Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1716

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-07-2014
Datum publicatie
29-10-2014
Zaaknummer
13/02341
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3057, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Roekeloosheid, art. 307.2 Sr. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:960 m.b.t. de in art. 175.2 aanhef en onder a WVW 1994 voorkomende schuldvorm roekeloosheid. Het Hof heeft zijn oordeel dat i.c. sprake is van roekeloosheid uitsluitend doen steunen op zijn samenvattende vaststelling “dat de verdachte met een wapen dat hij niet kende, zonder zich er deugdelijk van te vergewissen dat het wapen niet was doorgeladen, heeft gericht op het hoofd van het slachtoffer en vervolgens de trekker van het vuurwapen heeft overgehaald”. Die samenvattende vaststelling is niet z.m. begrijpelijk in het licht van hetgeen het Hof omtrent de feitelijke toedracht heeft vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/02341

Zitting: 1 juli 2014

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Verdachte is bij arrest van 12 april 2013 door het Gerechtshof Den Haag wegens onder 1 ‘aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid’, onder 2 ‘medeplegen van een lijk verbergen, wegvoeren en wegmaken met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen’, onder 3 – kort gezegd – het voorhanden hebben van een verboden vuurwapen en munitie, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.

  2. Mr. E.R. Weening, advocaat te Rotterdam, heeft namens verdachte vijf middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het onderdeel van de zaak dat in cassatie aan de orde is, betreft het doodschieten door de verdachte van een vriend van hem tijdens een situatie die misschien nog wel het best kan worden omschreven als Russisch roulette.1 Over en weer hebben de verdachte en het latere slachtoffer met hetzelfde vuurwapen op elkaar ‘geschoten’ door de trekker over te halen nadat de patroonhouder uit het vuurwapen was verwijderd. Nadat een aantal keren de trekker was overgehaald zonder dat een kogel werd afgevuurd, is daadwerkelijk een schot gelost waarbij het slachtoffer dodelijk is getroffen. Het verschil met Russisch roulette is dat in de onderhavige zaak niet vast staat dat de betrokkenen wisten dat zich nog een kogel in het vuurwapen bevond. De verdachte is door het hof vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde ‘moord’ en de onder 1 subsidiair ten laste gelegde ‘doodslag’. De verdachte is veroordeeld wegens dood door schuld waarbij de schuld bestaat uit roekeloosheid. Dit feit is aan de tenlastelegging toegevoegd nadat de verdachte in eerste aanleg was vrijgesproken van de ten laste gelegde moord en doodslag. Hoewel dit in cassatie niet aan de orde is, houdt dit feit verband met het andere ten aanzien van verdachte bewezen verklaarde feit dat erop neer komt dat de verdachte het lijk van zijn vriend in vuilniszakken heeft verpakt en met

    stenen verzwaard in een natuurplas heeft gegooid.

4. Het hof heeft onder 1 meer subsidiair bewezen verklaard dat verdachte

‘ in de periode 02 april 2010 tot en met 04 april 2010 te Rotterdam, roekeloos, in een woning aan [a-straat]

- een vuurwapen heeft afgepakt van [slachtoffer] en

- zonder dat hij het wapen kende en

- zonder zich te vergewissen of het wapen doorgeladen was

- dit vuurwapen heeft gericht op het hoofd van [slachtoffer] en

- de trekker van dit vuurwapen heeft overgehaald

- waardoor genoemde [slachtoffer] door het hoofd is geschoten en het aan zijn - verdachtes – schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zodanig letsel heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden’.

5. Het eerste, tweede en derde middel klagen dat het hof de bewezen verklaarde gedragingen ten onrechte heeft gekwalificeerd als ‘roekeloos handelen’, en kunnen daarom gezamenlijk worden besproken. In de toelichting op de middelen worden feiten en omstandigheden opgevoerd die het hof buiten beschouwing heeft gelaten waardoor zijn oordeel onbegrijpelijk zou zijn. Deze feiten en omstandigheden komen er in de kern op neer dat het vuurwapen ‘op de veiligheid stond’ en dat de verdachte en het latere slachtoffer voorafgaande aan het dodelijke schot meerdere keren het vuurwapen op elkaar hadden gericht en de trekker hadden overgehaald.

6. Het hof heeft het verweer dat weliswaar sprake is van dood door schuld maar dat daarbij niet zo onachtzaam is gehandeld dat kan worden gesproken van roekeloosheid, in zijn arrest samengevat en als volgt gemotiveerd verworpen:

‘Namens de verdachte heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep betoogd – kort en zakelijk weergegeven – dat sprake is van dood door schuld, waarbij de verdachte zich onvoorzichtig heeft gedragen, echter niet zo onachtzaam dat gesproken kan worden van roekeloosheid. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat de verdachte met een wapen dat hij niet kende, zonder zich er deugdelijk van te vergewissen dat het wapen niet was doorgeladen, heeft gericht op het hoofd van het slachtoffer en vervolgens de trekker van het vuurwapen heeft overgehaald. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat in deze van roekeloosheid sprake was. Het hof is van oordeel dat sprake is van een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid waardoor de verdachte een onaanvaardbaar risico heeft genomen. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.’

7. Het hof rekent het de verdachte vooral aan dat hij zich er niet van heeft vergewist of het vuurwapen waarmee op elkaar werd geschoten, een (door)geladen vuurwapen betrof. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Hoe gevaarlijk het enkele bezit van een vuurwapen wordt geacht, blijkt uit de strafbaarstelling ervan die bescherming van de veiligheid van de burger tot doel heeft.2 In dit verband kan worden gewezen op HR 24 februari 2004 waarin de Hoge Raad een arrest in stand laat waarin het betreffende hof bewezen had verklaard dat de verdachte met voorwaardelijk opzet had gehandeld. De Hoge Raad overwoog daarbij dat de verdachte tegen en in de richting van het hoofd van het slachtoffer had geslagen terwijl hij het vuurwapen vasthield met de loop van dat wapen gekeerd in de richting van het hoofd van het slachtoffer ‘zonder dat hij zich er voordien van had vergewist of het een (door)geladen pistool betrof’.3

8. Daarnaast verwijt het hof de verdachte dat hij ‘met een wapen dat hij niet kende […] heeft gericht op het hoofd van het slachtoffer en vervolgens de trekker van het vuurwapen heeft overgehaald.’ Dit element komt terug in het verweer van de verdachte waarin wordt gesteld dat hij niet roekeloos heeft gehandeld, omdat hij niet wist hoe de veiligheid van het vuurwapen functioneerde. Het hof draait dat als het ware om. Het feit dat de verdachte niet bekend was met het wapen – en dan met name de wijze waarop de veiligheid werkte – draagt juist bij aan het oordeel dat sprake is van roekeloosheid. Juist omdat de verdachte niet wist hoe die veiligheid werkte, had hij niet met dat vuurwapen op het latere slachtoffer moeten richten en de trekker overhalen. Wat de verdachte ziet als een feit dat hem ontlast, is in feite wat het hof hem strafrechtelijk verwijt. Ook die overweging acht ik niet onbegrijpelijk zodat de klacht faalt.

9. Voor zover in de middelen wordt geklaagd dat het hof niet althans onvoldoende heeft gerespondeerd op nog veel meer feiten en omstandigheden op grond waarvan is betoogd dat geen sprake was van roekeloosheid, stuit dit af op de overwegingen van het hof waarin hij heeft aangeven waarom naar zijn oordeel wel degelijke sprake was van roekeloosheid. Het hof is niet gehouden op elk detail van de door de verdediging aangedragen argumentatie in te gaan.4 Ook deze klacht faalt.

10. In de toelichting op het eerste middel wordt geklaagd dat de motivering inzake de roekeloosheid onverenigbaar is met de overwegingen waarmee het hof de verdachte vrijspreekt van doodslag. Hierbij wordt een beroep gedaan op het volgende onderdeel van de overwegingen van het hof met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde:

‘De verdachte verkeerde in de veronderstelling dat het wapen niet was geladen op het moment dat hij het op het slachtoffer richtte en de trekker overhaalde, zoals hij – en ook het slachtoffer – daarvoor ook al een aantal maal had gedaan zonder dat daarbij een kogel werd afgevuurd.’

11. Deze overweging zou onverenigbaar zijn met het volgende onderdeel van de overwegingen van het hof inzake de roekeloosheid:

‘Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat de verdachte met een wapen dat hij niet kende, zonder zich er deugdelijk van te vergewissen dat het wapen niet was doorgeladen, heeft gericht op het hoofd van het slachtoffer en vervolgens de trekker van het vuurwapen heeft overgehaald.’

12. Uit de overwegingen van het hof blijkt enerzijds dat en waarom het hof geen (voorwaardelijk) opzet op doodslag heeft aangenomen en anderzijds waarom het wel heeft aangenomen dat de verdachte roekeloos heeft gehandeld. Daartussen bestaat geen tegenstrijdigheid. De ‘veronderstelling dat het wapen niet geladen was’ brengt naar het oordeel van het hof enerzijds mee dat de voor (voorwaardelijk) opzet vereiste wetenschap ontbreekt, terwijl anderzijds juist dat niet weten (en ondanks dat niet controleren of het wapen geladen was) de basis is voor het gemaakte verwijt dat het hof kwalificeert als roekeloosheid.

13. Ook deze klacht faalt.

14. Het eerste, tweede en derde middel falen.

15. Het vierde middel klaagt dat het hof ten onrechte het verzoek heeft afgewezen naar het wapen te baggeren in verband met het verweer van de verdachte dat het wapen ‘op de veiligheid stond en geheel onverwachts van deze veiligheid is afgegaan’. Uiteindelijk wordt in de toelichting op het middel geklaagd dat het hof ‘zelfs geen expliciete beslissing’ heeft genomen. Inderdaad is in het arrest en in het proces-verbaal geen beslissing opgenomen van het hof inzake een verzoek om naar het vuurwapen te baggeren.

16. Op basis van het proces-verbaal van het hof van moet eerst de vraag worden beantwoord of ter terechtzitting van het hof het verzoek is gedaan naar het wapen te baggeren. Van belang zijn hiervoor het proces-verbaal zelf alsmede de daaraan gehechte pleitnotitie van de raadsman van de verdachte.

17. Het proces-verbaal van de terechtzitting zelf houdt voor wat betreft hetgeen de raadsman heeft medegedeeld, het volgende in met betrekking tot een verzoek naar het wapen te baggeren:

‘Na veel aandringen bij de rechtbank is er gezocht naar het wapen. Duikers van het arrestatieteam hebben gedoken en het wapen niet gevonden. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt dat één A4-kantje beslaat. Het is voor de verdediging essentieel hoe het wapen er uitziet. Mijn cliënt is nu niet in staat om aan te tonen hoe het wapen eruitziet. Er is niet gebaggerd op de juiste plek. Een duiker kan slecht tot een bepaalde diepte zoeken en het wapen kan zijn weggezakt in de modder.’

18. De pleitnotitie van de raadsman, die ter terechtzitting is overgelegd en deel uitmaakt van het proces-verbaal, houdt met betrekking tot het baggeren het navolgende in dat van belang is voor de beoordeling van het middel:

‘28. Tenslotte heeft de verdediging er op gewezen dat de tot dusverre gegeven "compensatie" voor het niet-baggeren, in de vorm van een doorzoeken van een database met wapens, géén duidelijk resultaat heeft opgeleverd.

29. Een en ander heeft, naar de mening van de verdediging, tot gevolg, dat, indien het Hof de eigenschappen van een wapen, zoals door [verdachte] omschreven, niet zonder meer gelooft, er alsnog dient te worden gebaggerd naar het wapen.

30. Op grond van bovenstaande wordt het Hof dan ook allereerst verzocht alsnog opdracht te geven tot het uitbaggeren van (het aangegeven gedeelte van) de betreffende sloot.’

19. Op de pleitnotitie is bij alinea 30 met de hand het volgende geschreven:

‘niet voorgedragen. De griffier’

20. Bij de handgeschreven tekst is een paraaf geplaatst.

21. Op basis van de pleitnotitie en de daarbij door de griffier gemaakte kanttekening moet het ervoor worden gehouden dat het in paragraaf 30 genoemde verzoek niet ter terechtzitting is gedaan.

22. De conclusie moet zijn dat noch uit het proces-verbaal ter terechtzitting noch uit de pleitnotitie die daarvan deel uitmaakt, kan blijken dat is verzocht naar het wapen te baggeren. Bij gebrek aan een verzoek mist de klacht dat het hof dat verzoek ten onrechte heeft afgewezen of daar ten onrechte niet op heeft beslist, feitelijke grondslag.

23. Voor zover in de onder paragraaf 29 van de pleitnotitie gemaakte opmerking zou moeten worden aangemerkt als een voorwaardelijk verzoek, dan hoefde het hof hier niet op te responderen nu uit de verklaring die verdachte ter terechtzitting van het hof op 29 maart 2013 heeft afgelegd, niet blijkt dat hij daar het verweer heeft gevoerd dat hij dacht dat het wapen ‘op de veiligheid stond en geheel onverwachts van deze veiligheid is afgegaan’. Ook wat dat betreft mist het middel feitelijke grondslag. Verdachte verklaart namelijk:

“Achteraf kan ik verklaren waarom het wapen op een gegeven moment toch is afgegaan. Dat kwam omdat ik een knopje aan de achterkant van het wapen heb ingedrukt. Ik wist niet dat de veiligheidspal zich aan de achterkant van dat wapen bevond. Normaal gesproken zit een veiligheidspal aan de zijkant van een wapen.”

24. Bovendien zie ik niet in dat ook indien het wapen zou zijn gevonden, dit enig verschil zou hebben uitgemaakt voor de bewezenverklaring van roekeloosheid, gelet op hetgeen verdachte heeft verklaard en de omstandigheden die het hof heeft meegewogen in zijn bewijsoverwegingen zoals hiervoor onder 11 aangehaald.

25. Het middel faalt.

26. Het vijfde middel klaagt dat het hof de opgelegde straf ontoereikend heeft gemotiveerd in het licht van de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee jaren en zes maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

27. Het middel ziet eraan voorbij dat de rechtbank de verdachte heeft veroordeeld voor de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten (respectievelijk het wegmaken van een lijk en verboden vuurwapenbezit) en hem vrijgesproken van de onder 1 ten laste gelegde levensdelicten. In hoger beroep is de tenlastelegging aangevuld voor wat betreft de onder 1 ten laste gelegde feiten en is daaraan ‘dood door schuld’ toegevoegd waarvoor het hof de verdachte inderdaad heeft veroordeeld. Gelet op het andere en ernstiger feitencomplex waarvoor het hof de verdachte heeft veroordeeld behoefde de in hoger beroep opgelegde staf geen nadere motivering in het licht van de in eerste aanleg opgelegde straf.

28. Het middel faalt.

29. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

30. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

31. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In het arrest van het hof zijn de feiten als volgt uiteen gezet:‘Met betrekking tot de gebeurtenissen die aan het schietincident vooraf zijn gegaan, gaat het hof met de advocaat-generaal en de raadsman uit van de juistheid van de verklaringen die de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft afgelegd. Deze verklaringen worden op relevante onderdelen ondersteund door de verklaringen die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben afgelegd.Het bovenstaande leidt ertoe dat het hof naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting en op grond van de gebezigde bewijsmiddelen uitgaat van de volgende feiten en omstandigheden. De verdachte bevond zich in de woning van zijn vriendin, [betrokkene 1]. [betrokkene 1] en haar zoontje, alsmede het zusje van [betrokkene 1] en haar dochtertje, bevonden zich ook in de woning. Een vriend van de verdachte, [slachtoffer], het latere slachtoffer, kwam op bezoek.Het slachtoffer heeft op enig moment zijn vuurwapen te voorschijn gehaald. Het slachtoffer richtte op een gegeven moment het wapen op de verdachte en haalde de trekker over. De verdachte pakte het wapen van het slachtoffer af. De verdachte heeft het wapen op enig moment teruggegeven aan het slachtoffer. Het slachtoffer heeft vervolgens de patroonhouder uit het wapen gehaald. Het slachtoffer richtte een paar keer op de verdachte en haalde de trekker over. De verdachte heeft het wapen opnieuw afgepakt, vervolgens op zijn beurt op het slachtoffer gericht en tegen hem gezegd 'Hoe voelt dat nou?'. De verdachte heeft zonder zich te vergewissen of het wapen doorgeladen was een aantal keren de trekker van het wapen overgehaald terwijl hij het wapen had gericht op de muren. Er ging toen geen schot af. De verdachte heeft vervolgens het wapen gericht op het slachtoffer en de trekker overgehaald. Het wapen ging toen wel af en het slachtoffer werd dodelijk geraakt door de afgevuurde kogel.’

2 Kamerstukken II 1976/77, 14 413, nr. 3, p. 20 waar als in de eerste plaats als een van de doeleinden wordt genoemd ‘de bescherming van de veiligheid van burger en staat.’

3 HR 24 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1498, NJ 2004/375 m.nt. P.A.M. Mevis r.o. 4.7.

4 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Y. Buruma r.o. 3.8.4. sub d inzake een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt: ‘dat de motiveringsplicht niet zo ver gaat dat bij de niet-aanvaarding van een 'uitdrukkelijk onderbouwd standpunt' op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.’