Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1684

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-07-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
12/03337
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3157
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Falende bewijsklacht. 2. Ontvankelijkheid b.p. X wegens geleden rechtstreekse schade. 3. Niet-ontvankelijkheid b.p. politie Amsterdam-Amstelland wegens niet gevorderde schade. Ad 1. Uitgaande van ’s Hofs kennelijke uitleg van de tll. en gelet op de door het Hof vastgestelde f&o, is zijn oordeel dat verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen de in de bewezenverklaring bij naam genoemde personen, door o.m. verfbommen te gooien, niet onbegrijpelijk en is het toereikend gemotiveerd. Ad 2. Het Hof heeft klaarblijkelijk o.g.v. de uit de bewijsmiddelen blijkende gedragingen van verdachte en haar mededaders - welke erop neerkomen dat zij deel uitmaakten van een groep personen in gezichts- en/of lichaamsverhullende kleding die geweld heeft gepleegd door vanuit percelen gelegen aan de Henrick de Keijserstraat en de Rustenburgerstraat verfbommen te gooien naar zich op straat bevindende personen en voorwerpen - geoordeeld dat de door X geleden schade aan zijn auto in zodanig nauw verband staat met het bewezenverklaarde (openlijk) in vereniging geweld plegen, dat die schade door deze geweldpleging rechtstreeks aan hem is toegebracht a.b.i. art. 51a en 361.2.b. (oud) Sv. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Ad 3. Bij de aan de HR toegezonden stukken bevindt zich een ‘Voegingsformulier b.p. in het strafproces’ t.n.v. politie Amsterdam-Amstelland. Dit formulier houdt niet in dat de b.p. vergoeding vordert van kosten gemaakt voor het reinigen van ME-kleding en overtrekken van ME-schilden. Het Hof heeft dus ten onrechte beslist dat die schade vergoed moet worden en eveneens ten onrechte ter zake daarvan aan verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/03337

Mr. Machielse

Zitting 1 juli 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]1

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 26 juni 2012 voor feit 2 primair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen en medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie dagen. Voorts heeft het hof op vorderingen van benadeelde partijen beslist en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.

2. Mr. J.W. Soeteman, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. J.W. Jebbink, eveneens advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende tien middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek om verbalisanten te horen over de opnamen die zij op 29 maart 2007 hebben gemaakt voorafgaand aan en tijdens de ontruiming van de percelen Henrick de Keyserstraat 30-3 en 17-2 te Amsterdam.

3.2. De verdediging heeft blijkens de pleitnota van hoger beroep bepleit dat het OM niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens schending van de eis van een eerlijk proces. Die schending zou erin hebben bestaan dat aan de rechter en verdediging kennisneming van een deel van de gemaakte opnamen zou zijn onthouden. De advocaat wees erop dat de transcriptie van de opnamen begint met waarnemingen van 13:50 uur en eindigt met waarnemingen van 15:10 uur. Maar het beeldmateriaal waarvan hof en verdediging kennis hebben genomen, beslaat slechts 20 minuten en 20 seconden. De tijdsregistratie, te zien op de opnamen, verspringt. Volgens de verdediging blijkt niet dat de opnamen tijdens het vervaardigen zijn stopgezet en daarom moet er in de beelden die zijn gemaakt zijn geknipt, zodat niet alle opnamen ter beschikking zijn gesteld. Als het hof de verdediging niet zou volgen in de vaststelling dat niet al het materiaal ter beschikking is gesteld en dat er is geknipt in de opnamen, verzocht de verdediging aan het hof om de leden of het lid van de aanhoudingseenheid die de opnamen hebben resp. heeft gemaakt als getuige te horen. De achtergrond van dit verzoek is dat de verdediging als verweer wenste te voeren dat zich op 29 maart 2007 meer personen in de ontruimde percelen bevonden dan de personen die uiteindelijk zijn aangehouden. De weggelaten delen van de opnamen zouden de verdediging kunnen steunen in haar stelling dat niet verdachten maar anderen hebben gedaan waarvan verdachten worden beschuldigd.

De AG heeft gesuggereerd dat het verspringen van de tijdsregistratie te maken heeft met de overgang naar de zomertijd en dat in werkelijkheid 21 minuten aan beeldmateriaal is vervaardigd.

3.3. Het hof heeft het voorwaardelijk verzoek aldus samengevat en gemotiveerd verworpen:

"De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft aangevoerd dat niet al het met betrekking tot de ontruiming van de 'Bakkerpanden' op 29 maart 2007 beschikbare beeldmateriaal in het dossier is gevoegd. Doordat geen kennis kan worden genomen van de integrale beelden wordt de verdachte in haar verdediging geschaad en worden haar in de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR neergelegde rechten geschonden, waaronder het ondervragingsrecht.

Het openbaar ministerie dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. De raadsman betrekt hier tevens de schending van de redelijke termijn bij, hetgeen volgens hem in samenhang met het vorengaande eveneens tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te leiden.

Het hof verwerpt de verweren en overweegt hieromtrent het volgende.

De procesdeelnemers in eerste aanleg en in hoger beroep hebben allen kennis kunnen nemen van hetzelfde beeldmateriaal met betrekking tot de ontruiming van de zogenaamde "Bakkerpanden", en op grond van het beschikbare beeldmateriaal kunnen controleren of het relaas in het proces-verbaal dat naar aanleiding hiervan is opgemaakt (B75- B76) overeenkomt met die beelden. De raadslieden hebben (ten minste) twee maal kennis genomen van die beelden en daarover ter terechtzitting kunnen opmerken wat zij ter verdediging nodig achtten. De verdachte is derhalve niet beknot in haar verdedigingsrechten. Niet aannemelijk is geworden dat er meer materiaal is dan thans in het dossier is gevoegd, noch dat hetgeen verbalisant [verbalisant 9] hierover heeft gerelateerd onjuist is. Naar het oordeel van het hof is veeleer aannemelijk dat het verspringen van de tijdstippen in het beeldmateriaal, erop duidt dat niet continu is gefilmd maar met onderbrekingen.

Verder is het hof van oordeel dat van een schending van het ondervragingsrecht geen sprake is. De raadsman heeft hiertoe gesteld dat het nu geen zin meer heeft om getuigen hierover te horen omdat het al lang geleden is dat de feiten zich hebben voorgedaan en de getuigen zich hoogstwaarschijnlijk daarvan niets meer kunnen herinneren. De verdediging heeft, op grond van de verdediging moverende redenen, aldus afgezien van haar ondervragingsrecht, hetgeen geen schending van het ondervragingsrecht met zich brengt.

Bij deze stand van zaken ziet het hof geen noodzaak de medewerker van de aanhoudingseenheid van de Mobiele eenheid die de opnamen heeft gemaakt als getuige te horen, zoals de raadsman subsidiair had verzocht."

Volgens de steller van het middel is de afwijzing van het verzoek ontoereikend gemotiveerd.

3.4. Het betreft een bij pleidooi gedaan voorwaardelijk verzoek. Daarop is artikel 315 Sv van toepassing. De maatstaf is of honorering van het verzoek noodzakelijk is. Het hof heeft dus het juiste criterium toegepast. Mijns inziens is de afwijzing van het verzoek niet onbegrijpelijk. Aanhoudingseenheden bestaan uit verbalisanten in burger die bij grootscheepse verstoringen van de openbare orde tot taak hebben verdachten te identificeren en aan te houden. Reeds vanuit die taakstelling is het uitermate onwaarschijnlijk dat de leden van zo een eenheid die via beeldopnamen verdachten bij het plegen van strafbare feiten vastleggen juist gedeelten van die opnamen waarop (andere) verdachten te zien zouden zijn, zouden verwijderen. Veel waarschijnlijker is het - zoals het hof ook heeft doen blijken - dat zij geen opnamen maken wanneer er niets gebeurt dat identificatie en aanhouding van verdachten kan bevorderen. Ook kan ik mij niet goed indenken welk doel aan een ander dan een lid van de aanhoudingseenheid voor ogen zou staan bij het wegmaken van delen van de opnamen. De afwijzing van het verzoek is naar mijn oordeel toereikend gemotiveerd.2

Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof geen beslissing heeft genomen op het verzoek van de advocaat tot het horen van benadeelde partijen als getuige. De advocaat van verdachte schrijft in de pleitnota van hoger beroep dat de verdediging aan verbalisant [verbalisant 2] vragen wenst te stellen over zijn mededeling in het voegingsformulier dat hij zijn privé aangeschafte schoenen draagt tijdens zijn werk als politieagent. Onderzocht moet worden met welke substantie deze schoenen zouden zijn besmeurd. Niet is duidelijk dat de schoenen niet konden worden gereinigd. Ook moeten verbalisanten/benadeelde partijen worden gehoord over de vraag of zij al dan niet verzekerd zijn.

4.2. Aan de benadeelde partij [verbalisant 2] heeft het hof een schadevergoeding toegekend van € 100 ter zake van immateriële schade. Hetzelfde geldt voor de benadeelde partij [verbalisant 3] en de benadeelde partij [verbalisant 1]. Uit de paragrafen 131 en 132 van de pleitnota van hoger beroep volgt dat het nader onderzoek waarop de verdediging aandrong te maken had met de materiele schade. Uit § 131 van de pleitnota van hoger beroep is voorts op te maken dat de verdediging nader onderzoek wilde doen naar de vraag of de individuele verbalisanten dan wel de politie Amsterdam-Amstelland de materiële schade van verontreiniging van kleding heeft geleden. Aan [verbalisant 4] heeft het hof geen schadevergoeding toegekend. Het hof heeft de vordering van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland gedeeltelijk toegewezen, te weten voor zover het betreft de reinigingskosten van de ME-uniformen.

4.3. Het hof is ervan uitgegaan dat de politie Amsterdam-Amstelland en niet de individuele politieagenten materieel getroffen zijn. Het hof heeft dus de in § 131 van de pleitnota van hoger beroep ingenomen stelling onderschreven.

4.4. Het hof heeft inderdaad niet beslist op het verzoek om de benadeelde partijen als getuigen te horen over hun vorderingen tot vergoeding van materiële schade, maar gelet op de beslissingen die zijn genomen over de vorderingen der benadeelde partijen is aan dat verzoek de grondslag komen te ontvallen. Bovendien ziet de steller van het middel over het hoofd dat de inrichting van het strafproces zich niet verdraagt met het horen van getuigen op verzoek van de verdediging over de vordering van de benadeelde partij.3

Het middel faalt.

5.1. Het derde middel keert zich tegen de bewezenverklaring. De bewezenverklaring zou geen steun vinden in de gebezigde bewijsmiddelen. Meer bepaald kan niet worden bewezen verklaard het "in vereniging" begaan. Voorts heeft het hof ten onrechte het zwijgen van verdachte in de bewijsvoering betrokken.

5.2. Het hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat

"zij op 29 maart 2007 te Amsterdam met anderen, op of aan de openbare weg, de Karel du Jardinstraat en de Hendrick de Keijserstraat en de Rustenburgerstraat openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd door

- verfbommen tegen/in de richting van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3] en [verbalisant 4]te gooien en

- verfbommen tegen voertuigen van de Mobiele Eenheid en ME-uniformen en ME-schildhoezen te gooien

en

zij op 29 maart 2007 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en wederrechtelijk

a) - de kleding en schoenen van [verbalisant 1] en

- de kleding en schoenen van [verbalisant 2] en

- de kleding van [verbalisant 3] en

- de kleding en schoenen van [verbalisant 4] en

- voertuigen van de Mobiele Eenheid en ME-uniformen en ME-schildhoezen heeft beschadigd door

a) verfbommen tegen/in de richting van

- voornoemde personen en

- voornoemde voertuigen en uniformen en schildhoezen te gooien."

5.3. Deze bewezenverklaring heeft het hof in zijn verkort arrest van de volgende nadere overwegingen voorzien:

"Nadere bewijsoverwegingen

De raadsman heeft aangevoerd dat er aanwijzingen zijn dat in de loop van de dag verschillende personen de panden Henrick de Keijserstraat 30-3 en 17-2 en Rustenburgerstraat 265-2 hebben betreden dan wel deze hebben verlaten en dat kennelijk niet alle toegangswegen tot die panden zijn geobserveerd. Daardoor hebben zich (mogelijk) in de loop van de dag (veel) meer personen in, op en bij de panden bevonden dan de verdachte en de aangehouden medeverdachten [medeverdachte 4], NN 12900320071650, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], en staat niet vast dat de verdachte en haar medeverdachten de hele dag hebben verbleven in het pand waarin zij zijn aangehouden, en welke onderdelen van de tenlastelegging kunnen worden bewezen en/of aan haar kunnen worden toegerekend.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat uit elk van de panden verfbommen zijn gegooid op personen en/of materieel van de ME en dat korte tijd daarna de medeverdachten [medeverdachte 4] en NN 12900320071650 in het pand Henrick de Keijserstraat 30-3, de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2]in het pand Henrick de Keijserstraat 17-2 en de medeverdachte [medeverdachte 3] in het pand Rustenburgerstraat 265-2 zijn aangehouden, terwijl zich op het moment van hun aanhouding geen andere personen in die panden bevonden. Ook is in elk van de bovengenoemde panden, respectievelijk onder de verdachte, [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3], een portofoon in beslag genomen van hetzelfde merk en type. De portofoon die bij [medeverdachte 3] in beslag is genomen was besmeurd met verf, waarvan de kleur gelijk was aan de kleur van de verfbommen waarmee uit het perceel werd gegooid.

De verdachte heeft zich op haar zwijgrecht beroepen, hetgeen op zich niet tot het bewijs kan bijdragen.

Wel heeft deze weigering indirect gevolgen voor het bewijs, nu in de onderhavige zaak zich omstandigheden hebben voorgedaan die redengevend zijn voor het bewijs, maar waarvoor de verdachte geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven.

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, [medeverdachte 4], NN 12900320071650, [medeverdachte 2]en [medeverdachte 3], in vereniging, zich schuldig hebben gemaakt aan het gooien met verfbommen, mede gelet op de vondst van de portofoons in elk van de panden en het klaarblijkelijke gebruik daarvan."

5.4. Op 29 maart 2007 is om 15.00 uur begonnen met de ontruiming van de panden Henrick de Keijserstaat 17-2 en 20-3. In die panden zijn vier personen aangehouden. Volgens bewijsmiddel 2 zijn in perceel Henrick de Keijserstraat 30-3 [medeverdachte 4] en NN-1290320071650 aangehouden. In Henrick de Keijserstaat 17-2 zijn [medeverdachte 2] en [verdachte] aangehouden. Andere personen zijn niet aangetroffen. Uit beide woningen werden tijdens de ontruiming verfbommen gegooid. [medeverdachte 4] was in het bezit van een portofoon die besmeurd was met verf van dezelfde kleur als die der verfbommen waarmee vanuit perceel Henrick de Keijserstraat 30-3 naar de politie werd gegooid. De kleding van [medeverdachte 2]en [verdachte] was eveneens met dezelfde verf besmeurd. Ook vanuit Henrick de Keijserstraat 17-2 werd met verfbommen gegooid. [verdachte] was in het bezit van een zelfde portofoon als [medeverdachte 4]. Vanuit Rustenburgerstraat 265-2 gooide een naderhand aangehouden man ook met verfbommen naar de politie. In de onmiddellijke nabijheid van deze man is een in werking zijnde portofoon aangetroffen (bewijsmiddel 3). De aangehouden man bleek [medeverdachte 3] te heten (bewijsmiddel 4).

De buurtregisseur die veelvuldig contact heeft gehad met de krakers is ook met verfbommen bekogeld onder meer door een vrouw die naar uiterlijke verschijning volgens hem [medeverdachte 4] zou kunnen zijn. [medeverdachte 4] is vervolgens aangehouden in het perceel van waaruit eerder verfbommen naar de buurtregisseur zijn gegooid (bewijsmiddel 7). [verbalisant 4] is getroffen door een verfbom die door een vrouw werd gegooid vanuit Henrick de Keijserstraat 17-3 (bewijsmiddel 8). Bewijsmiddel 9 bevat het relaas van verbalisanten die bij de ontruiming op 29 maart 2007 om omstreeks 15:30 aanwezig waren en toen hebben gezien dat vanuit Henrick de Keijserstraat 17-2 verfbommen zijn gegooid in de richting van de mobiele eenheid.

Aan het slot van de aanvulling op het verkorte arrest heeft het hof nog overwogen dat van algemene bekendheid is dat het pand Hendrik de Keijserstraat 30 een hoekpand is, gelegen op de kruising van de Hendrik de Keijserstraat en de Karel Dujardinstraat, en dat de panden Hendrik de Keijserstraat 17 en Rustenburgerstraat 265 zich ieder bevinden naast het huis op de hoek tussen beide straten.

5.5. Uit het feit dat de verdachten zijn aangehouden terwijl zij zich telkens met een ander bevonden in een pand van waaruit verfbommen zijn gegooid naar de ME, dat zij klaarblijkelijk met elkaar in de verschillende panden via portofoons in contact stonden en dat hun kleding of de attributen waarover zij beschikten besmeurd waren met verf, heeft het hof kunnen afleiden dat zij bewust en volledig hebben samengewerkt en dat zij zelf tijdens de ontruiming gedurende die dag van 29 maart 2007 verfbommen hebben gegooid althans daarbij en daartoe nauw met anderen hebben samengewerkt. Het is immers niet vreemd om te veronderstellen dat het bepalen van de wijze waarop en waar op de ontruiming zal worden gereageerd en het fabriceren van de verfbommen ruim te voren hun beslag moeten hebben gekregen en dat de aangehouden en met verf besmeurde verdachten daarbij betrokken zijn geweest. Het gegeven dat enkel de aangehouden verdachten in de panden zijn aangetroffen kort na de ontruiming en kort nadat vanuit die panden met verfbommen is gegooid, heeft het hof, in combinatie met de andere gereleveerde omstandigheden, tot de slotsom kunnen brengen dat de verdachten nauw, bewust en volledig met elkaar hebben samengewerkt bij het gooien van de verfbommen tijdens de ontruiming. Deze voor de hand liggende conclusies zijn niet onbegrijpelijk. Verdachten hebben geen verklaring gegeven voor hun aanwezigheid in die panden op dat moment en voor de aanwezigheid van de verfsporen, zodat het hof hierop acht heeft mogen slaan in de bewijsconstructie.4 Ik herhaal dat in ieder geval uit de bewijsmiddelen van één van de portofoons blijkt dat deze ingeschakeld was en dat [medeverdachte 3] met verfbommen heeft gegooid kort voordat hij is aangehouden.

5.6. In de pleitnota van hoger beroep is ten aanzien van verbalisant [verbalisant 1] betoogd dat naar deze verbalisant op 29 maart 2007 tussen 4:37 en 4:43 uur 's morgens twee verfbommen zijn gegooid (§ 54). Verbalisant [verbalisant 2] heeft geconstateerd dat om 6:20 uur in zijn richting een verfbom is gegooid (§ 59). Om 9:00 uur zag [verbalisant 3] naast hem een verfbom uiteenspatten (§ 65). [verbalisant 4] zegt dat hij in de nacht van 28 op 29 maart 2007 ter plekke is gegaan en dat toen een verfbom werd gegooid. Niet duidelijk is hoe laat dat is geschied. Tussen al deze gebeurtenissen en de aanhouding van verdachten is, zo stelt de pleitnota, zoveel tijd verlopen dat tussen deze gebeurtenissen en verdachten geen relatie kan worden gelegd. Deze gebeurtenissen hebben plaatsgevonden in de nacht of de zeer vroege ochtend van 29 maart 2007 en de verdachten zijn eerst laat in die middag aangehouden.

5.7. Mijns inziens kan inderdaad niet zonder meer gezegd worden dat de betrokkenheid van verdachten bij het verfbombardement van de ME in de middag ook het bewijs levert dat zij uren eerder ook wel verfbommen naar de in de tenlastelegging bij naam genoemde personen zullen hebben gegooid. Wellicht dat [medeverdachte 4] betrokken was bij het gooien van de verfbom naar [verbalisant 3] omdat deze verbalisant een persoon waarnam die op haar leek, maar ook dat lijkt mij onvoldoende.

Voor zover het middel klaagt over het bewijs van de feiten, begaan jegens de in de tenlastelegging met name genoemde personen, lijkt het mij gegrond te zijn als inderdaad zoveel tijd gelegen was tussen deze incidenten en de uiteindelijke ontruiming met kort daarop gevolgde aanhouding van verdachten als de pleitnota in hoger beroep stelt. Nu het hof dit onderdeel van de stellingen van de verdediging niet heeft weersproken, maar in het midden heeft gelaten, dient vooralsnog van de juistheid van deze stellingen van de verdediging te worden uitgegaan.

In zoverre treft het middel doel.

6.1. Het vierde middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat vanuit het pand Henrick de Keijserstraat 30 verfbommen naar verbalisant [verbalisant 1] zijn gegooid. Waarom het hof hier invult dat het om nummer 30 moet zijn gegaan is niet duidelijk. De steller van het middel wijst erop dat bewijsmiddel 7 ook een derde etage, maar dan van nummer 32, noemt. Daarom is het inlezen van nummer 30 onbegrijpelijk.

6.2. De kritiek richt zich op het volgende bewijsmiddel:

"5. Een proces-verbaal op 29 maart 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 10] en [verbalisant 1], proces-verbaalnummer 2007084465-1, doorgenummerde bladzijden B1-B2, voor zover inhoudende als bevindingen van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 29 maart 2007 begaven wij ons in de richting van de zogenoemde 'Bakkerpanden'. Ter hoogte van de Karel du Jardinstraat hoorden wij een knal en zagen wij dat er een op een verfbom gelijkend voorwerp uit elkaar spatte op de grond voor de voeten van mij, [verbalisant 1]. Meteen daarna voelde ik een klap tegen mijn rechterbeen. Dit keer werd ik geraakt door een verfbom. Wij zagen dat de pantalon en de schoenen van mij, [verbalisant 1], besmeurd waren met een witte substantie, vermoedelijk verf afkomstig uit de verfbom. Wij zagen dat op de derde etage van het pand aan de Henrick de Keijserstraat (het hof begrijpt: nummer 30) personen uit het raam op ons neerkeken."

6.3. In § 66 van de pleitnota van hoger beroep wordt er melding van gemaakt dat het pand Henrick de Keijserstraat 30 een hoekwoning is, gelegen op de hoek van die straat met de Karel Dujardinstraat.

Waarom het hof tot de conclusie is gekomen dat verbalisanten op de derde etage van nummer 30 personen zagen neerkijken, is mij niet helemaal duidelijk. Maar evenmin is mij duidelijk waarin het belang is gelegen of het door verbalisanten bedoelde pand nummer 30 of nummer 32 was waarop de advocaat kennelijk doelde. De Hoge Raad zou kunnen besluiten dit bewijsmiddel te lezen zonder de tussen haakjes geplaatste woorden. Aldus komt aan het middel de grondslag te ontvallen.

7.1. Het vijfde middel klaagt dat het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen niet heeft kunnen afleiden dat de verfbommen tegen/in de richting van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] zijn gegooid, zoals het bewezen verklaard.

7.2. Wat betreft [verbalisant 2] heeft het hof uit bewijsmiddel 6 kunnen afleiden dat deze door een verfbom is geraakt, omdat deze verbalisant verklaart dat blouse, pantalon, dienstschoenen, overhemd, en dienstoverhemd door de verf onbruikbaar zijn geworden, waaruit niet anders kan worden afgeleid dan dat deze verbalisant door de inhoud van een verfbom is getroffen.

Ook [verbalisant 3] heeft verklaard dat hij door enkele verfspetters is geraakt. Maar in ieder geval kan de feitelijke grondslag aan het middel worden ontnomen door de bewezenverklaring te lezen met weglating van "tegen/".

8.1. Het zesde middel klaagt over de hoogte van de vergoeding van de immateriële schade die het hof aan [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 1] heeft toegeken. Klaarblijkelijk is de steller van het middel van oordeel dat een bedrag van € 100 aan immateriële schade te hoog is, nu niet is vastgesteld dat de verfbommen uit glazen potjes hebben bestaan, op welke veronderstelling de vordering was gebaseerd. [verbalisant 2] en [verbalisant 3] zijn bovendien niet eens door de bommen geraakt.

8.2. De vaststelling van de hoogte van de door benadeelde partij geleden immateriële schade hangt af van hetgeen partijen daarover te berde hebben gebracht, van wat de benadeelde partijen hebben gesteld en van de kracht en intensiteit van de bestrijding van de vordering door verdachte. Het hof is kennelijk van oordeel geweest dat een immateriële schadevergoeding van € 100 redelijk en billijk is ook als niet voldoende vaststaat dat glas in de verfbommen aanwezig was. Dat oordeel is feitelijk van aard en kan in cassatie alleen maar op begrijpelijkheid getoetst. Naar mijn mening is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk zodat het middel faalt.

9.1. Het zevende middel klaagt dat het hof ten onrechte de benadeelde partij [benadeelde partij] in haar vordering ontvankelijk heeft verklaard omdat de vordering niet tijdig is ingediend. Bovendien betreft het hier geen rechtstreekse schade uit de begane strafbare feiten, die immers betrekking hebben op politieambtenaren of politiemateriaal.

9.2. Met betrekking tot deze vordering heeft het hof het volgende overwogen:

"Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg tijdig in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 400,00 voor het ontdoen van haar auto en van het dak van de cabriolet van verfspatten (€ 240,00 respectievelijk €160,00). Op deze vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet beslist. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft toewijzing gevorderd van € 240,00 en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde voor het overige.

De verdachte heeft de vordering betwist.

Het hof acht voldoende aangetoond dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte, en wel tot een bedrag van € 240,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting, uit de stukken van het dossier en de vordering van de benadeelde partij onvoldoende gebleken dat de schade rechtstreeks is toegebracht door de bewezen verklaarde feiten. De benadeelde partij zal voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze."

9.3. Het hof heeft geconstateerd dat deze benadeelde partij zich tijdig in eerste aanleg in het strafproces heeft gevoegd. Daartegen brengt de steller van het middel slechts in dat hem van de kant van de administratie van de Hoge Raad op zijn verzoek aan de rolraadsheer om toezending van stukken die betrekking hebben op de vordering van de benadeelde partij in eerste aanleg, niet dergelijke stukken, maar de stukken die betrekking hebben op de vordering van de benadeelde partij in hoger beroep heeft toegezonden gekregen. In cassatie wordt echter niet betwist dat de oorspronkelijke stukken zich in het dossier bevinden.

9.4. De huidige regeling van de plaats van de benadeelde partij in Sv gaat terug op de Wet van 23 december 1992 (Wet Terwee, Stb. 1993, 29). In de Memorie van toelichting op het wetsvoorstel schreef de Minister:

"2.4. Het wetsvoorstel geeft in artikel 51a aan wie zich als benadeelde partij in het strafproces kunnen voegen. Volgens dit artikel kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich terzake van zijn vordering voegen in het strafproces. Deze omschrijving is ontleend aan het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 1965, N.J. 1966, 292, waarin de Hoge Raad een verzekeraar die de schade aan de benadeelde had vergoed en daarmee ingevolge artikel 284 van het Wetboek van Koophandel in alle rechten van de benadeelde terzake van die schade was gesubrogeerd, niet-ontvankelijk verklaarde als beledigde partij, omdat de verzekeraars geen rechtstreekse schade had geleden door het strafbare feit.

Van rechtstreekse schade is sprake indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. In het algemeen beschermen strafbepalingen niet het belang van rechtsopvolgers noch dat van derde belanghebbenden, zodat doorgaans alleen het slachtoffer zelf zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces. Als voorbeeld kan worden gewezen op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht inzake doodslag dat bescherming beoogt te bieden aan degene die van het leven wordt beroofd, maar niet aan diens nabestaanden. De nabestaande van het slachtoffer beschikt, evenmin als degene die krachtens cessie of subrogatie in de rechten van het slachtoffer treedt, over de bevoegdheid zich te voegen in het strafproces.

Het wetsvoorstel brengt in dit opzicht geen wijziging in de bestaande situatie."

De Minister voegde daaraan toe dat de positie van de rechtsopvolger van de benadeelde partij een geheel andere is dan die van de benadeelde partij zelf. De rechtsopvolger van de benadeelde partij is niet, zoals deze, rechtstreeks betrokken bij de strafzaak. Bovendien heeft het strafbare feit ter zake waarvan een strafvervolging is ingesteld, geen inbreuk gemaakt op de belangen van de rechtsopvolger, maar op die van zijn voorganger. Aan de voegingsprocedure ligt ten grondslag dat het strafbare feit in eerste instantie een inbreuk heeft gemaakt op de belangen van het slachtoffer.5 Even verder legt de Minister uit dat aan de voorwaarde dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit is voldaan als in de tenlastelegging de gedraging is omschreven die schade heeft veroorzaakt, zodat op basis van de tenlastelegging de vordering kan worden onderzocht. Maar niet nodig is dat ook de schade zelf in de tenlastelegging is vermeld.6

9.5. In de Memorie van toelichting bij het voorstel dat is uitgemond in de Wet van 17 december 2009, Stb. 2010, 1 haalde de Minister de omschrijving in het EU-Kaderbesluit van 15 maart 2001 (Pb EG 22 maart 2001, L 82, blz. 1–4) van wie slachtoffer is aan: «De natuurlijke persoon die als direct gevolg van het handelen of nalaten dat in strijd is met de strafwetgeving van een lidstaat schade, met inbegrip van lichamelijk of geestelijk letsel, geestelijke pijn of economische schade heeft geleden». Het gaat dus om een persoon aan wie door de pleger van een strafbaar feit materiële of immateriële schade is toegebracht. De Minister bracht in herinnering dat naar Nederlands recht sprake moet zijn van rechtstreekse schade die door het slachtoffer van een strafbaar feit is geleden.7 Enige pagina's verder herhaalde de Minister dat rechtsopvolgers niet rechtstreeks zijn getroffen door het strafbaar feit. Van rechtstreekse schade is sprake als iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden bepaling wordt beschermd. En strafbepalingen beschermen doorgaans niet de belangen van rechtsopvolgers noch die van derden-belanghebbenden.8 Het wettelijk systeem is ingericht op voeging van de benadeelde partij in de behandeling van de strafzaak, waarin het feit is ten laste gelegd waarvan het slachtoffer stelt schade te hebben geleden.9

9.6. Bij de totstandkoming van beide wetten is dus aandacht geschonken aan de vraag of bijvoorbeeld nabestaanden of rechtsopvolgers zich ook als benadeelde partij zouden kunnen voegen in het strafgeding. Die vraag is steeds ontkennend beantwoord. Als ik het goed zie, is de positie van degene die "collateral damage" oploopt door een tegen een ander gericht strafbaar feit niet ter sprake gekomen. Die positie is in dit middel aan de orde. De benadeelde partij in kwestie wordt niet genoemd in de tenlastelegging. Maar hebben de strafbepalingen van artikel 141 en 350 Sr ook niet de strekking om de belangen te beschermen van degene die zijn auto heeft geparkeerd in de straat waar nadien krakers met verfbommen naar de politie gaan gooien om een ontruiming tegen te houden? Kan niet gezegd worden dat het gooien met verfbommen naar de politie ook rechtstreeks de schade aan die auto heeft veroorzaakt? De beschadiging van de auto is niet veroorzaakt door een strafbaar feit van een andere soort.10

9.7. De Hoge Raad is klaarblijkelijk van opvatting dat de voorwaarde dat de schade een rechtstreeks gevolg moet zijn van het bewezenverklaarde strafbaar feit niet te beperkt moet worden opgevat. Als iemand wordt bestolen van een bankpas, welke bankpas nadien door een ander dan de dief wordt gebruikt om de rekening van het slachtoffer te plunderen, lijdt deze rekeninghouder schade die onder meer bestaat in het frauduleus opgenomen bedrag. Tussen de diefstal, waarvoor verdachte is veroordeeld, en het kort daarop gevolgde misbruik van de bankpas kan een zodanig nauw verband worden aangenomen dat de diefstal geacht kan worden rechtstreeks de door de rekeninghouder geleden schade te hebben veroorzaakt.11 Ook als een groot geldbedrag klaarblijkelijk door frauduleus handelen ten koste van de rekeninghouder is overgemaakt naar de rekening van verdachte, die die rekening ter beschikking heeft gesteld van een duistere derde, is de schade die de bank lijdt doordat zij dat bedrag aan de gedupeerde rekeninghouder moet vergoeden, vanwege het nauwe verband tussen het door verdachte medeplegen van opzetheling en het grondmisdrijf, als een rechtstreeks gevolg van die opzetheling te beschouwen.12 Nog ruimer trok de Hoge Raad de grenzen in een geval waarin verdachte reed in een gestolen auto, op de vlucht sloeg voor de politie, maar daarbij met die auto in botsing kwam met de politieauto. Verdachte werd veroordeeld voor opzetheling. De eigenaar van de auto stelde zich als benadeelde partij voor de schade die bij de botsing aan de auto was toegebracht. Het hof kende die vordering toe. De Hoge Raad wees erop dat over het verband tussen de schade en het bewezenverklaarde feit ter terechtzitting geen verweer was gevoerd. Het kennelijk oordeel van het hof dat het gedrag van verdachte en de bewezenverklaarde opzetheling in zodanig nauw verband stonden met elkaar dat door de opzetheling door verdachte de autoschade rechtstreeks is toegebracht aan de eigenaar van de gestolen auto, gaf niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was volgens de Hoge Raad niet onbegrijpelijk.13

In deze gevallen bestond een nauw verband tussen de verschillende gedragingen die uiteindelijk hebben geleid tot benadeling van dezelfde persoon: de rekeninghouder die is bestolen, de bank die is misleid en de auto-eigenaar wiens auto is ontvreemd. Kenmerkend in deze gevallen was dat de bewezenverklaarde gedraging nog niet voldoende was om de schade te veroorzaken. Aan die bewezenverklaarde gedraging moest een ander strafbaar feit voorafgaan of daarop volgen.14 Maar het kan nog ingewikkelder. In 1997 is verdachte veroordeeld voor oplichting van een kredietinstelling. Hij had een zwakbegaafde man ingeschakeld om leningen te krijgen. Aan die persoon had verdachte voorgespiegeld dat de leningen op naam van die persoon zouden moeten worden gesteld, maar dat verdachte de volledige verantwoordelijkheid voor terugbetaling enzovoorts zou dragen. Die persoon had zich voor het karretje van verdachte laten spannen. De leningen kwamen op zijn naam te staan. De zaak kwam uit en verdachte werd veroordeeld voor de oplichting. Van deze oplichting was de kredietinstelling het slachtoffer geworden, maar de persoon op wiens naam de rekening is gesteld voegde zich als benadeelde partij in het proces. Het hof wees de vordering toe en daarover werd in cassatie geklaagd. Ik citeer uit het arrest van de Hoge Raad:

"6.4. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat gezien de uit de bewijsmiddelen blijkende gedragingen van de verdachte – welke erop neerkomen dat hij, met gebruikmaking van een valse naam en valse hoedanigheid, C. H in schijn een kredietovereenkomst heeft doen sluiten met W Financieringen BV met het oogmerk zelf de beschikking te krijgen over het geldkrediet, dit terwijl de verdachte besefte dat niet hij (verdachte) maar H als formele wederpartij door W Financieringen BV aansprakelijk zou worden gehouden voor de uit de kredietovereenkomst voortvloeiende verplichtingen – de door C. H geleden schade in zodanig nauw verband staat met de bewezenverklaarde oplichting, dat die schade door de oplichting rechtstreeks aan C. H is toegebracht als bedoeld in art. 51a en 361, tweede lid onder b, Sv.

Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk, terwijl het, mede in aanmerking genomen hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, geen nadere motivering behoefde." 15

9.8. Maar de rek is er uit als de door een benadeelde partij geclaimde schade valt buiten het – ruim begrensde – domein dat de strafbepaling ter zake waarvan wordt veroordeeld claimt te beschermen. Als een gemeenteambtenaar wordt bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht en als gevolg daarvan geruime tijd uit de running is, is het nettosalaris dat de gemeente heeft doorbetaald niet te beschouwen als een rechtstreekse schade die de gemeente lijdt als gevolg van de aan de gemeenteambtenaar aangedane bedreiging.16

9.9. Zoals gezegd beschermen artikel 141 en artikel 350 Sr ook anderen dan de leden van de ME tegen geweld dat door krakers wordt uitgeoefend en waardoor die derden ook worden getroffen. Ik herhaal dat uit de wetsgeschiedenis van de Wet-Terwee is af te leiden dat de bewezenverklaring de schade veroorzakende gedraging moet beschrijven, maar dat het niet nodig is dat de bewezenverklaring ook de schade omschrijft waarvan de benadeelde partij de vergoeding vordert. Wanneer derden schade lijden door uiteenspattende verfbommen die in de richting van leden van de ME en hun voertuigen worden gegooid, lijkt dus niets aan ontvankelijkheid van deze derden in hun vordering als benadeelde partij in de weg te staan. Maar er is een sterk argument dat mij ervan weerhoudt dit standpunt in te nemen. De schade die de benadeelde partij [benadeelde partij] heeft geleden is (waarschijnlijk) veroorzaakt door dezelfde gedragingen als waarvoor verdachte is veroordeeld. Deze gedraging levert evenzovele strafbare feiten op als er slachtoffers zijn. De strafbare feiten die jegens [benadeelde partij] zijn begaan kunnen geacht worden meerdaads samen te lopen met de bewezenverklaarde strafbare feiten.

9.10. Maar in artikel 361 lid 2, aanhef en onder b Sv, is thans een aparte voorziening getroffen voor schadevergoeding voor niet bewezenverklaarde maar wel ad informandum gevoegde feiten. De Wet-Terwee noch het latere wetsvoorstel strekkende ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces (nr. 30143) voorzag aanvankelijk in de mogelijkheid voor vergoeding van schade veroorzaakt door ad informandum gevoegde feiten. Nochtans stelde het wetsvoorstel-Terwee voor om artikel 361 Sv aldus te laten luiden dat de benadeelde partij ook ontvankelijk zou zijn in haar vordering als aan haar rechtstreeks schade is toegebracht door feiten die de rechtbank in haar strafoplegging betrekt. Aldus wilde de Minister voorzien in de leemte die de rechtspraak van de Hoge Raad in de bescherming van het slachtoffer liet vallen doordat volgens de Hoge Raad een vordering van een beledigde partij niet kan worden toegewezen ter zake van een feit dat niet in de tenlastelegging is opgenomen.17 Om complicering van het strafproces te voorkomen wilde de Minister wel als voorwaarde stellen dat de vordering niet wordt betwist.18 De Tweede Kamer wierp allerlei bezwaren op tegen dit onderdeel van het wetsvoorstel.19 De Minister gaf gehoor aan deze kritiek en schrapte dit onderdeel.20

In het wetsvoorstel strekkende tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces (nr. 30143) was oorspronkelijk niet voorzien in de mogelijkheid van een vordering van iemand die schade had geleden door een niet te laste gelegd, maar slechts ad informandum gevoegd feit. In zijn advies over het voorstel vroeg de Raad van State voor deze kwestie de aandacht. De Minister reageerde hierop door te verwijzen naar de rechtspraak van de Hoge Raad en de mogelijkheden die het bestaande recht aan het slachtoffer van een ad informandum gevoegd feit bood om de schade vergoed te krijgen.21 Ook nu vond de Minister de Tweede Kamer tegenover zich. De leden Wolfsen en Teeven dienden een amendement in waardoor artikel 361, lid 2 onder b Sv weer zou komen te luiden in dezelfde zin als de Minister aanvankelijk in het wetsvoorstel-Terwee had opgenomen. Het amendement beoogde de positie van slachtoffers van delicten te versterken. Dat kan door het slachtoffer in zoverre tegemoet te komen dat het ook voor schade door ad informandum gevoegde feiten ontvankelijk moet worden in een vordering tot schadevergoeding en dat de rechter de mogelijkheid krijgt om ook voor ad informandum gevoegde zaken de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.22

9.11. Ervan uitgaande dat de verfspatten op de auto's van [benadeelde partij] daarop zijn terechtgekomen als gevolg van het gooien met verfbommen vanuit de te ontruimen panden, is er sprake van een meerdaadse samenloop met de feiten die in de bewezenverklaring zijn opgenomen. Maar het feit dat aan deze benadeelde partij schade heeft toegebracht is niet ten laste gelegd. Evenmin blijkt dat is voldaan aan de eisen die zijn neergelegd in artikel 361 lid 2 onder b Sv. Het hof had deze benadeelde partij niet in haar vordering mogen ontvangen, zodat dit middel doel treft.

10.1. Het achtste middel klaagt over de toewijzing van de vordering van de politie Amsterdam-Amstelland voor zover die betrekking heeft op de kosten voor het reinigen van kleding van de mobiele eenheid. Uit de vordering van de benadeelde partij kan niet worden afgeleid dat deze kleding is gereinigd of dat daarvoor kosten zijn gemaakt. De reinigingskosten zijn voorts door deze benadeelde partij niet geclaimd. Wel zijn de kosten gevorderd die verbonden waren aan het reinigen van voertuigen, maar het hof heeft deze vordering onvoldoende onderbouwd geacht.

10.2. In het arrest is dienaangaande het volgende opgenomen:

"Vordering van de benadeelde partij Regiopolitie Amsterdam-Amstelland

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.462,08. De vordering betreft de vervangingswaarde van ME-uniformen en schildhoezen en de kosten van reiniging van ME-voertuigen. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft toewijzing gevorderd van een bedrag van € 3.779,00 en niet ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

De verdachte heeft de vordering betwist.

Naar het oordeel van het hof is onvoldoende komen vast te staan dat de met verf bespatte ME-uniformen vervangen moesten worden en dat niet kon worden volstaan met de reiniging hiervan. De reinigingskosten zijn het rechtstreekse gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte en het gedeelte van de vordering groot € 3.779,00 is daarom voor toewijzing vatbaar. De benadeelde partij zal voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Voor zover de vordering de kosten van reiniging van de voertuigen betreft, acht het hof de vordering onvoldoende onderbouwd. Behandeling van de vordering levert daarom in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan voor dat deel niet in haar vordering worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen."

10.3. Het voegingsformulier van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland vordert een schadevergoeding van € 1428 voor 7x een jas Mobiele Eenheid à € 104, € 2000 voor 20x broek ME à € 100 en € 351 voor 27x overtrek ME schild à € 13. Voor het reinigen van de voertuigen van de ME zijn de kosten afzonderlijk begroot. Het komt mij voor dat de bedragen die voor kleding en overtrekken worden gevorderd bedragen zijn die gemoeid zijn met de vervanging van deze voorwerpen en niet met de reiniging ervan. Anders was dat, naar mij dunkt, wel uitdrukkelijk als zodanig benoemd evenals de kosten die verbonden zijn aan het reinigen van de voertuigen van de ME. Het hof heeft dus de vervangingskosten ten onrechte aan de reinigingskosten gelijkgesteld.

Het middel slaagt.

11.1. Het negende middel klaagt dat het hof ten onrechte het verkort arrest eerst ruim acht maanden na het instellen van het cassatieberoep heeft aangevuld. Daardoor is artikel 365a Sv geschonden, waarop strafvermindering moet volgen. In de toelichting op het middel geeft de steller ervan blijk te beseffen dat de Hoge Raad met een beroep op de wetsgeschiedenis het standpunt huldigt dat aan schending van de in het derde lid van artikel 365a Sv gestelde termijn geen afzonderlijk rechtsgevolg behoeft te worden verbonden.23 De steller van het middel wijst erop dat sinds de totstandkoming van artikel 365a Sv nog meer de nadruk is komen te liggen op een snelle en effectieve afdoening van strafzaken en dat daartoe de laatste jaren allerlei initiatieven zijn genomen. Ook de Minister van Veiligheid en Justitie heeft zich herhaalde malen uitgesproken over de wenselijkheid van de versnelling van de afhandeling van strafzaken. De wetgever heeft ook maatregelen genomen met die strekking. Deze initiatieven passen bij de inhoud van verdragen die het recht op een berechting binnen redelijke termijn garanderen. De rechtspraak van de Hoge Raad over de redelijke termijn biedt onvoldoende prikkels voor de feitenrechter om de termijn van artikel 365a lid 3 Sv te respecteren.

11.2. Het belang dat strafzaken voortvarend worden aangepakt en afgedaan, is inderdaad een belang dat nationaal en internationaal wordt onderschreven. Het voorschrift van het derde lid van artikel 365a Sv heeft de strekking zo een voortvarende aanpak te bevorderen. De wetgever is ervan uitgegaan dat onder omstandigheden de niet-naleving van deze termijn kan leiden tot overschrijding van de redelijke termijn van het eerste lid van artikel 6 EVRM. De vraag of de redelijke termijn is overschreden vergt een ruimere beschouwing dan de enkele constatering dat een in Sv genoemde termijn is geschonden. De in artikel 365a Sv genoemde termijn is slechts een van de ingrediënten van dit recept. Ik zie geen reden de Hoge Raad te adviseren terug te keren op zijn eerdere schreden en aan schending van de in artikel 365a Sv genoemde termijn een afzonderlijk rechtsgevolg te verbinden.

Het middel faalt.

12.1. Het tiende middel klaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase omdat het dossier pas ruim een jaar na het instellen van het cassatieberoep ter griffie van de Hoge Raad is ontvangen.

12.2. Het cassatieberoep is op 9 juli 2012 ingesteld. Inderdaad is eerst op 1 augustus 2013 het dossier ter griffie ontvangen. Aldus is de door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn met vier maanden en 23 dagen overschreden, met welke termijn de rechter die in mijn opvatting eventueel alsnog de straf zal dienen te bepalen rekening zal hebben te houden.

13.

Het derde, zevende, achtste en tiende middel treffen naar mijn oordeel doel. De overige middelen falen. Ambtshalve heb ik overigens geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

14.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met nrs. 12/03336 (NN 1290320071650), 12/03339 ([medeverdachte 2]) en 12/03341([medeverdachte 4]) in welke zaken ik ook vandaag concludeer.

2 HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3873; HR 11 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6755.

3 HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0834.

4 HR 5 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7372.

5 Kamerstukken II 1989/90, 21345, nr. 3, p. 11-12.

6 Kamerstukken II 1989/90, 21345, nr. 3, p. 17.

7 Kamerstukken II 2004/05, 30143, nr. 3, p. 3.

8 Kamerstukken II 2004/05, 30143, nr. 3, p. 9. 23.

9 Kamerstukken II 2004/05, 30143, nr. 5, p. 8.

10 Zoals in HR 16 december 1997, NJB 1998, 22, p. 273, waarin verdachte is vervolgd voor bedreiging van zijn buurman, waaraan vernieling van een struik van de buurman was voorafgegaan. Het hof veroordeelde verdachte tot betaling van schade aan de struik, maar volgens de HR was deze schade niet een rechtstreeks gevolg van de bewezenverklaarde bedreiging.

11 HR 29 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7013.

12 HR 12 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6993.

13 HR 30 maart 2004, NJ 2004, 343.

14 Zie voor een bijzondere variant nog HR 17 februari 1998, NJ 1998, 449 waarin verdachte onder invloed een wandelaar had doodgereden die zijn hond uitliet. De nabestaanden hebben zich gesteld als benadeelde partij en vergoeding voor kosten van de begrafenis gevorderd, naast de kosten die zijn betaald aan de dierenarts ter verzorging van de hond die kennelijk ook schade had opgelopen door verdachtes misdrijf. Artikel 6 WVW 1994 heeft de strekking de fysieke integriteit en het leven van personen tegen zeer onvoorzichtig verkeersgedrag te beschermen, maar strekt niet tot bescherming van zaken zoals huisdieren. Niettemin overwoog de HR dat het kennelijk oordeel van het hof dat de hond ten gevolge van de gedragingen van verdachte verwondingen had opgelopen die door een dierenarts moesten worden behandeld en dat de kosten daarvan schade opleverde die het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde niet blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk was.

15 HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW0066.

16 HR 23 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG3449.

17 HR 20 juni 1989, NJ 1990, 93 m.nt. ThWvV.

18 Kamerstukken II 1989/90, 21345, nr. 3, p. 17.

19 Kamerstukken II 1989/90, 21345, nr. 4, p. 10, 13, 15, 17.

20 Kamerstukken II 1990/91, 21345, nr.5, p. 10.

21 Kamerstukken II 2004/05, 30143, nr. 5, p. 8 e.v.

22 Kamerstukken II 2007-2908, 30143, nr. 17, p. 2-3. Het amendement is aangenomen: TK 37-2908.

23 Bijv. HR 31 maart 2009, ECLI:NL:HR:BG3458.