Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1748

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-07-2014
Datum publicatie
15-10-2014
Zaaknummer
13/01131
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2969, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 301.4 Sv. Ook indien ervan moet worden uitgegaan dat de verklaring die X als verdachte ttz. in e.a. in zijn eigen strafzaak heeft afgelegd, geen deel uitmaakt van het dossier in de onderhavige strafzaak en die verklaring ook niet ttz. in h.b. aan de orde is gesteld, heeft verdachte i.c. geen rechtens te respecteren belang bij zijn klacht. De strafzaak van verdachte is op de tz. in h.b. gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de strafzaken van X en Y. De verklaring die X in de onderhavige zaak als getuige ttz. in h.b. heeft afgelegd bestaat nagenoeg geheel uit (de weergave van) de verklaring die hij als verdachte ttz. in h.b. heeft afgelegd. De inhoud van die verklaring komt naar het kennelijke - en niet onbegrijpelijke - oordeel van het hof in essentie overeen met de inhoud van de verklaring die als bewijsmiddel A is opgenomen. Nadat de getuige X zijn verklaring had afgelegd, hebben verdachte en zijn raadsman de gelegenheid gekregen opmerkingen te maken en aan de getuige vragen te stellen. Door de in bewijsmiddel A genoemde verklaring van X voor het bewijs te bezigen, is verdachte niet in zijn verdedigingsbelang geschaad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/01131

Zitting: 8 juli 2014

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Verdachte is bij arrest van 5 juni 2012 door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens ‘medeplegen van feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd’, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het hof heeft bovendien de vordering van de benadeelde partij (het Ministerie van Sociale Zaken & Werkgelegenheid) toegewezen voor een bedrag van € 435.832,00 in combinatie met de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr en dan te vervangen door 365 dagen hechtenis.

  2. Er bestaat samenhang tussen de zaken [medeverdachte 1] (12/03626) en [medeverdachte 2] (13/01388). In deze zaken zal ik eveneens vandaag concluderen.

  3. Het feitencomplex dat aan de drie zaken ten grondslag ligt kan als volgt worden geschetst.
    [B] C.V.1 heeft aan de Raad voor Werk en Inkomen een brief, facturen en formulieren overgelegd die betrekking hebben op kosten voor een opleiding tot ‘Beveiliger 2’. De kosten voor de opleiding zijn vergoed in het kader van een subsidieregeling, de Stimuleringsregeling Vacaturevervulling Werklozen en met werkloosheid bedreigde Werknemers (SVWW). Volgens de overgelegde facturen zouden 120 personen die opleiding hebben gevolgd en zou [B] C.V. daarvoor kosten hebben gemaakt. Een viertal facturen suggereert dat de opleiding zelf door [B] C.V. is uitbesteed aan en verzorgd door [A] v.o.f. 2 In werkelijkheid is in de periode waarop de formulieren betrekking hebben, geen opleiding gegeven door of namens een van beide vennootschappen aan de 120 personen en zijn in dat verband door geen van beide vennootschappen kosten gemaakt.


Op verzoek en instructie van [verdachte], een van de twee vennoten van [B] c.v., heeft [A] v.o.f. in de persoon van [medeverdachte 1] een viertal facturen opgemaakt en aan [B] c.v.. gericht waarin [A] v.o.f. heeft doen voorkomen dat zij de opleiding ‘Beveiliger 2’ zou verzorgen.


Een deel van het verstrekte subsidiebedrag is door [B] C.V. overgemaakt aan [A] v.o.f. dat een deel heeft gehouden maar veruit het grootste deel vervolgens heeft overgemaakt aan ofwel twee management B.V.’s die in handen zijn van beide vennoten van [B] C.V. ofwel aan [C] B.V. dat in handen van dezelfde twee vennoten was. Op deze manier is het subsidiegeld in handen gekomen van [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2] zonder dat een van de 120 in de formulieren opgesomde personen heeft deelgenomen aan een door een van de vennootschappen verzorgde opleiding ‘Beveiliger 2.’

4. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat

‘de commanditaire vennootschap [B] C.V. (hierna: de C.V.) op tijdstippen in de periode van 13 februari 2006 tot en met 7 augustus 2006 in Nederland telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse geschriften te weten

- een brief d.d. 2 juni 2006 en een daarbij gevoegd einddeclaratieformulier SVWW en

- een eindrapportageformulier SVWW onderdeel B en

- een voortgangsrapportageformulier SVWW en de daarbij behorende “tabel 1 (Fase Werving en Selectie)” en “tabel 2: achtergrondgegevens van de werkzoekenden die in traject zijn opgenomen” en “tabel 3: trajectgegevens van de deelnemers die in traject zijn opgenomen” en “tabel 4: bemiddeling en nazorg”

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen - als waren die geschriften echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken hierin zakelijk weergegeven dat de CV vorengenoemde geschriften heeft toegezonden/overgelegd aan de Raad voor Werk en Inkomen in verband met de aanvraag, toekenning en/of verantwoording van subsidie ingevolge de Stimuleringsregeling Vacaturevervulling Werklozen en met werkloosheid bedreigde Werknemers (SVWW) met betrekking tot de gesubsidieerde opleiding Beveiliger 2, en bestaande die valsheid hierin dat in die geschriften was vermeld zakelijk weergegeven dat met betrekking tot de verantwoording, afwikkeling en bepaling van toegekende/verleende subsidie in het kader van het project met de titel [B], projectnummer 1107, in een periode door [A] een opleiding Beveiliger 2 is gegeven t.a.v. 120 personen waaronder: [betrokkene 2 t/m 15], deel uitmakend van deelproject 3 en 4 van project [B]/1107, en dat in dat verband bepaalde kosten zijn gemaakt onder meer m.b.t. instructie, begeleiding en examens en dat het traject/project volgens plan is verlopen en de scholing is uitbesteed, zulks terwijl in werkelijkheid in genoemde periode geen opleiding Beveiliger 2 door [A] is gegeven aan die personen en is uitbesteed en in dat verband geen kosten zijn gemaakt,

aan welke verboden gedragingen verdachte tezamen en in vereniging met een ander feitelijke leiding heeft gegeven.

5. Mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte zes middelen van cassatie voorgesteld.

6. Het eerste middel klaagt dat het hof in strijd met art. 301, vierde lid, Sv een verklaring van een medeverdachte voor het bewijs heeft gebruikt. De onder bewijsmiddel 63 gebruikte verklaring van [medeverdachte 1] zou niet ter terechtzitting zijn voorgelezen terwijl evenmin de korte inhoud ervan door de voorzitter is medegedeeld.

7. De door het hof onder bewijsmiddel 63 gebruikte verklaring van [medeverdachte 1], houdt het volgende in (voetnoten heb ik weggelaten):

‘[verdachte] en [medeverdachte 2] konden de opleiding beveiliger 2 geven. Ik werkte mee omdat het RWI meldde dat zij dat niet zelf mochten doen maar wel met een derde persoon. Zij wisten dat ons bedrijf niet CREBO gecertificeerd was. Ik wist dat hetgeen het RWI heeft gemeld niet ging. Wij hadden immers die certificering niet.’

8. De verklaring is door [medeverdachte 1] afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 30 november 2009.

9. Bij de stukken van de onderhavige zaak die overeenkomstig het bepaalde in art. 435, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad zijn gezonden, bevinden zich in de ’Dossieromslag hoger beroep’ het vonnis dat de rechtbank te Maastricht heeft gewezen in de zaak tegen [medeverdachte 1] en het proces-verbaal van de terechtzitting van die rechtbank van 30 november 2009.

10. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 27 april 2012 in de onderhavige zaak, houdt op pagina 15 het volgende in:

‘De voorzitter deelt mede de korte inhoud van de stukken van deze strafzaak zoals die zich in het dossier bevinden.’

11. Nu het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank te Maastricht van 30 november 2009 in de zaak [medeverdachte 1] deel uitmaakt van de stukken van de onderhavige strafzaak, moet het er gelet op het bepaalde in art. 301, derde lid, Sv voor worden gehouden dat het hof de korte inhoud ervan mondeling door de voorzitter is medegedeeld.

12. Het middel mist feitelijke grondslag en faalt daarom.

13. Omdat de overweging waarover het derde middel klaagt, relevant is bij de beoordeling van het tweede middel, bespreek ik eerst het derde middel dat klaagt dat het hof heeft verzuimd het wettig bewijsmiddel aan te wijzen waaraan het een redengevende verklaring van [medeverdachte 1] heeft ontleend.

14. Het middel richt zich tegen het navolgende onderdeel van de bewijsoverweging:

‘Uit het onderzoek ter terechtzitting is geenszins aannemelijk geworden dat de facturen om zakelijke redenen zijn opgesteld. Naar het oordeel van het hof sluiten de facturen aan bij de verklaring van [medeverdachte 1], namelijk dat hij in samenwerking met verdachte en [medeverdachte 2] deelnam aan een constructie en dat hij in dat kader een deel van het geld mocht houden. Deze constructie hield in dat [medeverdachte 1] op verzoek van [B] facturen opmaakte, waarvan de tekst werd aangeleverd door verdachte, teneinde [B] in de gelegenheid te stellen de onderhavige subsidie aan te vragen en - via voorschotten - geldend te maken, terwijl verdachte en [medeverdachte 2] wisten dat [A] v.o.f. de opleiding Beveiliger 2 kon noch zou geven.’

15. Met een beroep op HR 24 juni 20033 wordt aangevoerd dat het hof heeft nagelaten het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan het de feiten en omstandigheden heeft ontleend die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring. Het hof heeft echter onder 60, 61, 62, 63, 64 en 65 verklaringen van [medeverdachte 1] voor het bewijs gebruikt waarin de gegevens zijn vermeld waarop het hof zich in zijn bewijsoverweging baseert. In een dergelijk geval is het hof niet gehouden het wettige bewijsmiddel aan te wijzen waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend; het bewijsmiddel is immers al in het arrest zelf opgenomen. De Hoge Raad stelt de eis waarop in het middel een beroep wordt gedaan slechts indien de rechter zich beroept ‘op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens’. Ten overvloede kan nog worden gewezen op de onder 64 tot bewijs gebruikte verklaring van [medeverdachte 1] die onder meer inhoudt dat ‘als ik het geld ontving ik een deel zou terugstorten’. Hieruit heeft het hof klaarblijkelijk afgeleid dat [medeverdachte 1] het deel van het geld dat hij volgens afspraak niet hoefde terug te storten mocht houden. Een dergelijke conclusie van feitelijke aard, die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld, kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht.4 Onbegrijpelijk acht ik de gevolgtrekking van het hof niet.

16. Het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist daarom feitelijk grondslag.

17. Het middel faalt.

18. Het tweede middel klaagt dat het hof niet althans onvoldoende heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte altijd in de veronderstelling is geweest dat de opleiding Beveiliger 2 is gegeven door [A] v.o.f.

19. Inderdaad heeft het hof het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt in zijn arrest niet beargumenteerd weerlegd. Hier doet zich evenwel het geval voor waarin het arrest van het hof voldoende gegevens bevat – te weten: voor de verwerping van het standpunt relevante bewijsmiddelen – waarin die nadere motivering besloten ligt. Het gaat om twee tot bewijs gebruikte verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 1] die er kort gezegd op neerkomen dat de verdachte ‘vanaf dag 1’ wist dat de opleiding niet gegeven kon worden.

20. De door het hof onder 63 gebruikte verklaring van [medeverdachte 1] houdt het volgende in (voetnoten heb ik weggelaten):

‘[verdachte] en [medeverdachte 2] konden de opleiding beveiliger 2 geven. Ik werkte mee omdat het RWI meldde dat zij dat niet zelf mochten doen maar wel met een derde persoon. Zij wisten dat ons bedrijf niet CREBO gecertificeerd was. Ik wist dat hetgeen het RWI heeft gemeld niet ging. Wij hadden immers die certificering niet.’

21. De door het hof onder 64 gebruikte verklaring van [medeverdachte 1] houdt onder meer het volgende in (voetnoten heb ik weggelaten):

‘Ik was voor vijftig procent eigenaar van [A] v.o.f. Ik heb de vier facturen opgemaakt en gericht aan [B]. Ik heb dat gedaan omdat mij dat gevraagd is te doen in een traject wat mij is aangegeven door [B] met een uitleg van hoe alles zou werken en wat mijn aandeel daarin zou zijn. Op basis van wat mij gevraagd is te doen, heb ik dat ook zo gedaan.

[…]

Wij zouden niet dertig mensen gaan opleiden tot beveiliger 2. Het is mij gevraagd om dat op de facturen te zetten. De uitleg die daarbij is gegeven, was voor mij helder. De uitleg was het verhaal dat ik heb gekregen van [B] van dit gaan we doen, dit hebben we nodig, jullie zijn hier voor nodig want we mogen het zelf niet, jullie gaan dit doen, wij doen dit en dit moet ik hebben op papier om de subsidie rond te krijgen. Mij is verteld dat [B] dit nodig had om de subsidie rond te krijgen. Het was niet de bedoeling dat ik dertig personen instructie zou gaan geven à 3.500 euro per persoon om ze op te leiden tot beveiliger 2. Dat staat wel vermeld op de facturen. […]

Het is ook duidelijk dat wij de opleiding tot beveiliger 2 niet kunnen geven. Dat was vanaf dag 1 duidelijk.’

22. Uit beide door het hof tot bewijs gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte wist dat de opleiding Beveiliger 2 niet door [A] v.o.f. gegeven zou worden, zodat daarin de nadere motivering ligt besloten van de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte altijd in de veronderstelling is geweest dat de opleiding Beveiliger 2 door [A] v.o.f. is gegeven.

23. Voor zover in de toelichting op het middel een reeks feiten en omstandigheden wordt herhaald waarop het hof niet is ingegaan terwijl het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt daarop was gebaseerd, faalt het omdat ‘de motiveringsplicht niet zo ver gaat dat bij de niet-aanvaarding van een 'uitdrukkelijk onderbouwd standpunt' op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan’.5

24. Voor zover het middel beoogt te klagen dat de onder 63 en 64 tot bewijs gebruikte verklaringen van [medeverdachte 1], inhoudende dat vanaf dag één duidelijk was dat hij de opleiding Beveiliger 2 niet kon geven en de verdachte dat wist, niet op eigen waarneming berust, wijs ik op de bewijsoverweging van het hof die hierboven bij de bespreking van het derde middel is weergegeven. Daaruit blijkt dat de constructie, waarbij [medeverdachte 1] facturen stuurde aan de rechtspersoon waaraan de verdachte en diens mededader [medeverdachte 2] feitelijke leiding hebben gegeven, is opgezet door de verdachte tezamen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Die constructie was nodig juist ‘teneinde [B] in de gelegenheid te stellen de onderhavige subsidie aan te vragen en - via voorschotten - geldend te maken, terwijl verdachte en [medeverdachte 2] wisten dat [A] v.o.f. de opleiding Beveiliger 2 kon noch zou geven’.

25. Bovendien blijkt uit de bewijsoverweging dat de door [medeverdachte 1] ingediende facturen werden betaald door [B] B.V. waarna een (groot) deel van het daarmee gemoeide geld door [A] v.o.f. werd overgemaakt aan de management B.V.’s van beide aandeelhouders in [B] B.V. waaronder de verdachte. Uit het feit dat een zo groot deel van de bedragen die zogenaamd met de opleiding gemoeid waren, via de mede door de verdachte opgezette constructie in handen kwam van de verdachte, impliceert dat daarmee onmogelijk de opleiding van Beveiliger 2 kon zijn betaald.

26. Het middel faalt in alle onderdelen.

27. Het vierde middel klaagt dat het hof ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd bewezen heeft verklaard dat de brief van 2 juni 2006 een vals geschrift is omdat uit het arrest niet kan blijken dat het geschrift kan worden geacht tot het bewijs van enig feit te dienen.

28. De door het hof onder 11 tot bewijs gebruikte brief van 2 juni 2006 houdt het volgende in:

‘Raad voor werk en inkomen

Afdeling subsidies

Postbus 16101

2500 BC Den Haag

Ontvangen op 6 juni 2006

Eindhoven, 2 juni 2006

Betreft: Einddeclaratie project 1107 [B]

Geachte heer, mevrouw,

Bijgaand treft u aan de door onze accountant gewaarmerkte einddeclaratie formulier SVWW van project [B] ( 1107).

In verband met een nog uit te voeren dringende betaling aan het opleidingsinstituut wat de opleidingen heeft verzorgd verzoeken wij u om een snelle behandeling van deze declaratie zodat de resterende subsidie snel kan worden overgemaakt.

Met vriendelijke groet,

[B] CV

[handtekening]

[medeverdachte 2]

[verdachte]’

29. De brief vormt de aanbiedingsbrief bij het Einddeclaratieformulier SVWW dat het hof onder 12 tot bewijs heeft gebruikt. De brief moet in samenhang worden gelezen met het Einddeclaratieformulier SVWW. Dit blijkt uit de inhoud van de brief zelf en uit de onder 14 door het hof tot bewijs gebruikte ontvangstbevestiging van de brief met bijlagen. Uit de ontvangstbevestiging kan worden opgemaakt dat met de brief van 2 juni 2006 ook het Eindrapportageformulier SVWW onderdeel B is aangeboden dat het hof onder 13 tot bewijs heeft gebruikt. Dat de brief in samenhang moet worden gelezen met het Einddeclaratieformulier SVWW blijkt ook – en niet in de laatste plaats – uit de bewezenverklaring waarin, voor zover hier van belang, het hof bewezen heeft verklaard dat ‘de commanditaire vennootschap [B] C.V. (hierna: de C.V.) op tijdstippen in de periode van 13 februari 2006 tot en met 7 augustus 2006 in Nederland telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse geschriften te weten - een brief d.d. 2 juni 2006 en een daarbij gevoegd einddeclaratieformulier SVWW […]’.

30. Met betrekking tot de valsheid houdt de bewezenverklaring in dat deze eruit bestaan heeft ‘dat in die geschriften was vermeld zakelijk weergegeven dat met betrekking tot de verantwoording, afwikkeling en bepaling van toegekende/verleende subsidie in het kader van het project met de titel [B], projectnummer 1107 […] en dat in dat verband bepaalde kosten zijn gemaakt onder meer m.b.t. instructie, begeleiding en examens en dat het traject/project volgens plan is verlopen en de scholing is uitbesteed, zulks terwijl in werkelijkheid in genoemde periode geen opleiding Beveiliger 2 door [A] is gegeven aan die personen en is uitbesteed en in dat verband geen kosten zijn gemaakt’.

31. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat aan een aanbiedingsbrief in het maatschappelijk verkeer niet de betekenis voor het bewijs van enig feit wordt toegekend en dat de inhoud dit oordeel evenmin rechtvaardigt. Voor de beoordeling van de vraag of een geschrift bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, als bedoeld in art. 225 Sr, moet als maatstaf worden genomen of het een geschrift betreft ‘waaraan in het maatschappelijk verkeer betekenis voor het bewijs van enig feit pleegt te worden toegekend’.6 In de woorden van Sackers wordt deze bewijsbestemming in de jurisprudentie ‘vrij snel’ aangenomen.7

32. Zoals ik al heb aangeven heeft het hof de brief niet op zichzelf beschouwd maar in samenhang met het Einddeclaratieformulier SVWW. In de brief wordt gewezen op de einddeclaratie waarvan in de brief de echtheid wordt voorgespiegeld in de eerste plaats door de einddeclaratie in te dienen zodat tot uitbetaling zal worden overgegaan en in de tweede plaats door erop te wijzen dat de einddeclaratie door de accountant is gewaarmerkt en dus ‘in orde’ is bevonden. In het maatschappelijk verkeer dient de onderhavige aanbiedingsbrief ertoe om te bewijzen dat werkzaamheden zijn verricht en kosten zijn gemaakt, en wel de werkzaamheden en kosten zoals die zijn gespecificeerd in het als bijlage gevoegde Einddeclaratieformulier SVWW.

33. Het middel faalt.

34. Het vijfde middel klaagt over de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. Met een beroep op de in het bestuursrecht bestaande mogelijkheden om een eenmaal verleende subsidie terug te vorderen wordt in het middel betoogd dat de benadeelde partij al via de bestuursrechter de geleden schade probeerde vergoed te krijgen zodat er geen plaats meer is voor de strafrechter om de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen en een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

35. Ter ondersteuning van het standpunt dat de bestuursrechtelijke weg de strafrechter uitsluit, wordt een beroep gedaan op rechtspraak waaruit kan worden opgemaakt dat de Belastingdienst zich niet als benadeelde partij mag voegen voor zover het zou gaan om de invordering van een belastingschuld.8

36. Anders dan de Belastingdienst beschikt het Ministerie van Sociale Zaken bij het invordering van ten onrechte verleende subsidie niet over een bijzondere aan de Invorderingswet ontleende bevoegdheden.9 Alleen al om die reden gaat de vergelijking niet op.

37. Verder is van belang dat het toewijzen van schadevergoeding door de civiele rechter er niet aan in de weg staat de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen.10 De strafrechter mag de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren bij gebrek aan belang, maar hij is daartoe niet verplicht.11 Ook vanuit dat perspectief valt niet in te zien waarom een procedure bij de bestuursrechter de benadeelde partij zou belemmeren ook in het strafproces vergoeding van de geleden schade te realiseren.

38. Tegen een dergelijke cumulatie van mogelijkheden voor de benadeelde partij om de geleden schade vergoed te krijgen, bestaat vanuit het perspectief van de verdachte geen rechtens te respecteren bezwaar. Als de verdachte de schade in het kader van de ene procedure heeft voldaan, hoeft hij die vervolgens niet nogmaals in het kader van en andere procedure te voldoen. Of een cumulatie van een strafrechtelijke, civielrechtelijke en een bestuursrechtelijke procedure voor de rechtspleging doelmatig is, kan hier onbesproken blijven.

39. Voor zover een beroep wordt gedaan op formele rechtskracht van beslissingen van de bestuursrechter inzake de invordering van ten onrechte verleende subsidie, faalt dit reeds omdat ter terechtzitting van het hof niet is aangevoerd dat de beslissing van de bestuursrechter onherroepelijk is.

40. Het middel faalt.

41. Het zesde middel klaagt terecht dat een inbreuk is gemaakt op het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, doordat de stukken van het geding op 23 oktober 2013 bij de Hoge Raad zijn ingekomen nadat op 15 juni 2012 cassatieberoep is ingesteld. Ambtshalve voeg ik hier aan toe dat eveneens inbreuk op het genoemde recht wordt gemaakt doordat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat twee jaren zijn verstreken na het instellen van beroep in cassatie. Dit moet leiden tot strafvermindering.

42. Het middel is terecht voorgesteld.

43. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen, anders dan de onder 41 genoemde, die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

44. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de opgelegde straf, tot vernietiging van de opgelegde straf wegens de inbreuk op het in art. 6 lid 1 EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Een commanditaire vennootschap die o.g.v. art. 51 lid 3 Sr voor de toepassing van art. 51 met een rechtspersoon gelijk worden gesteld. R. van Elst, Strafbare rechtspersonen en hun leidinggevers, Nijmegen: Ars Aequi Libri 1997, p. 18.

2 Een vennootschap onder firma, waarvoor hetzelfde geldt als aangegeven onder de vorige noot.

3 HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985 r.o. 4.2. ’ Indien het gaat om feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, dient de rechter die zich aldus - al dan niet in reactie op een bewijsverweer - beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging (a) die feiten of omstandigheden aan te duiden, en (b) het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. Ingeval het feiten of omstandigheden betreft die zijn vervat in processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere schriftelijke bescheiden, dienen die stukken ter terechtzitting te zijn voorgelezen of moet daarvan aldaar de korte inhoud zijn medegedeeld.’

4 HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3530 r.o. 3.3 ‘In cassatie kan niet worden onderzocht of de door de feitenrechter in zijn bewijsmotivering vastgestelde feiten en omstandigheden juist zijn. Dat geldt ook voor conclusies van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld. Dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht.’

5 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130 r.o. 3.8.4.

6 HR 14 mei 1957, NJ 1957/472; HR 29 april 1958, NJ 1959/56; HR 13 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF3286 r.o. 3.4.

7 Handboek strafzaken, par. 101.4.3.

8 HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4992 r.o. 2.5 ‘In de toelichting op het middel wordt betoogd dat de schadevergoedingsmaatregel niet kan worden opgelegd ten behoeve van de belastingdienst aangezien deze over zelfstandige invorderingsmogelijkheden beschikt met betrekking tot belastingschulden. Het middel miskent dat het in deze zaak niet gaat om de invordering van een belastingschuld, maar om het verhaal van door de belastingdienst geleden schade ten gevolge van de door de verdachte gepleegde verduistering. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat in een dergelijk geval de schadevergoedingsmaatregel ten gunste van de belastingdienst kan worden opgelegd, is juist, zodat de tegen 's Hofs oordeel opgeworpen motiveringsklachten geen bespreking behoeven.’

9 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4007 r.o. 3.3.2 ‘De Ontvanger beschikt ter uitoefening van zijn taak, die bestaat in de invordering van de rijksbelastingen (art. 3, eerste en derde lid, Invorderingswet 1990), niet alleen over de bijzondere aan de Invorderingswet ontleende bevoegdheden. Hij kan ook gebruik maken van de wettelijke bevoegdheden die een schuldeiser aan het burgerlijk recht kan ontlenen, waaronder maatregelen om op te komen tegen verkorting van zijn verhaalsrecht. Dit zogenoemde 'open systeem' brengt onder meer mee dat de Ontvanger ter zake van een vordering die niet strekt tot invordering van belastingschulden, maar tot vergoeding van schade die de Ontvanger heeft geleden doordat de (volledige) invordering als gevolg van onrechtmatig handelen van de belastingplichtige niet meer mogelijk is, zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces waarin de belastingplichtige wegens dit handelen terechtstaat.’

10 HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1279 r.o. 2.5.

11 HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1279 r.o. 2.5; HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9031 r.o. 3.5.