Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1706

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-07-2014
Datum publicatie
03-10-2014
Zaaknummer
14/02886
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2907, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Bopz. Verzoek nieuwe voorwaardelijke machtiging; art. 14c lid 2 Wet Bopz. Bereidheid betrokkene tot naleving voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

14/02886

Mr. F.F. Langemeijer

8 juli 2014

Conclusie inzake:

[verzoeker]

tegen

Officier van Justitie Limburg

In deze Bopz-zaak is een nieuwe voorwaardelijke machtiging verleend. In cassatie is de vraag aan de orde of betrokkene bereid is tot naleving van de gestelde voorwaarden.

1 De feiten en het procesverloop

1.1.

Ten aanzien van verzoeker tot cassatie (geboren in 1971, hierna: betrokkene) is op 11 oktober 2013 een voorwaardelijke machtiging verleend tot opneming en verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis. Op 21 maart 2014 heeft de officier van justitie in het arrondissement Limburg aan de rechtbank aldaar verzocht een nieuwe voorwaardelijke machtiging te verlenen (art. 14c lid 2 Wet Bopz). Bij dit verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd, opgemaakt en op 17 maart 2014 ondertekend door een niet bij de behandeling betrokken psychiater, alsmede een afschrift van het behandelingsplan d.d. 29 juli 20131. In de geneeskundige verklaring is als diagnose vermeld: “schizofrenie, paranoïde type”. Betrokkene heeft in het verleden al meerdere psychotische episodes doorgemaakt2.

1.2.

Op 9 april 2014 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld. De rechtbank heeft betrokkene en zijn advocaat, een (vervanger voor de) behandelend psychiater en de case-manager gehoord. Bij beschikking van dezelfde datum heeft de rechtbank de verzochte voorwaardelijke machtiging verleend voor de duur van een jaar. De rechtbank heeft aan de machtiging de voorwaarde verbonden dat betrokkene zich onder behandeling van de behandelaar zal stellen overeenkomstig het behandelingsplan d.d. 29 juli 2013 en de daarin gestelde voorwaarden.

1.3.

Namens betrokkene is – tijdig3 – beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.

Het enige middel van cassatie is gericht tegen de vaststelling door de rechtbank dat betrokkene zich ter zitting bereid heeft verklaard tot naleving van de voorwaarden zoals opgenomen in het behandelingsplan van 29 juli 2013. Volgens de klacht kan deze bereidverklaring niet volgen uit de − in het middel geciteerde en hierna te bespreken − opmerkingen die betrokkene en zijn advocaat ter zitting hebben gemaakt blijkens het proces-verbaal.

2.2.

De klacht kan betrekkelijk kort worden afgedaan met de overweging dat de rechter bij de vaststelling in zijn beschikking van het ter zitting verhandelde niet gebonden is aan hetgeen in het proces-verbaal is vermeld. Een verschil tussen de inhoud van het proces-verbaal en de overweging van de rechter waarop de beslissing steunt maakt deze beslissing niet zonder meer onbegrijpelijk4. De cassatierechter is ingevolge art. 429 lid 2 Rv in verbinding met art. 419 lid 3 Rv gebonden aan hetgeen in de bestreden beschikking omtrent de feiten is vastgesteld. Niettemin wil ik hiermee niet volstaan.

2.3.

In het inleidend verzoekschrift heeft de officier van justitie gesteld dat betrokkene ermee heeft ingestemd zich onder behandeling van de behandelaar te stellen overeenkomstig het overgelegde behandelingsplan. Die stelling vond steun in het feit dat het plan door betrokkene mede is ondertekend. In de geneeskundige verklaring is vermeld dat betrokkene na behandeling met een antipsychoticum en een voorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis, het depot accepteert en de hulpverlening vanuit het FACT toelaat5. De onderzoekende psychiater vervolgt:

“[Betrokkene] wil stoppen met medicatie, omdat het naar zijn idee goed gaat en [hij] geen medicatie nodig heeft. (…) Het ziektebesef ontbreekt volledig, evenals de motivatie om medicijnen te blijven gebruiken. Tot op heden houdt hij zich wel aan de gemaakte afspraken en accepteert hij de medicatie tegen de achtergrond van een voorwaardelijke machtiging. Hij geeft aan te zullen stoppen met de medicatie als er geen nieuwe voorwaardelijke machtiging komt.”6

De onderzoekende psychiater heeft de mogelijkheid van hulpverlening op vrijwillige basis uitdrukkelijk overwogen, maar om dezelfde redenen afgewezen.

2.4.

Volgens het proces-verbaal heeft betrokkene ter zitting verklaard:

“Het gaat goed met mij maar dat heeft niets met de medicatie te maken. Zonder medicatie kan ik ook goed functioneren. De medicatie maakt mij gek en ik heb veel last van bijwerkingen. Ik ben niet ziek. Met de voorwaardelijke machtiging ben ik het niet eens: hier heb ik een ander idee over.”

De advocaat van betrokkene heeft ter zitting verklaard:

“Volgens [betrokkene] is er geen sprake van een psychiatrisch toestandsbeeld. [Betrokkene] heeft veel last van de medicatie. Hij is het niet eens met de mening van de arts en hij wil dan ook dat de voorwaardelijke machtiging wordt afgewezen. (…)”

De case-manager heeft ter zitting verklaard:

“Betrokkene komt netjes zijn depotmedicatie halen. De bezwaren die hij heeft over de medicatie worden met de psychiater besproken.”

2.5.

Met W. Dijkers zie ik reden om, naar analogie van ‘de nodige bereidheid’ in art. 2 Wet Bopz, de in art. 14a Wet Bopz vereiste ‘bereidheid’ van de patiënt uit te leggen als: de voor een voorwaardelijke machtiging nodige bereidheid7. Met een pro forma bereidverklaring behoeft de rechter dus geen genoegen te nemen. Anderzijds gaat de wet niet zo ver, dat steeds een uitdrukkelijke (schriftelijke) bereidverklaring van de patiënt wordt verlangd. De wetgever heeft destijds een ‘informed consent’ voor ogen gehad. Verklaringen kunnen in iedere vorm geschieden en kunnen in een of meer gedragingen besloten liggen8. De vaststelling of in een concreet geval een patiënt zich wel of niet bereid verklaart, bijv. bij een schouderophalen na een gerichte vraag van de rechter, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. De wet vereist niet dat de patiënt instemt met het verlenen van de machtiging als zodanig; daarover beslist de rechter. Voldoende, maar ook noodzakelijk voor een bereidverklaring, is dat de patiënt instemt met de door de rechter te stellen voorwaarden9. De praktische betekenis van dit onderscheid wordt duidelijk zodra een patiënt verklaart dat hij weliswaar bereid is tot naleving van de voorwaarden indien de rechter een voorwaardelijke machtiging zou verlenen − naar haar aard een subsidiair standpunt −, maar primair de noodzaak van de verzochte voorwaardelijke machtiging bestrijdt (bijv. omdat hij van mening is dat hij zich ook zonder een voorwaardelijke machtiging staande kan houden). Wanneer de rechter in zo’n geval het primaire verweer verwerpt en een voorwaardelijke machtiging nodig acht, kan de rechter een voorwaardelijke machtiging verlenen, aangenomen dat overigens aan de wettelijke vereisten is voldaan.

2.6.

In HR 29 april 200510 is overwogen dat de geschiedenis van de wet van 13 juli 2001, Stb. 431, duidelijk maakt dat de wetgever zich de voorwaardelijke machtiging had voorgesteld als een keuzemogelijkheid voor een bepaalde groep patiënten, te weten degenen die ervan blijk geven in te zien dat behandeling noodzakelijk is en die in staat zijn te overzien dat alsnog een gedwongen opname volgt indien zij niet of niet meer bereid zijn de voorwaarden na te leven. Een voorwaardelijke machtiging kon, naar het toen geldende recht, niet worden verleend op basis van het enkele bestaan van voldoende vertrouwen dat de betrokkene zich aan de voorwaarden zal houden, ook al heeft deze zich in tegenovergestelde zin uitgelaten.

2.7.

De hiermee aan het licht gekomen problematiek van patiënten die − veelal als gevolg van hun stoornis − niet in staat zijn tot een bereidverklaring en die aldus nimmer in aanmerking zouden kunnen komen voor een voorwaardelijke machtiging, hoewel dat voor de patiënt meestal gunstiger is dan een onvoorwaardelijke machtiging, heeft geleid tot een wetswijziging11. Art. 14a lid 8 Wet Bopz12 houdt sinds deze wetswijziging in dat de rechter een voorwaardelijke machtiging kan verlenen: (i) indien de betrokkene zich bereid heeft verklaard tot naleving van de voorwaarden of (ii) indien redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven13. Over deze bepaling heeft de regering onder meer het volgende opgemerkt:

“Het gaat er bij de voorwaardelijke machtiging om dat er een patiënt is die een gevaar veroorzaakt, welk gevaar niet tot gedwongen opneming behoeft te leiden als de patiënt bereid is de voor het afwenden van het gevaar noodzakelijk[e] behandeling te ondergaan. Omdat de behandeling nodig is om het gevaar weg te nemen, moet er een redelijke mate van zekerheid zijn dat de patiënt zich ook aan de noodzakelijke behandeling zal onderwerpen. De beoordeling daarvan moet gebeuren aan de hand van de bereidverklaring of uit andere gegevens die de conclusie rechtvaardigen dat de patiënt zich, hoewel hij het misschien niet eens is met de voorwaarde, (…) daar wel aan zal houden. Dit laat ruimte voor een voorwaardelijke machtiging voor patiënten die niet willen instemmen met de behandeling op zich, maar zich wel bereid verklaren tot naleving van de voorwaarden en dus tot het ondergaan van de behandeling, omdat het alternatief van de gedwongen opneming hen nog minder aanstaat. Datzelfde geldt voor de patiënt die zich niet bereid verklaart tot naleving van de voorwaarden, maar van wie verwacht mag worden dat hij zich er wel aan zal houden. (…) Het is niet in algemene zin aan te geven wanneer de situatie wordt bereikt dat een bereidverklaring tot naleving van de voorwaarden niet haalbaar is en toch een voorwaardelijke machtiging in aanmerking komt waarbij aannemelijk wordt geacht dat de betrokkene zich aan de voorwaarden zal houden. Een en ander is ter beoordeling van de rechter op basis van de beschikbare informatie”14.

2.8.

De vaststelling in de beschikking van de waarneming van de rechtbank dat betrokkene zich ter zitting bereid heeft verklaard tot naleving van de voorwaarden zoals opgenomen in het behandelingsplan van 29 juli 2013 kan de beslissing tot het verlenen van een nieuwe voorwaardelijke machtiging dragen. Zij strookt met de ondertekening van het behandelingsplan door betrokkene op 20 februari 2014 en met de in alinea 2.2 hiervoor aangehaalde passage in de geneeskundige verklaring. Zij strookt niet met de verklaringen van betrokkene en zijn advocaat ter zitting zoals deze zijn weergegeven in het proces-verbaal (tenzij betrokkene later daarop zou zijn teruggekomen). Maar de weergave in het proces-verbaal is, zoals gezegd, op zichzelf nog geen grond om de beslissing onbegrijpelijk te doen zijn. In dit geval had betrokkene al gedurende een aantal maanden een voorwaardelijke machtiging meegemaakt op basis van dit behandelingsplan. Met bezwaren van een patiënt tegen medicatie mag niet lichtvaardig worden omgegaan, maar dat sluit niet uit dat een patiënt zich uiteindelijk hierbij neerlegt. Op de verklaring van de case-manager ter zitting, dat betrokkene in de praktijk netjes zijn depotmedicatie komt halen en dat de bezwaren omtrent de medicatie met de psychiater worden besproken, heeft betrokkene niet meer gereageerd. Al met al is de vaststelling door de rechtbank van de bereidverklaring van betrokkene ter zitting niet zodanig ‘Aktenwidrig’ dat zij reeds daardoor onbegrijpelijk is. Het middel faalt. Ten slotte kan nog worden opgemerkt dat de rechter bij twijfel over de consistentie van een bereidverklaring de mogelijkheid heeft om in de beschikking (ook) een eigen redenering te ontvouwen, op basis waarvan hij tot het oordeel komt dat redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Dit plan is in februari 2014 geactualiseerd. Aan het slot hebben betrokkene (op 20 februari 2014) en de behandelend psychiater (op 24 februari 2014) het plan daartoe ondertekend.

2 Geneeskundige verklaring blz. 3.

3 Een faxcopie van het cassatieverzoekschrift is op 3 juni 2014 ingekomen, op 5 juni 2014 gevolgd door het door een advocaat bij de Hoge Raad ondertekende origineel.

4 Zie onder meer: HR 2 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2881, NJ 1999/656; W.D.H. Asser, Civiele cassatie, 2011, nr. 4.5.3.

5 Het woord ‘depot’ slaat in dit verband op de wijze van toedienen van medicatie. De afkorting FACT doelt op multidisciplinaire teams voor zorg in de wijk (functie Assertive Community Treatment).

6 Blz. 2, onder het kopje “3. psychiatrisch onderzoek”.

7 De Wet Bopz, losbl., art. 14, aant. 10.3.

8 Vgl. art. 3:37 lid 1 BW.

9 Vgl. HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ2049, BJ 2007/3.

10 HR 29 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT1742, NJ 2006/287, BJ 2005/15 m.nt. T.P. Widdershoven, rov. 4.6.

11 Art. 14a lid 8 Wet Bopz is gewijzigd op 1 juni 2008, Stb 2008/80.

12 Op grond van art. 14c lid 7 Wet Bopz hier van overeenkomstige toepassing.

13 Zie ook de MvT, Kamerstukken II 2005-2006, 30 492, nr. 3, blz. 2 - 7 en 14; nota n.a.v. het verslag, Kamerstukken II 2006-2007, nr. 7, blz. 5 e.v.

14 Kamerstukken II, 2006-2007, 30 492, nr. 7, blz. 6. Zie voorts Wet Bopz, losbl., ad art. 14, aant. 4.3 en 10.3 (Dijkers).