Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1707

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-07-2014
Datum publicatie
28-11-2014
Zaaknummer
13/05525
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3464
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Faillissement. Beslissing rechter-commissaris om schuldvorderingen die niet op de voet van art. 110 Fw door de schuldeisers ter verificatie zijn ingediend, toch tot verificatie toe te laten; beschikking waartegen op de voet van art. 67 Fw beroep openstaat. Betekenis HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4558, NJ 2013/173 voor ontvankelijkheid beroep gefailleerde; procedure art. 110 Fw strekt ook ter bescherming van zijn belangen. Niet-ontvankelijk beroep indirecte aandeelhouders. Indiening ter verificatie van schuldvorderingen door of namens schuldeiser zelf, niet door curator op eigen gezag; art. 108, 110, 122 Fw. Heropening en voortzetting verificatievergadering met overeenkomstige toepassing van art. 108 en 109 Fw; opnieuw of alsnog beslissen over aan de orde zijnde kwesties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2015/58 met annotatie van prof. mr. N.E.D. Faber en mr. N.S.G.J. Vermunt

Conclusie

Zaaknummer: 13/05525

Roldatum: 11 juli 2014

mr. Wuisman

CONCLUSIE inzake:

Mr. Robert Jan VAN GALEN,

in zijn hoedanigheid van Curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte

aansprakelijkheid [verweerster 1] in liquidatie,

verzoeker tot cassatie, tevens verweerder in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. F.E. Vermeulen,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verweerster 1] in liquidatie,

2. [verweerder 2],

3. [verweerster 3],

4. [verweerder 4],

5. [verweerster 5],

6. [verweerder 6],

7. [verweerster 7],

8. [verweerster 8],

9. [verweerster 9],

10. [verweerster 10],

11. [verweerder 11],

verweerders in cassatie, tevens verzoekers in het incidenteel cassatieberoep,

advocaten: aanvankelijk mrs. M.A.M. Essed en I.E. Reimert, thans mrs. J.P. Heering en I.E. Reimert.

1 Voorgeschiedenis

1.1

De vennootschap [verweerster 1] (hierna: [verweerster 1]) is op 10 maart 1987 failliet verklaard. Na ruim 24 jaar is dit faillissement op 17 september 2011 geëindigd door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst. De in dit faillissement geverifieerde vorderingen zijn voor 100% (hoofdsommen en rente tot datum faillissement(1)) aan de betrokken schuldeisers voldaan. Na afwikkeling van het faillissement resteerde in de boedel nog een bedrag van € 1.599.049,49.(2)

1.2

Bij beschikking van 20 juni 2012 heeft de rechtbank te Rotterdam mr. R.J. van Galen, de curator in het eerdere faillissement van [verweerster 1], benoemd tot vereffenaar van de vennootschap.(3) Hij heeft op grond van art. 2:23a lid 4 BW de rechtbank Rotterdam verzocht om wederom het faillissement van [verweerster 1] uit te spreken, omdat naar zijn inschatting de boedelschulden en de onvoldaan gebleven vorderingen op [verweerster 1], met name die inzake de niet voor verificatie in aanmerking gekomen zijnde rente, in totaal meer zouden bedragen dan de bij [verweerster 1] nog aanwezige baten. Het faillissement heeft de rechtbank op 27 mei 2013 uitgesproken, met aanstelling van verzoeker tot cassatie tot curator (hierna: de Curator) en met benoeming van mr. W. Reinds tot rechter-commissaris.

1.3

De Curator heeft op 24 juni 2013 aan de schuldeisers, die op de uitdelingslijst van het eerste faillissement stonden, een circulaire gezonden waarin hij hen in kennis stelt van de aanwezigheid bij [verweerster 1] van een tegoed van nog € 1.599.049,49 en van zijn voornemen om dat tegoed aan te wenden voor in het bijzonder de in het eerdere faillissement niet geverifieerde rentevorderingen. In dat verband wijst hij erop dat een groot deel van de schuldeisers in het eerste faillissement van [verweerster 1] rentebepalingen in hun algemene voorwaarden had opgenomen en dat voor een klein aantal schuldeisers uit dat faillissement gold dat door hen de wettelijke rente uit hoofde van art. 1286 lid 3 BW (oud) was aangezegd. Uit efficiency-overwegingen stelt de Curator voor om ten aanzien van alle rentevorderingen de wettelijke rente tot uitgangspunt te nemen ter bepaling van de hoogte van elk van de rentevorderingen. Hij meldt dat hij in een afzonderlijk schrijven aan iedere crediteur, die rentebepalingen in zijn algemene voorwaarden had opgenomen of een aanzegging van de wettelijke rente had gedaan, zal aangeven voor welk bedrag, berekend aan de hand van de wettelijke rente, hij reeds op de lijst van voorlopig erkende crediteuren staat vermeld. Hij roept de schuldeisers, die met het voorstel niet akkoord kunnen gaan en menen meer te vorderen te hebben, op om alsnog hun vordering in te dienen voorzien van een motivering waarom zij menen dat zij recht zouden hebben op een hoger bedrag.(4)

1.4

De Curator heeft eveneens op 24 juni 2013 op de voet van art. 109 Fw de schuldeisers, overeenkomstig de beslissing van de rechter-commissaris van 14 juni 2013, bericht dat de schuldeisers uiterlijk op 4 juli 2013 hun vordering bij hem dienen te hebben ingediend en dat de verificatievergadering op 19 juli 2013 wordt gehouden.(5) In de brief vermeldt de Curator bovendien onder meer:

“Uw vordering ad (…)(6) is geplaatst op de lijst van voorlopig erkende vorderingen. Indien u meent dat dit bedrag onjuist is, verzoek ik u mij dit te melden, met uw argumenten en onder overlegging van bewijsstukken.”

1.5

De Curator heeft, voor zover mogelijk onder aanhouding van de in de circulaire van 24 juni 2013, 112 crediteuren op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen geplaatst, zonder dat zij zich zelf bij hem hebben gemeld. Van die 112 crediteuren maken 53 crediteuren deel uit van wie de Curator niet kon vaststellen of zij rente hadden aangezegd of in hun algemene voorwaarden hadden bedongen. Zij zijn uitgenodigd om alsnog aan te tonen dat rente in algemene voorwaarden was overeengekomen of was aangezegd. Daarnaast zijn drie crediteuren voor een bedrag van in totaal € 845.515,29 op de lijst van betwiste schuldvorderingen geplaatst. (7)

1.6

Tijdens de verificatievergadering op 19 juli 2013(8) heeft mr. D.J.A. Van den Berg, optredende als raadsman van niet alleen de weer in staat van faillissement verkerende [verweerster 1], maar ook van 77% van de indirecte aandeelhouders van [verweerster 1](9) en twee voorlopig erkende crediteuren van [verweerster 1] (Tele Logistic B.V. en Fabory Nederland B.V.) bezwaar gemaakt tegen de handelwijze van de curator, met name dat hij vorderingen van crediteuren al op de lijst van voorlopig erkende vorderingen heeft geplaatst zonder dat die crediteuren hun vorderingen – zoals in artikel 110 Fw bepaald – hebben ingediend. Die vorderingen komen naar zijn mening niet voor verificatie in aanmerking. Voor zover over dit laatste anders wordt geoordeeld, heeft hij die vorderingen betwist en heeft hij verzocht om die betwiste vorderingen op de voet van art. 122 lid 1 Fw naar een terechtzitting van de rechtbank te verwijzen met het oog op het voeren van een renvooiprocedure.

1.7

Met betrekking tot het aangevoerde bezwaar dat de er geen vorderingen overeen-komstig artikel 110 Fw zijn ingediend, merkt de rechter-commissaris op dat de schuldvorderingen al in het eerste faillissement waren ingediend. Na een schorsing van de vergadering komt hij vervolgens – voor zover in cassatie nog van belang – tot de volgende beslissingen:

( b) de betwistingen namens [verweerster 1] als gefailleerde worden genoteerd. Die betwistingen leiden niet tot renvooiprocedures;

( c) de betwisting gedaan door de twee voorlopig erkende crediteuren Tele Logistics B.V. en Fabory Nederland B.V. beschouwt de rechter-commissaris als misbruik van recht. Deze schuldeisers hebben te samen nog geen € 110,- te vorderen. Hun optreden wordt ingegeven om de gepretendeerde belangen van de aandeelhouders te behartigen. Het komt erop neer dat deze schuldeisers een bevoegdheid uitoefenen voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven;

( d) alle op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen voorkomende schuldvorderingen worden overgebracht naar de lijst van definitief erkende schuldvorderingen.(10)

1.8

[verweerster 1], de indirecte aandeelhouders als ook Tele Logistics B.V. en Fabory Nederland B.V. hebben tegen de beslissingen van de rechter-commissaris op de voet van art. 67 Fw bij de rechtbank te Rotterdam beroep ingesteld. Zij maken bezwaar tegen het overbrengen van de vorderingen, die op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen staan, naar de lijst van de definitief erkende schuldvorderingen. Dat bezwaar stoelen zij in de eerste plaats hierop dat de Curator de lijst van voorlopig erkende vorderingen in strijd met artikel 110 Fw heeft opgesteld, nl. door op die lijst vorderingen te plaatsen die niet bij hem zijn ingediend. In de tweede plaats voeren zij aan dat de betrokken vorderingen als door hen betwist moeten worden beschouwd en derhalve voor een beoordeling naar een renvooi-procedure hadden moeten worden verwezen. In aansluiting hierop hebben zij de rechtbank verzocht:

- primair om de beschikkingen van de rechter-commissaris te vernietigen waarin wordt bepaald (i) dat de vorderingen, die door de Curator op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen zijn geplaatst, worden toegelaten tot de verificatie en (ii) dat deze schuldvorderingen worden overgebracht naar de lijst van definitief erkende schuldeisers, (een en ander met uitzondering van de vorderingen van Tele Logistics B.V. en Fabory Nederland B.V.).

- subsidiair, te weten indien het primaire verzoek niet wordt gehonoreerd, om ten aanzien van 25 in het beroepschrift nader aangegeven vorderingen de beslissing tot plaatsing op de lijst van definitief erkende vorderingen te vernietigen en die vorderingen alsnog naar de renvooiprocedure te verwijzen.

1.9

Tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank van het beroep heeft de advocaat van de Curator het totaalbedrag van de vorderingen van Tele Logistics B.V. en Fabory Nederland B.V. contant voldaan. Omdat met deze betaling hun vorderingen op [verweerster 1] waren voldaan en zij daardoor niet langer een te respecteren belang hadden, heeft de rechtbank in haar beschikking van 31 oktober 2013 hun beroep deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.(11)

1.10

In haar beschikking van 31 oktober 2013 onderzoekt de rechtbank eerst de ontvankelijkheid van het beroep van [verweerster 1] en de indirecte aandeelhouders. De rechtbank beantwoordt de ontvankelijkheidsvraag bevestigend: [verweerster 1] is partij bij de door de rechter-commissaris genomen en in appel bestreden beschikkingen; [verweerster 1] en de aandeelhouders worden verder mogelijk geschaad door de wijze waarop de Curator de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen heeft opgesteld en zij zouden bij het aan hen onthouden van de mogelijkheid van hoger beroep geen effectieve rechtsbescherming op grond van de Faillissementswet hebben (rov. 6.13 t/m 6.17).

In het kader van de beoordeling ten gronde van het hoger beroep komt de rechtbank tot het oordeel dat door de Curator de lijst van voorlopig erkende vorderingen is opgesteld op een wijze die strijdig met artikel 110 Fw is te achten en dat niet kan worden uitgesloten dat daardoor de belangen van [verweerster 1] en de aandeelhouders, bestaande uit een hen eventueel nog toekomend tegoed, zijn geschaad. Naleving van de Faillisementswet leidt tot bescherming van die belangen; van die naleving kan niet uit efficiency-overwegingen worden afgezien (rov. 6.21 en 6.23).

Op grond van de hiervoor verkort weergegeven overwegingen beslist de rechtbank tot vernietiging van de hiervoor in 1.7 onder (b) en (d) vermelde beslissingen van de rechter-commissaris en draagt zij de rechter-commissaris op om uiterlijk binnen 14 dagen nadat haar beschikking in kracht van gewijsde is gegaan de dag te bepalen waarop crediteuren van [verweerster 1] uiterlijk hun schuldvorderingen ingediend moeten hebben alsmede dag, uur en plaats vast te stellen waarop de verificatievergadering wordt gehouden. Het meer of anders verzochte wijst de rechtbank af.

1.11

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft de Curator met een op 11 november 2013 ingediend verzoekschrift - tijdig(12) - beroep in cassatie ingesteld. Verweerders in cassatie hebben een verweerschrift ingediend en daarin geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Zij hebben tevens van hun zijde incidenteel cassatieberoep ingesteld. De Curator heeft tot verwerping van dat beroep geconcludeerd in een verweerschrift in het incidenteel cassatieberoep.

2 Bespreking van het principaal cassatieberoep

2.1

Het in het principaal beroep door de Curator aangevoerde cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen, die ieder meer subonderdelen bevatten. Het eerste onderdeel heeft betrekking op de aanvaarding door de rechtbank van de ontvankelijkheid van het door [verweerster 1] en de indirecte aandeelhouders bij haar ingestelde hoger beroep, terwijl in het tweede onderdeel het oordeel van de rechtbank wordt bestreden dat door de Curator de lijst van voorlopig erkende vorderingen is opgesteld op een wijze die in strijd met artikel 110 Fw is te achten en dat niet kan worden uitgesloten dat daardoor de belangen van [verweerster 1] en de aandeelhouders, bestaande uit een hen eventueel nog toekomend tegoed, zijn geschaad.

2.2

De bestreden beschikking van de rechtbank is aldus te begrijpen dat de rechtbank tot de vernietiging van de beslissingen b. en d. van de rechter-commissaris en het gelasten van een nieuwe verificatievergadering komt, omdat zij de plaatsgevonden verificatieprocedure onjuist verlopen acht. Het onjuiste verloop van de verificatieprocedure acht de rechtbank, zo blijkt uit rov. 6.21, hierin gelegen dat daarbij schuldvorderingen tot de verificatie zijn toegelaten, die door de Curator op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen zijn geplaatst uitgaande van de uitdelingslijst en administratieve bescheiden uit het eerste faillissement van [verweerster 1] en niet op basis van, zoals in artikel 110 Fw voorgeschreven, indiening bij hem van de schuldvorderingen door de betrokken schuldeisers. Ter illustratie dat die aanpak van de Curator geen aanbeveling verdient, wijst de rechtbank erop dat haar is gebleken dat in het eerste faillissement van [verweerster 1] een bedrag van € 100.000,- niet uitgekeerd kon worden omdat er geen betaaladres door de Curator kon worden achterhaald en dat dan ook niet is uit te sluiten dat enkele van de door de Curator op de lijst geplaatste crediteuren hebben opgehouden te bestaan en er aan hen geen uitbetaling kan plaatsvinden. De weg waarlangs de rechtbank tot haar beslissingen in het dictum is gekomen, brengt mee dat in cassatie als het kernoordeel van de rechtbank is te beschouwen dat de rechter-commissaris ten onrechte tot de verificatie heeft toegelaten die schuld-vorderingen die de Curator onder miskenning van artikel 110 Fw op de lijst van de voorlopig erkende schuldvorderingen had geplaatst. De beslissingen in het dictum, ook voor zover inhoudende de vernietiging van de beslissingen van de rechter-commissaris onder b. en d., resulteren direct uit dat oordeel. Dit laatste brengt mee dat slechts die klachten uit het principaal cassatieberoep van belang zijn die op dat kernoordeel betrekking hebben. Op deze klachten zal hieronder nader worden ingegaan. De klachten die gericht zijn tegen de beslissingen in het dictum zonder daarbij de band van die beslissingen met het kernoordeel van de rechtbank te betrekken, houden een miskenning in van de grenzen die door de rechtbank in appel zijn getrokken bij het haar ter beoordeling voorgelegde geschil, en kunnen om die reden geen doel treffen. Dergelijke klachten treft men met name aan in subonderdeel 2 van onderdeel I. Zij blijven hieronder verder onbesproken.

2.2.1

De bespreking van de klachten waarbij genoemd kernoordeel van de rechtbank in aanmerking wordt genomen, geschiedt vanuit de volgende, aan die klachten ontleende invalshoeken. Eerst wordt in 2.3 t/m 2.6 de vraag aan de orde gesteld of de rechter-commissaris wel een beslissing tot toelating van schuldvorderingen tot verificatie heeft genomen. Dan wordt in 2.7 t/m 2.8.1 stil gestaan bij de vraag of, zoals door de rechtbank geoordeeld, de Curator in strijd met artikel 110 Fw heeft gehandeld. Vervolgens wordt in 2.9 t/m 2.15.3 de vraag besproken of aan [verweerster 1] in materieel- en procesrechtelijk opzicht het recht toekomt om op te komen tegen de beslissing van de rechter-commissaris tot toelating tot verificatie van de schuldvorderingen, die door de Curator op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen waren geplaatst. In 2.16 t/m 2.18 wordt aandacht geschonken aan de vraag of aan de indirecte aandeelhouders in materieel- en procesrechtelijk opzicht het recht toekomt om op te komen tegen de beslissing van de rechter-commissaris tot toelating tot verificatie van de schuldvorderingen, die door de Curator op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen waren geplaatst.

De bespreking van de klachten uit het principale cassatieberoep mondt ten slotte uit in een slotsom in 2.19 t/m 2.19.3.

A. Heeft de rechter-commissaris een beslissing tot toelating van schuldvorderingen tot verificatie genomen?

2.3

Sub 1.1 van onderdeel I wordt het standpunt ingenomen dat de rechter-commissaris geen beslissing heeft genomen tot toelating tot verificatie van schuldvorderingen die de Curator op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen had geplaatst. Een dergelijke beslissing komt immers, zo wordt gesteld, niet voor in de weergave door de rechtbank in rov. 3 van de beslissingen van de rechter-commissaris.

2.4

Het is juist dat de rechtbank in rov. 3 van de bestreden beschikking niet een beslissing van de rechter-commissaris vermeldt die inhoudt het toelaten van schuldvorderingen tot verificatie die de Curator op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen had geplaatst. Maar dat gegeven is niet beslissend te achten. Blijkens het proces-verbaal van de verificatievergadering heeft mr. Van den Berg tijdens die vergadering meer malen naar voren gebracht dat de vorderingen die door de Curator op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen zijn geplaatst, niet met inachtneming van artikel 110 Fw zijn ingediend.(13) Daarmee wilde hij aangeven dat deze vorderingen niet voor verificatie en voldoening in aanmerking komen. De rechter-commissaris heeft dit bezwaar niet gehonoreerd. Dit volgt uit de – ook door de rechtbank vermelde – beslissing dat alle schuldvorderingen, die op de lijst van voorlopig erkende concurrente schuldvorderingen staan vermeld, worden overgebracht naar de lijst van definitief erkende schuldvorderingen. Dat de rechtbank de zojuist vermelde gang van zaken op de verificatievergadering ook opvat als hiervoor vermeld, blijkt uit rov. 6.25 van haar beschikking van 31 oktober 2013.

2.5

Wellicht ter nadere onderbouwing van het standpunt dat de rechter-commissaris geen beslissing heeft genomen inzake de toelating tot de verificatie van de vorderingen die door de Curator op de lijst van voorlopig erkende vorderingen zijn geplaatst, wordt sub 1.1 van onderdeel I ook nog aangevoerd dat de Faillissementswet, behalve voor het bijzondere geval als bedoeld in artikel 127 lid 4 jo. leden 1 en 3 Fw(14), niet voorziet in een bevoegdheid van de rechter-commissaris om een beslissing te nemen over toelating van schuldvorderingen tot de verificatie.

2.5.1

Het komt voor dat uit het feit dat voor de twee in artikel 127 lid 4 Fw bedoelde gevallen aan de rechter-commissaris de bevoegdheid is verleend om over toelating van een vordering tot verificatie een beslissing te nemen, niet reeds de conclusie kan worden getrokken dat een dergelijke bevoegdheid de rechter-commissaris voor het overige niet toekomt. Ingevolge artikel 64 Fw rust op de rechter-commissaris de taak toezicht te houden op het beheer en de vereffening van de failliete boedel. Met dat beheer en die vereffening is de curator krachtens artikel 68 belast. Tegen elke door de curator in dat verband verrichte handeling kan bij de rechter-commissaris worden opgekomen; zie artikel 69 Fw. Daaronder vallen ook de door de curator te ondernemen, in de artikelen 109 t/m 115 Fw omschreven stappen om tot verificatie van de vorderingen van schuldeisers op de failliet te komen. Rijzen er dus bijvoorbeeld bezwaren tegen de wijze waarop de curator de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen opstelt, dan zullen – even daargelaten wie precies dat kunnen doen – die bezwaren aan de rechter-commissaris kunnen worden voorgelegd.

2.6

Gelet op het voorgaande wordt hierna tot uitgangspunt aangehouden dat de rechter-commissaris ook een beslissing heeft genomen die erop neerkomt dat de schuldvorderingen, die de Curator op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen had geplaatst, tot verificatie kunnen worden toegelaten.

B. Is indiening van een schuldvordering door de schuldeiser zelf op de voet van artikel 110 Fw vereist voor toelating van de schuldvordering tot verificatie?

2.7

Onderdeel II van het cassatiemiddel bevat klachten tegen de oordelen van de rechtbank dat de Curator in strijd met artikel 110 Fw heeft gehandeld door schuldvorderingen op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen te plaatsen die de betrokken schuldeisers niet eerst zelf hadden ingediend en dat mogelijk mede als gevolg van die wijze van verificatie door de Curator de belangen van [verweerster 1] en de indirecte aandeelhouders zijn geschaad.

2.8

Sub 2 van onderdeel II wordt betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 112 Fw toelaat dat de curator schuldvorderingen op de lijst van voorlopige erkende schuldeisers plaatst zonder dat met het oog daarop die schuldvorderingen op de voet van artikel 110 Fw bij hem zijn ingediend.

2.8.1

Genoemd betoog gaat niet op. In artikel 112 Fw zelf wordt inderdaad niet met zoveel woorden bepaald dat de curator slechts schuldvorderingen op een lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen plaatst, die door de betrokken schuldeiser bij hem zijn ingediend. Maar dat rechtvaardigt nog niet de conclusie dat artikel 112 toelaat dat de curator op genoemde lijst schuldvorderingen mag plaatsen die niet door de betrokken schuldeiser conform artikel 110 Fw zijn ingediend. Het artikel maakt deel uit van de in de vijfde afdeling van boek 1 Fw opgenomen regeling van de verificatie van schuldvorderingen en dient bijgevolg beschouwd te worden in samenhang met de overige bepalingen van die regeling. Uit een beschouwing op die voet van artikel 112 Fw volgt onmiskenbaar dat het in artikel 112 Fw bepaalde een vervolgstap betreft op de in de voorafgaande artikelen beschreven stappen, waaronder de in artikel 110 Fw geregelde stap van indiening door een schuldeiser van zijn vordering met stukken waaruit aard, bedrag en bestaan van de vordering valt af te leiden en de in artikel 111 Fw vermelde stappen van toetsing door de curator van de ingezonden rekeningen aan de administratie en opgaven van de gefailleerde en overleg door de curator met de schuldeiser over eventueel gerezen bezwaren. De vordering die de curator na die eerdere stappen goedkeurt, plaatst hij, zo wordt in artikel 112 Fw bepaald, op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen. Uit een en ander kan en dient de gevolgtrekking te worden gemaakt dat het in artikel 112 Fw gaat om schuldvorderingen die een schuldeiser op de voet van artikel 110 Fw heeft ingediend.(15)

C. Is er in materieel- en procesrechtelijk opzicht ruimte voor [verweerster 1] om op te komen tegen het tot de verificatie toelaten van schuldvorderingen, die door de Curator op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen waren geplaatst zonder dat zij daartoe bij hem op de voet van artikel 110 Fw zijn ingediend?

2.9

In onderdeel II, sub 1, wordt erover geklaagd dat de rechtbank blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de wettelijke bepalingen inzake verificatie van vorderingen mede strekken tot bescherming van de belangen van [verweerster 1], althans dat aan artikel 110 Fw die strekking toekomt. In dat verband wordt erop gewezen dat genoemde wettelijke bepalingen ten behoeve van de failliet slechts in nauw omschreven en zeer beperkte rechten voorzien. Deze klacht sluit aan bij hetgeen wordt aangevoerd in subonderdeel 3 van onderdeel I, met name bij hetgeen aldaar sub 3.1 wordt betoogd.

2.10

Op de dag dat een schuldenaar in staat van faillissement wordt verklaard, verliest hij, zo volgt uit artikel 23 Fw, de beschikking en het beheer over het tot het faillissement behorend vermogen. De aangestelde curator is vanaf dat moment belast met het beheer van en de – op vereffening gerichte – beschikking over dat vermogen, aldus artikel 68 lid 1 Fw. Het vermogen blijft wel als zodanig aan de failliet verklaarde schuldenaar toebehoren. Aan dit laatste ontleent de failliet het belang dat het beheer en de vereffening van het hem nog steeds toekomende vermogen zo geschiedt dat wordt vermeden dat van dat vermogen niets meer voor hem resteert, omdat ten laste daarvan voor de voldoening van schulden meer wordt bestemd dan waarop door schuldeisers in het faillissement aanspraak kan worden gemaakt. Praktisch gesproken zal zich maar vrij zelden de situatie voordoen dat er een kans is dat van het vermogen van de failliet nog iets zal resteren nadat schuldeisers, die aanspraak op voldoening uit de faillissementsboedel kunnen maken, algehele voldoening van hun schuldvordering hebben verkregen. Maar de afloop van het eerste faillissement van [verweerster 1] maakt duidelijk dat bedoelde situatie niet louter theorie is. Bedoelde situatie kan zich daadwerkelijk voordoen. In de onderhavige, op het tweede faillissement van [verweerster 1] betrekking hebbende zaak is ten processe niet gesteld en is ook niet van zodanige feiten en omstandigheden gebleken, dat kan en dient te worden aangenomen dat met bedoelde situatie te dezen zonder meer geen rekening hoeft te worden gehouden. In rov. 6.23 overweegt de rechtbank ook dat zij niet kan uitsluiten dat de belangen van de vennootschap en de aandeelhouders zijn geschaad door de onderhavige wijze van verificatie door de Curator. Deze overweging is niet met een specifiek daarop gerichte klacht bestreden.(16)

2.11

In de gevallen waarin niet bij voorbaat al vaststaat dat er geen kans is op een restant van het faillissementsvermogen, draagt ieder verhaal op het faillissementsvermogen bij aan de vermindering van de kans dat er van dat vermogen uiteindelijk nog iets resteert voor de failliet. Wat dat verhaal betreft, een schuldeiser, die ten tijde van het uitspreken van het faillissement een schuldvordering op de failliet heeft, zal, indien en voor zover hij niet de status van separatist heeft, die vordering niet op het faillissementsvermogen kunnen verhalen dan na indiening van die vordering bij de curator ter verificatie (artikel 26 Fw jo. artikel 57 Fw). De verificatie strekt ertoe om vast te stellen of en in hoeverre een schuldvordering in aanmerking komt voor verhaal op het faillissementsvermogen en of de betrokken schuldeiser daarbij nog voorrang toekomt. Wordt een vordering betwist en kan geen schikking worden bereikt dan zal de zojuist bedoelde vaststelling in een renvooi-procedure plaatsvinden (artikel 122 lid 1 Fw). Blijft betwisting achterwege, dan zal de ingediende vordering als erkend op de lijst van erkende schuldvorderingen worden geplaatst. Aan dergelijke erkende vorderingen komt een met kracht van gewijsde overeenkomende gelding toe (artikel 121 lid 4 Fw). De vraag is nu of, zoals te dezen het geval is, een failliet verklaarde besloten vennootschap in het kader van de verificatie die onderdeel van de vereffening van het nog aanwezige vermogen van de vennootschap uitmaakt, stappen kan ondernemen ter bescherming van het hiervoor in 2.10 genoemde belang.

2.12

De failliet komt krachtens artikel 126 lid 1 Fw het recht toe om zich tegen toelating en erkenning van een schuldvordering te verzetten. Dat verzet leidt niet tot een verwijzing van partijen (failliet en betrokken schuldeiser) naar de renvooi-procedure ter beslechting van het gerezen geschil omtrent de betrokken schuldvordering. Van het verzet van de failliet wordt aantekening gemaakt in het proces-verbaal van de verificatie, maar diens verzet kan er niet toe leiden dat de betrokken vordering niet de status van een erkende vordering verkrijgt. Uit de artikelen 196 en 197 Fw volgt dat het verzet wel meebrengt dat de erkende vordering tegenover de failliet buiten het verband van het faillissement geen kracht van gewijsde zal hebben. Dit laatste houdt in dat de schuldeiser, wil hij na het einde van het faillissement in verband met de vordering, voor zover niet voldaan, verhaal op de schuldenaar/voormalige failliet zoeken, dan voor de verkrijging van een nieuwe executoriale titel zal moeten zorgen.

2.13

De verklaring voor het toekennen van een beperkt effect als hiervoor beschreven aan de bevoegdheid van de failliet om binnen het verband van de verificatie van vorderingen die vorderingen te betwisten moet hierin worden gezocht dat hij ingevolge artikel 23 Fw met het in staat van faillissement geraken het beheer van en de beschikking over het faillissementsvermogen heeft verloren. De curator is, zo is in artikel 68 Fw bepaald, belast met het beheer en de vereffening van het faillissementsvermogen. Een en ander brengt mee dat het aan de curator en niet langer aan de failliet is om, hoewel de faillissementsboedel nog aan de failliet toebehoort, van de zijde van de faillissementsboedel het standpunt te bepalen omtrent de toelaatbaarheid van het verhaal dat een schuldeiser voor een schuldvordering op de faillissementsvermogen wil nemen. Maar hiermee is nog niet gegeven dat het rechtens voor de failliet niet mogelijk zou zijn om zich tegenover de rechter-commissaris erop te beroepen dat de curator zich bij de uitvoering van de hem toevertrouwde taak om zorg te dragen voor de vereffening van de faillissementsboedel niet aan de in de wet opgenomen bepalingen inzake de wijze van uitvoering van de vereffening heeft gehouden. Dit spreekt te meer, wanneer bij de naleving van die bepalingen belangen van de failliet betrokken zijn of althans kunnen zijn. In een situatie als waarmee in de onderhavige zaak rekening is te houden, nl. dat er een kans is dat er na de vereffening van het faillissementsboedel nog vermogen voor de failliet resteert, vormt artikel 110 Fw een dergelijke bepaling. In dat artikel wordt aangegeven op welke voet schuldeisers aan het proces van verificatie van schuldvorderingen mogen deelnemen. Het naleven van dit artikel in de onderhavige zaak kan ertoe leiden dat er minder schuldvorderingen of schuldvorderingen voor een geringer bedrag voor verificatie in aanmerking komen dan het geval is bij de door de Curator gevolgde weg, wat de kans kan doen toenemen dat er uiteindelijk nog iets van het faillissementsvermogen voor [verweerster 1] resteert. In ieder geval kan, zoals hierboven al opgemerkt, er niet van worden uitgegaan dat die kans in de onderhavige zaak niet bestaat. Aan (het beroep van [verweerster 1] op) de schending door de Curator van artikel 110 Fw verbindt de rechtbank niet het gevolg van verwijzing van de schuldvorderingen, die door de Curator op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen waren geplaatst, naar de renvooi-procedure maar het gevolg dat de verificatie van de schuldvorderingen opnieuw moet worden uitgevoerd. Hiermee wordt geen afbreuk gedaan aan de hierboven vermelde regeling dat aan het recht van de failliet om schuldvorderingen te betwisten maar een zeer beperkt effect toekomt. Dit laatste geeft te meer aanleiding om een beroep van [verweerster 1] op schending door de Curator van artikel 110 Fw niet te laten afstuiten op de regeling in artikel 126 Fw van het recht van betwisting van de failliet. Voor het toelaten van een dergelijk beroep is voor het overige steun te vinden in artikel 69 Fw, dat onder meer aan de gefailleerde de bevoegdheid verleent om ‘bij verzoekschrift tegen elke handeling van de curator bij de rechter-commissaris op te komen’.

2.14

Wel is nog de vraag onder ogen te zien of de faillissementswet ruimte biedt voor het overdoen van de verificatievergadering en daarmee dus een tweede verificatievergadering te houden. Die vraag wordt in het incidentele cassatieberoep aan de orde gesteld. Bij de bespreking hieronder van dat beroep zal op de vraag nader worden ingegaan. De slotsom is dat het gelasten van een tweede verificatievergadering in het onderhavige geval niet in strijd met de faillissementswet is te achten.

2.15

Dan resteert nog de vraag van procesrechtelijke aard of van de beslissing van de rechter-commissaris om de schuldvorderingen, die door de Curator op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen waren geplaatst, tot de verificatie toe te laten, door [verweerster 1] op de voet van artikel 67 hoger beroep bij de rechtbank kon worden ingesteld.

2.15.1

Artikel 67 lid 1 Fw opent de mogelijkheid van hoger beroep tegen alle beschikkingen van de rechter-commissaris, voor zover aldaar niet anders wordt aangegeven. Dit roept de vraag op of de hiervoor in 2.15 genoemde beslissing van de rechter-commissaris een beschikking in de zin van artikel 67 lid 1 Fw vormt.

Naar het voorkomt is die vraag, anders dan in onderdeel I, sub 1.2, wordt betoogd, bevestigend te beantwoorden. Beslissingen van de rechter-commissaris die niet meer inhouden dan het verstrekken van informatie of het treffen van een ordemaatregel inhouden, vormen geen beschikkingen. Daarentegen zijn wel als een beschikking te beschouwen die beslissingen waarbij een juridisch geaarde beoordeling met het oog op het intreden van rechtsgevolgen aan de orde is.(17) Aan de beslissing omtrent het wel of niet toelaten van een vordering tot verificatie zit een element van juridische beoordeling met het oog op het intreden van rechtsgevolgen. Beoordeeld moet worden of aan de in de wet gestelde voorwaarden voor toelating is voldaan, terwijl het mede van het wel of niet toegelaten worden van een vordering tot verificatie zal afhangen of er eventueel gedeeld kan worden in de in het faillissement aanwezige baten. Een en ander rechtvaardigt aan de beslissing tot toelating tot verificatie het karakter van een beschikking toe te kennen.

2.15.2

Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan van een beschikking van de rechter-commissaris op de voet van artikel 67 lid 1 Fw alleen hij bij de rechtbank in hoger beroep gaan die bij die beschikking ‘partij’ is. Partij is ofwel degene die tot één van de in artikel 69 Fw genoemde categorieën behoort en om de beschikking heeft verzocht, ofwel degene tot wie de beschikking is gericht.(18) Of een beschikking tot iemand is gericht, hangt hiervan af of bij de betrokkene een belang speelt dat door de beschikking wordt geraakt.

De beschikking waarom het in de onderhavige zaak gaat is de beslissing van de rechter-commissaris om tot de verificatie toe te laten de schuldvorderingen, die door de Curator op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen waren geplaatst. [verweerster 1] heeft door tussenkomst van haar raadsman ter verificatievergadering van 19 juli 2013 bezwaar gemaakt tegen toelating tot verificatie van die schuldvorderingen die door de Curator op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen zijn geplaatst. Hierin zou men besloten kunnen achten een verzoek aan de rechter-commissaris om ter zake een beslissing te nemen. [verweerster 1] geldt verder als de in artikel 69 Fw genoemde failliet die tegen een handeling van de curator kan opkomen. Op grond van deze feiten en omstandigheden zou men [verweerster 1] kunnen aanmerken als degene die om de beslissing van de rechter-commissaris heeft verzocht. Het feit dat de beschikking een verwerping van het bezwaar van [verweerster 1] inhoudt, doet daaraan als zodanig niet af. Maar omdat de Curator de lijst van de voorlopig erkende schuldeisers heeft opgesteld met het oog op de verificatie van de schuldvorderingen van deze schuldeisers en hij vervolgens die lijst ook aan de verificatievergadering heeft voorgelegd, zou men ook de Curator kunnen beschouwen als degene die verzocht heeft om de beschikking waarom het in de onderhavige zaak gaat. In dat geval kan [verweerster 1] worden beschouwd als degene tegen wie de beschikking is gericht. Zij heeft ter verificatievergadering bezwaar gemaakt tegen toelating tot verificatie van de schuldvorderingen die door de Curator op de lijst van voorlopig erkende schuldeisers waren geplaatst. Verder wordt [verweerster 1], doordat de beschikking een miskenning van artikel 110 Fw inhoudt, getroffen in een belang dat in genoemd artikel bescherming vindt. Een en ander komt hierop neer dat, beoordeeld naar de hoofdregel in artikel 67 lid 1 Fw, [verweerster 1] gerechtigd is te achten om van de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde beschikking van de rechter-commissaris hoger beroep in te stellen bij de rechtbank.

2.15.3

In lid 1 van artikel 67 Fw is tevens voor een aantal beschikkingen van de rechter-commissaris een uitzondering gemaakt. Daaronder valt de beschikking die de rechter-commissaris geeft in de twee in lid 4 van art. 127 Fw bedoelde gevallen. Die gevallen betreffen het alsnog ter verificatie indienen van een schuldvordering na de in artikel 108, sub 1 Fw genoemde termijn maar vóór de geagendeerde verificatievergadering. Het kan daarbij gaan om een schuldeiser die binnen het Rijk in Europa woont en om een schuldeiser die daarbuiten woont. Indien er van de zijde van de curator of een andere schuldeiser bezwaar wordt gemaakt tegen de indiening alsnog van een schuldvordering, beslist de rechter-commissaris omtrent dit bezwaar. Van die beslissing kan geen hoger beroep bij de rechtbank worden ingesteld. In onderdeel I, sub 1.2 wordt betoogd dat de in artikel 127 lid 4 Fw voorziene uitsluiting van hoger beroep van de beslissing die de rechter-commissaris omtrent toelating tot verificatie van een schuldvordering in een van de aldaar bedoelde gevallen neemt, ook moet gelden voor beslissingen van de rechter-commissaris inzake toelating tot de verificatie van schuldvorderingen buiten de in artikel 127 lid 4 Fw genoemde gevallen. Naar het voorkomt, gaat dit betoog niet op. De beslissing van de rechter-commissaris waarvan in artikel 127 lid 4 Fw sprake is, draagt in belangrijke mate het karakter van een ordemaatregel. Bij de beslissing als bedoeld in artikel 127 lid 4 zal het nl. hoofdzakelijk erom gaan of het indienen van de vordering na afloop van de in artikel 108, sub 1 Fw genoemde termijn valt te rechtvaardigen, met name bezien in licht van de mogelijkheid voor de curator en de overige schuldeisers om zich nog een beeld te vormen van de gegrondheid van de vordering. In het licht van de wenselijkheid om de vereffening van een failliete boedel niet onnodig te vertragen, valt te begrijpen dat de wetgever voor dat specifieke geval voor uitsluiting van hoger beroep heeft gekozen. De beslissing van de rechter-commissaris waarom het in het onderhavige geval gaat, draagt niet het karakter van een ordemaatregel; bij die beslissing spelen juridische overwegingen van principiële aard. Daarop stuit af het beroep op artikel 127 lid 4 FW ter bestrijding van de mogelijkheid van hoger beroep van de beslissing van de rechter-commissaris waarom het in het onderhavige geval gaat.

D. Is er voor de aandeelhouders, waarover de rechtbank in de bestreden beschikking spreekt, in materieel- en procesrechtelijk opzicht ruimte om op te komen tegen het tot de verificatie toelaten van schuldvorderingen, die door de Curator op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen waren geplaatst zonder dat zij daartoe bij hem op de voet van artikel 110 Fw zijn ingediend?

2.16

De rechtbank spreekt voortdurend van ‘de aandeelhouders’. Uit hetgeen hierboven in 1.6 jo. voetnoot 9 is opgemerkt, volgt evenwel dat de aandeelhouders, waarvan de rechtbank spreekt, niet kunnen worden aangemerkt als degenen die zelf de aandelen in [verweerster 1] hielden. De aandelen in [verweerster 1] werden gehouden door de moedermaatschappij van [verweerster 1], [A] B.V. Op zijn best – maar ook dat is ten processe niet echt duidelijk geworden – hielden de aandeelhouders, waarvan de rechtbank spreekt, de aandelen in deze holding-B.V. Deze holding B.V. is eertijds ook failliet verklaard. Dit faillissement is bij gebrek aan baten opgeheven. Een en ander betekent dat, indien en voor zover zou blijken dat er na afwikkeling van het tweede faillissement van [verweerster 1], d.w.z. na algehele voldoening van de boedelschulden en de schulden van de concurrente schuldeisers, toch nog enig vermogen in [verweerster 1] resteert, dan op dit restantvermogen niet de door de rechtbank genoemde indirecte aandeelhouders aanspraak kunnen maken maar de moedermaatschappij. Hiertoe is het volgende in aanmerking te nemen. [verweerster 1] is, na failliet te zijn verklaard en in staat van insolventie te zijn geraakt, als vennootschap ontbonden. Zij bestaat nog slechts, voor zover dat voor de vereffening nodig is (artikel 2:19 lid 1, sub c, en lid 5 BW). Hetgeen in [verweerster 1] resteert na voldoening van haar schuldeisers, komt toe aan degenen, die daartoe krachtens de statuten gerechtigd zijn, of anders aan de houder van de aandelen in [verweerster 1] (artikel 2:23b lid 1 BW). Nu het in het onderhavige geval gaat om een besloten vennootschap, lijkt de laatstgenoemde optie de meest aannemelijke. Als de houder van de aandelen in [verweerster 1] is, zoals al opgemerkt, de moedermaatschappij [A] B.V. aan te merken. Zij kan aanspraak maken op een eventueel restant aan vermogen in [verweerster 1]. Daaraan staat niet in de weg dat zij heeft opgehouden te bestaan als gevolg van het feit dat zij in staat van faillissement is geraakt en het faillissement bij gebrek aan baten is opgeheven (artikel 2:19 lid 6 BW). Doemt er nl. nadat een besloten vennootschap opgehouden heeft te bestaan weer een (mogelijke) bate op dan kan een belanghebbende de rechtbank verzoeken om de vereffening te (her)openen en een vereffenaar te benoemen. In dat geval herleeft de besloten vennootschap, zij het alleen met het oog op de heropende vereffening (artikel 2:23c lid 1 BW).(19)

2.17

Uit hetgeen hiervoor in 2.16 is opgemerkt, volgt niet alleen dat hetgeen eventueel aan vermogen in [verweerster 1] resteert na voldoening van de schuldeisers niet zal toebehoren aan de aandeelhouders waarvan de rechtbank spreekt, maar ook dat deze aandeelhouders tegenover [verweerster 1] zelf geen aanspraak op uitkering aan hen van dat restant kunnen maken. Die aanspraak komt aan de moedermaatschappij van [verweerster 1] toe. Of zojuist bedoelde aandeelhouders wel een aanspraak op uitkering van het restant tegenover de moedermaatschappij hebben, is overigens onduidelijk. Niets is gesteld of gebleken omtrent de uitkomst van een te openen vereffening bij de moedermaatschappij. Bij die vereffening zal ook hetgeen in artikel 2:23b lid 1 BW is bepaald in acht dienen te worden genomen. Een en ander brengt op zijn beurt weer mee dat er bij de aandeelhouders, waarvan de rechtbank spreekt, geen sprake is van een belang dat valt onder de bescherming van de bepalingen die bij de verificatie van de schuldvorderingen van de schuldeisers van [verweerster 1] een rol spelen, waaronder de bepalingen in artikel 110 Fw. Want zo er bij die aandeelhouders al sprake is van een daadwerkelijk belang, dan gaat het om een te ver verwijderd belang.

2.18

Het hiervoor in 2.17 gestelde brengt mee dat de vraag of de indirecte aandeelhouders bevoegd waren om bij de rechtbank in hoger beroep te komen van de beslissing van de rechter-commissaris inzake toelating tot verificatie van die vorderingen, onbeantwoord kan blijven. Het belang bij de beantwoording van die vraag ontbreekt.

E. Slotsom inzake het principale cassatieberoep

2.19

Hetgeen hiervoor naar aanleiding van het principale cassatieberoep is opgemerkt, voert tot de volgende slotsom.

2.19.1

Voor zover de rechtbank tot haar beslissingen in het dictum van de bestreden beschikking is gekomen naar aanleiding van het door [verweerster 1] ingestelde hoger beroep tegen de beslissing van de rechter-commissaris om de schuldvorderingen, die de Curator op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen had geplaatst, tot de verificatie toe te laten, wordt daartegen om de hierboven sub 2.3 t/m 2.15.3 uiteengezette redenen door de Curator in cassatie tevergeefs opgekomen. De belangrijkste redenen zijn: indien er nog iets van het onder het tweede faillissement van [verweerster 1] vallende vermogen resteert na volledige voldoening van de met inachtneming van de wettelijke bepalingen geverifieerde schuldvorderingen, behoort dat restant aan [verweerster 1] toe; daarmee heeft [verweerster 1] een gerechtvaardigd belang bij naleving van artikel 110 Fw bij de verificatie van de schuldvorderingen van de schuldeisers; tegen de schending van dat belang door de rechter-commissaris met zijn toelatingsbeslissing kan [verweerster 1] in hoger beroep bij de rechtbank opkomen. Een en ander geldt onder het voorbehoud dat de faillissementswet toelaat dat een tweede verificatievergadering wordt gehouden, zoals door de rechtbank bevolen. Dat punt komt aan de orde hieronder bij de bespreking van het incidenteel cassatieberoep.

2.19.2

Voor zover de rechtbank tot haar beslissingen in het dictum van de bestreden beschikking is gekomen naar aanleiding van het door de indirecte aandeelhouders ingestelde hoger beroep tegen de beslissing van de rechter-commissaris om de schuldvorderingen, die de Curator op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen had geplaatst, tot de verificatie toe te laten, komt de Curator daartegen om de hierboven sub 2.16 t/m 2.18 uiteengezette redenen in cassatie terecht op. De belangrijkste reden is dat bij de indirecte aandeelhouders geen sprake is van een belang tot bescherming waarvan artikel 110 Fw strekt.

2.19.3

De klachten die zich richten tegen de beslissingen in het dictum van de bestreden beschikking van de rechtbank los van de hiervoor in 2.19.1 en 2.19.2 genoemde beslissing van de rechter-commissaris, slagen niet omdat zij, zoals hierboven sub 2.2 uiteengezet, een miskenning inhouden van de grenzen die door de rechtbank zijn getrokken bij de beoordeling in appel van het haar voorgelegde geschil.

3 Bespreking van het incidentele cassatieberoep.

3.1

In het door hen ingestelde incidentele cassatieberoep bestrijden [verweerster 1] en de indirecte aandeelhouders de beslissing van de rechtbank in rov. 6.26 en het dictum van de bestreden beschikking dat er een nieuwe verificatie van de schuldvorderingen van de schuldeisers van [verweerster 1] dient plaats te vinden. De daartoe gebezigde argumentatie komt hierop neer dat de Faillissementswet geen ruimte biedt voor het gelasten van een nieuwe verificatievergadering.

3.2

Voor wat de indirecte aandeelhouders betreft, strandt de klacht hierop dat de klacht niet slaagt wegens gebrek aan belang van de indirecte aandeelhouders bij die klacht. Zoals hierboven in 2.17 uiteengezet, hebben zij niet een belang dat valt onder de bescherming van de bepalingen die bij de verificatie van de schuldvorderingen van de schuldeisers van [verweerster 1] een rol spelen. Dat geldt ook voor de bepalingen in artikel 110 Fw.

Voor wat [verweerster 1] betreft, zij heeft wel belang bij de klacht maar niettemin baat de klacht haar ook niet.

3.3

Uit de wetsgeschiedenis van de Faillissementswet blijkt dat de wetgever bij het opzetten van die wet het uitgangspunt aanhield dat er, anders dan voordien het geval was, nog slechts één verificatievergadering zou plaatsvinden, zij het met de mogelijkheid van verdaging van die vergadering. De wetgever ging uit van één verificatievergadering in verband met de invoering in artikel 108 Fw van de verplichting voor schuldeisers van de failliet om de schuldvorderingen, die zij geverifieerd wensten te zien, in te dienen bij de curator binnen een termijn, die vóór de te houden verificatievergadering zou zijn gelegen en door de rechter-commissaris zou worden bepaald. Aan het ontbreken van die verplichting voordien kleefden de bezwaren dat de curator schuldvorderingen, die op de verificatievergadering werden ingediend, niet vooraf kon beoordelen, hij derhalve over die vorderingen aan de andere schuldeisers geen advies kon uitbrengen en hij en de schuldeisers zich daardoor eerder gedwongen zagen om schuldvorderingen maar te betwisten met als gevolg het plaatsvinden van wellicht onnodige renvooi-procedures. “Afdoende verbetering van dezen toestand is alleen te verwachten van het afhankelijk stellen der verificatie van het vooraf indienen der vordering”, aldus wordt opgemerkt in de memorie van toelichting. In artikel 119 van de nieuwe wet werd wel voorzien in de mogelijkheid van verdaging van de verificatievergadering. Daarmee werd beoogd ruimte te scheppen voor nader onderzoek door de curator naar aanleiding van tegen een vordering gerezen bezwaren. (20)

3.4

In de onderhavige zaak heeft op de op 19 juli 2013 gehouden verificatievergadering een verificatie van schuldvorderingen plaatsgevonden, die niet op de voet van artikel 110 Fw vooraf bij de Curator waren ingediend. Daarmee is niet aan de voorwaarde voldaan die de wetgever aanleiding gaf om uit te gaan van het houden van één verificatievergadering, die zo nodig nog te verdagen zou zijn. Daardoor kan, naar het voorkomt, worden aangenomen dat er in de onderhavige zaak ruimte is voor de rechtbank om een opdracht aan de rechter-commissaris te geven om een datum voor een nieuwe verificatievergadering te bepalen alsook een vóór die vergadering gelegen termijn, waarbinnen schuldeisers van [verweerster 1] – daartoe aangeschreven door de Curator – alsnog hun schuldvorderingen op de voet van artikel 110 Fw kunnen indienen. De weg van verdaging van de eerder vastgestelde verificatievergadering op de voet van artikel 119 lid 5 Fw komt niet in aanmerking, omdat deze vergadering op een verkeerd vertrekpunt – het ontbreken van indiening op de voet van artikel 110 Fw van schuldvorderingen – stoelt. Bij verdaging vindt bovendien geen nadere oproeping plaats.

3.5

Het voorgaande voert tot de slotsom dat het incidentele cassatieberoep geen doel treft.

4 Conclusie

Gelet op het bovenstaande wordt als volgt geconcludeerd:

a. inzake het principaal cassatieberoep:

- voor zover met het principaal beroep wordt opgekomen tegen de beslissingen van de rechtbank in haar beschikking van 31 oktober 2013 en die beslissingen voortvloeien uit het door verweerster in cassatie sub 1 ([verweerster 1]) ingestelde hoger beroep, tot verwerping van het principaal beroep;

- voor zover met het principaal beroep wordt opgekomen tegen de beslissingen van de rechtbank in haar beschikking van 31 oktober 2013 en die beslissingen voortvloeien uit het door de verweerders in cassatie sub 2 t/m 11 (de indirecte aandeelhouders) ingestelde hoger beroep, tot vernietiging van de beschikking van 31 oktober 2013 van de rechtbank;

inzake het incidentele cassatieberoep:

tot verwerping van het incidentele cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 . Op grond van het bepaalde in art. 128 Fw worden de na de faillietverklaring ontstane rentevorderingen van de schuldeisers niet geverifieerd.

2 . Zie het hoger beroepschrift, blz. 2 onder 1, en het verweerschrift in hoger beroep, blz. 1.

3 . Zie bijlage 3 bij het hoger beroepschrift.

4 . Zie bijlage 5 bij het hoger beroepschrift (circulaire, blz. 3, onderaan en blz. 4).

5 . Zie bijlage 5 bij het hoger beroepschrift.

6 . Het bedrag verschilde per schuldeiser.

7 . Zie voor een en ander het Verweerschrift in hoger beroep, blz. 2 onder 3, en de onbestreden gebleven rov. 6.19 uit de bestreden beschikking van de rechtbank.

8 . Waarvan het proces-verbaal zich als processtuk 1 in het door de Curator in cassatie overgelegde procesdossier bevindt.

9 . Er dient om de volgende reden gesproken te worden van indirecte aandeelhouders. In het verzoekschrift tot cassatie van de Curator, blz. 4, noot 6 wordt gesteld dat de door mr. Van den Berg vertegenwoordigde aandeelhouders niet zelf direct de aandelen in [verweerster 1] hielden maar dat dat deed [A] B.V., de moedervennootschap van [verweerster 1] die in het verleden ook failliet was verklaard, en dat dit faillissement bij gebrek aan baten is opgeheven. Uit het gestelde op blz. 2, sub 2 van het verweerschrift in cassatie tevens houdende incidenteel cassatieberoep valt af te leiden dat niet wordt bestreden dat de in rechte optredende aandeelhouders indirecte aandeelhouders van [verweerster 1] zijn. Dat strookt ook met hetgeen gesteld wordt in het hoger beroepschrift van [verweerster 1] en de aandeelhouders op blz. 2, sub 4: “De verzoekers sub 2a tot en met 2j zijn middellijke aandeelhouders in [verweerster 1] (…) .” Bovendien wordt op blz. 1 van het proces-verbaal van de verificatievergadering van 19 juli 2013 als verschenen persoon vermeld [betrokkene]. Haar hoedanigheid wordt omschreven als: “(middellijk) mede-aandeelhouder van gefailleerde”.

10 . Zie het proces-verbaal van de verificatievergadering van 19 juli 2013, blz. 5 (onderaan) en 6.

11 . De rechtbank heeft hen daarnaast niet-ontvankelijk verklaard in hun beroep tegen de beslissing van de rechter-commissaris om de Curator toestemming te verlenen hun vorderingen integraal te voldoen. Zie het dictum onder 7.1 en 7.2.

12 . Op grond van art. 426 lid 2 Rv in verbinding met art. 67 lid 1 Fw bedroeg de termijn voor het instellen van cassatieberoep tien dagen. De termijn werd ingevolge art. 1 lid 1 van de Algemene Termijnenwet verlengd tot maandag 11 november 2013.

13 . Zie de blz. 3, 4 en 5 van het proces-verbaal van de verificatievergadering.

14 . Het gaat om het geval waarin een vordering ter verificatie bij de curator wordt ingediend na de in artikel 108, lid 1, sub 1, genoemde termijn hetzij door een schuldeiser die binnen het Rijk van Europa woont hetzij door een schuldeiser die daarbuiten woont en tegen die indiening door de curator of een schuldeiser bezwaar wordt gemaakt. In lid 4 is bepaald dat de rechter-commissaris ter zake van het bezwaar een beslissing neemt.

15 . Een en ander vindt ook bevestiging in de uit de parlementaire geschiedenis van de Faillissementswet blijkende redengeving voor de invoering van de eis van indienen door schuldeisers van hun vordering bij de curator. Met het stellen van die eis is beoogd te voorkomen dat men op de verificatievergadering geconfronteerd werd met tot dan toe onbekende schuldeisers en onbekende schuldvorderingen en men dan maar veiligheidshalve tot betwisting van de vorderingen overging. Door het vooraf laten indienen van de te verifiëren vorderingen met overlegging van bescheiden zou bereikt kunnen worden dat de curator vooraf een onderzoek naar de gegrondheid van de vorderingen zou kunnen instellen en ter zake op de vergadering ook een preadvies zou kunnen uitbrengen. Zie voor een en ander Kortmann/Faber, Geschiedenis van de faillissementswet, 2-II, blz. 72 en 73.

16 . Opmerking verdient nog dat op blz. 3 van het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep bij de rechtbank op 13 september 2013 als uitlating van de raadsman van de Curator, mr. R.H.A.M. baron van Hövell tot Westervlier, onder meer staat opgetekend: “De aandeelhouders zijn permanent geïnformeerd. Er zal echter weinig voor hen resteren na uitbetaling van de rentevorderingen.” De raadsman verklaart dus niet dat er zeker niets zal resteren.

17 . Zie hierover nader B. Wessels, Insolventierecht, deel IV, 2010, nrs. 4058 en 4059 en conclusie A-G mr. Timmerman voor HR 1 maart 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BZ2765, RvdW 2013, 332 en JOR 2013, 190, sub 2.7 en 2.8.

18 . Zie vrij recent nog HR 15 maart 2013, ECLI:NL:2013:BY4558, NJ 2013,173, waarin wordt voortgeborduurd op eerdere HR-uitspraken zoals HR 18 april 2008, ECLI:NL:HR:BC5694, NJ2008, 244, HR 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:AX8295, JOR 2006, 281 en HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:AS4191, NJ 2005, 405.

19 . Heropening van de vereffening als voorzien in artikel 194 Fw komt niet voor toepassing in aanmerking, omdat het in het faillissement van [A] B.V. niet tot het opstellen van een uitdelingslijst is gekomen. Zie in dit verband HR 10 augustus 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4851, NJ 1985, 69 als ook losbladige Kluwerbundel Faillissementswet (Van Galen), artikel 194, aant. 5.

20 . Zie voor een en ander Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, 1994, blz. 71 t/m 73 jo. blz. 76 t/m 78, alsmede in verband met artikel 119 Fw blz. 90 t/m 96. Zie voorts B. Wessels, Insolventierecht, deel V: Verificatie van schuldvorderingen, 2011, nrs. 5075 en 5076.