Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1787

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-08-2014
Datum publicatie
30-09-2014
Zaaknummer
12/05905
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2842, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Voorbedachte raad. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2013:963. ’s Hofs oordeel dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld is ontoereikend gemotiveerd. Uit de door het Hof vastgestelde f&o kan niet zonder meer volgen dat verdachte zich, voordat hij en de medeverdachten zich de toegang tot de woning hadden verschaft, op enig moment heeft voorgenomen het slachtoffer van het leven te beroven. Uit die f&o volgt dat de medeverdachte aan verdachte en de overige medeverdachten de opdracht gaf het so. een “lesje te leren”, maar zij wilde niet dat "het slachtoffer zou worden doodgeschoten of dat hij pijn zou lijden". Aan de omstandigheid dat verdachte “voldoende tijd en gelegenheid [heeft] gehad om zich te kunnen beraden over de mogelijke betekenis en de gevolgen van zijn besluit”, kan niet zonder meer de gevolgtrekking worden verbonden dat zijn besluit ook inhield het slachtoffer te doden. De bewezenverklaring is in zoverre derhalve ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/05905

Zitting: 26 augustus 2014

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte = verzoeker]

1. Verzoeker is bij arrest van 21 december 2012 door het Gerechtshof te ’s-Gravenhage wegens 1 primair, impliciet primair, “medeplegen van moord”, 2. “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit de dood ten gevolge heeft” en 3. “mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren. Ten aanzien van 5. “overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” is verzoeker schuldig verklaard zonder oplegging van straf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan verzoeker een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander op de wijze als weergegeven in het arrest.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 12/05905, 13/00377, 13/00433, 13/04795 en 13/04797. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verzoeker heeft mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Ten laste van verzoeker is onder meer bewezenverklaard dat:

“1.

hij op 24 december 2009 te Rijswijk tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en/of zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- [slachtoffer] vastgegrepen en/of

- meermalen tegen het gezicht en de armen en/of het been van [slachtoffer] geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt en/of

- met een of meer elektriciteitsnoeren de enkels en/of handen en/of polsen van [slachtoffer] geboeid en/of vastgebonden en/of

- de mond van [slachtoffer] gekneveld, althans een stropdas om het hoofd van [slachtoffer] gebonden en een pannenlap in de mond van [slachtoffer] geduwd en een overhemd over het hoofd van [slachtoffer] gedaan en/of

- de hals van [slachtoffer] omsnoerd en

- geweld en/of druk uitgeoefend op de hals van [slachtoffer],

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;”

5. Deze bewezenverklaring berust op de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de aanvulling op het verkort arrest. Uit de inhoud van deze bewijsmiddelen blijken de volgende feiten en omstandigheden.

6. [medeverdachte 5] benadert [medeverdachte 4] omdat zij haar ex-man, het latere slachtoffer [slachtoffer], een lesje wil leren; [slachtoffer] zou haar dochter hebben verkracht. Vervolgens zoekt [medeverdachte 4], samen met [medeverdachte 5], contact met de medeverdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [verdachte]. [medeverdachte 5] vertelt de anderen dat in de slaapkamer van het slachtoffer € 150.000,- is te vinden en dat zij dat bedrag mogen houden. Ook zegt [medeverdachte 5] dat zij haar ex-man moeten vastbinden, zodat hij kan voelen hoe het is om overmeesterd te worden, maar dat zij hem geen pijn mogen doen. [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [verdachte] stemmen hiermee in. Met z’n vijven komen zij tot het volgende plan: [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [verdachte] zullen met de sleutel van [medeverdachte 5] de woning betreden en het slachtoffer overmeesteren en vastbinden. [slachtoffer] zal een lesje worden geleerd waarbij een paar klappen zouden kunnen worden uitgedeeld. [verdachte] blijkt een vuurwapen bij zich te hebben om dit aan [slachtoffer] te tonen en hem zodoende rustig te houden. [medeverdachte 5] schrikt van het vuurwapen en zegt dat zij [slachtoffer] niet mogen doodschieten en hem niet mogen doden.

[medeverdachte 5] brengt de mannen in de auto naar de woning van het slachtoffer en overhandigt de huissleutels. Terwijl [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] in de auto wachten, gaan [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] omstreeks 04.15 uur de woning binnen. In de slaapkamer overmeesteren zij [slachtoffer] die naar de grond wordt gewerkt. Daarbij bedreigt [verdachte] het slachtoffer met het vuurwapen, terwijl [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hem met kracht vastbinden met (elektriciteit-)kabels. Om te voorkomen dat [slachtoffer] gaat schreeuwen, stoppen zij een pannenlap in zijn mond en binden hieromheen een stropdas. Vanwege de waarschuwing van [medeverdachte 5] dat het slachtoffer goed is in het onthouden van gezichten, blinddoeken zij het slachtoffer met een overhemd. Het drietal doorzoekt de woning maar kan het door [medeverdachte 5] genoemde geldbedrag niet vinden. Slechts een bedrag van € 250,-, twee armbanden, een telefoon en een scheerapparaat worden buitgemaakt. Nadat [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben gecontroleerd of [slachtoffer] nog leeft – hoewel het een eng gezicht is, beweegt en ademt hij nog - en sporen (wat) zijn uitgewist, verlaten zij de woning, [slachtoffer] in de hiervoor omschreven geknevelde toestand achterlatend.

Eenmaal teruggekeerd bij de auto tonen [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zich boos omdat [medeverdachte 5] heeft gelogen. Verder laten zij met stemverheffing [medeverdachte 5] weten dat zij moet teruggaan naar de woning om [slachtoffer] los te maken; hij is een oude man en het kan misschien misgaan. [medeverdachte 5] wordt emotioneel en begint te huilen. Trillend zegt en knikt zij van ja. Niettemin rijden zij weg in de auto. [medeverdachte 5] probeert in eerste instantie te pinnen om de mannen alsnog te betalen. Uiteindelijk ziet zij daarvan af omdat zij bang is voor ontdekking door de politie.

Een dag later vindt de zoon van [medeverdachte 5] het lichaam van zijn vader in de slaapkamer. Uit de sectierapporten volgt dat hij door verstikking (en mogelijk een daarmee verband houdend hartfalen) om het leven is gekomen.

7. Dit feitenrelaas geeft aanleiding een onderscheid te maken tussen de fase voorafgaand aan het verlaten van de woning (de eerste fase) en de fase daarna (de tweede fase). In de eerste fase wordt het plan opgevat om het slachtoffer een lesje te leren door hem vast te binden en te beroven. Tijdens deze fase worden afspraken gemaakt dat het slachtoffer wel een paar klappen mag krijgen, maar geen pijn mag lijden en niet mag worden doodgemaakt. Tijdens de tweede fase, waarin het slachtoffer gekneveld en al op de grond ligt, beseffen de verdachten zich dat het weleens mis kan gaan – ik begrijp: dat het slachtoffer als gevolg van het handelen van [verdachte], [medeverdachte 2] en verzoeker kan komen te overlijden, EH - en wordt er bij [medeverdachte 5] op aangedrongen het slachtoffer uit zijn benarde positie te bevrijden, hetgeen niet gebeurt.

8. Het eerste middel klaagt dat het bewezenverklaarde opzet niet uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.

9. Het Hof heeft het namens verzoeker op dit punt gevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen:

Nadere bewijsoverweging ter zake van het onder 1 primair, impliciet primair, bewezen verklaarde

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 23 november 2012 - overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota - bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair, impliciet primair, ten laste gelegde.

(…)

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Bij de behandeling van de zaak in hoger beroep is gebleken dat het slachtoffer is komen te overlijden door verwurging. Nergens uit blijkt dat de verdachte, [medeverdachte 2] of [medeverdachte 3] enige uitvoeringshandelingen hebben verricht die het overlijden van het slachtoffer kunnen verklaren.

(…)

Opzet op de dood van het slachtoffer

Ter zake van het verweer van de raadsman dat de verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijk zin, heeft gehad op de dood van het slachtoffer overweegt het hof als volgt.

Naar het oordeel van het hof bevat het dossier of het verhandelde ter terechtzitting geen aanwijzing dat verdachte het boos opzet op de dood van het slachtoffer had.

Voor opzettelijk handelen in de zin van voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer door zijn gedragingen en die van zijn medeverdachten zou komen te overlijden.

Naar oordeel van het hof is in het samenstel van feiten en omstandigheden, zoals hierboven is uiteengezet, de kans als aanmerkelijk te kwalificeren dat het in de woning op het slachtoffer toegepaste geweld zodanig is geweest dat het slachtoffer ten gevolge daarvan zou komen te overlijden. De bij het slachtoffer geconstateerde letsels duiden op een ernstige en hevige geweldsinwerking. Daarnaast is met de bij het slachtoffer toegebrachte knevel de ademhaling door de mond en grotendeels door de neus belemmerd. Uit de verklaringen van de verdachte leidt het hof af dat de verdachte zich terdege bewust was van de ernst van het op het slachtoffer toegepaste geweld. Hij heeft immers volgens zijn eigen verklaring op enig moment nog gecontroleerd of het slachtoffer in leven was en hij heeft er bij [medeverdachte 5] op aangedrongen dat zij het slachtoffer zou bevrijden uit zijn benarde positie, omdat het een oude man was. Door de fysieke confrontatie met het slachtoffer aan te gaan, deze ernstig gewond, gekneveld en vastgebonden in de woning achter te laten en naderhand niet in te grijpen heeft de verdachte bewust de kans aanvaard dat het slachtoffer ten gevolge van zijn handelingen en die van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] is komen te overlijden. Het verweer van de raadsman moet daarom worden verworpen.”

10. Dit oordeel van het Hof geeft niet blijkt van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof kunnen afleiden dat verzoeker en zijn medeverdachten zich willens en wetens hebben blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer door het uitgeoefende geweld en de wijze waarop hij gekneveld was zou komen te overlijden. Daarbij neem ik in het bijzonder in aanmerking dat, zoals het Hof ook heeft vastgesteld, blijkens de inhoud van de bewijsmiddelen verzoeker en zijn medeverdachten het slachtoffer hebben gekneveld, de ademhaling door mond en neus door een pannenlap en stropdas grotendeels hebben afgesloten, het slachtoffer hebben geschopt en/of geslagen en vervolgens in hulpeloze toestand hebben achtergelaten, terwijl verzoeker en zijn medeverdachten zich daarvan volop bewust waren en bovendien wisten dat het slachtoffer een oude man was die in slechte fysieke conditie verkeerde. Aldus is sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. Verzoeker heeft immers de kans op het overlijden van het slachtoffer op de koop toe genomen.1 Dat verzoeker en zijn medeverdachten er bij [medeverdachte 5] op hebben aangedrongen dat zij naar de woning moest terugkeren om het slachtoffer uit zijn benarde positie te bevrijden en dat zij voor het verlaten van de woning hebben gecontroleerd of het slachtoffer nog ademhaalde, maakt dit niet anders, integendeel zelfs.

11. Het middel faalt.

12. Het tweede middel keert zich betreffende feit 1 primair, impliciet primair, tegen ’s Hofs bewezenverklaring van de voorbedachte raad.

13. Het Hof heeft het namens verzoeker op dit punt gevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen:

Nadere bewijsoverweging ter zake van het onder 1 primair, impliciet primair, bewezen verklaarde

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 23 november 2012 - overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota - bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair, impliciet primair, ten laste gelegde.

(…)

Tenslotte heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake is geweest van voorbedachte raad, nu niet kan worden bewezen dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad om zich te beraden over de betekenis en gevolgen van zijn genomen besluit noch dat de verdachte niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

(…)

Voorbedachte raad

Voor wat betreft het verweer dat niet kan worden bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad, overweegt het hof als volgt.

Het hof stelt voorop dat van voorbedachte raad sprake is indien de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden over de betekenis en de mogelijke gevolgen van het te nemen of genomen besluit en zich daarvan rekenschap te geven. Uit de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat onderweg naar de woning van het slachtoffer is besproken wat in de woning diende te gebeuren. Het slachtoffer moest een lesje worden geleerd, geslagen en vastgebonden. Het moest lijken op een beroving; enig geld dat de verdachte en de medeverdachten in de woning zouden aantreffen mochten zij meenemen. Verder volgt uit de verklaringen van de verdachte dat hij het in eerste instantie een slecht plan vond, maar toch is meegegaan nu [medeverdachte 2] erop stond naar de woning te gaan en dat hij bewust daartoe een vuurwapen heeft meegenomen. Het plan hield in dat drie mannen, de verdachte bewapend met een vuurwapen, [medeverdachte 2] met een mes en [medeverdachte 3], in de nachtelijke uren de woning binnengingen om het slachtoffer met geweld een lesje te leren en geld afhandig te maken. De verdachte moet met de mogelijkheid rekening hebben gehouden dat het slachtoffer zich zou verzetten en dat fors geweld zou kunnen worden toegepast. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte in de tijdspanne gedurende de autorit naar de woning van het slachtoffer en tijdens zijn aanwezigheid in de woning van het slachtoffer voldoende tijd en gelegenheid gehad om zich te kunnen beraden over de mogelijke betekenis en de gevolgen van zijn besluit en zich daarvan rekenschap te geven, welk beraad blijkens de verklaringen van de verdachte ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte gelet hierop dan ook gehandeld met voorbedachten rade.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.”

14. Vooropgesteld moet worden dat de Hoge Raad in recente uitspraken tot een ander inzicht is gekomen omtrent de begripsbepaling van voorbedachte raad en de motiveringseisen die in dit verband voor de rechter hebben te gelden. Ik meen dat het Hof meer had moeten doen met deze van koers gewijzigde arresten en dat het niet de maat heeft genomen naar de stand van de actuele rechtspraak. Het Hof zal bekend zijn geweest met HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518. In aansluiting daarop heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 15 oktober 2013: ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/1562 het volgende overwogen:

“3.3. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven (vgl. HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518).

3.4. De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.”3

15. Blijkens deze overwegingen is van voorbedachte raad (thans) sprake, indien is komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. En zelfs als dit tijdsverloop kan worden aangenomen, dan nog zijn er drie door de Hoge Raad genoemde contra-indicaties: de besluitvorming en uitvoering vinden in plotselinge hevige drift plaats, er is slechts sprake van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of de gelegenheid tot beraad ontstaat eerst tijdens de uitvoering van het besluit.4 Tevens heeft de Hoge Raad met het oog op het strafverzwarende gevolg van voorbedachte raad de motiveringseisen met betrekking tot de vaststelling van de vereiste gelegenheid aangescherpt. De rechter dient, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.

16. Vooreerst zal echter moeten vaststaan dat de verdachte het besluit heeft genomen om het slachtoffer te doden. En meteen al met dit uitgangspunt wringt de motivering van het Hof.

17. De gedachtegang van het Hof in de onderhavige zaak komt er op neer dat voorbedachte raad bij verzoeker kan worden aangenomen omdat hij, evenals zijn medeverdachten, zich voorafgaand aan het betreden van de woning – de door mij aangeduide eerste fase – gedurende enige tijd heeft kunnen beraden over de betekenis en de mogelijke gevolgen van het te nemen of genomen besluit en zich daarvan rekenschap te geven. Dit oordeel van het Hof – dat dus kennelijk enkel ziet op die eerste fase5 – lijkt mij in het licht van de hiervoor aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad van een onjuiste rechtsopvatting getuigen, dan wel niet zonder meer begrijpelijk. In deze eerste fase immers hebben blijkens de door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden verzoeker en zijn medeverdachten enkel de bedoeling gehad om het latere slachtoffer een lesje te leren en hem te beroven, zonder hem daarbij te doden. Van voorbedachte raad in de zin van art. 289 Sr – een voorgenomen besluit om het slachtoffer te doden - is in deze fase juist geen sprake. Sterker nog, gezegd zou kunnen worden dat er toen kalm beraad en rustig overleg was om het slachtoffer niet dood te maken.

18. Voor wat betreft de door mij omschreven tweede fase volgt uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen dat verzoeker en zijn medeverdachten op enig moment zich ervan bewust worden dat er als gevolg van de handelingen van verzoeker, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] weleens iets mis zou kunnen gaan en dat om die reden [medeverdachte 5] te verstaan wordt gegeven dat zij moet terugkeren om het slachtoffer uit zijn benarde positie te bevrijden. Of ten aanzien van de tweede fase aan de hand van de bewijsmiddelen en een nadere bewijsoverweging de voorbedachte raad bij verzoeker en zijn medeverdachten valt samen te stellen, is een vraag die ik hier laat rusten. Hier merk ik enkel op dat de bewijsmiddelen ook met betrekking tot de tweede fase niet rechtstreeks de voorbedachte raad construeren en dat in de voorliggende motivering van het Hof zeker niet kan worden gelezen dat het Hof daarbij de tweede fase voor ogen heeft gehad.6 Uit deze motivering blijkt evenmin van een ten aanzien van déze fase door het Hof vastgestelde tijdsspanne waarbinnen verzoeker tot het besluit is gekomen om het slachtoffer te doden en waarbinnen hij voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om zich te kunnen beraden over de mogelijke betekenis en de gevolgen van dat besluit en zich daarvan rekenschap te geven in samenhang met de door de Hoge Raad genoemde contra-indicaties.

19. Tegen de achtergrond van het voorafgaande meen ik dat het tweede middel slaagt.

20. Het derde middel klaagt over de overschrijding van de inzendtermijn in cassatie.

21. Het cassatieberoep is ingesteld op 21 december 2012. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 9 september 2013 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van zes maanden is overschreden.7 Het middel is dan ook terecht voorgesteld. Voorts merk ik ambtshalve op dat de Hoge Raad in deze zaak uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander kan echter onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest om een andere reden niet in stand kan blijven.

22. Het middel is terecht voorgesteld.

23. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering. Het tweede en het derde middel slagen.

24. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

25. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 primair, impliciet primair, tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Hof opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR1860, NJ 2005/154, rov. 3.3 en HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552, rov. 3.6.

2 Voorzien van een heldere noot van B.F. Keulen, vooral met betrekking tot de vraag of de invulling van de voorbedachte raad tegenwoordig vooral procesrechtelijk verloopt.

3 Zie ook HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518 m.nt. Keulen, HR 24 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1500 en HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1560.

4 Daarover de annotatie van N. Rozemond onder HR 25 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:72, NJ 2013/562.

5 Het is mij niet duidelijk welk tijdsverloop het Hof eigenlijk voor ogen heeft gestaan: de tijdsduur van de eerste fase, van de tweede fase of van beide fasen?

6 Vgl. HR 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2942.

7 Verzoeker bevindt zich (uiteraard) in voorlopige hechtenis.