Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1765

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-09-2014
Datum publicatie
17-10-2014
Zaaknummer
14/02067
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2992, Gevolgd
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Faillissement. Verzoek hypotheekhouder tot verlenging termijn als bedoeld in art. 58 lid 1 Fw. E-mail curator houdende termijnstelling? Afwijzing verzoek door rechter-commissaris. Belang voortvarende afwikkeling boedel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2015/307

Conclusie

14/02067

Mr. L. Timmerman

Zitting: 5 september 2014

Conclusie inzake:

Coöperatieve Rabobank Soest Baarn Eemnes U.A. (hierna: Rabobank)

verzoekster tot cassatie

tegen

mr. J.V. Maduro, in haar hoedanigheid van curator in de faillissementen van:

- [A] B.V,

- [B] B.V.,

- [C] B.V.

(hierna: de curator)

verweerster in cassatie

1 Feiten en procesverloop

1.1

Rabobank heeft bij faxbericht van 30 december 2013 een verzoek gericht aan de rechter-commissaris in de faillissementen van [A] B.V., [B] B.V. en [C] B.V. Rabobank verzocht om de door de curator in die faillissementen gestelde termijn ex art. 58 lid 1 Fw te verlengen. Bij brief van 10 januari 2014 heeft Rabobank de rechter-commissaris aan dat verzoek herinnerd (zie de beschikking van 22 januari 2014, eerste alinea).

1.2

De rechter-commissaris heeft het verzoek van Rabobank bij beschikking van 22 januari 2014 afgewezen.

1.3

Rabobank heeft bij faxbericht van 27 januari 2014 aan de rechter-commissaris verzocht om zijn beslissing van 22 januari 2014 aan te vullen. Volgens Rabobank was de rechter-commissaris in die beslissing niet op haar volledige verzoek ingegaan (zie de beschikking van 6 februari 2014, eerste alinea).

1.4

De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 6 februari 2014 geoordeeld dat dit nadere verzoek geen gronden bood voor een andersluidend oordeel. De rechter-commissaris oordeelde wederom dat het verzoek van Rabobank tot verlenging van de termijn ex art. 58 lid 1 Fw, niet toewijsbaar was.

1.5

Rabobank heeft tegen de beschikkingen van de rechter-commissaris van 22 januari 2014 en 6 februari 2014 tijdig cassatieberoep ingesteld.1 De curator voert in cassatie verweer en heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bevat twee onderdelen (onderdelen 1 en 2). De beide onderdelen bestaan op hun beurt uit twee subonderdelen.

2.2

Onderdeel 1.1 richt zich tegen het oordeel van de rechter-commissaris dat de door de curator in haar e-mail van 30 september 2013 aan Rabobank gestelde termijn, een termijn is als bedoeld in art. 58 lid 1 Fw. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en in elk geval onbegrijpelijk is of onvoldoende gemotiveerd.

2.3

De aan de orde zijnde e-mail van de curator aan Rabobank d.d. 30 september 2013 vermeldt onder meer (aldus het inleidende verzoekschrift van Rabobank, p. 4, eerste alinea):

“tot slot over de verkooptermijn die u in uw brief noemt. Hiermee kan ik mij niet verenigen. Deze faillissementen zijn reeds op 16 juli 2013 respectievelijk 20 augustus 2013 uitgesproken. De bank heeft reeds in juli aangegeven zelf de verkoop van de OG ter hand te zullen nemen en van de bestuurder, alsmede uit de stukken, begrijp ik dat de bank al langer bezig is de OG te doen verkopen. Nu nog een aanvullende termijn van 6 maanden acht ik onwenselijk, te meer nu zich al verschillende belangstellenden hebben aangemeld bij mij en ook naar de bank zijn doorverwezen. Een termijn tot uiterlijk 31 december 2013 acht ik derhalve redelijk ter verdere uitoefening van uw rechten.”

2.4

De rechter-commissaris stelt in zijn beschikking van 22 januari 2014 vast dat de curator in de genoemde e-mail aan Rabobank een termijn heeft gesteld van drie maanden “ter verder[e] uitoefening van (haar) rechten”. Naar oordeel van de rechter-commissaris heeft de curator daarmee een termijn gesteld als bedoeld in art. 58 lid 1 Fw. Dat een dergelijke termijn gesteld is, blijkt volgens de rechter-commissaris uit de genoemde zinsnede, “zeker wanneer die zinsnede wordt geplaatst in de context van de verdere inhoud van de e-mail en de discussie tussen de curator en Rabobank.” Dit oordeel geeft – in tegenstelling tot hetgeen het onderdeel betoogt – geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, gezien onder meer de hierboven geciteerde passage uit de e-mail van 30 september 2013, ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.2 Overigens lijken de klachten ook belang te missen. Niet in te zien is immers hoe de stelling van Rabobank dat de curator aan haar geen termijn heeft gesteld als bedoeld in art. 58 lid 1 Fw, afbreuk kan doen aan de beslissing van de rechter-commissaris tot afwijzing van het verzoek van Rabobank tot verlenging van de termijn als bedoeld in art. 58 lid 1 Fw.

2.5

Het onderdeel betoogt mede dat het stellen van een termijn ex art. 58 lid 1 Fw niet te rijmen zou zijn geweest met de tussen de curator en Rabobank gemaakte afspraak “dat de materiële verkoopinspanningen weliswaar door Rabobank zullen worden verricht maar dat de koop zelf (formeel) door de Curator zal worden gesloten […].”3 Volgens het onderdeel betreft art. 58 lid 1 Fw namelijk het stellen van een termijn voor executoriale verkoop door de pand- of hypotheekhouder. Ook dit betoog is tevergeefs. Art. 58 lid 1 Fw, eerste volzin, bepaalt dat de curator aan de pand- en hypotheekhouders een redelijke termijn kan stellen “om tot uitoefening van hun rechten overeenkomstig het vorige artikel over te gaan.” In het onderhavige geval heeft de rechter-commissaris – zoals vermeld – vastgesteld dat de curator in haar e-mail van 30 september 2013 aan Rabobank een termijn heeft gesteld van drie maanden “ter verder[e] uitoefening van (haar) rechten”. Naar oordeel van de rechter-commissaris heeft de curator daarmee een termijn gesteld als bedoeld in art. 58 lid 1 Fw. Zoals vermeld geeft dat oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Een en ander geldt ook indien dat oordeel bezien wordt in het licht van de stellingen van het onderdeel en de door het onderdeel (in nrs. 39 en 14 t/m 20) aangeduide bijlagen bij het inleidende verzoekschrift.

2.6

Ook onderdeel 1.2 klaagt dat het oordeel dat de curator in haar e-mail van 30 september 2013 een termijn heeft gesteld als bedoeld in art. 58 lid 1 Fw, onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is. Het onderdeel beroept zich onder meer op hetgeen vermeld is op pagina 4 (derde alinea) van het inleidende verzoekschrift, alwaar verwezen wordt naar een e-mail van de curator aan Rabobank d.d. 1 oktober 2013.

2.7

De klachten van onderdeel 1.2 falen eveneens. Het door dit onderdeel bestreden oordeel is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, ook niet in het licht van de betogen van dit onderdeel. Zie in dit verband onder meer hetgeen vermeld is in de alinea uit het inleidende verzoekschrift die voorafgaat aan de door het onderdeel aangeduide passage (derhalve de tweede alinea op pagina 4 van het inleidende verzoekschrift). Het onderdeel behoeft hier voor het overige ook geen bespreking.

2.8

Onderdeel 2.1 stelt dat de rechter-commissaris bij de beoordeling van een verzoek van een hypotheekhouder tot verlenging van een door de curator op grond van art. 58 lid 1 Fw gestelde termijn, het belang van de hypotheekhouder bij verlenging van die termijn dient af te wegen tegen het belang van een voortvarende afwikkeling van de boedel. Het onderdeel verwijst in dat verband naar het arrest HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2051, NJ 2014/151. Het onderdeel klaagt dat de rechter-commissaris de genoemde rechtsregel miskend heeft. Volgens het onderdeel geeft het oordeel van de rechter-commissaris dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

2.9

Onderdeel 2.2 klaagt dat, indien de rechter-commissaris de hiervoor aangeduide belangen wél tegen elkaar heeft afgewogen, hij zijn beschikkingen op dat punt in elk geval onvoldoende heeft gemotiveerd.

2.10

De klachten van onderdelen 2.1 en 2.2 zijn ongegrond. Vooropgesteld moet worden dat de bevoegdheid van de curator om op de voet van art. 58 Fw de pand- en hypotheekhouders een redelijke termijn te stellen om tot uitoefening van hun rechten over te gaan, strekt tot een voortvarende afwikkeling van de boedel (zie HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2051, NJ 2014/151, rov. 4.6.2). In het onderhavige geval heeft de rechter-commissaris vastgesteld dat de door de curator aan Rabobank gestelde termijn afdoende was om tot verkoop van de betreffende objecten te kunnen komen. Dat Rabobank ten aanzien van een aantal objecten ‘bestemmingswijzigingen’ nastreeft teneinde tot een hogere verkoopopbrengst te kunnen realiseren, brengt hierin naar oordeel van de rechter-commissaris geen verandering. Het hypotheekrecht omvat namelijk niet het recht om de betreffende objecten te ‘herontwikkelen’ (zie de beschikking van 22 januari 2014, derde alinea). Het oordeel van de rechter-commissaris dat er (mede) om de voorgenoemde redenen geen grond bestond voor verlenging van de termijn als bedoeld in art. 58 lid 1 Fw, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de in dit kader door de rechter-commissaris aan te leggen maatstaf en is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

2.11

Overigens vermeldt onderdeel 2.2 ook niet welke stellingen van Rabobank voor de rechter-commissaris aanleiding geweest zouden moeten zijn om zijn oordeel op dit punt nader te motiveren; het onderdeel stelt hieromtrent slechts dat het belang van Rabobank bij verlenging van de termijn ‘voor zich spreekt’ (volgens het onderdeel is dat belang van Rabobank: het voorkomen dat de curator de verkoop met toepassing van art. 101 Fw of art. 176 Fw zelf ter hand neemt met als gevolg dat over de executieopbrengst de algemene faillissementskosten zullen worden omgeslagen). Het onderdeel ziet er daarmee kennelijk aan voorbij dat in de vaststelling van de rechter-commissaris dat de door de curator aan Rabobank gestelde termijn afdoende was om tot verkoop van de relevante objecten te kunnen komen, besloten ligt dat aan een dergelijk ‘voor zich sprekend’ belang van Rabobank reeds voldoende tegemoetgekomen was. Het oordeel van de rechter-commissaris is, anders dan het onderdeel betoogt, op dit punt niet onvoldoende gemotiveerd.

2.12

De onderdelen 1.1 t/m 2.2 bevatten ook voor het overige geen klachten die tot cassatie kunnen leiden. Slotsom is derhalve dat het cassatieberoep verworpen dient te worden.

2.13

De aangevoerde klachten nopen naar ik meen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. Het cassatieberoep kan mijns inziens dan ook verworpen worden met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Het verzoekschrift tot cassatie is ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 22 april 2014. Daarbij merk ik op dat tegen een beschikking van de rechter-commissaris als bedoeld in art. 58 lid 1 Fw, geen hoger beroep openstaat (zie art. 67 lid 1 Fw). Tegen een dergelijke beschikking kan wel binnen drie maanden cassatieberoep worden ingesteld (zie art. 426 lid 1 Rv jo. art. 67 lid 1 Fw). Zie ook HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2051, NJ 2014/151, rov. 3.

2 Zie over de toepassing van art. 58 lid 1 Fw onder meer A-G Hammerstein in zijn conclusie (onder 6.2 e.v.) voor HR 20 december 2013, ECLI:NL:PHR:2013:915, NJ 2014/151. Vgl. verder onder andere D. Winkel en S.A.H.J. Warringa, ‘De termijnstelling van art. 58 Fw’, FIP 2013/1, p. 18-23, en T.T. van Zanten en F.J.L. Kaptein, ‘Rechtsuitoefening in de zin van art. 58 lid 1 Fw: wat moet de separatist allemaal binnen de termijn doen?’, TvI 2013/10.

3 Het onderdeel verwijst in dit verband naar correspondentie die wordt aangehaald in nrs. 14 t/m 20 van het verzoekschrift tot cassatie (dit betreft correspondentie die te vinden is in bijlagen bij het inleidende verzoekschrift van Rabobank).