA).

10 Kamerstukken II 1955/56, 4080 (Algemene Wet in zake Rijksbelastingen), nr. 5, p. 8 (MvA).

11 HR 29 januari 1997, nr. 31 872, ECLI:NL:HR:1997:AA2092, BNB 1997/159 met noot Langereis, FED 1997/295 met noot Geradts, WFR 1997/196, V-N 1997/735 met noot van de redactie.

12 Zie ook HR 4 februari 1988, nr. 33 308, ECLI:NL:HR:1998:AA2413, BNB 1998/88, V-N 1998/9.4 met noot van de redactie en HR 18 maart 1998, nr. 32 880, ECLI:NL:HR:1998:AA2484, BNB 1998/179 met noot Niessen, V-N 1998/15.5 met noot van de redactie, alsmede mijn conclusie van 18 juni 2014 in de bij u aanhangige zaak met nr. 13/05776, V-N 2014/40 met noot van de redactie,, NTFR 2014/1974 met commentaar Maat.

13 De geciteerde tekst is de 2013-tekst van de website van de B elastingdienst. Inmiddels staat daar de 2014-tekst: http://download.belastingdienst.nl/belastingdienst/docs/uitstel_vpb1061z42fd.pdf. Ik heb de 2006-tekst van de regeling niet kunnen vinden.

14 Kamerstukken II 2005/06, 30 577 (Wijziging van enkele belastingwetten ter vermindering van administratieve lasten (Wijzigingsplan «Paarse krokodil»)), nr. 3, p. 35 (MvT).

15 HR 1 maart 1968, nr. 51698, ECLI:NL:HR:1968:AB6642, na conclusie Van Oosten, NJ 1968/246 met noot Scholten.

16 HR 24 december 1993, nr. 15182, ECLI:NL:HR:1993:ZC1200, na conclusie Hartkamp, NJ 1994/303, RvdW 1994/15, V-N 1994/665.37.

17 HR 19 februari 2010, nr. 08/02127, ECLI:NL:HR:2010:BK7671, na conclusie Langemeijer, NJ 2010/115, JOR 2010/178 met noot Biemans, RvdW 2010/331.

18 HR 3 februari 2012, nr. 10/02734, ECLI:NL:HR:2012:BU4909, na conclusie Vlas, NJB 2012/409, NJ 2012/390 met noot Tjong Tjin Tai, RvdW 2012/244, JOR 2012/101 met noot Schuijling, S&S 2012/59.

19 HR 19 december 1990, nr. 26 576, ECLI:NL:HR:1990:ZC4490, BNB 1991/176 met noot Den Boer, FED 1991/488 met noot Streppel.

20 HR 8 juli 1998, nr. 33 345, ECLI:NL:HR:1998:AA2339, BNB 1998/328 met noot Happé, V-N 1998/35.7 met noot van de redactie, FED 1998/570 met noot Feteris.

21 Hoger-beroepschrift, p. 4: “Op basis van de Tax Sharing Agreement' diende deze aangifte voor 1 april 2007 te worden ingediend. Zeer kort voor deze datum vernam belanghebbende evenwel dat er - om voor hem onduidelijke redenen - voor [C] een probleem verbonden zou zijn aan het indienen van deze aangifte en met name het daaraan verbinden van haar naam. Hoewel [C] sinds jaar en dag de jaarstukken en de aangiften opstelde en deze op eigen naam indiende, zag belanghebbende gelet op de overeengekomen indieningsdatum geen andere mogelijkheid dan ermee in te stemmen dat [C] ter zake van de aangifte niet als gemachtigde optrad. Aldus is de aangifte, die wel door [C] was opgesteld, op 30 maart 2007 ingediend, waarbij is aangekruist dat belanghebbende geen gebruik maakte van een Becon-consulent.”

22 Art. 27(1) van het Besluit op de Winstbelasting 1940: ‘Indien en voor zoolang alle aandelen van een naamlooze vennootschap in het bezit zijn van een lichaam (...), kan het Hoofd van het Departement van Financiën, onder door hem te stellen voorwaarden bepalen, dat de belasting volgens dit besluit wordt geheven, alsof de eerstbedoelde vennootschap was opgegaan in het lichaam (...)’.

23 Kamerstukken II 1999/00, 26 854 (Herziening regime fiscale eenheid), nr. 3, p. 2 (MvT).

24 Kamerstukken II 1999/00, 26 854 (Herziening regime fiscale eenheid), nr. 3, p. 5 (MvT)

25 Kamerstukken II 2000/01, 26 854 (Herziening regime fiscale eenheid), nr. 6, p. 6 (NV).

26 Kamerstukken II 2000/01, 26 854 (Herziening regime fiscale eenheid), nr. 6, p. 6-7 (NV).

27 Kamerstukken II 2000/01, 26 854 (Herziening regime fiscale eenheid), nr. 6, p. 6 (NV).

28 Q.W.J.C.H. Kok, De fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting (Fiscaal Wetenschappelijke Reeks) (diss. Erasmus Universiteit Rotterdam), Amersfoort: Sdu 2005 (online), par. 7.2.2.

29 Voetnoot in origineel: “14. A.J. van Soest, De regeling van de fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting (art. 15 Wet Vpb. 1969), FED, Deventer 1983, blz. 25.”

30 Voetnoot in origineel: “15. Zo ook N.H. de Vries en R.J. de Vries, Cursus Belastingrecht (vennootschapsbelasting), 2.9.B.c1 en de aldaar vermelde literatuur.”

31 Voetnoot in origineel: “16. Vgl. het advies van de Raad van State, Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 26854, A, blz. 1: ‘Deze regeling [de fiscale eenheid, QK] gaat verder dan de enkele compensatie van winst van een van de vennootschappen met verlies van een andere. De vermogensbestanddelen van de dochtermaatschappijen worden rechtstreeks toegerekend aan de moedermaatschappij (...). Het resultaat hiervan is, dat de positieve en negatieve resultaten ‘automatisch’ worden gecombineerd (...).’”

32 Kamerstukken II 1999/00, 26 854 (Herziening regime fiscale eenheid), nr. 3, p. 31 (MvT). Zie in gelijke zin S.A.W.J. Strik, Cursus Belastingrecht Vpb.2.9.1.B.b3 online), Vakstudie art. 15 Wet Vpb, aant. 1.5.11.

33 Besluit van 14 december 2010, nr. DGB2010/4620M, BNB 2011/63, V-N 2011/3.20. Dit besluit verving het Besluit van 23 oktober 2003, nr. CPP2003/1917M, BNB 2004/18, V-N 2003/56.14, waarin deze goedkeuring was opgenomen onder dezelfde voorwaarden (aldus geen inhoudelijke wijziging van dit onderdeel van het besluit).

34 Q.W.J.C.H. Kok, ‘De bezitseis in het regime fiscale eenheid’, MBB 2013/12.

35 Q.W.J.C.H. Kok, De fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting (Fiscaal Wetenschappelijke Reeks) (diss. EUR), Amersfoort: Sdu 2005 (online), par. 5.3.8.

36 Q.W.J.C.H. Kok, De fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting (Fiscaal Wetenschappelijke Reeks) (diss. EUR), Amersfoort: Sdu 2005 (online), par. 5.11.

37 S.A.W.J. Strik, Cursus Belastingrecht Vpb.2.9.2.A.c3 (online).

38 S.A.W.J. Strik, Cursus Belastingrecht Vpb.2.9.2.A.c4 (online).

39 Q.W.J.C.H. Kok, De fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting (Fiscaal Wetenschappelijke Reeks) (diss. EUR), Amersfoort: Sdu 2005, par. 5.2 (online).

40 Kamerstukken II 1999/00, 26 854 (Herziening regime fiscale eenheid), nr. 3, p. 42 (MvT).

41 Besluit van 17 december 2002, houdende vaststelling van het Besluit fiscale eenheid 2003, Stb. 2002, 646 (p. 27).

42 Kamerstukken II 2000/01, 26 854 (Herziening regime fiscale eenheid), nr. 6, p. 25 (NV).

43 Besluit van 19 december 2006, houdende aanpassing van het Besluit fiscale eenheid 2003 mede in verband met de Wet werken aan winst, Stb. 2006, 685 (p. 10).

44 HR 9 maart 1983, nr. 21 163, ECLI:NL:HR:1983:AW8960, na conclusie Van Soest, BNB 1983/202 met noot Verburg, V-N 1983/706.12 met aantekening van de redactie (Cessna I).

45 HR 8 maart 2002, nr. 36 292, ECLI:NL:HR:2002:BI7871, na conclusie Van Kalmthout, BNB 2002/210 met noot Essers, V-N 2002/16.3 met aantekening van de redactie, FED 2002/476 met aantekening Valkenburg (Cessna II).

46 HR 14 juni 2002, nr. 36 453, ECLI:NL:HR:2002:AB2865, na conclusie Van Kalmthout, BNB 2002/290 met noot Meussen, FED 2002/477 met aantekening Valkenburg (Renpaarden).

47 HR 18 april 2008, nr. 07/10035, ECLI:NL:HR:2008:BC9548, BNB 2008/139 met noot Albert (Bentley).

48 HR 21 september 1994, nr. 29 199, ECLI:NL:HR:1994:AA2964, na conclusie Van Soest, BNB 1995/15 met noot Hoogendoorn, V-N 1994/3114.5 met aantekening van de redactie, FED 1994/670 met aantekening Bongaarts, WFR 1994/1456

49 HR 21 september 1994, nr. 29 356, ECLI:NL:HR:1994:BH9075, na conclusie Van Soest, BNB 1995/16 met noot Hoogendoorn.

50 Zie HR 20 maart 1985, nr. 23 003, ECLI:NL:HR:1985:AW8319, BNB 1985/171 met noot Hofstra, FED 1985/449 met noot Daniels en HR 13 december 1989, BNB 1990/68, en recent HR 15 maart 2013, BNB 2013/151. Zie voor een samenvatting van (de toepassing van) het leerstuk: J. den Boer, R.J. Koopman & P.J. Wattel, Algemeen belastingrecht (Fiscaal commentaar), Deventer: Kluwer 1999, p. 63.

51 HR 5 mei 1978, nr. 11 258, ECLI:NL:HR:1978:AB7254, na conclusie Ten Kate, NJ 1979, 218 met noot Heemskerk.

52 HR 22 juli 1982, nr. 20 953, ECLI:NL:HR:1982:AW9473, BNB 1982/243 met noot Hofstra. Zie bijv. ook HR 29 april 1987, BNB 1987/233 en 234, HR 11 juli 1990, BNB 1990/290-293, HR 27 januari 1993, BNB 1993/111 en HR 8 oktober 2002, BNB 2004/433.

53 HR 26 april 1989, nr. 24 446, ECLI:NL:HR:1989:ZC4024, BNB 1989/217, FED 1989/527 met noot Daniels. Zie ook HR 10 maart 1993, BNB 1993/195 en 196, HR 9 februari 1994, BNB 1994/231 en (meer recent) HR 1 juni 2012, BNB 2012/213.

54 H. Vermeulen, Cursus Belastingrecht FBR.7.4.3.B.f (online).

55 J. den Boer, R.J. Koopman & P.J. Wattel, Algemeen belastingrecht (Fiscaal commentaar), Deventer: Kluwer 1999, p. 69-70.

56 HR 15 maart 2013, nr. 11/05609, ECLI:NL:HR:2013:BY0548, na conclusie Wattel, BNB 2013/151 met noot Van Straaten, FED 2014/43 met noot Rozendal, NTFR 2013/699 met noot Schols, FutD 2013/720 met noot van de redactie.

57 J. den Boer, R.J. Koopman & P.J. Wattel, Algemeen belastingrecht (Fiscaal commentaar), Deventer: Kluwer 1999, p. 70.

58 HR 11 juni 1986, nr. 23 641, ECLI:NL:HR:1986:AW7995, BNB 1986/283 met noot Van Dijck, FED 1987/64 met aantekening Hoogendoorn, V-N 1986/1536.7 met aantekening van de redactie. Daarover: J. den Boer, R.J. Koopman & P.J. Wattel, Algemeen belastingrecht (Fiscaal commentaar), Deventer: Kluwer 1999, p. 70-71. Zie ook D.G. Barmentlo, NDFR Algemene beginselen en leerstukken, Fraus legis, aant. 3.4 (online) en R.E.C.M. Niessen, ‘Fraus legis in de 21e eeuw’, NTFR Beschouwingen 2011/2.6.

59 HR 26 januari 1983, nr. 21 444, ECLI:NL:HR:1983:AW8995, BNB 1983/106 met noot Hofstra. Zie ook HR 16 maart 1988, BNB 1988/231. Dat het elimineren van de rechtshandeling ook doorwerkt naar latere jaren is bevestigd in HR 6 oktober 1982, BNB 1982/314.