Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1776

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-07-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
14/02584
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2819, Gevolgd
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging. Grievenstelsel, “in beginsel strakke regel”. Laten ontstaan van nieuwe bovenmatige schuld, art. 350 lid 3 onder d Fw. Feiten van algemene bekendheid en algemene ervaringsregels.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

14/02584

Mr. Van Peursem

Zitting 11 juli 2014

Conclusie inzake:

[verzoekster]

verzoekster tot cassatie

(hierna: [verzoekster])

[de bewindvoerder], in haar hoedanigheid van bewindvoerder

verweerster in cassatie

(hierna: de bewindvoerder)

1. Feiten1 en procesverloop

1.1 Bij vonnis van de rechtbank Zutphen van 18 april 2011 is [verzoekster] toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

1.2 Op verzoek van de bewindvoerder is de schuldsaneringsregeling bij vonnis van 18 december 2013 tussentijds beëindigd en is bepaald dat [verzoekster] van rechtswege in staat van faillissement zal komen te verkeren zodra dit vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan. De rechtbank heeft onder aanhaling van art. 350 lid 3 onder c en d Fw overwogen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] tussentijds wordt beëindigd omdat als vaststaand moet worden aangenomen dat er in de woning van [verzoekster] een hennepkwekerij is aangetroffen, waaruit een nieuwe schuld is ontstaan aan netbeheerder Liander van € 7.872,24. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat [verzoekster] - hoewel behoorlijk opgeroepen2 - geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om tegen het verzoek van de bewindvoerder verweer te voeren3.

1.3 [verzoekster] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij beroepschrift van 24 maart 2014. Na de mondelinge behandeling op 28 april 2014 heeft het hof4 bij arrest van 8 mei 2014 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

1.4 [verzoekster] is van dit arrest tijdig5 in cassatie gekomen. De bewindvoerder heeft in cassatie verweer gevoerd en tot verwerping geconcludeerd.

2 Beoordeling van het cassatieberoep

2.1

Het cassatierekest bevat één cassatiemiddel. Dat middel valt, na het citeren van rov. 1.-3.6 van het bestreden arrest, uiteen in twee onderdelen.

2.2

Onderdeel 1 klaagt over de inhoudelijke kern van het bestreden arrest, rov. 3.5-3.6:

“3.5 Het hof oordeelt over het beroep inhoudelijk als volgt. Het enkele ontstaan van de schuld aan Liander van € 7.872,24, welke schuld als gevolg van rente en bijkomende kosten inmiddels is opgelopen tot meer dan € 8.500,- wegens een illegale aansluiting op het elektriciteitsnet ten behoeve van een hennepplantage in de destijds door [verzoekster] gehuurde woning aan de [a-straat 1] te [plaats], is op zichzelf reeds voldoende grond om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen, omdat aangenomen moet worden dat [verzoekster] niet in staat zal zijn deze schuld uit het vrij te laten bedrag in te lopen, zelfs niet als de looptijd van de regeling met de maximale duur van twee jaar zou worden verlengd. Uit de verklaring van [verzoekster] blijkt bovendien dat zij ten tijde van de inval door de politie in augustus 2012 al enige tijd in voormelde woning verbleef en dat het huurcontract op haar naam stond. Hoewel het hof wil aannemen dat niet [verzoekster] maar [betrokkene] de hennepkwekerij heeft opgezet en beheerd, blijft [verzoekster] als huurster aansprakelijk voor de kosten van de illegale aansluiting op het elektriciteitsnet, en daarmee voor de schuld aan Liander. In zoverre is het ontstaan van de nieuwe schuld ook aan [verzoekster] toerekenbaar. Daar komt bij dat het hof het niet aannemelijk acht dat [verzoekster] gedurende de drie à vier maanden dat [betrokkene] doende was met de hennepkwekerij in haar huurwoning, hiervan nooit iets heeft gemerkt. Het is niet alleen onaannemelijk dat [verzoekster] [betrokkene] tijdens het opzetten van de hennepkwekerij nooit in de woning is tegengekomen, maar het is bovendien een feit van algemene bekendheid is dat hennepteelt gepaard gaat met een penetrante geur en fel licht, die [verzoekster] niet kunnen zijn ontgaan. Voorts acht het hof onwaarschijnlijk dat het [verzoekster] geheel zou zijn ontgaan dat [betrokkene] wijzigingen heeft aangebracht in de meterkast.

3.6

De in hoger beroep aangevoerde gronden treffen dan ook geen doel. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] zou moeten voortduren, is onvoldoende gebleken. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.”

2.3

De klacht houdt het volgende in:

i) het hof heeft uit het oog verloren dat [verzoekster] een regresrecht heeft op de derde (hierna ook:) [betrokkene], die buiten medeweten en toestemming van [verzoekster] om de hennepkwekerij heeft opgezet. Door dat regresrecht kan de schuld aan Liander door, althans samen met [betrokkene] voldaan worden binnen de eventueel met maximaal twee jaar te verlengen looptijd van de schuldsaneringsregeling;

ii) het hof is uitgegaan van een te vergaande risicoaansprakelijkheid van huurster [verzoekster], nu de hennepkwekerij is opgezet door [betrokkene], die haar had gevraagd van tijd tot tijd in haar woning te mogen verblijven. [verzoekster] heeft [betrokkene] vanwege haar wisselende diensten nooit in haar woning aangetroffen. Zij heeft nooit gemerkt dat er veranderingen waren aangebracht aan de elektriciteitsmeter en geen penetrante geur ontwaard. Krachtens de algemene voorwaarden van Liander is voor het instellen van “de onderhavige vordering” toerekenbaarheid vereist, die ontbreekt;

iii) het hof gaat ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd uit van de eenzijdige opgave van de schuld aan Liander, terwijl [verzoekster] de hoogte van deze vordering gemotiveerd heeft betwist. Feit van algemene bekendheid is dat elektriciteitsmaatschappijen bij hennepkwekerijen met schattingen en veronderstellingen werken, waarbij [verzoekster] vervolgens in bewijsnood verkeert nu zij niet betrokken is geweest bij de hennepkwekerij;

iv) het hof heeft niet (voldoende) gemotiveerd overwogen dat het onaannemelijk is dat [verzoekster] nooit iets heeft gemerkt tijdens de drie à vier maanden dat [betrokkene] bezig was met zijn hennepkwekerij in haar woning, omdat niet alleen onaannemelijk is dat zij [betrokkene] tijdens de kweekopzet nooit is tegengekomen, maar feitelijk van algemene bekendheid is dat wietteelt gepaard gaat met penetrante geur en fel licht die [verzoekster] niet kunnen zijn ontgaan, terwijl ook de aanpassingen in de meterkast door haar moeten zijn opgemerkt. Dit is volgens het onderdeel een ontoereikende motivering, omdat vast zou staan dat [verzoekster] niet of nauwelijks in de woning kwam en het een feit van algemene bekendheid is dat als men in een omgeving komt waar een bepaalde geur hangt (zoals rondom een koffiebranderij, een haven of raffinaderijen), men zodanig aan die geur went, dat men die niet meer ruikt. Ook is maar de vraag of de hennepkwekerij met geurproductie gepaard ging, omdat [betrokkene] heeft gesteld dat de plantjes net aan het opkomen waren en er nog niet was geoogst; een vraag die het hof niet heeft onderzocht, door zonder aanknopingspunten daarvoor voetstoots uit te gaan van een volwassen kwekerij met verscheidene oogsten. Verder is volgens deze klacht niet duidelijk waar het hof de stelling op baseert dat de productie gepaard is gegaan met fel licht, dat [verzoekster] moet zijn opgevallen, want een dichte deur laat geen licht door. Het onderdeel besluit onder verwijzing naar art. 6 EVRM en art. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie6 dat het hof ten onrechte op basis van eigen aannames, waarvoor geen steun is te vinden in de stukken, tot de conclusie is gekomen dat [verzoekster] de kwekerij niet kan zijn ontgaan.

2.4

Ik zie deze klachten om de volgende redenen niet opgaan.

Omvang rechtsstrijd in appel, onderdeel 1 aspecten i) en iii)

2.5

Allereerst speelt het punt van het tijdig aanvoeren van beroepsgronden – in beginsel niet voor het eerst ter mondelinge behandeling. Dat betreft in de eerste plaats het hiervoor met i) aangeduide aspect van onderdeel 1, het regresrecht op [betrokkene]. Ook in verzoekschriftprocedures in hoger beroep geldt de “in beginsel strakke regel” dat beroepsgronden tijdig moeten worden aangevoerd. Hoofdregel is dat het beroepschrift de gronden bevat waarop het berust (art. 359 jo 278 Rv)7. Door Uw Raad is een uitzondering aangenomen op grond van de aard van sommige procedures, zoals voor een beroep van een bevel van de rechter-commissaris in faillissement, mede in verband met de daar geldende zeer korte beroepstermijn van vijf dagen, onder de voorwaarde dat de grieven “met bekwame spoed” in een aanvullend rekest naar voren worden gebracht8. Die ratio lijkt mij evenzeer opgaan voor schuldsaneringsprocedures als deze. Ondubbelzinnige toestemming van de wederpartij kan ook een uitzondering op de “in beginsel strakke regel” rechtvaardigen. De appelrechter mag geen acht slaan op gronden die voor het eerst bij de mondelinge behandeling in hoger beroep worden voorgedragen, tenzij gerekwestreerde ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de desbetreffende grond alsnog in de rechtsstrijd wordt betrokken. Die toestemming hoeft niet uitdrukkelijk te zijn, deze kan ook besloten liggen in verklaringen of gedragingen van gerekwestreerde. Onder bijzondere omstandigheden kan deze ondubbelzinnige toestemming ook volgen uit het achterwege blijven van een reactie van gerekwestreerde op een nieuwe grond, bijvoorbeeld wanneer deze door appellant bij pleidooi uitdrukkelijk als zodanig is aangekondigd9.

2.6 “

Grief 1” van het beroepschrift gaat eerst in op de verschoonbaarheid van de overschrijding van de beroepstermijn. In dat kader heeft [verzoekster] onder 7 de volgende inhoudelijke verweren naar voren gebracht: er zijn geen nieuwe schulden gemaakt, zij was niet betrokken bij de hennepkwekerij op haar zolder, waar ze ook niet van wist en er was ook geen andere reden voor tussentijdse beëindiging. Alle verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling is [verzoekster] stipt nagekomen (beroepschrift onder 8), terwijl zij zeer korte tijd verwijderd was van een schone lei (beroepschrift onder 9). Daarna is in het beroepschrift in “grief 2” (onder 12-13) een zogenoemde “veeggrond” geformuleerd10. Hoewel het petitum van het beroepschrift onder ii) verzoekt [verzoekster] in de gelegenheid te stellen “de gronden van dit beroep zonodig aan te vullen en nader te motiveren”, heeft zij geen aanvullend rekest ingediend11. Tenzij sprake is van ondubbelzinnige acceptatie door de bewindvoerder van aanvullende aspecten, is de rechtsstrijd in hoger beroep dus zoals hier geschetst afgebakend12. Het regresrecht-aspect van onderdeel 1 valt daar buiten. Het beroepsschrift zwijgt hierover en van ondubbelzinnige aanvaarding daarvan in het geschil door de bewindvoerder is volgens mij geen sprake13. Omdat [verzoekster] het regres-aspect niet in haar beroepschrift als grond heeft aangevoerd, mist zij belang bij cassatie op dit punt. Het stond het hof niet vrij daar op in te gaan en dat zou voor een verwijzingshof na cassatie niet anders zijn14.

2.7

In de tweede plaats strandt aspect iii) van onderdeel 1 (hoogte schuld aan Liander) hierop. [verzoekster] heeft blijkens rov. 3.215 van het bestreden arrest de hoogte van de vordering van Liander van € 7.872,24 bestreden16 en gesteld dat de hoogte niet klopt gelet op de korte periode dat de kwekerij volgens [betrokkene] in bedrijf is geweest. In reactie daarop heeft de bewindvoerder in hoger beroep gesteld (p-v p. 2) dat zij “[o]ver de betrokkenheid van [verzoekster] bij de in haar huurwoning aangetroffen hennepkwekerij (…) geen mening [kan] vormen. Waar ik wel mee zit is een aanzienlijke schuld van bijna € 8.000,-. Gelet op wat ik hier vandaag heb gehoord zou het in de rede liggen dat [betrokkene] deze schuld dient te voldoen, maar vooralsnog is [verzoekster], als huurster van de woning, aansprakelijk voor deze vordering.17Tegen de hoogte van de vordering van Liander is in het beroepschrift verder geen grond gericht, zoals we zagen in 2.6. Van ondubbelzinnige aanvaarding van de rechtsstrijd door de bewindvoerder op dit punt lijkt mij ook hier geen sprake. Het stond het hof dus niet vrij om hier op in te gaan en daarom heeft het hof deze stelling terecht buiten beschouwing gelaten18.

Verder inhoudelijk over onderdeel 1 aspecten ii) en iv)

2.8

Deze aspecten (risicoaansprakelijkheid [verzoekster] en onaannemelijk dat zij niet van de hennepkwekerij heeft geweten) lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het hof heeft de zaak inhoudelijk beoordeeld naar de maatstaf van het doen of laten ontstaan van bovenmatige schulden door de saniet, één van de gronden voor tussentijdse beëindiging (art. 350 lid 1 jo. lid 3 onder d Fw). De saniet moet van het ter beschikking gestelde vrij te laten bedrag kunnen rondkomen, het uitgavenpatroon moet daarop zijn afgestemd. Als de saniet schulden maakt die die financiële mogelijkheden te buiten gaan, kan het ontstaan van die schulden worden aangerekend, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt19. Voor beëindiging op deze grondslag is vereist dat de schuld bovenmatig is. Of een schuld bovenmatig is moet volgens uw Raad20 worden gerelateerd aan de hoogte van het vrij te laten bedrag.

2.9

Het hof heeft overwogen dat hij [verzoekster] niet in staat acht de schuld aan Liander van inmiddels meer dan € 8.500,- uit het vrij te laten bedrag (ruim € 1.500,- per maand) in te lopen, ook niet als regeling met de maximale twee jaar zou worden verlengd. Het hof heeft aangenomen dat [verzoekster] als huurster contractant van Liander is en op die grond aansprakelijk is voor de illegale tapschuld21. In zoverre is het ontstaan van de nieuwe schuld aan [verzoekster] toerekenbaar. Het hof acht niet aannemelijk dat [verzoekster] in de drie à vier maanden dat [betrokkene] in de weer was met de hennepkwekerij op de zolder van [verzoekster], hiervan nooit iets heeft gemerkt, omdat het

i) onaannemelijk is dat [verzoekster] [betrokkene] tijdens het opzetten van de hennepkwekerij nooit in de woning is tegengekomen,

ii) het een feit van algemene bekendheid is dat hennepteelt gepaard gaat met een penetrante (wiet)geur en fel licht en

iii) het onwaarschijnlijk is dat [verzoekster] de wijzigingen aan de elektriciteitsmeter in de kelderkast22 is ontgaan.

2.10

Dit oordeel houdt mijns inziens stand, het is bepaald niet onbegrijpelijk en er is geen sprake van schending van rechtsregels. Uitgangspunt is dat een huurder van woonruimte die daar zijn hoofdverblijf heeft, weet of behoort te weten wat zich in die woning afspeelt23. Dat valt onder zijn zorgplicht als goed huurder. Vast staat dat [verzoekster] ten tijde van de inval door de politie in augustus 2012 al enige tijd in voormelde woning verbleef, dat het huurcontract op haar naam stond en zij [betrokkene] toestond om de zolder van haar woning te gebruiken, waar deze vervolgens onder het plegen van energiefraude in de weer is gegaan met een hennepplantage. Dat [verzoekster] niet of nauwelijks in de woning kwam, zoals het onderdeel onder aspect iv) stelt, mist feitelijke grondslag. [verzoekster] heeft gesteld dat zij wisselende diensten draait en daarom [betrokkene] nooit is tegengekomen24, wat overigens gelet op de door [betrokkene] toegegeven duur van de teelt van enkele maanden en het enkele feit van het draaien van onregelmatige diensten ook al niet aanstonds aanspreekt. Ook ten aanzien van de energiefraude kon en mocht het hof [verzoekster] aanrekenen dat zij onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld bij het nagaan van wat er in haar woning door [betrokkene] werd verricht. Daarbij ligt het voor de hand dat [verzoekster] [betrokkene] zou hebben gevraagd wat hij met de in bruikleen gestelde zolder van plan was, of althans dat zij eens zou zijn gaan kijken wat daar op zolder zo al voorviel. Het is bepaald begrijpelijk dat het hof bij dit een en ander de nodige argwaan ventileert. Van (verregaande) risicoaansprakelijkheid van de huurder, zoals aspect ii) van onderdeel 1 aandraagt, is – wat daar verder van zij – geen sprake, het betreft contractuele aansprakelijkheid en begrijpelijke toerekening. Feitelijke grondslag mist verder nog de stellingen van aspect iv) van het onderdeel dat het hof voetstoots is uitgegaan van een volwassen kwekerij met meerdere oogsten, terwijl [verzoekster] ook niets heeft gesteld over een dichte (zolder)deur die geen fel licht door zou laten.

2.11

Het onderdeel verliest daarbij uit het oog dat het hof op grond van art 149 lid 2 Rv feiten of omstandigheden van algemene bekendheid en algemene ervaringsregels aan zijn beslissing ten grondslag mag leggen. Die hoeven niet gesteld te zijn en behoeven evenmin bewijs. Het hof heeft daardoor art. 6 EVRM en art. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie niet geschonden. Deze feiten of omstandigheden van algemene bekendheid vormen een feitelijke beslissing in cassatie en kunnen in cassatie dus slechts beperkt worden getoetst25.

Terzijde wat dit betreft: een kweekcyclus van hennepplanten bedraagt 10 weken (aldus het BOOM26-rapport van 1 november 2010 over “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht, Standaardberekening en normen”, p. 2, 7, 8 en 18, waarvan kan worden aangenomen dat dit feiten van algemene bekendheid zijn27). [betrokkene] heeft in hoger beroep verklaard (p-v p. 2) dat de hennepplantage hooguit drie maanden operationeel was (“De groeilampen hebben hooguit drie maanden gebrand.”). Dat is langer dan tien weken. Het is aannemelijk dat in die periode wietgeur moet zijn opgetreden in de woning van [verzoekster]. Dat een bepaalde (geur)gewenning optreedt, doet niet af aan de omstandigheid dat [verzoekster] aanvankelijk de hennepgeur moet hebben geroken.

2.12

Op dit alles stranden aspecten ii) en iv) van onderdeel 1. Onderdeel 1 is tevergeefs voorgesteld.

2.13

Onderdeel 2 klaagt, onder verwijzing naar de klachten van onderdeel 1, dat het hof ten onrechte in rov. 3.6 heeft beslist dat niet van bijzondere omstandigheden is gebleken op grond waarvan de schuldsaneringsregeling voor [verzoekster] zou moeten voortduren. Volgens het onderdeel dienen de volgende bijzondere omstandigheden in aanmerking te worden genomen op grond waarvan de regeling zou moeten voortduren, eventueel op nadere voorwaarden en met verlenging:

i) [verzoekster] is de regeling goed, trouw en nauwgezet nagekomen gedurende de looptijd en

ii) stond vlak voor het verlenen van een “schone lei”.

iii) Uit de wijze waarop [verzoekster] de regeling is nagekomen blijkt haar saneringsgezindheid en

iv) dat is ook een aanwijzing dat zij slachtoffer is geworden van [betrokkene], zonder zelf iets met de hennepkwekerij van doen te hebben.

2.14

Nog daargelaten of onderdeel 2 voldoet aan de aan een cassatiemiddel te stellen eisen bij gebreke van vindplaatsen in de stukken, kort hierover het volgende. Voor zover onderdeel 2 voortbouwt op het slagen van onderdeel 1, faalt het op de bij de bespreking daarvan aangegeven gronden. Maar ook overigens kan dit niet slagen. Beëindiging van de schuldsaneringsregeling en verlenging daarvan betreffen volgens artt. 350 lid 1 en 349a Fw discretionaire rechterlijke bevoegdheden. Het hof heeft als feitenrechter in de gegeven omstandigheden geen aanleiding gezien om de schuldsaneringsregeling te laten voortduren. Dat betreft een hoofdzakelijk feitelijke afweging en waardering die in cassatie niet nader kan worden getoetst dan op begrijpelijkheid en van onbegrijpelijkheid in cassatie-technische zin is hier volgens mij geen sprake28.

3 Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-generaal

1 Zie het vonnis van de rechtbank Gelderland, team insolventies, zittingsplaats Zutphen van 18 december 2013 onder ‘Het procesverloop’, alsmede rov. 1.1 van het bestreden arrest van hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem van 8 mei 2014.

2 Overigens acht het hof in rov. 3.4 voldoende aannemelijk dat de oproeping voor de zitting [verzoekster] verschoonbaar niet heeft bereikt en het hoger beroep niet tardief is ingesteld. [verzoekster] heeft in feite maar één inhoudelijke behandeling van haar zaak op tegenspraak gehad, bij het hof.

3 Vgl. rov. 3.1 van het bestreden arrest.

4 Hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem.

5 Het cassatierekest is per fax ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 16 mei 2014, binnen de in art. 351 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn van 8 dagen.

6 Het artikel luidt: “Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.Rechtsbijstand wordt verleend aan diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voorzover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.”

7 Vgl. Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012, nr. 106 e.v.

8 Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012, nr. 114.

9 Vgl. Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012, nr. 107-108.

10 Deze luidt: “12. Ten onrechte heeft de rechtbank het verzoek van de bewindvoerder tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling toegewezen.(…)13. De rechtbank had het verzoek van de bewindvoerder moeten afwijzen. Deze grief is bedoeld om het geschil in volle omvang aan het gerechtshof voor te leggen.

11 Vgl. het bestreden arrest onder 2 “Het geding in hoger beroep”.

12 Zie in deze zin ook het verweerschrift in cassatie onder 2.5 en 2.6.

13 Zie de verklaring van de bewindvoerder in het proces-verbaal in hoger beroep (p. 2) (“Gelet op wat ik hier vandaag heb gehoord zou het in de rede liggen dat [betrokkene] deze schuld dient te voldoen, maar vooralsnog is [verzoekster], als huurster van de woning, aansprakelijk voor deze vordering.”) en de verklaring van de advocaat van [verzoekster] in genoemd proces-verbaal (p. 3) (“Als Liander gaat procederen over deze schadevergoeding zullen we [betrokkene] in elk geval in vrijwaring oproepen.”) Vgl. ook rov. 3.2 en 3.3 van het bestreden arrest en het proces-verbaal van de rechtbank van 11 december 2013 (“Het gaat om een vordering van Liander van € 7.874,24. In de voormalige woning van schuldenaar is hennep gekweekt. [verzoekster] heeft dit altijd ontkend en heeft bezwaar aangetekend tegen de vordering van Liander. De kwekerij is begonnen door een medebewoner. Hij zou ook de rekening van Liander betalen.”).

14 Verweerschrift in cassatie onder 2.8.

15 “(…) [verzoekster] betwist de vordering van Liander van € 7.872,24. De hoogte ervan kan volgens haar, gelet op het geringe aantal maanden dat de kwekerij volgens [betrokkene] in bedrijf is geweest, niet kloppen. Liander gaat er in haar berekening ten onrechte van uit dat in 2011 en 2012 vier kweken hennep hebben plaatsgevonden. Op grond van de algemene voorwaarden van Liander is voor het instellen van de onderhavige vordering toerekenbaarheid vereist, die volledig bij [verzoekster] ontbreekt.(…)”

16 Zie de verklaring van de [verzoekster] in het proces-verbaal in hoger beroep (p. 2): “De hennepkweek is volgens [betrokkene] nooit verder gekomen dan het planten en verzorgen van kleine plantjes. Tot een oogst is het nooit gekomen” Zie ook het proces-verbaal van de rechtbankzitting van 11 december 2013 (“Het gaan om een vordering van Liander van € 7.874,24. In de voormalige woning van schuldenaar is hennep gekweekt. [verzoekster] heeft dit altijd ontkend en heeft bezwaar aangetekend tegen de vordering van Liander.”).

17 Zie ook rov. 3.3 (tweede alinea) van het bestreden arrest (“De bewindvoerder verklaart verder dat zij zich over de betrokkenheid van [verzoekster] bij de door de politie aangetroffen hennepkwekerij geen mening kan vormen. De schuld aan Liander is op zich reeds voldoende grond voor tussentijdse beëindiging van de regeling. Verlenging van de regeling heeft volgens de bewindvoerder weinig zin, om dat het praktisch is uitgesloten dat [verzoekster] in staat kan worden geacht een vordering van dergelijke hoogte in de extra tijd volledig in te lopen.”).

18 In gelijke zin verweerschrift in cassatie 2.16.

19 Vgl. de conclusie van A-G Keus (ECLI:NL:PHR:2004:AR4046) onder 2.8 vóór HR 24 december 2004 ECLI:NL:HR:2004:AR4046; Lammers, Faillissementswet (losbl.), art. 350 Fw, aant. 8.4; Wessels, Insolventierecht IX, 2012, par. 9372. Zie ook de conclusie van A-G Strikwerda (onder 9) vóór HR 18 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1675, RvdW 2010, 780.

20 HR 14 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7003, NJ 2004, 620.

21 Vgl. het proces-verbaal bij de rechtbankzitting van 11 december 2013 (“Hij [lees: [betrokkene], A-G] zou ook de rekening van Liander betalen. Schuldenaar wordt niet strafrechtelijk vervolgd wegens gebrek aan bewijs. Als contractant van Liander is zij echter wel aansprakelijk voor deze schuld.” Zie ook de verklaring van [betrokkene] in het proces-verbaal in hoger beroep (p. 2): “Omdat de huurovereenkomst van deze woning op naam van [verzoekster] stond, is [verzoekster] door Liander verantwoordelijk gesteld voor het illegaal aftappen van stroom.” en de verklaring van de bewindvoerder daarin (p. 2): “Gelet op wat ik hier vandaag heb gehoord zou het in de rede liggen dat [betrokkene] deze schuld dient te voldoen, maar vooralsnog is [verzoekster], als huurster van de woning, aansprakelijk voor deze vordering.”

22 Vgl. de verklaring van [verzoekster] in het proces-verbaal in hoger beroep (p. 2).

23 Rossel, Huurrecht algemeen, 2011, par. 5.1.2.5.5, i.h.b. voetnoot 46 en 48 en de rechtspraak vermeld onder voetnoot 48. Vgl. ook de conclusie van A-G Huydecoper (onder 9) vóór HR 29 februari 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BC1251, RvdW 2008, 290 (“Ten tweede: het hof heeft niet miskend dat niet [eiser] maar diens zoon de hennepkwekerij exploiteerde. Het hof rekent [eiser] dan ook niet het exploiteren van de kwekerij aan, maar het ‘(laten) exploiteren’ daarvan (rov. 2.4). Ik leid daaruit af dat het hof, hoewel het in rov. 2.9 met de mogelijkheid rekening heeft gehouden dat [eiser] van de hennepkwekerij niet op de hoogte was, hem wel een onvoldoende zorgvuldigheid aanrekent bij het nagaan van wat ter plaatse gebeurde (wat in de gebezigde uitdrukking ‘(laten) exploiteren’ tot uitdrukking komt). Ik beoordeel dat als goed te begrijpen: ook als men met de mogelijkheid rekening wil houden dat [eiser] niet wist wat zijn zoon 'uitspookte' toen er een kelder werd aangelegd (waarvan ook in cassatie wordt benadrukt, dat die een moeilijk te vinden toegang had) en toen daarin bepaalde activiteiten werden ondernomen, ligt toch de gevolgtrekking voor de hand dat [eiser] hier al te gemakkelijk met zijn verplichtingen om de zorg van een goed huurder te betrachten, is omgegaan.”)

24 Rov. 3.2: “(…) [verzoekster] heeft [betrokkene], mede in verband met haar wisselende diensten, nooit in haar woning aangetroffen en ook nooit gemerkt dat er veranderingen waren aangebracht aan de elektriciteitsmeter in de kelderkast van haar toenmalige woning.” Vgl. ook de verklaring van [verzoekster] in het p-v van de hoger beroepszitting, p. 2.

25 Beenders, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, 2014, art. 149 Rv, aant. 3 onder b.

26 Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie.

27 Zie het voorwoord, p. 1 (“Daar het rapport vanaf het begin via de OM-site op internet gepubliceerd is, staat het ook vanaf april 2005 ter beschikking aan de verdediging. In het kader van de bewijsmotivering heeft de AG bij de Hoge Raad in 2009 zelfs geconcludeerd dat door het verwijzen naar het BOOM-rapport het hof voldoende duidelijk heeft gemaakt hoe de berekening tot stand gekomen is, nu van de inhoud van dit rapport zonder noemenswaardige moeite uit een algemeen toegankelijke bron kennis genomen kan worden, zodat deze ervaringsgegevens tot de feiten van algemene bekendheid gerekend kunnen worden.”)

28 Zie rov. 3.2 (tweede alinea) van het bestreden arrest (“[verzoekster] stelt dat zij de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling altijd strikt is nagekomen en wijst er verder op dat zij nog slechts zeer korte tijd verwijderd was van een schone lei.”) en rov. 3.3 (tweede alinea) van het bestreden arrest (“Verlenging van de regeling heeft volgens de bewindvoerder weinig zin, om dat het praktisch is uitgesloten dat [verzoekster] in staat kan worden geacht een vordering van dergelijke hoogte in de extra tijd volledig in te lopen.”) en de verklaring van de advocaat van [verzoekster] in het proces-verbaal in hoger beroep (p. 3, “In dit licht bezien hoort de schuldsaneringsregeling ook niet verlengd te worden. Daar kunnen we echter mee instemmen als het echt niet anders kan.”).