Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1713

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-07-2014
Datum publicatie
27-10-2014
Zaaknummer
13/01323
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2954
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Falende bewijsklachten ‘medeplegen’, ‘oplichting’ en ‘meineed’. 2. Slagende bewijsklacht ‘bedrieglijke bankbreuk’. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan niet volgen dat verdachte “wist dat X failliet was verklaard”, terwijl het Hof deze omstandigheid heeft betrokken bij zijn oordeel dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van X niet verantwoorden van een bate.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/01323

Mr. Machielse

Zitting 1 juli 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 7 augustus 2012 voor feit 2D: Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd, feit 2E: Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd, feit 3: In een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt, mondeling, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen, feit 4: Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd, feit 5: Medeplegen van bedrieglijke bankbreuk, feit 6: Medeplegen van poging tot oplichting, feit 7: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, feit 8A: Medeplegen van oplichting, en feit 8B: Medeplegen van poging tot oplichting, veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren waarvan negen maanden voorwaardelijk.

2. Mr. M. Wiersma, advocaat, heeft cassatie ingesteld. Mrs. S.F.W. van 't Hullenaar en mr. C.H.W. Janssen, advocaten te Arnhem, hebben een schriftuur ingezonden houdende zeven middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt over het bewijs van feit 2D. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt niet dat verdachte bemoeienis heeft gehad met hetgeen daarin is omschreven.

3.2. Als feit 2D is bewezenverklaard dat verdachte

"in de periode van 1 januari 2004 tot en met 6 augustus 2004 in Nederland tezamen in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om zichzelf en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, hebbende hij, verdachte, en zijn mededaders met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid die beleggers/investeerders medegedeeld dat:

* een accountant ([betrokkene 3]) als directeur van [A] B.V. was aangesteld en

* (mede door de aanstelling van die/een accountant) het financiële management van en/of de financiële controle op [A] B.V. gegarandeerd was en

* de bestaande en nieuwe auteursrechten van [betrokkene 4] in bezit/eigendom waren van [A] B.V."

3.3. Bewijsmiddel 1 en 2 bevatten verklaringen van de in de bewezenverklaring genoemde [betrokkene 2]. Voor haar moeder heeft zij met [betrokkene 6] een vermogensbeheercontract gesloten. Besloten is om € 15.000 te investeren in [A] op advies van [betrokkene 6]. [betrokkene 2] heeft kennisgenomen van de prospectus en een ander document waarin een voorspoedige zakelijke toekomst voor [A] werd voorgespiegeld, onder meer op basis van filmprojecten naar scripts van [betrokkene 9] (de schrijfster [betrokkene 4]). Verdachte stond vermeld in de prospectus als iemand die het project grondig zou hebben onderzocht. [betrokkene 1] heeft blijkens bewijsmiddel 3 ook geïnvesteerd in [A] op advies van [B]. Hij heeft vertrouwd op de brochure waarin [betrokkene 3] als accountant was vermeld. [betrokkene 6] deelde hem mee dat [betrokkene 3] de garantie was voor de betrouwbaarheid van de cijfers. Bewijsmiddel 6 geeft de inhoud van de aan [betrokkene 1] verstrekte brochure weer over het bedrijfsprofiel van [A] BV. Daarin wordt een beeld geschetst dat [A] beschikt over een portefeuille van films die in 2004 en 2005 in productie komen met regisseurs van naam, sterke cast en gerespecteerde Engelse co producers.

Aan de gebezigde bewijsmiddelen is te ontlenen dat verdachte ervan op de hoogte was dat contracten over de royalties van [betrokkene 9], anders dan in de brochures over [A], niet waren getekend en dat dus die royalties niet aan [A] waren overgedragen (bewijsmiddel 12, 21). In de brochures die afkomstig waren van [B] werd ten onrechte voorgespiegeld dat deze rechten al wel aan [A] waren overgedragen. Verdachte was bij [B] betrokken (o.m. bewijsmiddel 3, 4, 6).

3.4. Aan de gebezigde bewijsmiddelen is geen steun te ontlenen voor de stelling dat verdachte ervan op de hoogte is geweest dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn benaderd met een verkeerde voorstelling van zaken over de hoedanigheid van [betrokkene 3], over de financiële controle op [A] en over de rechten op de werken van [betrokkene 4]. Uit de bewijsmiddelen is wel afleiden dat verdachte ervan op de hoogte was dat de situatie rond auteursrecht en royalties met de schrijfster nog niet was geregeld, maar niet dat hij ook ervan op de hoogte was dat [betrokkene 3] geen accountant was. Als verdachte op de hoogte zou zijn geweest van de onjuiste inhoud van de brochures en prospectussen over [A], zou hij beschuldigd kunnen worden van het medeplegen van valsheid in geschrift, maar voor het verwijt van het medeplegen van concrete oplichtingen van de in de bewezenverklaring genoemde personen is geen grondslag in de bewijsvoering te vinden.1

Het eerste middel slaagt.

4.1. Het tweede middel klaagt over het bewijs van feit 2E, voor zover inhoudende dat de in [C] BV in te brengen aandelen in de onderneming [N] te hoog waren gewaardeerd. Onduidelijk is hoe het hof tot de conclusie komt dat [betrokkene 6] [N] op € 9.000.000,- zou hebben gewaardeerd.

4.2. Als feit 2E is bewezenverklaard dat hij

"in de periode tussen 3 september 2003 en 1 juli 2005 in Nederland tezamen in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om zichzelf en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door een listige kunstgreep, [betrokkene 18] en [betrokkene 19] en [O] B.V. heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van steeds EUR 250.000,-, hebbende hij, verdachte, en zijn mededader met vorenomschreven oogmerk zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid de door hem, verdachte, en zijn medeverdachte in [C] B.V. in te brengen (aandelen)belangen in de onderneming [N] te hoog gewaardeerd."

4.3. Uit de gebezigde bewijsmiddelen is op te maken dat drie investeerders ieder voor € 250.000 aan aandelen heeft genomen in [C] BV. De investeerders zijn daartoe overgehaald door [betrokkene 6] en verdachte. Dezen stelden het voor als een buitenkans voor geselecteerde investeerders, die konden meeliften op de geweldige ervaring en deskundigheid van [betrokkene 6] en verdachte, die zelf 88% van de aandelen voor hun rekening zouden nemen door de inbreng van de waarde van projecten. [betrokkene 6] en verdachte organiseerden bijeenkomsten met deze investeerders waarin grote winsten in het vooruitzicht werden gesteld. Een presentatie ter aanprijzing van [C] BV dateert van oktober 2003 (bewijsmiddel 9D). Daarin is ook informatie opgenomen over [N]/[P] SA, maar zonder nadere uitleg zijn deze cijfers volstrekt onbegrijpelijk. Was dit project het enige project dat door [betrokkene 6] en verdachte in de nieuwe BV werd ingebracht? Uit de gebezigde bewijsmiddelen wordt dit niet duidelijk. De inhoud van de bewijsmiddelen 10D, 11D en 12D zegt mij ook niets over de waarde van de aandelen [N]. De betekenis van bewijsmiddel 14D ontgaat mij eveneens in dit verband. Alleen de inhoud van bewijsmiddel 16V houdt in dat volgens Lam [betrokkene 6] en verdachte op de hoogte waren van de echte situatie van [A] en [N] en dat het allemaal een wassen neus was. Bewijsmiddel 18G doet het vermoeden opkomen dat [N] iets met bacteriën had, maar dat de licentie voor die bacteriën niet in het bezit was van [N] en bewijsmiddel 19G heeft het over waardeloze stankverwijderaars en wasmiddelen, maar wat dat allemaal te maken heeft met feit 2E blijft ongewis.

Het middel is terecht voorgesteld.

5.1. Ook het derde middel klaagt over de veroordeling voor feit 2E, maar nu omdat de gebezigde bewijsmiddelen niets inhouden waaruit volgt dat de investeerders zouden zijn afgehaakt als de werkelijke waarde van [N] aan hun zou zijn voorgehouden.

5.2. Voorhuijzen verklaart in bewijsmiddel 1G dat hij door [betrokkene 6] is overgehaald om te investeren. Hij stelde vertrouwen in [betrokkene 6] en vertrouwde er ook op dat de prognoses zouden kloppen. Er was geen reden om aan [betrokkene 6] te twijfelen. [betrokkene 6] en verdachte presenteerden mooie en goede verhalen over de bedrijven wanneer de investeerders uiting gaven aan hun twijfel. De getuige [betrokkene 19] is overgehaald om voor € 250.000 te investeren omdat het risico niet als hoog werd omschreven en het allemaal goed lopende bedrijven waren. Zeker nu [betrokkene 6] en verdachte zich zelf met [C] gingen bemoeien was het risico laag (bewijsmiddel 3G). De bedrijven die werden ingebracht waren goed en succesvol. Ook [O] heeft € 250.000 ingebracht (bewijsmiddel 5G). [O] had vertrouwen in de cijfers die hem werden getoond. Hieruit is op te maken dat deze investeerders zijn overgehaald om ieder € 250.000 te beleggen door de mooie verhalen die [betrokkene 6] en verdachte hen voorhielden over de waarde van de projecten die zij zelf inbrachten en over de verwachtingen ten aanzien van deze projecten. Als bezig investeerders zouden hebben gehoord dat hun € 250.000 weggegooid geld zou zijn geweest zouden zij, zo is toch redelijkerwijs te vermoeden, deze investering niet hebben gedaan.

Het middel faalt.

6.1. Het vierde middel klaagt over de veroordeling voor feit 3. Het bewijs van meineed zou niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid. Meer bepaald houden de bewijsmiddelen niet in dat de belofte om de hele waarheid en niets anders dan de waarheid te zullen zeggen door verdachte als getuige is afgelegd op de wettelijk voorgeschreven wijze.

6.2. De bewezenverklaring van feit 3 heeft als inhoud dat hij

"op 24 november 2005 te Roermond ter terechtzitting van de civiele rechter als getuige in de zaak tegen de verweerder [R] Ltd., nadat hij, verdachte, in handen van de civiele rechter op de bij de wet voorgeschreven wijze de belofte had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede/belofte vordert en/of daaraan rechtsgevolgen verbindt, mondeling, persoonlijk, opzettelijk in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - heeft verklaard dat de Hong Kong vennootschap [L] hem, verdachte, onbekend was;

dat hij, verdachte, er niet van op de hoogte was dat [B] gevraagd heeft de optie-fee van 250.000 pond over te maken naar [L]."

6.3. Over wat er gebeurd is op 24 november 2005 te Roermond geeft alleen bewijsmiddel 1 opheldering. De overige bewijsmiddelen hebben betrekking op correspondentie en op de inhoud van overeenkomsten. Bewijsmiddel 1 houdt het volgende in:

"1.

De beschikking van de rechtbank Roermond in de zaak van [betrokkene 17] tegen [R] Ltd., zaaknummer 64766 / HA RK 04-272 sector civiel recht, uitspraak 6 april 2005 (ordner 1.34, pagina 49 e.v.) voor zover dit inhoudt:

als verklaring van [verdachte] als getuige op 24 november 2005 (belofte):

Op vragen van mr. Demirci:

Ik heb me in materiële zin nooit bemoeid met de hoogte van de optie-fee en zeker nooit gevraagd om deze met 250.000 pond te verhogen. Ook de Hong Kong vennootschap is mij onbekend. Ik ben er niet van op de hoogte dat [B] gevraagd heeft de optie-fee van 250.000 pond over te maken naar [L].

Hetgeen onder TTS door de rechtbank is genoemd als bewijsmiddelen en aansluitend is overwogen omtrent de betaling van de 250.000 pond en de verdeling van dat bedrag als onderdeel van een commissiebetaling aan [betrokkene 6], [verdachte] en [betrokkene 20] wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd, met name de in dat subdossier opgenomen bewijsmiddelen onder het kopje "optieprijsverhoging met 250.000 pond" en het kopje "[betrokkene 20]" en de overwegingen van de rechtbank daaromtrent."

6.4. Op grond van HR 19 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3839 is de bewezenverklaring inderdaad niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Het middel is terecht voorgesteld.

7.1. Het vijfde middel komt op tegen de veroordeling voor feit 5, omdat het medeplegen van faillissementsfraude niet is af te leiden uit de gebezigde bewijsmiddelen.

7.2. Het hof heeft onder 5 bewezenverklaard dat verdachte

"in de periode van 25 januari 2006 tot en met 7 januari 2008 in Nederland en/of in België en/of Hong Kong, tezamen en in vereniging met [betrokkene 6] en een ander, terwijl die [betrokkene 6], bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 5 april 2006, in staat van faillissement was verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van die [betrokkene 6], een bate niet heeft verantwoord, immers hebben hij, verdachte, die [betrokkene 6] en die ander een geldbedrag ontvangen zonder de curator daarvan in kennis te stellen, te weten in de maand maart 2007 een geldbedrag van ongeveer EUR 30.000,-."

7.3. [betrokkene 6] is op 5 april 2006 failliet verklaard (bewijsmiddel 1). [betrokkene 6] vroeg aan [getuige 3] of een bedrag van ongeveer € 30.000 dat verdachte voor hem in Hongkong had vrijgemaakt op de derdenrekening van [T] kon worden gestort.2 Dit bedrag was door verdachte in Hongkong voor [betrokkene 6] vrijgemaakt. Vervolgens zijn er valse documenten opgemaakt waardoor dat geldbedrag in handen van [betrokkene 6] kon komen (bewijsmiddel 2 en 3). Het geld gaat was afkomstig van [S] te Hongkong, een bedrijf van verdachte (bewijsmiddel 3, 8, 9).

7.4. Hoewel de gang van zaken, waarin verdachte bewerkstelligt dat geld van zijn bedrijf ten behoeve van [betrokkene 6] op een derdenrekening van [T] wordt gestort (bewijsmiddel 10), wel enige verklaring behoeft, is aan de gebezigde bewijsmiddelen niet te ontlenen dat verdachte opzet had op het handelen ter bedrieglijke verkorting van de schuldeisers. Dat verdachte niet zou hebben geweten dat [betrokkene 6] in staat van faillissement verkeerde, is uiterst onwaarschijnlijk gelet op hun gezamenlijke activiteiten, maar het tegendeel volgt niet uit de gebezigde bewijsmiddelen.

Het middel is terecht voorgesteld.

8.1. Het zesde cassatiemiddel keert zich tegen de veroordeling voor feit 6 omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat een samenweefsel van verdichtsels is aangewend. De bewezenverklaring rept slechts van twee listige kunstgrepen en een enkele leugen, welke laatste niet als een samenweefsel van verdichtsels kan gelden.

8.2. De bewezenverklaring van feit 6 heeft als inhoud dat verdachte

"in de periode van 29 juni 2004 tot en met 1 februari 2005 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door hem, verdachte, en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, verzekeringsmaatschappij Chubb Insurance Company of Europe SA te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag van EUR 1.050.000,(éénmiljoenvijftigduizend), tezamen en in vereniging met anderen, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (ter onderbouwing van een (verzekerings)claim)

- aan genoemde verzekeringsmaatschappij valse correspondentie heeft verstrekt betreffende investeringen in China, die vijf cliënten van [B] B.V. via een accountant in China zouden hebben gedaan;

- een vals bankafschrift van de Hongkong and Shanghai Banking Corporation Ltd. ter bevestiging van de contante opname in China van een deel van voormeld geclaimd geldbedrag heeft verstrekt aan genoemde verzekeringsmaatschappij;

- aan genoemde verzekeringsmaatschappij heeft medegedeeld dat het geroofde geld volkomen (zogeheten) 'wit' geld betrof, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

8.3. De achtergrond van het feit is een witwas/wisseltransactie in Brussel. Zwart geld van klanten van [betrokkene 6] en verdachte werd uit Luxemburg overgeheveld naar Hongkong en werd daar opgehaald door [betrokkene 6] om het in Brussel voor dollars te wisselen. Na de wisseltransactie zijn de dollars gestolen. Verdachte is met het idee gekomen om aansprakelijkheidsstellingen valselijk op te maken en op basis daarvan een claim bij de beroeps verzekering van [B] in te dienen. Op aangeven van verdachte is een heel vals dossier opgemaakt dat is overgelegd aan de verzekeringsmaatschappij.

8.4. Een enkele leugenachtige mededelingen is voor het aannemen van een samenweefsel van verdichtsels onvoldoende.3 Maar aan de verzekeringsmaatschappij zijn ook valse stukken overgelegd. Men zou dit geheel van handelingen als een samenweefsel van verdichtsels kunnen beschouwen.4 Maar mijns inziens kan men ook het laatste onderdeel van de bewezenverklaring schrappen. Dat zou geen afbreuk doen aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd.

Door verbeterde lezing in de ene dan wel in de andere zin komt aan het middel het belang te ontvallen.

9.1. Het zevende middel klaagt over de schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. Het cassatieberoep is op 20 augustus 2012 ingesteld het dossier is eerst op 8 mei 2013 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.

9.2. Deze gegevens zijn correct. De door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn is hier met negentien dagen overschreden. Het hof dat zich naar mijn oordeel weer over de zaak zal moeten buigen zal, als het tot een strafoplegging komt, met deze overschrijding van de redelijke termijn rekening kunnen houden.

10. Het eerste, tweede, vierde, vijfde en zevende middel zijn naar mijn mening gegrond. Het derde en het zesde middel zijn tevergeefs voorgesteld.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest voor zover het betreft de beslissingen over de feiten 2D, 2E, 3, 5 en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw recht te doen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Vgl. HR 30 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2344; HR 24 mei 2011, NJ 2011, 481 m.nt. Keijzer.

2 Volgens het Belgische magazine Knack is [getuige 3] de eigenaar van het Antwerpse [T] , de grootste afwikkelaar van faillissementen in België. Op 13 februari 2014 is het proces voor de correctionele rechtbank te Antwerpen tegen [getuige 3] begonnen voor zijn betrokkenheid bij de mogelijke frauduleuze faillissementen van de bedrijven [N] en [V]: http://trends.knack.be/economie/nieuws/bedrijven/proces-miljoenenfraude-bij-biobedrijven-van-start/article-4000527292475.htm.

3 HR 13 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0806.

4 HR 6 mei 2003, NJ 2003, 509.