Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1701

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-07-2014
Datum publicatie
07-10-2014
Zaaknummer
12/05916
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2912, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: Art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/05916

Mr. Machielse

Zitting 1 juli 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 4 december 2012 voor poging tot doodslag veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en tot een taakstraf van 150 uur. Tevens heeft het hof de verbeurdverklaring van een in beslag genomen voorwerp uitgesproken.

2. Mr. R.J.M. Oerlemans, advocaat te 's-Hertogenbosch, heeft cassatie ingesteld. Mr. J-L.A.M. le Cocq d'Armandville en mr. E.A. Blok, advocaten te Rotterdam, hebben een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt over de verwerping door het hof van een beroep op noodweer(exces).

3.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat

"hij op 1 juli 2008 te Chaam, gemeente Alphen-Chaam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met kracht met een breekijzer op het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

3.3. In zijn arrest heeft het hof een gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat de verdachte een beroep op noodweer/noodweerexces toekomt, hetgeen dient te leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging. Daartoe is het volgende aangevoerd. Verdachte heeft, toen hij de meterkast openbrak en bemerkte dat de gasmeter verwijderd was, een wederrechtelijke aanranding van zijn eigendommen geconstateerd. Op dat moment kwamen [slachtoffer], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aangelopen en werd er volgens verdachte een denigrerende opmerking gemaakt. Deze combinatie van omstandigheden, daarbij tevens in aanmerking genomen de eerder die middag door de vereniging van eigenaren ondernomen poging tot afsluiting van de energievoorzieningen waartegen verdachte zich (terecht) heeft verzet, heeft bij verdachte een hevige gemoedsbeweging in gang gezet, welke het excessieve handelen van verdachte heeft veroorzaakt.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een feitelijke aanranding van verdachte dan wel van zijn goederen en dat verdachte zichzelf in die situatie heeft gebracht door op [slachtoffer] af te stormen. Aldus is er geen sprake van een noodweersituatie en kan ook het beroep op noodweerexces niet slagen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Het hof stelt vast dat uit het verhandelde ter terechtzitting en de stukken niet is gebleken van een noodweersituatie op het moment dat verdachte op [slachtoffer] af ging en hem met een breekijzer op het hoofd sloeg. Er was geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke persoonlijke aanranding noch van een ogenblikkelijke aanranding van goederen, waarbij het hof in het midden laat of er sprake is geweest van een wederrechtelijke aanranding van goederen, dan wel van een dreiging daarvan. Mogelijk dat verdachte zich door een denigrerende opmerking van de zijde van [slachtoffer] getergd kan hebben gevoeld, een zodanige provocatie levert naar het oordeel van het hof echter nog geen ogenblikkelijke wederrechtelijke persoonlijke aanranding op en zo er al sprake mocht zijn van een aanranding van goederen had die al in een eerder stadium plaatsgevonden. Immers, door de afsluiting van de energievoorzieningen op een eerder moment die dag, was die aanranding niet meer ogenblikkelijk, maar reeds voltooid en beëindigd. Van noodweerexces in de zin van artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht kan slechts sprake zijn indien een verdachte, nadat een noodweersituatie is beëindigd, als onmiddellijk gevolg van een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging alsnog een niet meer noodzakelijke verdediginghandeling pleegt. Nu het hof, zoals hiervoor overwogen, heeft geoordeeld dat zich geen noodweersituatie heeft voorgedaan kan reeds om die reden het beroep op noodweerexces niet slagen."

3.4. Volgens de stellers van het middel is deze motivering ontoereikend omdat het hof in het midden heeft gelaten of er sprake is geweest van een wederrechtelijke aanranding van goederen dan wel van een dreiging daarvan. Zij beroepen zich op een onherroepelijke uitspraak van de rechtbank Breda in deze zaak, waarin de rechtbank ten aanzien van het oorspronkelijk ten laste gelegde tweede feit een beroep op noodweer heeft gehonoreerd, waardoor vast is komen te staan dat er wel degelijk een noodweersituatie was. Ten onrechte heeft het hof zich op het standpunt gesteld dat een beroep op noodweerexces is afgesneden als de aanranding voorbij is. Dat is in strijd met de rechtspraak van de Hoge Raad over het noodweerexces.

3.5. Ik stel voorop dat het vonnis van de rechtbank waarbij verdachte is ontslagen van rechtsvervolging omdat de rechtbank een beroep op noodweer heeft aanvaard in de onderhavige procedure geen rol kan spelen omdat de Hoge Raad geen kennis neemt van een uitspraak waartegen het cassatieberoep niet is gericht.

3.6. Recentelijk nog heeft de Hoge Raad herhaald wat al eerder over het noodweerexces in zijn rechtspraak was uitgemaakt:

"2.4. Indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweerexces geldt wat betreft het door de rechter in te stellen onderzoek het volgende. Van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan slechts sprake zijn indien:

a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien

b. op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

Voorts volgt uit het vereiste dat de gedraging het onmiddellijk gevolg moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de gedraging, maar niet dat geheel uitgesloten is dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging.

Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval van een "dergelijk onmiddellijk gevolg" sprake is geweest, kan gewicht toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging (vgl. HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6794, NJ 2008/510)."1

3.7. In de overwegingen van het hof ligt besloten dat als er al een aanranding op goederen heeft plaatsgevonden, deze aanranding zich eerder op de dag had voorgedaan, waarmee het hof tot uitdrukking heeft gebracht dat tussen die aanranding op goederen en de gewelddadige reactie van verdachte al zodanig veel tijd is verstreken dat die gedraging van verdachte niet meer als onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging door die aanranding veroorzaakt kan gelden en dat van een andere aanranding van goederen die in de zin van het tweede lid van artikel 41 Sr ten grondslag kon liggen aan de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging geen sprake is geweest.2

Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt over de strafoplegging. Die zou ontoereikend zijn gemotiveerd, in de eerste plaats omdat het hof ten onrechte heeft overwogen dat de verdediging met betrekking tot een op te leggen straf niets naar voren heeft gebracht, in de tweede plaats omdat de strafoplegging door het hof zodanig afwijkt van de in eerste aanleg opgelegde straf, van de eerder, bij arrest van 22 september 2009, door het hof zelf opgelegde straf3 en van de vordering van de AG in hoger beroep, dat deze zonder nadere motivering verbazing wekt.

4.2. De rechtbank had verdachte veroordeeld tot twee maanden voorwaardelijke gevangenisstraf, tot 180 uren werkstraf en tot verbeurdverklaring van een breekijzer. De AG heeft in hoger beroep een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden gevorderd. In HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4391 had het hof, blijkens de conclusie van mijn ambtgenoot mr. Aben, verdachte voor poging tot doodslag veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, een werkstraf van 150 uur en verbeurdverklaring van een breekijzer.

4.3. Het hof heeft in het thans bestreden arrest de opgelegde straf aldus gemotiveerd:

"Op te leggen straffen

De rechtbank heeft verdachte voor poging tot doodslag veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaar, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, 90 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte een gevangenisstraf van 6 maanden zal opleggen, met aftrek van voorarrest. De verdediging heeft met betrekking tot een op te leggen straf niets naar voren gebracht.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Het hof heeft wat betreft de op te leggen straf aansluiting gezocht bij de straffen die door dit gerechtshof in min of meer vergelijkbare gevallen gebruikelijk worden opgelegd. Op grond daarvan kan in geval van poging tot doodslag een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als passend worden beschouwd. Het bewezen verklaarde feit heeft een ernstig gewelddadig karakter. Verdachte heeft het slachtoffer met kracht met een breekijzer op het hoofd geslagen, hetgeen heel anders had kunnen aflopen. Verdachtes handelen betekent een ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het hof neemt de verdachte het plegen van dit feit dan ook ernstig kwalijk, te meer omdat verdachte de indruk heeft gewekt slechts mondjesmaat het laakbare van zijn handelen in te zien (de vraag van het hof ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 20 november 2012 of hij in een gelijke situatie hetzelfde zou handelen, heeft de verdachte bevestigend beantwoord) en vooral zichzelf als slachtoffer te beschouwen. Het hof kan zich dan ook in beginsel vinden in een straf zoals door de advocaat-generaal gevorderd. Anderzijds heeft het hof oog voor de bestaande conflictsituatie tussen verdachte en de vereniging van eigenaren en de verhoudingen, in het bijzonder die tussen verdachte en het slachtoffer, waarbinnen de gebeurtenissen zich hebben afgespeeld en waarbij naar het oordeel van het hof ook de vereniging van eigenaren een verwijt valt te maken. Daarnaast is verdachte vervolgens ook zelf geslagen met het breekijzer en is hij tegen het lichaam geschopt. Het hof begrijpt dat het gebeurde ook voor verdachte op emotioneel vlak grote persoonlijke gevolgen heeft gehad en zal blijven hebben. Bij de straftoemeting heeft het hof ten slotte ook rekening gehouden met het Uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte d.d. 17 oktober 2012, waaruit volgt dat verdachte zich niet eerder schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke strafbare feiten, alsmede met het gegeven dat sedert het plegen van het feit geruime tijd is verstreken. Alles overziende acht het hof het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend en geboden. Het hof zal de verdachte daarentegen een werkstraf op leggen met daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij het hof er van uit gaat dat de reclassering rekening zal houden met de leeftijd en de lichamelijke beperkingen van verdachte. Gesteld, noch gebleken is dat de verdachte in het geheel geen arbeid zal kunnen verrichten.

Met oplegging van een deels voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Ten slotte houdt het hof rekening met het volgende. Verdachte heeft op 29 september 2009 beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van dit hof d.d. 22 september 2009. De stukken van het geding zijn eerst op 25 juni 2010 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De inzendtermijn van acht maanden is derhalve met bijna een maand overschreven, hetgeen in de onderhavige zaak tot strafvermindering dient te leiden. Voorts houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de verdachte, uitgaande van de datum van het vonnis van de rechtbank, in beginsel mocht rekenen op een definitieve uitspraak in hoger beroep in februari 2011, doch dat deze eerst volgt in december 2012.

Het hof acht voor het bewezen verklaarde feit een werkstraf voor de duur van 180 uur, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis, passend, doch het hof zal in verband met de hiervoor geconstateerde schending van het recht van de verdachte op een openbare behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn, slechts de in de beslissing te noemen straf opleggen."

4.4. Vooropgesteld moet worden dat de keuze van de factoren die - na bewezenverklaring van het feit - voor de strafoplegging van belang zijn te achten, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt.4 Geen rechtsregel belet de rechter daarbij ook de opstelling van de verdachte te betrekken.5 Het oordeel van de feitenrechter kan in cassatie dus slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. De vraag is dus niet of de opgelegde straf de enig juiste is, maar of de strafoplegging rechtens toereikend is verantwoord. Voorts geldt dat als een strafmaatverweer wordt gevoerd waarop de rechter, die dat verweer niet honoreert, moet antwoorden, de motiveringsplicht niet zover gaat dat de rechter op ieder detail van de argumentatie moet ingaan.6

4.5. Dat de verdediging, zoals het hof heeft overwogen, met betrekking tot een op te leggen straf niets naar voren heeft gebracht, is onjuist gezien de inhoud van de overgelegde pleitnotitie en de aanvulling die de advocaat van verdachte ter terechtzitting van 20 november 2012 daarop heeft gegeven. Maar het hof heeft ook verwezen naar het conflict waarin de verdachte door de onredelijke opstelling en het onrechtmatig optreden van het bestuur van de vereniging van eigenaren is verzeild geraakt, naar het feit dat verdachte zelf ook slachtoffer is geworden van geweld en naar de persoonlijke gevolgen op emotioneel vlak die een en ander voor verdachte heeft.

4.6. Ook tegen de achtergrond van de strafoplegging in eerste aanleg en de eis van de AG ter terechtzitting in hoger beroep wekt de strafoplegging door het hof – gelet op de vrijheid die de strafrechter ter zake van de strafoplegging heeft – niet een zodanige verbazing dat de strafmotivering ontoereikend zou zijn gemotiveerd.7

Het middel faalt.

5. Naar mijn oordeel falen beide middelen. Het tweede middel kan, dunkt mij, met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:971.

2 HR 3 mei 1994, DD 94.337. Zie ook HR 7 december 1999, NJ 2000, 263; HR 12 april 2005, LJN AS8469; HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI2257.

3 Welk arrest door HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4391 is vernietigd.

4 HR 23 november 2004, NJ 2005, 108 m.nt. Mevis; HR 20 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6218 onder verwijzing naar de conclusie van mijn ambtgenoot mr. Knigge.

5 HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL3537; HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9353.

6 HR 11 april 2006, NJ 2006, 393 m.nt. Buruma.

7 Vgl. HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY0190; HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH8313; HR 7 december 2010, ECLI:NL:HR::2010:BN6965. Zie ook Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, zevende druk, p. 772 e.v. en Van Dorst, Cassatie in strafzaken, zevende druk, p. 286-288.