Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:177

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-02-2014
Datum publicatie
21-03-2014
Zaaknummer
13/01488
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in oktober 2008 aanvragen ingediend voor bindende tariefinlichtingen (hierna: bti’s) voor drie digitale videomultiplexers met ingebouwde digitale videorecorder (hierna: de videomultiplexers of apparaten), waarbij zij heeft verzocht om indeling onder tariefpostonderverdeling 8543 70 90 99 (3,7%) respectievelijk tariefpostonderverdeling 8531 10 30 (2,2%) van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: GN). De Inspecteur heeft drie bti’s aan belanghebbende afgegeven. Anders dan belanghebbende voorstond, heeft hij de videomultiplexers ingedeeld onder tariefpostonderverdeling 8521 90 00 van de GN (13,9%).

In deze procedure staat de vraag centraal of de videomultiplexers moeten worden ingedeeld als toestellen waarmee beelden kunnen worden opgenomen en/of weergegeven als bedoeld in tariefpostonderverdeling 8521 90 00 van de GN dan wel of zij als delen van alarmtoestellen tegen diefstal (tariefpostonderverdeling 8531 90 85 van de GN) moeten worden ingedeeld.

Rechtbank Haarlem (hierna: de Rechtbank) was van oordeel dat de apparaten als alarmtoestellen kunnen worden aangemerkt en onder tariefpostonderverdeling 8531 10 30 van de GN moeten worden ingedeeld. Hof Amsterdam (hierna: het Hof) oordeelde daarentegen dat de apparaten onder tariefpostonderverdeling 8521 90 00 van de GN vallen. In cassatie is niet (meer) in geschil dat de videomultiplexers als zodanig geen alarmtoestellen zijn.

A-G Van Hilten bespreekt de in deze procedure relevante indelingsregels, afdeling, hoofdstuk en tariefpost(onderverdeling)en van het Geharmoniseerd Systeem (GS) c.q. de GN. De daarbij behorende aantekeningen en toelichtingen komen eveneens aan de orde.

Met betrekking tot de tariefpost 8521 van de GN leidt de A-G uit de tekst en toelichtingen op deze tariefpost af dat apparaten die onder deze post worden ingedeeld, apparaten zijn waarmee beelden kunnen worden opgenomen en/of weergegeven. De A-G deelt de opvatting van de Rechtbank en het Hof dat de videomultiplexers onder de bewoordingen van tariefpostonderverdeling 8521 90 00 van de GN vallen en dat zij derhalve vatbaar zijn voor indeling in die post. Dat laat echter onverlet de mogelijkheid dat de apparaten (ook) onder tariefpostonderverdeling 8531 90 85 van de GN - als delen van alarmtoestellen - kunnen worden ingedeeld. Bij beantwoording van de vraag of tariefpostonderverdeling 8531 90 85 van de GN van toepassing kan zijn, loopt A-G aan tegen de vraag of de videomultiplexers wel aan te merken zijn als ‘delen’ van alarmtoestellen. Met het oog op de jurisprudentie van het Hof van Justitie over het begrip ‘deel’ en in aanmerking nemende de vastgestelde feiten, komt zij tot de conclusie dat het geen gegeven is dat de videomultiplexers delen zijn (van alarmtoestellen). Nu in cassatie niet tegen dit oordeel van het Hof wordt opgekomen, gaat zij er echter (veronderstellenderwijs) van uit dat de videomultiplexers wel als zodanig kunnen worden aangemerkt.

Vervolgens stuit zij op een (mogelijke) botsing tussen tariefpostonderverdeling 8531 90 85 van de GN met GS-aantekening 2A op afdeling XVI (waarvan hoofdstuk 85 deel uitmaakt). De vraag komt namelijk op of de bewoordingen van de tariefpostonderverdeling – ‘delen van’ – voorrang hebben op aantekening 2A op afdeling XVI waarin is bepaald dat delen van apparaten die als zodanig onder een van de posten van hoofdstuk 84 of 85 vallen, onder die posten blijven ingedeeld. Aan de hand van de GS-toelichtingen op afdeling XVI, hoofdstuk 85 en tariefpost 8531, komt zij tot de slotsom dat aantekening 2A voor gaat en dat de videomultiplexers (dus) niet zijn in te delen onder tariefpostonderverdeling 8531 90 85 van de GN. De A-G is derhalve van mening dat de videomultiplexers moeten worden ingedeeld in tariefpostonderverdeling 8521 90 00 van de GN.

Het middel faalt derhalve.

A-G van Hilten adviseert het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond te verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0661

Conclusie

Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

mr. M.E. van Hilten

Advocaat-Generaal

Conclusie van 28 februari 2014 inzake:

HR nr. 13/01488

[X] B.V.

Hof nr. 11/00446

Rb nr. AWB 09/2048

Derde Kamer A

tegen

Douanerechten

2008

staatssecretaris van Financiën

1 Inleiding

1.1

Deze procedure betreft een indelingskwestie. Het gaat om de indeling van videomultiplexers met ingebouwde digitale videorecorder in het douanetarief. De vraag in cassatie is of de apparaten moeten worden ingedeeld als toestellen waarmee beelden kunnen worden opgenomen en/of weergegeven als bedoeld in tariefpostonderverdeling 8521 90 00 van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: GN) dan wel of zij als delen van alarmtoestellen tegen diefstal (tariefpostonderverdeling 8531 90 85 van de GN) moeten worden ingedeeld.

1.2

Rechtbank Haarlem1 (hierna: de Rechtbank) was van oordeel dat de apparaten onder tariefpostonderverdeling 8531 10 30 van de GN (alarmtoestellen tegen diefstal) moeten worden ingedeeld. Hof Amsterdam (hierna: het Hof) oordeelde daarentegen dat de apparaten onder tariefpostonderverdeling 8521 90 00 van de GN vallen. In cassatie wordt niet opgekomen tegen het oordeel van het Hof dat de videomultiplexers geen alarmtoestellen in de zin van tariefpostonderverdeling 8531 10 30 van de GN zijn. Dat lijkt mij terecht.

1.3

In deze conclusie concentreer ik mij dan ook tot de in geding zijnde tariefpostonderverdelingen 8521 90 00 en 8531 90 85 van de GN. Aan de hand van de tariefposten en de relevante aantekeningen op en toelichtingen bij afdeling XVI (waarvan hoofdstuk 85 deel uitmaakt), hoofdstuk 85 en de tariefpostonderverdelingen, kom ik tot de slotsom dat de videomultiplexers vatbaar zijn voor indeling onder post 8521 90 00 van de GN.

1.4

Bij de beantwoording van de vraag of de apparaten (ook) in te delen zijn onder tariefpostonderverdeling 8531 90 85 van de GN loop ik aan tegen de vraag of de videomultiplexers wel aan te merken zijn als delen van alarmtoestellen. Het Hof heeft belanghebbende gevolgd in haar stelling van deze strekking, maar gezien de jurisprudentie van het Hof van Justitie (hierna: HvJ) over het begrip ‘deel’ en gelet op de vastgestelde feiten, is de conclusie dat de videomultiplexers delen zijn van alarmtoestellen mijns inziens geen gegeven. Nu in cassatie evenwel niet tegen dit oordeel van het Hof wordt opgekomen, ga ik er (veronderstellenderwijs) van uit dat de videomultiplexers wel als zodanig kunnen worden aangemerkt.

1.5

Daarvan uitgaande komt de vraag op of de bewoordingen van de tariefpostonderverdeling voorrang hebben op aantekening 2A op afdeling XVI waarin - kort gezegd - is bepaald dat delen van machines die als zodanig onder een van de posten van hoofdstuk 84 of 85 vallen, onder die posten blijven ingedeeld. Aan de hand van de GS-toelichtingen op afdeling XVI, hoofdstuk 85 en tariefpost 8531, kom ik tot de conclusie dat aantekening 2A in dezen voor gaat en dat de videomultiplexers (dus) niet zijn in te delen onder tariefpostonderverdeling 8531 90 85 van de GN.

1.6

De slotsom is dan dat de videomultiplexers moeten worden ingedeeld in tariefpostonderverdeling 8521 90 00 van de GN en dat het beroep in cassatie ongegrond moet worden verklaard.

2 Feiten en procesverloop

2.1

Belanghebbende heeft in oktober 2008 aanvragen2 ingediend voor bindende tariefinlichtingen (hierna: bti’s) voor drie digitale videomultiplexers met ingebouwde digitale videorecorder (hierna: de videomultiplexer(s) of appara(a)t(en)).

2.2

Belanghebbende heeft verzocht om de apparaten onder tariefpostonderverdeling 8543 70 90 993 respectievelijk tariefpostonderverdeling 8531 10 30 van de GN in te delen. Voor goederen van deze tariefpostonderverdelingen geldt een douanetarief van 3,7% respectievelijk 2,2%.4

2.3

Met dagtekening 27 november 2008 heeft de Inspecteur5 drie bti’s aan belanghebbende afgegeven. Anders dan belanghebbende voorstond, heeft de Inspecteur de videomultiplexers ingedeeld onder tariefpostonderverdeling 8521 90 00 van de GN. Voor goederen van deze tariefpostonderverdeling geldt een douanetarief van 13,9%.

2.4

De drie bti’s behoren tot de gedingstukken.

2.4.1

In de bti met het kenmerk [004] is als handelsbenaming van de desbetreffende videomultiplexer “[D]” vermeld, en is het apparaat als volgt omschreven:

“Een digitale videorecorder, zijnde een videomultiplexer geschikt voor het opnemen van analoge en digitale beelden en geluid van aangesloten camera’s binnen een bewakingssysteem of zogenoemde CCTV (Closed Circuit Televisie Systeem). Het toestel is voorzien van onder meer de volgende uiterlijke en technische kenmerken:

- omzetten van analoog dan wel digitaal videosignaal naar Mpeg4;

- een RJ45 connector voor het internet;

- diverse audio, composiet video, USB, VGA, DVI, RS485 en RS 232 connectoren voor het aansluiten van een automatisch gegevensverwerkende machine (AGM), televisiecamera’s en monitoren;

- DHCP en DDNS functionaliteit voor de aansluiting op netwerken;

- een interne harde schijveneenheid met een opslagcapaciteit van 320 GN tot 3 TB;

- alarm indicator, verstuurd tevens mails met alarm waarschuwingen;

- met ingebouwde DVD brander;

- diverse bedieningsknoppen en een infrarood sensor;

- afmetingen 89 x 442,5 x 509 mm.

Het apparaat wordt tezamen aangeboden met een afstandsbediening, software, benodigde bekabeling en een gebruikershandleiding.”

2.4.2

De bti met het kenmerk [005] is afgegeven voor een apparaat met als handelsnaam “[E]”. Dat apparaat is in de bti als volgt omschreven:

“Een digitale videorecorder, zijnde een videomultiplexer geschikt voor het opnemen van analoge en digitale beelden en geluid van aangesloten camera’s binnen een bewakingssysteem of zogenoemde CCTV (Closed Circuit Televisie Systeem). Het toestel is voorzien van onder meer de volgende uiterlijke en technische kenmerken:

- omzetten van analoog dan wel digitaal videosignaal naar Mpeg4;

- een RJ45 connector voor het internet;

- diverse audio, composiet video, USB, VGA, RS485 en RS232 connectoren voor het aansluiten van een automatisch gegevensverwerkende machine (AGM), televisiecamera ‘s en monitoren;

- DHCP en DDNS functionaliteit voor de aansluiting op netwerken;

- een interne harde schijveneenheid met een opslagcapaciteit van 160 GB tot 1,5 TB;

- alarm indicator, verstuurd tevens mails met alarm waarschuwingen;

- met ingebouwde DVD brander;

- diverse bedieningsknoppen en een infrarood sensor;

- afmetingen van 89 x 395 x 420 mm.

Het apparaat wordt tezamen aangeboden met een afstandsbediening, software, benodigde bekabeling en een gebruikershandleiding.”

2.4.3

Voor de [F] is de bti met kenmerk [006] afgegeven. Deze videomultiplexer is in de bti omschreven als:

“Een digitale videorecorder, zijnde een videomultiplexer geschikt voor het opnemen van digitale beelden en geluid van aangesloten camera’s binnen een bewakingssysteem of zogenoemde CCTV (Closed Circuit Televisie Systeem). Het toestel is voorzien van onder meer de volgende uiterlijke en technische kenmerken:

- Mpeg 4 encoder;

- een RJ45 connector voor het internet:

- diverse audio, composiet video, USB, connectoren voor het aansluiten van een automatisch gegevensverwerkende machine (AGM), televisiecamera’s en monitoren;

- DHCP en DDNS functionaliteit voor de aansluiting op netwerken;

- een interne harde schijveneenheid met een opslagcapaciteit van 320 GB;

- alarm indicator, verstuurd tevens e-mails met alarm waarschuwingen;

- diverse bedieningsknoppen en een infrarood sensor;

- afmetingen van 81 x 362 x 338 mm.

Het apparaat wordt tezamen aangeboden met een afstandsbediening, software, benodigde bekabeling en een gebruikershandleiding.”

2.4.4

De motivering voor de indeling van de apparaten is in alle hiervoor genoemde bti’s gelijkluidend, namelijk:

“De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1, 3b en 6 en voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, aantekening 5, letter E op hoofdstuk 84 en de tekst van de GN-codes 8521, 8521 90 en 8521 90 00, alsmede arrest Hof van Justitie, van 17 maart 2005 zaaknummer C-467/03 (Ikegami) en Arrest van het Hof van Justitie, van 04 maart 2004 zaaknummer C-130/02 (Krings).”

2.5

Bij de behandeling van de zaak ter zitting van het Hof heeft belanghebbende een presentatie gegeven over de videomultiplexers en is een representatief apparaat gedemonstreerd.6 Naar aanleiding van deze presentatie heeft het Hof vastgesteld dat het apparaat:

“- kan worden aangesloten op één of meer externe alarmsensoren zoals infrarood- en/of brandmelders.

- (…) video-ingangen [heeft] waarop maximaal 16 camera’s kunnen worden aangesloten;

- (…) video-uitgangen [heeft] voor monitoren of televisies waarmee beelden van (maximaal) 16 camera’s tegelijkertijd kunnen worden getoond;

- (…) een audio-ingang en een audio-uitgang heeft;

- beschikt over de mogelijkheid om bepaalde delen van de camerabeelden te selecteren en/of te blokkeren zodat de registratie door alarmsensoren tot bepaalde gebieden wordt beperkt (ter voorkoming van het onnodig afgaan van het alarm);

- beschikt over de mogelijkheid de registratie door alarmsensoren te beperken tot bepaalde dagen/uren van de week;

- beschikt over technieken om het per ongeluk overschrijven van of het ‘knoeien’ met opnames te voorkomen;

- (…) als beelden en/of geluiden daartoe aanleiding geven, een signaal (per e-mail) [zendt] naar één of meer van de gebruikers, bijvoorbeeld politie, de eigenaar of een bewakingsbedrijf, opdat deze in actie kunnen komen (ter voorkoming van bijvoorbeeld brand of diefstal);

- (…) een harde schijf [heeft] waarop beelden en geluiden worden vastgelegd alsmede de mogelijkheid om deze beelden en geluiden, bijvoorbeeld op verzoek van de politie, te kopiëren naar een (gewaarmerkte) drager waarbij tevens de in dat kader benodigde afspeelprogrammatuur wordt (mee)gekopieerd;

- (…) niet over een scartaansluiting [beschikt];

- (…) niet over een TV-Tuner [beschikt]. Dit houdt in dat het product geen tv-signalen kan ontvangen;

- kan worden beheerd door (maximaal) 16 beheerders die elk op een nader te bepalen niveau gemachtigd kunnen worden om bepaalde handelingen te verrichten zoals het op afstand besturen van een bewakingscamera of het uit/aan schakelen van bepaalde camerabeelden en/of lichtbronnen.”7

2.6

De videomultiplexers worden verkocht voor een richtprijs van € 2.300 exclusief omzetbelasting.

2.7

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de bti’s. Bij uitspraak op bezwaar8 met dagtekening 12 maart 2009, heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen en de bti’s gehandhaafd.

3 Geding voor de Rechtbank en het Hof

3.1

De Rechtbank

3.1.1

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Voor de Rechtbank was de indeling van de videomultiplexers in de GN in geschil. Daarbij was tussen partijen in confesso dat de drie in te delen videomultiplexers weliswaar onderling geringe technische verschillen vertonen, maar dat zij niettemin op gelijke wijze, onder dezelfde tariefpostonderverdeling dienen te worden ingedeeld. De Rechtbank heeft partijen hierin gevolgd (zie punt 4.4 van haar uitspraak).

3.1.2

De Rechtbank was van oordeel dat de videomultiplexers onder tariefpostonderverdeling 8531 10 30 van de GN moeten worden ingedeeld. De Rechtbank overwoog daartoe dat de apparaten, gelet op de bewoordingen van de respectievelijke posten, zowel onder tariefpostonderverdeling 8521 90 00 als onder tariefpostonderverdeling 8531 10 30 van de GN kunnen worden ingedeeld. Laatstgenoemde tariefpostonderverdeling achtte de Rechtbank het meest specifiek, zodat naar haar oordeel indeling onder die onderverdeling dient te geschieden:

“4.6.5. Nu de producten vatbaar zijn voor indeling onder meer dan één GN-code schrijft indelingsregeling 3a voor dat de post met de meest specifieke omschrijving, in dit geval GN-code 8531 1030, voorrang heeft boven de post met een meer algemene strekking. Het product moet daarom worden ingedeeld onder GN-code 8531 1030.”

3.1.3

Bij uitspraak van 20 april 2011, nr. AWB 09/2048, niet gepubliceerd, heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de bestreden uitspraak op bezwaar en de bti’s vernietigd, vastgesteld dat de apparaten moeten worden ingedeeld onder tariefpostonderverdeling 8531 10 30 van de GN en bepaald dat de Inspecteur conform haar uitspraak bti’s aan belanghebbende dient te verstrekken.

3.2

Het Hof

3.2.1

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ook voor het Hof was de indeling van de videomultiplexers in de GN in geschil.

3.2.2

Het Hof kwam - anders dan de Rechtbank - tot het oordeel dat de onderhavige apparaten onder tariefpostonderverdeling 8521 90 00 van de GN moeten worden ingedeeld. Het Hof overwoog als volgt:

GN-onderverdeling 8521 90 00

7.2.

De producten zijn alle in staat om videobeelden op te nemen en videobeelden weer te geven. Het opnemen en weergeven geschiedt op, respectievelijk vanaf, een interne harde schijf. Gelet op bewoordingen van post 8521 en GN-onderverdeling 8521 90 00 zijn de producten daarom naar ’s Hofs oordeel als zodanig vatbaar voor indeling onder genoemde GN-onderverdeling, als video-opname- en weergaveapparaten.

Het Hof maakt dienaangaande de overwegingen van de rechtbank, opgenomen onder 4.59 van haar uitspraak, tot de zijne.

GN-onderverdeling 8531 10 30

(…)

7.4.

In de bewoordingen van post 8531 worden als voorbeeld van elektrische toestellen voor hoorbare of zichtbare signalen onder meer genoemd: ‘bellen’ en ‘sirenes’. Naar ’s Hofs oordeel kunnen de onderhavige producten niet als ‘bellen’ of ‘sirenes’ worden aangemerkt. Ter zitting is weliswaar komen vast te staan dat de producten een gering geluid (kunnen) afgeven doch van een bel of sirene is geen sprake.

7.5.

Uit de bewoordingen van post 8531, met name uit de Franse en Engelse tekstversie, blijkt dat de post betrekking heeft op toestellen die door geluids- of visuele signalen waarschuwingen afgeven ingeval een bepaalde gebeurtenis, zoals diefstal of brand, zich voordoet. De apparaten zijn hiertoe niet in staat, omdat zij geen brand of diefstal kunnen detecteren. Weliswaar kunnen op de producten diverse sensoren en camera’s worden aangesloten, maar deze maken geen deel uit van het product.

7.6.

Het vorenoverwogene brengt mee dat de producten als zodanig niet kunnen worden ingedeeld onder GN-onderverdeling 8531 10 30.

GN-onderverdeling 8531 90 85

7.7.

Belanghebbende stelt subsidiair dat de onderhavige producten delen vormen van machines als bedoeld in post 8531. Het Hof volgt belanghebbende, gelet op de eigenschappen van de producten, in deze stelling. Vast staat immers dat de producten, als onderdeel van een alarmsysteem, signalen van daarop aangesloten brand- en/of inbraaksensoren kunnen verwerken en toestellen kunnen aansturen die geluid- of lichtsignalen afgeven ingeval een bepaalde gebeurtenis zich voordoet.

7.8.

Ingevolge aantekening 2a op afdeling XVI blijven delen van machines die als zodanig onder een van de posten 84 en 85 kunnen worden ingedeeld onder die posten ingedeeld, ongeacht de machine waarvoor zij zijn bestemd. Zoals overwogen onder 7.2 kunnen de producten als zodanig worden ingedeeld onder GN-onderverdeling 8521 90 00.

Slotsom

7.9.

Het Hof concludeert dat de onderhavige producten gelet op al het hiervoor overwogene met toepassing van de indelingsregels 1 en 6 moeten worden ingedeeld onder GN-onderverdeling 8521 90 00. (…)”

3.2.3

Het Hof heeft bij uitspraak van 7 februari 2013, nr. 11/00446, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ2202, DR 2013/32, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaard.

4 Het geding in cassatie

4.1

Belanghebbende heeft tijdig en op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. In haar cassatieberoepschrift voert zij aan dat het Hof haars inziens het recht heeft geschonden doordat het Hof de Europese regelgeving onjuist heeft toegepast. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de videomultiplexers samengestelde apparaten zijn, en dat deze apparaten met toepassing van algemene indelingsregel 3b moeten worden ingedeeld onder tariefpostonderverdeling 8531 9085 90 van de GN.

4.2

De staatssecretaris van Financiën (hierna: Staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend.

4.3

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

4.4

De Staatssecretaris heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid een conclusie van dupliek in te dienen.10

5 Indeling en indelingsregels

5.1

De onderhavige zaak betreft een indelingskwestie: kort-door-de-bocht-gezegd gaat het om de vraag of de videomultiplexers (delen van) alarmtoestellen zijn, of dat het apparaten zijn voor video-opname of -weergave. Alvorens in de voor deze casus relevante tariefposten van de GN te duiken, breng ik in dit onderdeel de regels die bij de indeling van goederen in acht moeten worden genomen, in herinnering.

5.2

Die regels zijn de ‘Algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur’, doorgaans aangeduid als ‘algemene indelingsregels’. Deze algemene indelingsregels - in totaal zes stuks - zijn in het eerste deel van de GN opgenomen11 en bevatten de beginselen aan de hand waarvan goederen moeten worden ingedeeld. In onderhavige procedure spelen met name de algemene indelingsregels 1, 3 en 6 een rol.

5.3

Algemene indelingsregels 1 en 6: bewoordingen doorslaggevend

5.3.1

Algemene indelingsregel 1 luidt:

“De tekst van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen van hoofdstukken wordt geacht slechts als aanwijzing te gelden; voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken en - voor zover dit niet in strijd is met de bewoordingen van bedoelde posten en aantekeningen - de navolgende regels.”

5.3.2

Algemene indelingsregel 6 bepaalt in wezen hetzelfde als de hiervoor geciteerde indelingsregel 1, maar dan op het niveau van tariefpostonderverdelingen, te weten:

“6. Voor de indeling van goederen onder de onderverdelingen van een post zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van die onderverdelingen en de aanvullende aantekeningen, alsmede “mutatis mutandis” de vorenstaande regels, met dien verstande dat uitsluitend onderverdelingen van gelijke rangorde met elkaar kunnen worden vergeleken. Voor de toepassing van deze regel en voor zover niet anders is bepaald, zijn de aantekeningen op de afdelingen en op de hoofdstukken eveneens van toepassing.”

5.4

Bewoordingen van de tariefpost(onderverdeling) en eigenschappen van het goed

5.4.1

Bij de beantwoording van de vraag of een goed valt ‘onder de bewoordingen’ van een tariefpost of tariefpostonderverdeling, zijn de objectieve kenmerken en eigenschappen van het desbetreffende goed doorslaggevend, zo volgt uit vaste rechtspraak van het HvJ.12 Recent nog overwoog het HvJ (met mijn cursivering):13

“38. (…) het [is] nuttig om de vaste rechtspraak van het Hof in herinnering te brengen volgens welke het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen, in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle, in het algemeen moet worden gezocht in de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan, zoals deze in de tekst van de GN-post en in de aantekeningen bij de afdelingen of hoofdstukken zijn omschreven (zie met name arresten van 15 februari 2007, RUMA, C-183/06, Jurispr. blz. I-1559, punt 27; 27 september 2007, Medion en Canon Deutschland, C-208/06 en C-209/06, Jurispr. blz. I-7963, punt 34, en 20 juni 2013, Agroferm, C-568/11, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 27).”

5.4.2

Evenzeer is het vaste jurisprudentie dat bij de indeling ook de bestemming van het goed een rol kan spelen, namelijk wanneer die bestemming inherent is aan het product:14

“Voorts dient eraan te worden herinnerd dat de bestemming van het product een objectief indelingscriterium kan zijn wanneer die bestemming inherent is aan het product, waarbij de inherentie moet kunnen worden beoordeeld aan de hand van de objectieve kenmerken en eigenschappen van het product (…).”

5.4.3

Primair dient bij de indeling van goederen derhalve te worden gekeken naar de objectieve kenmerken en eigenschappen van het product (inclusief een eventuele inherente bestemming), en dienen deze kenmerken en eigenschappen te worden gelegd op de ‘mal’ van de bewoordingen van een tariefpost(onderverdeling). Als eigenschappen en bewoordingen ‘matchen’, kan het goed onder de desbetreffende post worden ingedeeld.

5.4.4

Toelichtingen van de Werelddouaneorganisatie15 (op het mondiale GS) of van de Europese Commissie (op de Europese GN) zijn bij die indeling niet wettelijk bepalend, maar vormen, naar eveneens vaste rechtspraak van het HvJ niet meer dan belangrijke hulpmiddelen bij de uitlegging van de reikwijdte van tariefposten.16

5.4.5

Het kan gebeuren dat goederen onder de bewoordingen van meer posten te rangschikken zijn. In dat geval bieden de algemene indelingsregels 1 en 6 geen uitkomst. Omdat een goed uiteindelijk slechts onder één tariefpost(onderverdeling) kan worden ingedeeld, zijn dan nadere regels nodig.

5.5

Algemene indelingsregel 3

5.5.1

Voor gevallen als bedoeld in punt 5.4.5 biedt – althans voor zover voor deze procedure van belang – algemene indelingsregel 3 een handvat om te bepalen onder welke tariefpost(onderverdeling) het desbetreffende goed moet worden ingedeeld. Algemene indelingsregel 3 luidt:

“Indien goederen met toepassing van het bepaalde onder 2 b) of om enige andere reden vatbaar zijn voor indeling onder twee of meer posten, geschiedt de indeling als volgt:

a) de post met de meest specifieke omschrijving heeft voorrang boven posten met een meer algemene strekking. Indien echter twee of meer posten elk afzonderlijk slechts betrekking hebben op een gedeelte van de stoffen of bestanddelen waaruit een mengsel of een goed is samengesteld of op een gedeelte van de artikelen, in het geval van goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein, worden die posten, met

betrekking tot bedoelde mengsels en goederen, aangemerkt als even specifiek, zelfs indien een van de andere posten daarvan een volledigere of nauwkeurigere omschrijving geeft;

b) mengsels, werken die zijn samengesteld uit of met verschillende stoffen dan wel zijn vervaardigd door samenvoeging van verschillende goederen, zomede goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein, waarvan de indeling niet mogelijk is aan de hand van het bepaalde onder 3 a), worden ingedeeld naar de stof of naar het goed waaraan de mengsels, de werken, de stellen of de assortimenten hun wezenlijk karakter ontlenen, indien dit kan worden bepaald;

c) in de gevallen waarin de indeling aan de hand van het bepaalde onder 3 a) en 3 b) niet mogelijk is, wordt van de verschillende in aanmerking komende posten, de post toegepast die in volgorde van nummering het laatst is geplaatst.”

5.5.2

In casu moet de vraag worden beantwoord of de videomultiplexers aan de hand van de bewoordingen van de (in geding zijnde) tariefposten c.q. tariefpostonderverdelingen, kunnen worden ingedeeld, dan wel dat bij die indeling algemene indelingsregel 3 uitkomst moet bieden.

6 Afdeling XVI, hoofdstuk 85, tariefposten 8521 en 8531 van de GN

6.1

Bij de indeling van de videomultiplexers bevinden wij ons in afdeling XVI, hoofdstuk 85 van de GN. Meer specifiek gaat het om de tariefpostonderverdelingen 8521 90 00 en (of liever: of) 8531 90 85 van de GN.

6.2

Tariefpostonderverdeling 8521 90 00 van de GN

6.2.1

Onder tariefpostonderverdeling 8521 90 00 van de GN zijn (in 2008) in te delen:

“8521 Video-opname- en video-weergaveapparaten, ook indien met ingebouwde videotuner:

8521 10 - werkend met magneetbanden:

(…)

8521 90 00 - andere”

6.2.2

Goederen van tariefpostonderverdeling 8521 90 00 van de GN waren in het in geding zijnde jaar bij invoer onderworpen aan een tarief van 13,9%.

6.2.3

De (authentieke) Engelse GS-toelichting bij tariefpost 8521 vermeldt, voor zover relevant (vetgedrukt WDO):

“(A) RECORDING AND COMBINED RECORDING AND REPRODUCING APPARATUS

These are apparatus which, when connected to a television camera or a television receiver, record on media electric impulses (analogue signals) or analogue signals converted into digital code (or a combination of these) which correspond to the images and sound captured by a television camera or received by a television receiver. Generally the images and sound are recorded on the same media. The method of recording can be by magnetic or optical means and the recording media is usually tapes or discs.

The heading also includes apparatus which record, generally on a magnetic disc, digital code representing video images and sound, by transferring the digital code from an automatic data processing machine (e.g. digital video recorders).

(…)

When used for reproduction, the apparatus convert the recording into video signals. These signals are passed on either to a transmitting station or to a television receiver.”

6.2.4

Ten aanzien van de indeling van ‘CCTV’ (Closed Circuit Television) systemen heeft het Comité Douanewetboek het standpunt ingenomen dat deze goederen onder tariefpost 8521 van de GN moeten worden ingedeeld. Zulks volgt uit het document TAXUD-B3 Limited, minutes of the 458th meeting of the Customs Code Committee17 (Mechanical/Miscellaneous Sector), van 21 oktober 2008:

“Digital recording apparatus of a kind used in closed-circuit television surveillance systems with components for the recording and reproducing of both sound and video, apart from the storage media (a hard disk), as well as various features such as video multiplexor, control of the camera, management of the alarm systems.

By virtue of General Rule 2(a) the apparatus is to be classified under heading 8521 as a video recording or reproducing apparatus as it has all the necessary components (electronics and buttons) for the performance of the functions covered by heading 8521, i.e. the recording and reproducing of sound and video.

Classification under heading 8522 as a part suitable for use solely or principally with an apparatus of heading 8521 is therefore excluded.

Classification under heading 8543 is excluded as the apparatus performs a specific function specified elsewhere in Chapter 85 (heading 8521).”

6.2.5

Uit de tekst en toelichtingen op tariefpost 8521 leid ik af dat apparaten die onder deze post worden ingedeeld, apparaten zijn waarmee beelden kunnen worden opgenomen en/of weergegeven. Onderverdeling 8521 90 van de GN heeft betrekking op apparaten die zonder magneetbanden werken.

6.2.6

Tussen partijen is niet in geschil dat de videomultiplexers de objectieve kenmerken en eigenschappen hebben van een toestel waarmee beelden kunnen worden opgenomen.18 Ook uit de omschrijving van de apparaten in de afgegeven bti’s blijkt dat de videomultiplexers geschikt zijn voor het opnemen van (digitale en analoge) beelden (zie onderdeel 2.4 van deze conclusie). Het lijkt mij dan ook dat de videomultiplexers in ieder geval vatbaar zijn voor indeling in tariefpostonderverdeling 8521 90 00 van de GN. Ter ondersteuning van deze slotsom valt nog te wijzen op het arrest van het HvJ van 17 maart 2005, Ikegami, C-467/03. Uit dit arrest valt af te leiden dat een toestel dat voor videobewakingsdoeleinden door camera’s uitgezonden signalen opneemt en – na deze te hebben gecomprimeerd – op scherm weergeeft, onder tariefpostonderverdeling 8521 90 00 van de GN kan worden ingedeeld.19 In zoverre deel ik derhalve de opvatting van de Rechtbank en het Hof dat de videomultiplexers onder de bewoordingen van tariefpostonderverdeling 8521 90 00 van de GN vallen en derhalve vatbaar zijn voor indeling in die post.

6.2.7

Voorgaande laat echter de mogelijkheid open dat de videomultiplexers (ook) de objectieve kenmerken en eigenschappen hebben van (een deel van) een toestel in de zin van tariefpost 8531 van de GN. Onderzoek naar die post is dan ook geboden. Ik concentreer mij daarbij op tariefpostonderverdeling 8531 90 85 van de GN. In feitelijke instantie heeft belanghebbende weliswaar ook indeling in tariefpostonderverdeling 8531 10 30 van de GN verdedigd, maar in cassatie komt zij - mijns inziens terecht - niet op tegen het oordeel van het Hof (punten 7.4 tot en met 7.6 van de uitspraak) dat het apparaat niet onder deze tariefpostonderverdeling kan worden gebracht. Ik verwijs naar (de conclusie) van de motivering van het beroepschrift in cassatie en naar de conclusie van repliek van belanghebbende.

6.3

Tariefpostonderverdeling 8531 90 85 van de GN

6.3.1

De vraag resteert derhalve of de videomultiplexers in te delen zijn onder tariefpostonderverdeling 8531 90 85 van de GN. Deze tariefpostonderverdeling luidt:

“8531 Elektrische toestellen voor hoorbare of voor zichtbare signalen (bijvoorbeeld bellen, sirenes, signaalborden, alarmtoestellen tegen diefstal of brand), andere dan die bedoeld bij de posten 8512 en 8530:

(…)

8531 90 - delen:

(…)

8531 90 85 -- andere”

6.3.2

Bij de uitlegging van tariefpost 8531 dient rekening gehouden te worden met de volgende (authentieke) Engelse GS-toelichting (vetgedrukt WDO):

“(…) this covers all electrical apparatus used for signalling purposes, whether using sound for the transmission of the signal (bells, buzzers, hooters, etc.) or using visual indication (lamps, flaps, illuminated numbers, etc.), and whether operated by hand (e.g., door bells) or automatically (e.g., burglar alarms).

(…)

PARTS

Subject to the general provisions regarding the classification of parts (see the General Explanatory Note to Section XVI), parts of the goods of this heading are also classified here.

(…)”

6.3.3

Onderverdeling 8531 90 85 van de GN is door Europese Commissie als volgt toegelicht:20

“Tot deze onderverdeling behoren bijvoorbeeld de ter bescherming tegen diefstal op winkelwaren aan te brengen etiketten die, wanneer ze in het signaalveld van een aan de uitgang van een winkel geïnstalleerd waarschuwingssysteem (behorende tot onderverdeling 8531 10 30) komen, de ontvangstelektronica van het systeem beïnvloeden en het alarm in werking stellen. Tot deze onderverdeling behoren daarentegen niet papieren etiketten in de vorm van een gedrukte schakeling (post 8534 00).”

6.3.4

Het Hof heeft belanghebbende gevolgd in haar standpunt dat de videomultiplexers delen zijn van machines als bedoeld in post 8531 omdat (zie punt 7.7 van de uitspraak) “de producten, als onderdeel van een alarmsysteem, signalen van daarop aangesloten brand- en/of inbraaksensoren kunnen verwerken en toestellen kunnen aansturen die geluid- of lichtsignalen afgeven ingeval een bepaalde gebeurtenis zich voordoet.”

6.3.5

Ik vraag mij af of deze redengeving voldoende is om een product als ‘deel’ van een machine aan te kunnen merken. Het begrip is weliswaar niet gedefinieerd - noch in de tariefpostonderverdeling zelf, noch in de aantekeningen bij hoofdstuk 85 of afdeling XVI - maar jurisprudentie van het HvJ daarover is wel voorhanden. Uit die jurisprudentie valt af te leiden dat het begrip ‘delen’ de aanwezigheid impliceert van een geheel, voor de werking waarvan deze delen noodzakelijk zijn. Ik citeer uit het arrest van het HvJ van 12 december 2013, HARK GmbH & Co Kamin- und Kachelofenbau, C-450/12 (hierna: arrest Hark), waarin de vraag centraal stond of de door Hark geïmporteerde kachelbuissets als delen van kachels konden worden aangemerkt. Het HvJ overwoog (met mijn cursivering):

“36. De GN bevat geen definitie van ‘delen’ (…). Niettemin volgt uit de rechtspraak die het Hof heeft ontwikkeld binnen de context van de hoofdstukken 84 en 85 van afdeling XVI en van hoofdstuk 90 van afdeling XVIII van de GN, dat het begrip “delen” de aanwezigheid impliceert van een geheel, voor de werking waarvan deze delen noodzakelijk zijn (zie met name arresten van 15 februari 2007, RUMA, C-183/06 (…) punt 31; 16 juni 2011, Unomedical, C-152/10 (…) punt 29 en reeds aangehaald arrest Rohm & Haas Electronic Materials CMP Europe e.a.,21 punt 34). Uit die rechtspraak volgt dat om een artikel te kunnen doen vallen onder de “delen”, in de zin van bovengenoemde hoofdstukken, het niet voldoende is dat wordt aangetoond dat de machine of het apparaat zonder dat artikel niet de functie kan vervullen waarvoor het is bestemd, doch dient eveneens te worden aangetoond dat de mechanische of elektronische werking van die machine of dat apparaat afhangt van de aanwezigheid van dat artikel (zie in die zin arrest van 7 februari 2002, Turbon International, C-276/00 (…) punt 30, en reeds aangehaald arrest Rohm & Haas Electronic Materials CMP Europe e.a., punt 35) (…)”22

6.3.6

Naar volgt uit punt 37 van vorenaangehaald arrest Hark, dient het begrip ‘delen’ in de zin van (de in dat arrest centraal staande) tariefpost 7321 van de GN:

“In het belang van een coherente en uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief (…) dezelfde definitie te krijgen als die welke voortvloeit uit de in punt 36 van het onderhavige arrest genoemde en ten aanzien van andere hoofdstukken van de GN gewezen rechtspraak.”

6.3.7

Gelet op deze laatstvermelde overweging, meen ik dat het begrip ‘deel’ in de zin van tariefpostonderverdeling 8531 90 85 van de GN dezelfde invulling moet krijgen als die uit het arrest Hark en de daarin vermelde jurisprudentie. Dat betekent dat de videomultiplexer(s), om als deel van een alarmtoestel in de zin van die tariefpostonderverdeling te kunnen worden aangemerkt, in de eerste plaats noodzakelijk moet(en) zijn om het alarmtoestel zijn functie van alarmtoestel te kunnen laten vervullen, en dat in de tweede plaats de (mechanische of elektronische) werking van het alarmtoestel afhangt van de aanwezigheid van de videomultiplexer(s).

6.3.8

Gezien de vaststaande feiten waag ik te betwijfelen of de videomultiplexers als ‘delen’ van een alarmtoestel voor hoorbare of zichtbare signalen kunnen worden aangemerkt. Weliswaar staat vast dat de apparaten ‘geschikt zijn’ om binnen een bewakingssysteem of CCTV-systeem te werken, en weliswaar heeft het Hof feitelijk vastgesteld dat de apparaten (of in ieder geval het gedemonstreerde apparaat) signalen per e-mail kan zenden als daartoe aanleiding bestaat, maar een bewakingssysteem lijkt mij nog niet gelijk te stellen aan een alarmsysteem en bovendien zijn de noodzakelijke aanwezigheid van de videomultiplexer om een alarmsysteem te kunnen laten werken en zijn alarmfunctie te laten vervullen, mijns inziens niet gegeven (het valt bijvoorbeeld op dat niet is vastgesteld of het apparaat bewegingssensoren heeft, terwijl evenmin is gesteld of gebleken dat het apparaat gewoonlijk deel uitmaakt van een alarmsysteem als bedoeld in de in punt 6.3.3 aangehaalde GN-toelichting op postonderverdeling 8531 90 85).23 Ik heb derhalve wat vraagtekens bij de begrijpelijkheid van ’s Hofs oordeel dat de videomultiplexers delen van alarmtoestellen zijn.

6.3.9

Nu evenwel tegen dat oordeel niet wordt opgekomen, ga ik in het navolgende (veronderstellenderwijze) van de juistheid van dat oordeel uit. Dat brengt ons op het volgende.

6.3.10

Tariefpostonderverdeling 8531 90 85 van de GN lijkt namelijk te botsen met GS-aantekening 2A op afdeling XVI, waarvan hoofdstuk 85 deel uitmaakt.

6.3.11

Die aantekening bepaalt namelijk (in de authentieke Engelse tekst en met mijn cursivering):

“2. Subject to note 1 to this section, note 1 to Chapter 84 and note 1 to Chapter 8524, parts of machines (…) are to be classified according to the following rules:

(a) Parts which are goods included in any of the headings of Chapter 84 or 85 (other than headings 84.09, 84.31, 84.48, 84.66, 84.73, 84.87, 85.03, 85.22, 85.29, 85.38 en 85.48) are in all cases to be classified in their respective headings.”

En in het Nederlands, wederom met mijn cursivering:

“2. Behoudens het bepaalde in aantekening 1 op deze afdeling en in de aantekeningen 1 op de hoofdstukken 84 en 85, worden delen van machines (…) ingedeeld met inachtneming van de volgende regels:

a) delen die als zodanig onder een van de posten van hoofdstuk 84 of 85 (andere dan de posten 8409, 8431, 8448, 8466, 8473, 8487, 8503, 8522, 8529, 8538 en 8548) kunnen worden ingedeeld, blijven onder die posten ingedeeld, ongeacht de machine waarvoor zij bestemd zijn;”

6.3.12

Deze aantekening doet de vraag rijzen hoe een product moet worden ingedeeld dat kan worden gekenschetst als een deel van een elektrisch toestel voor hoorbare of zichtbare signalen als bedoeld in tariefpostonderverdeling 8531 90 85 van de GN, maar dat op zichzelf ook in te delen is als een goed van een van de posten van hoofdstuk 84 of 85: op grond van de bewoordingen van post 8531 90 85 van de GN valt een dergelijk goed onder die tariefpostonderverdeling, maar aantekening 2A bij afdeling XVI schrijft juist indeling onder een andere post (van hoofdstuk 84 of 85 voor). Aangenomen moet worden - verwezen zij naar de eerder aangehaalde algemene indelingsregels 1 en 6 (zie punten 5.3.1 en 5.3.2 van deze conclusie) - dat zowel de aantekening als de tariefpostonderverdeling wettelijk bepalend zijn. Gezien de laatste volzin van algemene indelingsregel 6, lijken bovendien aantekeningen op de afdelingen en hoofdstukken ‘van gelijke rang’ als de algemene indelingsregels.

6.3.13

Hoewel toelichtingen dat niet zijn, en slechts als hulpmiddel hebben te gelden (overigens: wel belangrijke hulpmiddelen) meen ik echter uit de GS-toelichtingen op aantekening 2 en op hoofdstuk 85 (zie citaten in 6.3.14 hierna) en uit die bij tariefpost 8531 (zie citaat in 6.3.2) te mogen opmaken dat aantekening 2 in dezen voorrang heeft en dat goederen die zowel onder een tariefpostonderverdeling voor ‘delen’ vallen (zoals tariefpostonderverdeling 8531 90 85 van de GN) als ook onder een post van hoofdstuk 84 of 85 vallen, onder laatstbedoelde post moeten worden ingedeeld.

6.3.14

De GS-toelichting op aantekening 2 luidt in de authentieke Engelse tekst, voor zover van belang (vetgedrukt WDO, cursivering MvH):

“(II) PARTS

(Section Note 2)

In general, parts which are suitable for use solely or principally with particular machines or apparatus (…), or with a group of machines or apparatus falling in the same heading, are classified in the same heading as those machines (…)

(…)

The above rules do not apply to parts which in themselves constitute an article covered by a heading of this Section (…); these are in all cases classified in their own appropriate heading even if specially designed to work as part of a specific machine. (…)

(…)”

6.3.15

Met betrekking tot delen schrijft de (authentieke) Engelse GS-toelichting op hoofdstuk 85 (vetgedrukt WDO) voor:

“(B) PARTS

As regards parts in general, see the General Explanatory Note to Section XVI.

(…)”

6.3.16

En aan de in 6.3.2 al aangehaalde GS-toelichting op post 8531 ontleen ik (vetgedrukt WDO, cursivering MvH):

“PARTS

Subject to the general provisions regarding the classification of parts (see the General Explanatory Note to Section XVI), parts of the goods of this heading are also classified here.

(…)”

6.3.17

Ik leid hieruit af dat aantekening 2 vóórgaat op tariefpost 8531 van de GN (c.q. het GS), hetgeen overigens met zich brengt dat tariefpostonderverdeling 8531 90 85 van de GN/GS voor producten die onder een (andere) post van hoofdstuk 84 of 85 vallen, in wezen een dode letter is.

6.3.18

Nu, naar ik in onderdeel 6.2 betoogde, de videomultiplexers als zodanig bezien in te delen zijn in tariefpostonderverdeling 8521 90 00 van de GN, is de conclusie van het voorgaande dat indeling in tariefpost 8531 – gelet op aantekening 2A bij afdeling XVI en de GS-toelichtingen op aantekening 2, hoofdstuk 85 en op tariefpost 8531 en aannemende dat de videomultiplexers als delen zijn aan te merken – niet mogelijk is.

7 Het cassatiemiddel

7.1

Uit hetgeen ik in onderdeel 6 van deze conclusie heb betoogd, zijn de videomultiplexers mijns inziens alleen vatbaar voor indeling in tariefpostonderverdeling 8521 90 00 van de GN. Dat betekent dat de apparaten met toepassing van algemene indelingsregels 1 en 6 kunnen (en moeten) worden ingedeeld en dat aan toepassing van algemene indelingsregel 3 – welke immers alleen aan de orde is indien goederen vatbaar zijn voor indeling in verschillende tariefpost(onderverdeling)en – niet wordt toegekomen.

7.2

Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

8 Conclusie

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 Vanaf 1 januari 2013 Rechtbank Noord-Holland, Zittingsplaats Haarlem.

2 De aanvragen heb ik niet in het dossier aangetroffen. De Rechtbank heeft de (kennelijke) tekst van de aanvragen wel opgenomen in haar uitspraak en het Hof heeft deze overgenomen in zijn uitspraak.

3 Elektrische machines, apparaten en toestellen, met een eigen functie, niet genoemd of niet begrepen onder andere posten van hoofdstuk 85, niet zijnde deeltjesversnellers, signaalgeneratoren of apparaten en toestellen voor de galvanoplastiek, voor elektrolyse of elektroforese.

4 Het valt op dat Rechtbank en Hof in hun nader te melden uitspraken vermelden dat het tarief dat voor goederen van deze tariefpostonderverdelingen geldt, gelijkluidend is. Gezien (de bijlage bij) verordening (EG) nr. 1214/2007 van de Commissie van 20 september 2007 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad, is deze vermelding niet juist.

5 Belastingdienst/[P].

6 Zie het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting gehouden op 1 november 2012 en punt 2.2 van de nader te noemen uitspraak van het Hof. Het wordt uit deze stukken niet duidelijk welk apparaat gedemonstreerd is, maar blijkens punt 2.2 van de uitspraak zijn partijen het erover eens dat de demonstratie/presentatie een representatief product betrof.

7 Een vergelijkbare beschrijving is te vinden in het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van de Rechtbank van 29 maart 2011.

8 Het bezwaar tegen de drie bti’s is in één geschrift gemaakt. De Inspecteur heeft ook bij één geschrift uitspraak gedaan.

9 Hierin overweegt de Rechtbank: “4.5. Gelet op de bewoordingen van de post kunnen de producten op grond van hun technische kenmerken en indelingsregel 1 en 6 als een video-opname en video-weergaveapparaten worden aangemerkt. Daaraan wordt niet afgedaan door de GN-toelichting op post 8521 waaruit lijkt te volgen dat van indeling onder deze post zijn uitgesloten opnameapparaten, zoals de onderhavige producten, die beschikken over een opslagmogelijkheid (de harde schijf). Evenmin kan daaraan afdoen dat uit de GS-toelichting op post 8521 lijkt te volgen dat het bij deze post gaat om opnameapparaten die, anders dan de onderhavige producten, kunnen worden aangesloten op een televisiecamera of een televisieontvanger. GS- en de GN-Toelichtingen zijn immers, hoewel belangrijke hulpmiddelen bij de indeling, rechtens niet bindend en kunnen de draagwijdte van de verschillende posten niet wijzigen.” In deze overweging valt op dat de Rechtbank verwijst naar ‘de GN-toelichting op post 8521’. Een GN-toelichting op tariefpost 8521 is er echter niet.

10 Zie zijn brief van 24 juli 2013.

11 Voor de onderhavige zaak is de GN-versie van verordening (EG) nr. 1214/2007 van de Commissie van 20 september 2007 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad, PB 286, blz. 1, van toepassing. Deze verordening is op 1 januari 2008 in werking getreden.

12 Zie bijvoorbeeld de arresten van het HvJ 28 juli 2011, Pacific World Limited, C-215/10, punt 28, van 12 juli 2012, TNT Freight, punt 30, van 20 juni 2013, Agroferm, C-568/11, punt 27 en van 12 december 2013, HARK, C-450/12, punt 30. De hier genoemde arresten zijn niet de enige van deze strekking. Er zijn er vele.

13 HvJ 23 januari 2014, X BV, C-380/12. De hier genoemde arresten zijn niet de enige van deze strekking. Er zijn er vele.

14 Citaat ontleend aan het arrest van het HvJ van 12 juli 2012, TNT Freight, C-291/11, punt 33. Een (vrijwel) gelijkluidende overweging is bijvoorbeeld ook te vinden in de arresten van het HvJ van 15 februari 2007, RUMA, C-183/06, punt 36, van 18 juni 2009, Kloosterboer, C-173/08, punt 26 en van 12 december 2013, HARK GmbH & Co Kamin- und Kachelofenbau, C-450/12, punt 33.

15 De hier bedoelde toelichtingen worden gegeven door het zogeheten Harmonized System Committee, dat is ingesteld bij het GS-verdrag (International Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en codering van goederen van 14 juni 1983, PB 1987, L 198). Het GS-verdrag is bij besluit van de Raad van 7 april 1987 (87/369/EEG) door de Raad namens de (toenmalige) EEG goedgekeurd. Zie met name de artikelen 6 en 7 van het GS-Verdrag.

16 Zie bijvoorbeeld de arresten van het HvJ van 12 december 2013, HARK, C-450/12, van 15 november 2012, Sia Kurcums Metal, C-558/11, punt 30, en van 12 juli 2012, TNT Freight Management, C-291/11.

17 In het Nederlands: Comité Douanewetboek.

18 Zie bijvoorbeeld de motivering van het cassatieberoepschrift van belanghebbende, blz. 2, het verweerschrift van belanghebbende in de procedure voor het Hof, blz. 10 en de conclusie van repliek van belanghebbende in de procedure voor de Rechtbank, blz. 4.

19 Het ging in deze zaak om een apparaat dat door camera’s uitgezonden signalen opnam en op scherm weergaf en dat door de Duitse douane was ingedeeld in post 8521 90 00 van de GN, maar die de belanghebbende ingedeeld wenste te zien in tariefpost 8471 van de GN. Het HvJ kwam tot het oordeel dat indeling in laatstgenoemde post niet mogelijk was omdat het apparaat een eigen functie, andere dan automatische gegevensverwerking als bedoeld in aantekening 5E bij hoofdstuk 84 van de GN, vervult.

20 Zie de Toelichtingen op de Gecombineerde Nomenclatuur van de Europese Gemeenschappen van 30 mei 2008, PB C 133, blz. 1.

21 Bedoeld is HvJ 19 juli 2012, Rohm & Haas Electronic Materials CMP Europe GmbH e.a., C-336/11.

22 Over de invulling van het begrip ‘deel’ is (veel) meer jurisprudentie voorhanden waarin vergelijkbare overwegingen zijn opgenomen. Bijvoorbeeld HvJ 18 juni 2009, Kloosterboer Services, C-173/08 (over koelsystemen voor computers) en HvJ 20 mei 2010, Data I/O, C-370/08 (over een adapter met memory-chip).

23 Zie in dit verband bijvoorbeeld HvJ 15 december 1977, Fritz Fuss, zaak 60/77 waarin een apparaat met als functie het ontdekken van bewegingen en doorgeven van deze informatie aan een alarmtoestel had, ‘delen en onderdelen’ in de zin van aantekening 2 bij afdeling XVI waren.

24 In de hier bedoelde aantekeningen (‘notes’) is bepaald dat de daarin vermelde goederen niet worden begrepen als goederen van afdeling XVI, respectievelijk de hoofdstukken 84 en 85. De daar genoemde goederen zijn andere dan die welke in casu een rol spelen.