Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1786

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-08-2014
Datum publicatie
30-09-2014
Zaaknummer
13/00433
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2841, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Voorbedachte raad. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2013:963. ’s Hofs oordeel dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld is ontoereikend gemotiveerd. Uit de door het Hof vastgestelde f&o kan niet zonder meer volgen dat verdachte zich, voordat haar medeverdachten zich de toegang tot de woning hadden verschaft, op enig moment heeft voorgenomen het slachtoffer van het leven te beroven. Uit die f&o volgt dat het plan van verdachte ertoe strekte het so. “lesje te leren”, maar zij wilde niet dat "het slachtoffer zou worden doodgeschoten of dat hij pijn zou lijden". Aan de omstandigheid dat verdachte “voldoende tijd en gelegenheid [heeft] gehad om zich te kunnen beraden over de mogelijke betekenis en de gevolgen van haar besluit”, kan niet zonder meer de gevolgtrekking worden verbonden dat haar besluit ook inhield het slachtoffer te doden. De bewezenverklaring is in zoverre derhalve ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/00433

Zitting: 26 augustus 2014

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte = verzoekster]

1. Verzoekster is bij arrest van 21 december 2012 door het Gerechtshof te ’s-Gravenhage wegens 1. eerste alternatief, impliciet primair, “medeplegen van moord” en 2. eerste alternatief “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit de dood ten gevolge heeft” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en verzoekster een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander op de wijze als weergegeven in het arrest.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 12/05905, 13/00377, 13/00433, 13/04795 en 13/04797. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verzoekster heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Ten laste van verzoekster is onder meer bewezenverklaard dat:

“1.

zij op 24 december 2009 te Rijswijk tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en/of haar mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- [slachtoffer] vastgegrepen en/of

- meermalen tegen het gezicht en de armen en/of het been van [slachtoffer] geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt en/of

- met een of meer elektriciteitsnoeren de enkels en polsen van [slachtoffer] geboeid en/of vastgebonden en/of

- de mond van [slachtoffer] gekneveld, althans een stropdas om het hoofd van [slachtoffer] gebonden en een pannenlap in de mond van [slachtoffer] geduwd en een overhemd over het hoofd van [slachtoffer] gedaan en/of

- de hals van [slachtoffer] omsnoerd en/of

- geweld en/of druk uitgeoefend op de hals van [slachtoffer],

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;”

5. Deze bewezenverklaring berust op de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de aanvulling op het verkort arrest. Uit de inhoud van deze bewijsmiddelen blijken de volgende feiten en omstandigheden.

6. [verdachte] benadert [medeverdachte 4] omdat zij haar ex-man, het latere slachtoffer [slachtoffer], een lesje wil leren; [slachtoffer] zou haar dochter hebben verkracht. Vervolgens zoekt [medeverdachte 4], samen met [verdachte], contact met de medeverdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1]. [verdachte] vertelt de anderen dat in de slaapkamer van het slachtoffer € 150.000,- is te vinden en dat zij dat bedrag mogen houden. Ook zegt [verdachte] dat zij haar ex-man moeten vastbinden, zodat hij kan voelen hoe het is om overmeesterd te worden, maar dat zij hem geen pijn mogen doen. [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] stemmen hiermee in. Met z’n vijven komen zij tot het volgende plan: [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zullen met de sleutel van [verdachte] de woning betreden en het slachtoffer overmeesteren en vastbinden. [slachtoffer] zal een lesje worden geleerd waarbij een paar klappen zouden kunnen worden uitgedeeld. [medeverdachte 1] blijkt een vuurwapen bij zich te hebben om dit aan [slachtoffer] te tonen en hem zodoende rustig te houden. [verdachte] schrikt van het vuurwapen en zegt dat zij [slachtoffer] niet mogen doodschieten en hem niet mogen doden.

[verdachte] brengt de mannen in de auto naar de woning van het slachtoffer en overhandigt de huissleutels. Terwijl [verdachte] en [medeverdachte 4] in de auto wachten, gaan [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] omstreeks 04.15 uur de woning binnen. In de slaapkamer overmeesteren zij [slachtoffer] die naar de grond wordt gewerkt. Daarbij bedreigt [medeverdachte 1] het slachtoffer met het vuurwapen, terwijl [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hem met kracht vastbinden met (elektriciteit-)kabels. Om te voorkomen dat [slachtoffer] gaat schreeuwen, stoppen zij een pannenlap in zijn mond en binden hieromheen een stropdas. Vanwege de waarschuwing van [verdachte] dat het slachtoffer goed is in het onthouden van gezichten, blinddoeken zij het slachtoffer met een overhemd. Het drietal doorzoekt de woning maar kan het door [verdachte] genoemde geldbedrag niet vinden. Slechts een bedrag van € 250,-, twee armbanden, een telefoon en een scheerapparaat worden buitgemaakt. Nadat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben gecontroleerd of [slachtoffer] nog leeft – hoewel het een eng gezicht is, beweegt en ademt hij nog - en sporen (wat) zijn uitgewist, verlaten zij de woning, [slachtoffer] in de hiervoor omschreven geknevelde toestand achterlatend.

Eenmaal teruggekeerd bij de auto tonen [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zich boos omdat [verdachte] heeft gelogen. Verder laten zij met stemverheffing [verdachte] weten dat zij moet teruggaan naar de woning om [slachtoffer] los te maken; hij is een oude man en het kan misschien misgaan. [verdachte] wordt emotioneel en begint te huilen. Trillend zegt en knikt zij van ja. Niettemin rijden zij weg in de auto. [verdachte] probeert in eerste instantie te pinnen om de mannen alsnog te betalen. Uiteindelijk ziet zij daarvan af omdat zij bang is voor ontdekking door de politie.

Een dag later vindt de zoon van [verdachte] het lichaam van zijn vader in de slaapkamer. Uit de sectierapporten volgt dat hij door verstikking (en mogelijk een daarmee verband houdend hartfalen) om het leven is gekomen.

7. Dit feitenrelaas geeft aanleiding een onderscheid te maken tussen de fase voorafgaand aan het verlaten van de woning (de eerste fase) en de fase daarna (de tweede fase). In de eerste fase wordt het plan opgevat om het slachtoffer een lesje te leren door hem vast te binden en te beroven. Tijdens deze fase worden afspraken gemaakt dat het slachtoffer wel een paar klappen mag krijgen, maar geen pijn mag lijden en niet mag worden doodgemaakt. Tijdens de tweede fase, waarin het slachtoffer gekneveld en al op de grond ligt, beseffen de verdachten zich dat het weleens mis kan gaan – ik begrijp: dat het slachtoffer als gevolg van het handelen van [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] kan komen te overlijden, EH - en wordt er bij [verdachte] op aangedrongen het slachtoffer uit zijn benarde positie te bevrijden, hetgeen niet gebeurt.

8. Het eerste middel valt uiteen in twee klachten. Het middel houdt in dat zowel het bewezenverklaarde opzet (de eerste klacht) als de bewezenverklaarde voorbedachte raad (de tweede klacht) niet uit de inhoud van de gebezigde middelen kan volgen, althans dat de op dit één en ander betrekking hebbende verweren ontoereikend zijn verworpen.

9. Wat de eerste klacht betreft, heeft het Hof het namens verzoekster gevoerde verweer aangaande het opzet als volgt samengevat en verworpen:

“De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 23 november 2012 - op gronden als vermeld in zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota - betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1, eerste alternatief, impliciet primair ten laste gelegde.

(…)

Voorts heeft hij bepleit dat verdachte geen opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van het slachtoffer. Uit de verklaringen van de medeverdachten volgt juist dat de verdachte het slachtoffer niet dood wilde hebben of wilde dat hij pijn zou lijden. Daarnaast kan uit de feitelijke omstandigheden geen (voorwaardelijk) opzet volgen, nu de verdachte ten tijde van de uitvoeringshandelingen van de medeverdachten niet in de woning is geweest en de medeverdachten naderhand niet aan de verdachte hebben verteld wat zij met het slachtoffer hebben gedaan.

(…)

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

(…)

Opzet op de dood van het slachtoffer

Ter zake van het verweer van de raadsman dat de verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijk zin, heeft gehad op de dood van het slachtoffer overweegt het hof als volgt.

Naar het oordeel van het hof bevat het dossier of het verhandelde ter terechtzitting geen aanwijzing dat verdachte het boos opzet op de dood van het slachtoffer had.

Voor opzettelijk handelen in de zin van voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer door haar gedragingen en die van haar medeverdachten zou komen te overlijden.

Naar oordeel van het hof is in het samenstel van feiten en omstandigheden, zoals hierboven is uiteengezet, de kans als aanmerkelijk te kwalificeren dat het in de woning op het slachtoffer toegepaste geweld zodanig is geweest dat het slachtoffer ten gevolge daarvan zou komen te overlijden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte meerdere haar onbekende, grote en sterke mannen, waarvan één bewapend met een vuurwapen, in de nachtelijke uren een woning heeft binnengestuurd om het slachtoffer met geweld een lesje te leren en hem geld (EUR 150.000,-) afhandig te maken.

De verdachte had moeten en kunnen voorzien dat daarbij hevig geweld met ook de dood als gevolg zou kunnen worden toegepast, al was het maar vanwege het aan de zijde van het slachtoffer te verwachten verzet. De verdachte heeft deze aanmerkelijke kans bewust aanvaard, óók door op geen enkel moment nadien in te grijpen, ook niet nadat tegen haar was gezegd dat het slachtoffer was vastgebonden en geslagen en dat zij het slachtoffer moest gaan losmaken, en ook niet door zich niet op enig moment te distantiëren.

De omstandigheid dat de verdachte blijkens de verklaringen van de medeverdachten niet zou hebben gewild dat het slachtoffer zou komen te overlijden of pijn zou ondervinden doet hier niet aan af, nu de handelingen en gedragingen van de verdachte tegengesteld zijn aan en afwijken van die door haar geuite woorden.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.”

10. Dit niet onbegrijpelijke oordeel van het Hof is toereikend gemotiveerd. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof kunnen afleiden dat verzoekster zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer door het uitgeoefende geweld en de wijze waarop hij gekneveld was zou overlijden. Daarbij neem ik in het bijzonder in aanmerking dat, zoals het Hof ook heeft vastgesteld, blijkens de inhoud van de bewijsmiddelen verzoekster de anderen heeft benaderd om het latere slachtoffer een lesje te leren, waarbij slaan niet zou hoeven te worden geschuwd, dat het slachtoffer volgens het gezamenlijk plan werd vastgebonden, dat zijn ademhaling door mond en neus door een pannenlap en een stropdas grotendeels was afgesloten, dat verzoekster van [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] had gehoord dat zij [slachtoffer] moest bevrijden uit zijn benarde toestand omdat het anders weleens mis zou kunnen gaan, zodat zij zich dus van dit eventueel noodlottig gevolg bewust moet zijn geweest, terwijl zij bovendien wist dat het slachtoffer een oude man met een slechte conditie was, en dat zij niettemin [slachtoffer] in hulpeloze toestand achterliet. Aldus is sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. Verzoekster heeft immers de kans op het overlijden van het slachtoffer op de koop toe genomen.1

11. Naar het mij voorkomt kan het (voorwaardelijk) opzet wel degelijk uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid en is het namens verzoekster gevoerde verweer op dit punt toereikend gemotiveerd verworpen. Dat zij er vooraf bij haar medeverdachten op heeft aangedrongen het slachtoffer geen pijn te doen en niet te doden, maakt het voorgaande mijns inziens niet anders.

12. Dan de tweede klacht. Het Hof heeft met betrekking tot de voorbedachte raad het volgende overwogen:

“Voorbedachte raad

Het hof stelt voorop dat van voorbedachte raad sprake is indien de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden over de betekenis en de mogelijke gevolgen van het te nemen of genomen besluit en zich daarvan rekenschap te geven.

Uit de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat de verdachte het plan heeft bedacht om het slachtoffer een lesje te leren. Dit plan heeft zij ten uitvoer gebracht door de medeverdachten te benaderen, met hen (onderweg naar de woning van het slachtoffer) te bespreken dat het slachtoffer een lesje moest worden geleerd, hen de woning van het slachtoffer aan te wijzen en de huissleutels van die woning aan één van de hen te geven. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte in deze periode voldoende tijd en gelegenheid gehad om zich te kunnen beraden over de mogelijke betekenis en de gevolgen van haar besluit en zich daarvan rekenschap te geven. Gelet hierop heeft de verdachte gehandeld met voorbedachte raad.”

13. Vooropgesteld moet worden dat de Hoge Raad in recente uitspraken tot een ander inzicht is gekomen omtrent de begripsbepaling van voorbedachte raad en de motiveringseisen die in dit verband voor de rechter hebben te gelden. Ik meen dat het Hof meer had moeten doen met deze van koers gewijzigde arresten en dat het niet de maat heeft genomen naar de stand van de actuele rechtspraak. Het Hof zal bekend zijn geweest met HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518. In aansluiting daarop heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/1562, het volgende overwogen:

“3.3. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven (vgl. HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518).

3.4. De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.”3

14. Blijkens deze overwegingen is van voorbedachte raad (thans) sprake, indien is komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. En zelfs als dit tijdsverloop kan worden aangenomen, dan nog zijn er drie door de Hoge Raad genoemde contra-indicaties: de besluitvorming en uitvoering vinden in plotselinge hevige drift plaats, er is slechts sprake van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of de gelegenheid tot beraad ontstaat eerst tijdens de uitvoering van het besluit.4 Tevens heeft de Hoge Raad met het oog op het strafverzwarende gevolg van voorbedachte raad de motiveringseisen met betrekking tot de vaststelling van de vereiste gelegenheid aangescherpt. De rechter dient, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.

15. Vooreerst zal echter moeten vaststaan dat de verdachte het besluit heeft genomen om het slachtoffer te doden. En meteen al met dit uitgangspunt wringt de motivering van het Hof.

16. De gedachtegang van het Hof in de onderhavige zaak komt er op neer dat voorbedachte raad bij verzoekster kan worden aangenomen omdat zij, evenals haar medeverdachten, zich voorafgaand aan het betreden van de woning – de door mij aangeduide eerste fase – gedurende enige tijd heeft kunnen beraden over de betekenis en de mogelijke gevolgen van het te nemen of genomen besluit en zich daarvan rekenschap te geven. Dit oordeel van het Hof – dat dus kennelijk enkel ziet op die eerste fase5 – lijkt mij in het licht van de hiervoor aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad van een onjuiste rechtsopvatting getuigen, dan wel niet zonder meer begrijpelijk. In deze eerste fase immers hebben blijkens de door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden verzoeker en zijn medeverdachten enkel de bedoeling gehad om het latere slachtoffer een lesje te leren en hem te beroven, zonder hem daarbij te doden. Van voorbedachte raad in de zin van art. 289 Sr – een voorgenomen besluit om het slachtoffer te doden - is in deze fase juist geen sprake. Sterker nog, gezegd zou kunnen worden dat er toen kalm beraad en rustig overleg was om het slachtoffer niet dood te maken.

17. Voor wat betreft de door mij omschreven tweede fase volgt uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen dat verzoekster en haar medeverdachten op enig moment zich ervan bewust worden dat er als gevolg van de handelingen van [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] weleens iets mis zou kunnen gaan en dat om die reden [verdachte] te verstaan wordt gegeven dat zij moet terugkeren om het slachtoffer uit zijn benarde positie te bevrijden. Of ten aanzien van de tweede fase aan de hand van de bewijsmiddelen en een nadere bewijsoverweging de voorbedachte raad bij verzoekster en haar medeverdachten valt samen te stellen, is een vraag die ik hier laat rusten. Hier merk ik enkel op dat de bewijsmiddelen ook met betrekking tot de tweede fase niet rechtstreeks de voorbedachte raad construeren en dat in de voorliggende motivering van het Hof zeker niet kan worden gelezen dat het Hof daarbij de tweede fase voor ogen heeft gehad.6 Uit deze motivering blijkt evenmin van een ten aanzien van déze fase door het Hof vastgestelde tijdsspanne waarbinnen verzoekster tot het besluit is gekomen om het slachtoffer te doden en waarbinnen zij voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om zich te kunnen beraden over de mogelijke betekenis en de gevolgen van dat besluit en zich daarvan rekenschap te geven in samenhang met de door de Hoge Raad genoemde contra-indicaties.

18. Tegen de achtergrond van het voorafgaande meen ik dat de tweede klacht doel treft.

19. Het middel slaagt ten dele.

20. Het tweede middel keert zich tegen ’s Hofs oordeel dat het geen grond ziet om verzoekster anders dan als volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen.

21. Het Hof heeft dit oordeel als volgt gemotiveerd:

“Voorts heeft het hof acht geslagen op een rapportage van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna: NIFP) d.d. 29 december 2010, opgemaakt door J. Heerschop, psycholoog, en J.H. van Renesse, psychiater. Hierin staat vermeld dat de verdachte pertinent heeft geweigerd haar medewerking te verlenen aan het onderzoek. Op basis van de observaties en de beschikbare, zeer beperkte, informatie zijn geen aanwijzingen gevonden voor psychotische symptomen.

Daarnaast heeft het hof acht geslagen op een aanvullende rapportage van het NIFP d.d. 10 september 2012, opgemaakt door J. Heerschop, psycholoog, en J.H. van Renesse, psychiater. Hieruit volgt dat de verdachte wederom heeft geweigerd medewerking te verlenen aan een onderzoek naar haar persoon. Het aanvullende milieuonderzoek geeft aanleiding om te denken dat de verdachte in het gezin leugenachtig en manipulerend gedrag kon vertonen, op heftige wijze ruzie kon maken en dat delen van het leven van de verdachte buiten het gezin ook voor de gezinsleden duister zijn gebleven. Ook na het aanvullende milieuonderzoek is er nog te weinig informatie om definitieve diagnostische conclusies te trekken omtrent de persoon van de verdachte. Er zijn evenwel geen aanwijzingen gevonden voor een duidelijke psychische stoornis.

Gelet op het vorenstaande ziet het hof geen grond om verdachte anders dan als volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen.”

22. Uit deze motivering blijkt dat, naar het Hof heeft vastgesteld, er geen aanwijzingen zijn gevonden waaruit een verminderde toerekeningsvatbaarheid wegens een psychische stoornis ten tijde van de misdrijven zou kunnen blijken.7 Het mogelijk leugenachtige en manipulatieve gedrag van verzoekster in haar gezinsleven en de eventueel duistere kant van haar leven maken dat niet anders. Gelet daarop is het onderhavige oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, waarbij ik in aanmerking neem dat op dit punt ter terechtzitting in hoger beroep door of namens verzoekster geen verweer is gevoerd.

23. Het middel faalt.

24. Het derde middel klaagt over de overschrijding van de inzendtermijn in cassatie.

25. Het cassatieberoep is ingesteld op 2 januari 2013. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 9 september 2013 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van zes maanden is overschreden.8 Het middel is dan ook terecht voorgesteld. Voorts merk ik ambtshalve op dat de Hoge Raad in deze zaak uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander kan echter onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest om een andere reden niet in stand kan blijven.

26. Het middel is terecht voorgesteld.

27. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering. Het eerste middel wat betreft de tweede klacht en het derde middel slagen.

28. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

29. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1. eerste alternatief, impliciet primair, tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Hof opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR1860, NJ 2005/154, rov. 3.3 en HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552, rov. 3.6.

2 Voorzien van een heldere noot van B.F. Keulen, vooral met betrekking tot de vraag of de invulling van de voorbedachte raad tegenwoordig vooral procesrechtelijk verloopt.

3 Zie ook HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518 m.nt. Keulen, HR 24 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1500 en HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1560.

4 Daarover de annotatie van N. Rozemond onder HR 25 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:72, NJ 2013/562.

5 Het is mij niet duidelijk welk tijdsverloop het Hof eigenlijk voor ogen heeft gestaan: de tijdsduur van de eerste fase, van de tweede fase of van beide fasen?

6 Vgl. HR 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2942.

7 Zie over voorbedachte raad en psychische stoornis: de in mijn voetnoot 4 aangehaalde noot van Rozemond; R. Jansen en L. Stevens, Moord en waanzin. De betekenis van de psychische stoornis bij het bewijzen van voorbedachte raad, DD 2013/61. Zie voorts HR 5 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB4959, NJ 2008/97.

8 Verzoekster bevindt zich in voorlopige hechtenis.