Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1725

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-07-2014
Datum publicatie
13-10-2014
Zaaknummer
13/05033
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2955, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Schriftelijk bescheid, art. 344 Sv. Het Hof heeft het door de OvJ “voor fotocopie conform” gewaarmerkt p-v kennelijk gebezigd als een bewijsmiddel i.d.z.v. art. 344.1.2 Sv. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat deze kopie met het origineel van het p-v mag worden gelijkgesteld op grond dat de kopie is gevoegd in een omslag die door de OvJ “Voor fotocopie conform” is gewaarmerkt, geeft – in aanmerking genomen dat niet blijkt van een beroep op bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel nopen – niet blijk van een onjuiste uitleg van de voormelde bepaling. In het licht hiervan en gelet op art. 344.2 Sv is de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/05033

Mr. Harteveld

Zitting 1 juli 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 27 september 2013 wegens “overtreding van het bepaalde bij artikel 21, aanhef en onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990” veroordeeld tot een geldboete van € 570,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door elf dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

2. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur van 21 maart 2014 een middel van cassatie voorgesteld.

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof het bewijs van het tenlastegelegde ten onrechte slechts heeft gebaseerd op een ‘ander geschrift’ als bedoeld in art. 344 lid 1 sub 5o Sv.

3.2. Blijkens het bestreden, in het proces-verbaal van de zitting aangetekende mondeling arrest heeft het Hof als (enige) bewijsmiddel voor de bewezenverklaarde snelheidsovertreding gebezigd het schriftelijk stuk genoemd onder A, hetwelk inhoudt:

“A. een schriftelijk stuk, inhoudende een kopie van het proces-verbaal met bonnummer 26.06.25012.1005.000191 en zaaknummer 001043177, d.d. 4 juli 2012, opgemaakt door [verbalisant 1], buitengewoon opsporingsambtenaar van politie, conform de gegevens in de aangehechte kennisgeving van bekeuring d.d. 26 juni 2012, welke als proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door [verbalisant 2], brigadier van politie, Divisie Operationele Diensten, Unit Verkeerstaken, Politie Drenthe;”

3.3. Voor de beoordeling van het middel is doorslaggevend of het in het (mondeling) arrest van het Hof opgenomen bewijsmiddel aangemerkt kan worden als een – volgens de wettelijke voorschriften opgemaakt – proces-verbaal van een opsporingsambtenaar of dat slechts sprake is van een “ander” geschrift. Beide typen van geschriften worden genoemd in art. 344 lid 1 Sv onder het samenvattende begrip “schriftelijke bescheiden” en gelden volgens de opsomming in art. 339 Sv als erkende bewijsmiddelen. De bewijskracht ervan verschilt echter nogal: op grond van art. 344 lid 2 kan het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft gepleegd worden aangenomen op het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar. Bedoeld daarmee is dat het enkele proces-verbaal van een opsporingsambtenaar, houdende zijn constatering dat een strafbaar feit is begaan toereikend is om tot een bewezenverklaring te komen. Daarmee wordt een uitzondering geschapen op het beginsel van “een getuige = geen getuige”, in juridisch Latijn “unus testis – nullus testis”. Van aanzienlijk minder waarde is een “ander geschrift”, aangezien dat naar luid van art. 344 lid 1 onder 5o Sv slechts in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen voor het bewijs kan gelden. Processen-verbaal van een opsporingsambtenaar waar wat mis mee is – bijvoorbeeld omdat uit dat p-v niet kan blijken dat het op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt verliezen hun unieke bewijskracht en degraderen tot “ander geschrift”. Overigens kan, zoals de Hoge Raad heeft uitgemaakt, dat andere bewijsmiddel ook een “ander geschrift” zijn, zodat twee exemplaren van die gemankeerde geschriftsoort tezamen alsnog voldoende bewijs kunnen opleveren.1 Maar dat betekent niet dat een duplicering van wat in wezen één geschrift is, volstaat: het moet dus gaan om geschriften van verschillende aard of oorsprong. Ik noem dit aspect hier ook, omdat in de onderhavige zaak voor het bewijs gebezigd is een “kennisgeving van bekeuring” – een standaardformulier van de politie ( zgn. “combi bon”) dat door de opsporingsambtenaar (nog)2 met de hand wordt ingevuld - maar dat wel als een proces-verbaal is vormgegeven en ook op ambtseed/belofte wordt ondertekend door de constaterende opsporingsambtenaar. en dat later door een andere (buitengewone) opsporingsambtenaar wordt ‘overgetypt’ ten behoeve van elektronische invoer, waarna de verdere verwerking in het strafrechtelijke traject kan plaatsvinden. Mankeert er qua formele vereisten iets in het onderliggende formulier, bijvoorbeeld ten aanzien van de ambtseed of – belofte, dan kan dat niet via de optelregel bij “andere geschriften” worden gerepareerd.3

3.4. Raadpleging van het dossier in de onderhavige zaak leert dat de geschriften waar het Hof het bewijs op baseert geen van beide in originele vorm aanwezig zijn. Wat zich in het dossier bevindt zijn kennelijk ‘uitdraaien’ van geschriften die eerder in een geautomatiseerd bestand zijn opgenomen, via een scanproces. Beide stukken – de kennisgeving van bekeuring en het later aan de hand daarvan vervaardigde “uitgewerkte” proces-verbaal zijn wel voorzien van een handtekening, zij het slechts in ‘mee gekopieerde’ vorm. Elk van die stukken is niet afzonderlijk gewaarmerkt als kopie. Wel bevinden beide processen-verbaal zich, met ook een (ook ingescande) uitdraai van de dagvaarding voor de Kantonrechter en de akte van betekening daarvan in een groene omslag, vermeldend “Schutblad bestemd voor ZM” en aan de voet gestempeld als ”Voor fotocopie conform, De Officier van Justitie, in het Arrondissement Assen” met daarbij geplaatst een handtekening (onleesbaar).

3.5. Omtrent de vraag of een kopie van een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar ‘volledige’ bewijskracht kan hebben heeft de Hoge Raad zich al eerder uitgelaten. In 1948 bepaalde de Hoge Raad dat een afschrift van een p-v, dat als origineel is gewaarmerkt, (behoudens bijzondere omstandigheden) met het origineel mag worden gelijkgesteld (HR 25 mei 1948, NJ 470). Aangenomen moet worden dat het toen nog ging om een letterlijk, met de hand vervaardigd afschrift – het aloude monnikenwerk dus. In 1978 kwam daarbij dat met een origineel van een (op de juiste wijze opgemaakt) proces-verbaal kan worden gelijkgesteld een “voor fotokopie cfm. origineel” gewaarmerkte fotokopie, ook indien die waarmerking niet is geschied door een andere, niet tot opsporing bevoegde ambtenaar – waarbij de A-G Mok nog opmerkte dat met een fotokopie minder gemakkelijk (al dan niet opzettelijk, voeg ik toe) geknoeid kan worden dan bij een de hand tot stand gekomen afschrift, zoals kennelijk speelde in het arrest uit 1948.

3.6. In de onderhavige zaak – en beslist niet alleen in deze zaak – is zichtbaar dat het strafproces zich een overgangsfase bevindt op weg naar digitalisering van het proces – digitaal hier in de betekenis dat veel processtukken stukken niet meer fysiek op papier aanwezig zijn maar in geautomatiseerde systemen worden opgeslagen, overgedragen en verwerkt, waarna op allerlei plaatsen daarvan kan worden kennisgenomen. Veel strafzaken in eerste aanleg worden in die zin digitaal, met behulp van beeldschermen in de zittingszaal afgewikkeld. De voorbereiding van die zittingen door de administratie, griffiers/gerechtssecretarissen en ook rechters geschiedt ook zoveel mogelijk digitaal. Een en ander is ondergebracht in het Project Divos – Digitale VOorziening voor Strafzaken. Deze zaken worden door het Openbaar Ministerie aangeleverd volgens het GPS-systeem - dat is weer de afkorting van Geïntegreerd Processysteem Strafrecht (GPS). Helemaal voltooid is die digitale ontwikkeling nog niet. Bij de ontwikkelingen in de “onderbouw” van de rechtbanken lopen de gerechtshoven momenteel nog iets achter, en zij krijgen de stukken, die in eerste aanleg wellicht geheel digitaal waren gebleven nog op papier aangeleverd.

3.7. De wetgever is al in 2005 begonnen met het leggen van een wettelijke basis voor toepassing van de moderne digitale mogelijkheden. Toen4 werd in art. 153 Sv, dat handelt over het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar, in lid 2 een tweede volzin opgenomen waardoor het opmaken van een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar elektronisch kan verlopen. Het artikel luidt:

“[1.] Het proces-verbaal wordt door hen opgemaakt op hun ambtseed of, voor zover zij die niet hebben afgelegd, door hen binnen tweemaal vier en twintig uren beëedigd voor een hulpofficier van justitie die daarvan een verklaring op het proces-verbaal stelt.

[2.] Het wordt door hen persoonlijk opgemaakt, gedagtekend en ondertekend; daarbij moeten tevens zoveel mogelijk uitdrukkelijk worden opgegeven de redenen van wetenschap. Met een ondertekend proces-verbaal wordt gelijkgesteld een proces-verbaal dat langs elektronische weg is opgemaakt of omgezet, mits dit voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen.”

De in de laatste volzin van lid 2 genoemde AMvB heeft echter nog geruime tijd op zich laten wachten. Met name het punt van de digitale ondertekening vormde een hobbel. Maar in 2011 is die andere uitwerking inmiddels ook tot stand gekomen in de vorm van het Besluit van 17 januari 2011, houdende regels met betrekking tot het elektronisch proces-verbaal (Besluit elektronisch proces-verbaal)5. Dit Besluit bevat in art. 2 regels ter waarmerking van een elektronisch proces-verbaal, door middel van een elektronische handtekening. In zoverre luidt het Besluit aldus:

“Artikel 2

1. Een elektronisch proces-verbaal is voorzien van een elektronische dagtekening en een gekwalificeerde elektronische handtekening, in een documentformaat dat voldoet aan het bij of krachtens de Archiefwet 1995 bepaalde.

2. Als een elektronisch proces-verbaal wordt tevens aangemerkt een digitaal afschrift dat is voorzien van een gekwalificeerde elektronische handtekening van een, daartoe door de verantwoordelijke aangewezen, ambtenaar als waarmerk, overeenkomstig de eisen, bedoeld in het eerste lid.”

3.8. In de tijd vóór de totstandkoming van het Besluit elektronisch proces-verbaal kon, althans gelet op art. 153 Sv geen gebruik gemaakt worden van een digitaal p-v. Bovendien ziet die bepaling alleen op het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar en niet op allerlei andere stukken, die zich in een strafdossier bevinden. Zoals bijvoorbeeld de akte van betekening van de (inleidende) dagvaarding – een stuk waarvan in de zaak die nu speelt in cassatie ook alleen maar in een gekopieerde of uitgedraaide vorm aanwezig is. Voor processen-verbaal van rechterlijke instanties, zoals de R-C maar ook van de rechtbank zelf is helemaal niets geregeld. Art.1 van het Besluit elektronisch proces-verbaal ziet volgens de betekenisbepaling van art. 1, onder 1. alleen op het proces-verbaal als genoemd in artikel 152 en 153 Sv. In de tussentijd is – vooruitlopend op het Besluit elektronische handtekening en de implementatie daarvan – is echter al op enige schaal gebruik gemaakt van DIVOS, dus van de digitale ‘verwerking’ van strafzaken. Over de juridische implicaties daarvan is wel nagedacht door de rechtspraak. Op verzoek van de Stuurgroep implementatie DIVOS bij de rechtbanken, heeft een juridische werkgroep enkele juridische aspecten in kaart gebracht, met name:

- de aard van een digitaal strafdossier;

- de bewijswaarde van de daarin opgenomen stukken en

- de verstrekking van stukken aan de hoven.

Het rapport van die werkgroep, dat voor zover ik kan zien voor buitenstaanders – buiten de rechterlijke macht - niet gemakkelijk te raadplegen is op het internet bevat een analyse van de juridische status van het digitale dossier. Wat betreft de bewijskracht kan ook de werkgroep niet veel anders doen dan constateren dat de bewijswaarde van een niet-elektronisch ondertekend proces-verbaal van een opsporingsambtenaar beperkt is. Het rapport gaat echter ook in op de door het Openbaar Ministerie ontwikkelde werkwijze met betrekking tot het scannen van documenten die digitaal aan de rechtbanken worden aangeleverd en op de afspraken die daarover zijn gemaakt. Daarnaast zijn er binnen het LOVS afspraken gemaakt over het verwerken van de zaken waarin de digitale handtekening (nog) niet is geplaatst, omdat het betreffende Besluit nog niet was geïmplementeerd.6 Die komen er op neer dat, voor zover niet een totaal digitale procesvoering aan de orde is, van de documenten die nog niet zijn voorzien van een elektronische handtekening door het lokale parket een uitdraai wordt gemaakt die van een waarmerking voor ‘kopie conform’ wordt voorzien. Hoe die waarmerking precies plaatsvindt – per bladzijde, document of meer generiek, zoals in de onderhavige zaak het geval lijkt te zijn, is niet nader afgesproken. De rechtbanken dienen voorts zelf ook afspraken te maken met de hoven over de aanlevering van het dossier voor het hoge beroep. Dan gaat het met name ook om de ‘eigen’ processen-verbaal en vonnissen.

3.9. In de onderhavige zaak is van een elektronisch proces-verbaal van een opsporingsambtenaar als bedoeld in art. 153 Sv in ieder geval geen sprake: het betreft nog documenten die ooit, op de ouderwetse wijze handmatig zijn opgemaakt en in origineel zijn ondertekend. Nadien zij ze echter wel elektronisch ingescand en hebben zij kennelijk op elektronische wijze hun weg vervolgd en zijn zij vervolgens op enig moment uitgedraaid. De vraag of en hoe hun ‘echtheid’ kan worden vastgesteld speelt niet alleen in de onderhavige zaak. Het Hof Arnhem-Leeuwarden bepaalde in een ander arrest – meervoudig gewezen – van 4 april 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2675, dat ingescande stukken niet (of niet zonder meer) de bewijskracht hebben als bedoeld in art. 344 lid 2 Sv. Het Hof overwoog in die andere zaak:

“Het hof stelt vast dat de stukken A en B geen originele stukken zijn. Zij zijn evenmin als eensluidend met het origineel gewaarmerkt. Het betreft hier gescande stukken die – gelijk de advocaat-generaal in zijn schriftelijk standpunt - niet kunnen worden aangemerkt als elektronisch proces-verbaal. Er is geen sprake van een digitaal afschrift dat is voorzien van een gekwalificeerde elektronische handtekening van een daartoe, door de verantwoordelijke aangewezen, ambtenaar als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit elektronisch proces-verbaal. Gelet hierop kan aan stuk A noch aan stuk B de bijzondere bewijskracht als bedoeld in het tweede lid van artikel 344 worden toegekend. Voor wat betreft stuk A komt daar nog bij dat het stuk niet op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt, zoals artikel 153, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering voorschrijft.”

Deze overwegingen leidden het Hof vervolgens tot vrijspraak van het tenlastegelegde – ook een snelheidsovertreding.7 Kortom: de praktijk worstelt wel degelijk met de materie.8

3.10. Maar dan nu, vanuit cassatieperspectief, de beoordeling van de onderhavige zaak. Het lijkt mij dat hier met de bestaande dogmatiek wel uit valt te komen.Kennelijk heeft het Hof aan het ‘samenstel’ van de voor het bewijs gebezigde processen-verbaal de bewijskracht toegekend van art. 344 lid 2 Sv. Dat het hierbij gaat om een “kopie” maakt niet dat die bewijskracht ontbreekt, aangezien, zoals hierboven in par. 3.5 bleek, een gewaarmerkte kopie in dat opzicht gelijkgesteld wordt met het origineel. Dat het Hof de gebezigde kopieën als voor kopie conform gewaarmerkt heeft aangemerkt is voorts niet onbegrijpelijk, gelet op de aantekening van die strekking die op het omslag, waarin zich de processen-verbaal bevinden is geplaatst. Daarbij neem ik aanmerking dat een en ander kennelijk in een gebruikelijk administratief proces, dat door bureaucratische regels wordt beheerst, tot stand is gekomen. De eis dat bijvoorbeeld elke pagina afzonderlijk gewaarmerkt zou moeten worden lijkt mij een overspanning van eisen die aan dergelijke processen gesteld kunnen worden. Bovendien is niet in enig stadium van het strafproces de ‘echtheid’ van de betreffende stukken ter discussie gesteld, ook niet door de verdediging9 en is ook overigens in de gang van zaken geen aanleiding te vinden om te twijfelen aan de conformiteit van de kopie met het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar. ’s Hofs aanduiding van het door hem gebezigde bewijsmiddel aldus lezende mist het middel, dat op een verkeerde lezing van die aanduiding berust, feitelijke grondslag.

3.11. Mocht de Hoge Raad anders denken over de gegrondheid van het middel dan nog is het de vraag of dit tot cassatie zou moeten leiden. Volgens mij ontbreekt daarvoor het (noodzakelijke) belang. Ter terechtzitting van het Hof heeft de verdachte verklaard: “Ik ontken overigens niet ter plaatse te hebben gereden.” Het lijkt mij aannemelijk dat, naast het proces-verbaal, dat wellicht slechts als ‘ander geschrift’ aangemerkt zou dienen te worden, deze passage als aanvullend bewijsmiddel gebezigd zal worden, in het geval het tot ver- of terugwijzing van de zaak zou komen. Ook dan kan het middel niet tot cassatie leiden.

3.12. Het middel faalt.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 28 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9131.

2 In de toekomst wordt dat ongetwijfeld anders, zie de latere bespreking van het elektronisch proces-verbaal.

3 HR 16 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2481.

4 Stb. 2006, 470.

5 Stb.2011, 15, in werking getreden op 1 februari 2001, Stb. 2011, 16.

6 Notulen LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht), d.d. 28 juni 2013, onder punt 3.

7 Een aantekening die ik daarbij wil maken is dat het Hof kennelijk geen actie heeft ondernomen om de oorspronkelijke stukken, of gewaarmerkte kopieën daarvan in zijn bezit te krijgen – terwijl die, gelet op de aard van het onderliggende administratieve proces, wel ergens te vinden zouden moeten zijn dan wel geproduceerd zouden kunnen worden. Bij het verbinden van rechtsgevolgen aan ‘vormfouten’ binnen de strafrechtsketen gaat de rechterlijke macht soms – en ook naar het lijkt hier - een weg, die naar het mij voorkomt niet geheel in het stramien past van de door de Hoge Raad aan art. 359a Sv ten grondslag gelegde uitgangspunten – welk processueel kader hier niet rechtstreeks aan de orde is, omdat het gaat om de wettelijke eisen te stellen aan bewijsmiddelen en niet om onrechtmatig verkregen bewijs als gevolg van vormverzuimen in het vooronderzoek..

8 Zie ook Hof Arnhem, 16 maart 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BL7606, waar het Hof de beslissing van de Politierechter tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM vernietigde.

9 Het enige ‘verweer’ dat van de kant van de verdediging ter terechtzitting is gevoerd is dat de verbalisant zich vergist zou hebben in het kenteken van de Volvo van de verdachte, die op de betreffende weg overigens wel gereden heeft, maar niet te snel. Ter ondersteuning van dit verweer is door de verdediging een lijst geproduceerd van Volvo’s met een kenteken gelijkend op dat van de verdachte.