Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1676

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-06-2014
Datum publicatie
01-10-2014
Zaaknummer
13/02526
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2855, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Getuigenverzoek. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:1496. Het antwoord op de vraag of het Hof op het verzoek X als getuige te horen een beslissing heeft gegeven, kan in het midden blijven. Uit de pv’s van de tz. blijkt niet dat door of namens verdachte aan de orde is gesteld dat het Hof op 25 okt. 2012 geen beslissing heeft gegeven op het gedane verzoek X als getuige te horen en evenmin dat is verzocht die persoon (alsnog) op te roepen als getuige, zodat het ervoor moet worden gehouden dat e.e.a. achterwege is gebleven. In aanmerking genomen dat in de cassatieschriftuur een toelichting ontbreekt waarom de verdediging tijdens de nadere tz. niet is opgekomen tegen het uitblijven van een beslissing door het Hof als in het middel gesteld, kan niet blijken van enig in rechte te respecteren belang van verdachte bij cassatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/02526

Zitting: 24 juni 2014

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 2 mei 2013 de verdachte wegens 1. “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, 2. “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, 3. “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, 4. “medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd” en 5 primair “opzetheling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de vorderingen van vijf benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Deze zaak hangt samen met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (nr. 13/02662) en [medeverdachte 2] (nr. 13/03027 en nr. 13/03186), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en hebben mr. B.P. de Boer en mr. D.N. de Jonge, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof heeft verzuimd om een beslissing te nemen op het op de terechtzitting in hoger beroep van 25 oktober 2012 door de verdediging gedane verzoek om getuige [betrokkene 1] te horen.

5. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) Op 15 juli 2011 is de toentertijd veertienjarige [betrokkene 1] in aanwezigheid van zijn vader als getuige c.q. aangever van feit 4 gehoord door de politie.

(ii) De Rechtbank te Haarlem heeft de verdachte bij vonnis van 23 januari 2012 op tegenspraak veroordeeld. Namens de verdachte is op 2 februari 2012 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

(iii) Bij appelschriftuur van 6 februari 2012 heeft de toenmalige raadsman van de verdachte verzocht als getuigen te horen alle personen die voorkomen in het dossier en/of gehoord zijn door de politie en/of die belastend dan wel ontlastend over de verdachte hebben verklaard en/of wier verklaringen de rechtbank blijkens de nog uit te werken bewijsconstructie voor het bewijs zal gebruiken. Daarnaast heeft hij verzocht als getuige te horen alle verbalisanten die betrokken zijn geweest bij het onderzoek en/of de totstandkoming van het dossier.1

(iv) De opvolgende raadsman van de verdachte heeft bij faxbericht van 10 oktober 2012, gericht aan de advocaat-generaal bij het hof, in aanvulling op de appelschriftuur verzocht in totaal vijftien getuigen, onder wie [betrokkene 9] en [betrokkene 1]), te horen.2 Deze getuigen zijn in de faxbrief met onderzoekswensen gerubriceerd als nummers 12 ([betrokkene 9]) en 13 ([betrokkene 1]). Deze getuigen betreffen twee van de zes slachtoffers van het onder 4 ten laste gelegde feit. Het gaat om twee omstanders, die bij de politie verklaringen hebben afgelegd, onder meer inhoudende dat zij zich in de auto van [betrokkene 9] bevonden en dat zij door een man met een pistool die uit een wit bestelbusje kwam met een vuurwapen zijn bedreigd. De raadsman heeft ten aanzien van de getuigen [betrokkene 9] en [betrokkene 1] het volgende aangevoerd. Naar aanleiding van hun bij de politie afgelegde verklaringen wenst de verdediging aan hen onder meer te vragen of zij hebben gezien dat de daders vanaf de motorfiets richting het witte bestelbusje liepen, of de daders hierbij een wapen in hun handen hadden en, zo ja, hoeveel van de daders, hoe de dader eruit zag die bij de bestuurder van het busje stond, hoeveel van de daders plaatsnamen in het busje en waar de rest van de daders was, en of zij duidelijk zicht hadden op de gebeurtenissen bij het busje.

(v) De advocaat-generaal bij het hof heeft in reactie op dit faxbericht bij brief van 23 oktober 2012, gericht aan de raadsman, opgemerkt zich te verzetten tegen het horen van (onder meer) de getuigen [betrokkene 9] en [betrokkene 1], aangezien deze getuigen bij de politie reeds heldere verklaringen hebben afgelegd over hetgeen waarover de raadsman hen wenst te horen en de getuigen nu niet meer kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan.

(vi) Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep van 25 oktober 2012 (regiezitting) overgelegde pleitnotities, heeft de raadsman zijn verzoek om onder meer [betrokkene 9] en [betrokkene 1] als getuigen te horen herhaald. De raadsman heeft ter onderbouwing het verzoek om [betrokkene 8] (nummer 8; een omstander wiens bestelauto onder bedreiging van een vuurwapen was gestolen; feit 3), [betrokkene 9] en [betrokkene 1] te horen het volgende aangevoerd. In verband met het bewezen verklaarde medeplegen van feit 3 is het van belang precies vast te stellen hoe de diefstal met geweld en de vermeende samenwerking tussen de daders hebben plaatsgevonden. Gelet op het feit dat de overval niet liep zoals gepland en er daarna gebeurtenissen hebben plaatsgevonden die niet vooraf kunnen zijn afgesproken door de daders, kan niet zonder meer worden gezegd dat bij alle feiten sprake is van medeplegen. Ook in dat verband is het horen van de getuigen [betrokkene 8], [betrokkene 9] en [betrokkene 1] in het belang van de verdediging en ook strikt noodzakelijk, aldus de raadsman.

(vii) Zoals weergegeven in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 oktober 20123, heeft het hof in reactie op de verzoeken van de raadsman het volgende geoordeeld:

“Het hof beslist in de zaak [verdachte] dat:

- het verzoek om de volgende getuigen, aangeduid onder de nummers 2 tot en met 8, 12 en 13 in de aanvullende brief inhoudende onderzoekswensen van 10 oktober 2012, te doen oproepen wordt toegewezen:

* [betrokkene 2] (…);

* [betrokkene 3] (…);

* [betrokkene 4] (…);

* [betrokkene 5] (…);

* [betrokkene 6] (…);

* [betrokkene 7] (…);

* [betrokkene 8] (…);

* [betrokkene 9] (…);

- het verzoek om de medeverdachte [medeverdachte 2] als getuige te doen oproepen, wordt toegewezen;

- dat de overige medeverdachten [betrokkene 10] en [medeverdachte 1] ambtshalve als getuigen opgeroepen zullen worden;

- de resultaten van het Rijksrechercheonderzoek en de onderbouwing daarvan gerelateerd aan de tenlastelegging aan het dossier zullen worden toegevoegd;

- het verzoek van de raadsman om de bij het Rijksrechercheonderzoek betrokken verbalisanten, aangeduid in zijn aanvullende appelschriftuur van 10 oktober 2012 onder 9 tot met 11, te doen oproepen, wordt afgewezen, nu door het voegen in het dossier van de resultaten van het Rijksrechercheonderzoek in voldoende mate aan het verdedigingsbelang tegemoet wordt gekomen.

(…)

Het hof verwijst de zaken primair naar de vaste raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, voor het horen van de getuigen toegewezen in de zaak [verdachte] en voor het horen van alle vier verdachten. Subsidiair verwijst het hof de zaken (met instemming van de advocaat-generaal en de verdediging) naar een van de leden van de behandelende strafkamer in de hoedanigheid van gedelegeerd raadsheer-commissaris voor het horen van voornoemde getuigen. Het hof verwijst de zaken meer subsidiair naar de rechtercommissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam, indien de raadsheer-commissaris voornoemd daartoe termen aanwezig acht. De stukken worden hiertoe in handen gesteld van de vaste raadsheer-commissaris.”

(viii) [betrokkene 8] is op 7 maart 2013 door de raadsheer-commissaris als getuige gehoord, terwijl [betrokkene 9] op 26 maart 2013 als getuige is gehoord door de raadsheer-commissaris.

(ix) Nadat op 14 januari 2013 en op 7 maart 2013 pro forma zittingen hebben plaatsgevonden, heeft op 18 april 2013 de inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden.

(x) Het hof heeft de verdachte bij arrest van 2 mei 2013 veroordeeld. Het hof heeft de op 15 juli 2011 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 1] als bewijsmiddel 14 voor het bewijs gebruikt. Daarnaast heeft het hof (onder meer) de bij de politie (bewijsmiddel 11) en bij de raadsheer-commissaris (bewijsmiddel 12) afgelegde verklaringen van [betrokkene 8] en de bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 9] (bewijsmiddel 13) tot het bewijs gebezigd.

6. Het (in zeer algemene termen) bij appelschriftuur gedane, bij faxbericht van 10 oktober 2012 herhaalde en geconcretiseerde en op de terechtzitting in hoger beroep van 25 oktober 2012 gehandhaafde verzoek van de raadsman van de verdachte om [betrokkene 1] als getuige te horen, is een verzoek als bedoeld in art. 287, derde lid onder a, Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv. In aanmerking genomen dat deze getuige namens de verdachte bij appelschriftuur is opgegeven en de getuige niet op de terechtzitting in eerste aanleg dan wel door de rechter-commissaris is gehoord, is de maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek - voor zover hier van belang - ingevolge art. 288, eerste lid, onder c, Sv, in verbinding met art. 418, eerste lid, Sv, of redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door het afzien van de oproeping van de getuigen niet in zijn verdediging wordt geschaad.4

7. Het hiervoor bedoelde verzoek is een verzoek waaromtrent het hof ingevolge art. 330 Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, op straffe van nietigheid uitdrukkelijk een gemotiveerde beslissing moet geven. De steller van het middel voert aan dat het hof heeft verzuimd een beslissing op het verzoek te nemen. Naar mijn mening berust het middel in zoverre op een onjuiste lezing van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 oktober 2012. Uit de hiervoor weergegeven passage uit dit proces-verbaal blijkt immers dat het hof het verzoek om de getuige met nummer 13 te doen oproepen heeft toegewezen. Het hof heeft daarbij de door de raadsman gehanteerde nummering aangehouden. Ook in de tot de gedingstukken behorende brief van de advocaat-generaal van 23 oktober 2012 naar aanleidng van de onderzoekswensen wordt de door de raadsman gehanteerde nummering van de getuigen gebruikt en wordt “per nummer” opgemerkt of het openbaar ministerie zich tegen het horen van de opgegeven getuigen verzet. In de pleitnotities waarvan de raadsman zich ter zitting van 25 oktober 2012 heeft bediend, wordt eveneens het standpunt ten aanzien van het horen van de getuigen toegelicht aan de hand van de nummering van de getuigen in plaats van dat daarbij steeds de namen van de getuigen worden genoemd. Gelet op het voorafgaande, moet het proces-verbaal naar mijn mening aldus worden uitgelegd, dat het hof met de toewijzing van de als nummer 13 aangeduide getuige het verzoek om de getuige [betrokkene 1] te horen heeft toegewezen. Deze lezing is ook in overeenstemming met de beslissing van het hof de getuige [betrokkene 9], het andere slachtoffer van de bedreiging zoals ten laste gelegd onder 4, te horen. Het middel, dat ervan uitgaat dat het hof niet heeft beslist op het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1], mist in zoverre feitelijke grondslag.

8. In het proces-verbaal is evenwel bij de opsomming van de op te roepen getuigen niet de naam van getuige [betrokkene 1] opgenomen, terwijl [betrokkene 1] vervolgens kennelijk niet is opgeroepen en niet door de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord. De andere getuigen, onder wie [betrokkene 9], ten aanzien van wie het hof de getuigenverzoeken had toegewezen, zijn wel door de raadsheer-commissaris gehoord. Nu het hof het verzoek tot het horen van (onder anderen) de getuige [betrokkene 1] had toegewezen en daartoe de zaak naar de raadsheer-commissaris had verwezen, had de getuige [betrokkene 1] moeten worden opgeroepen en door de raadsheer-commissaris moeten worden gehoord. Dat zulks niet is gebeurd, hangt kennelijk samen met de omissie van het hof in het proces-verbaal van de zitting de naam, geboortedatum en -plaats en eventuele adresgegevens van de getuige [betrokkene 1] op te nemen, zoals wel bij de andere toegewezen getuigen is geschied. Het hof heeft het hoger beroep vervolgens ter zitting van 18 april 2013 inhoudelijk behandeld. Daarbij heeft het melding gemaakt van de processen-verbaal van de verhoren van de met name genoemde getuigen ten overstaan van de raadsheer-commissaris. Het hof heeft evenwel verzuimd te gelasten de getuige [betrokkene 1] alsnog te doen oproepen teneinde te worden gehoord, al dan niet ten overstaan van de raadsheer-commissaris.

9. Voor het geval Uw Raad het middel aldus uitlegt dat daarin mede wordt geklaagd over het voornoemde verzuim van het hof, rijst de vraag of dit verzuim tot cassatie dient te leiden. Gelet op de specifieke omstandigheden van het geval, meen ik dat het achterwege laten van het doen oproepen en horen van de getuige [betrokkene 1] niet tot cassatie hoeft te leiden. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep volgt dat noch de verdachte noch zijn raadsman op enig moment heeft aangestuurd op het alsnog doen horen van de getuige [betrokkene 1], terwijl daartoe volop gelegenheid bestond. Ik neem daarbij de volgende omstandigheden in aanmerking:

a. op 14 januari 2013 heeft een pro forma zitting plaatsgevonden waar noch de verdachte noch zijn raadsman is verschenen. Op de pro forma zitting van 7 maart 2013, één van de dagen waarop getuigenverhoren plaatsvonden, verscheen de raadsman van de verdachte wel. Ter zitting nam hij het standpunt in dat het openbaar ministerie niet had voldaan aan de opdracht van het hof, zoals neergelegd in het proces-verbaal van de zitting van 25 oktober 2012, tot het toevoegen van de conclusies van het rijksrechercheonderzoek aan het dossier. Uit het proces-verbaal van de zitting van 7 maart 2013 blijkt dat hij zich niet tegen het achterwege laten van het oproepen van de getuige [betrokkene 1] heeft verzet.

b. op 18 april 2013 heeft de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep plaatsgevonden. De voorzitter heeft ter zitting melding gemaakt van de processen-verbaal van de ten overstaan van de raadsheer-commissaris gehoorde getuigen. Daartoe behoorde de getuige [betrokkene 1] niet. Wederom heeft de raadsman van de verdachte aangevoerd dat ten aanzien van het voegen van de conclusies van het rijksrechercheonderzoek niet aan de opdracht van het hof is voldaan. Over het niet oproepen van de getuige [betrokkene 1] rept hij met geen woord, ook niet nadat de voorzitter melding heeft gemaakt van de gehoorde getuigen. Evenmin is ter zitting een herhaald verzoek gedaan tot het horen van de getuige [betrokkene 1].

c. Ter zitting van 18 april 2013 gaat de raadsman tijdens zijn pleidooi in op de verklaring die de getuige [betrokkene 1] bij de politie heeft afgelegd.5 Hij ziet in de verklaring van [betrokkene 1] steun voor de lezing dat slechts twee mannen bij de diefstal van het bestelbusje (feit 3) betrokken zijn geweest. Ook in de pleitnotities wordt niet geklaagd over het achterwege blijven van het oproepen en het horen van de getuige [betrokkene 1].

10. Gelet op de in het voorafgaande weergegeven proceshouding van de verdediging, kan ervan worden uitgegaan dat de raadsman kennelijk niet heeft gepersisteerd bij zijn verzoek om [betrokkene 1] als getuige te horen. Uit de stukken blijkt niet dat de verdediging zich op enig moment heeft verzet tegen de door het hof gekozen gang van zaken. Nu de verdediging in voldoende mate in de gelegenheid is geweest de desbetreffende klacht aan de feitenrechter voor te leggen en van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt, meen ik dat daarover niet met vrucht voor het eerst in cassatie kan worden geklaagd.6

11. Het middel kan niet tot cassatie leiden.

12. Het tweede middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van feit 4 onvoldoende is gemotiveerd, aangezien uit de bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte de bewezen verklaarde bedreigingen tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd en dat de verdachte opzet had op het door de medeverdachten bedreigen van [betrokkene 11], [betrokkene 9], [betrokkene 1], [betrokkene 12] en [betrokkene 13].

13. Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezen verklaard dat:

“hij op 30 juni 2011 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met anderen, personen, te weten [betrokkene 11] en/of [betrokkene 9] en/of [betrokkene 14] en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 12] en/of [betrokkene 13], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededaders telkens opzettelijk dreigend een of meerdere vuurwapen(s), althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op [betrokkene 11] en/of [betrokkene 9] en/of [betrokkene 14] en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 12] en/of [betrokkene 13] gericht.”

14. Daarnaast is ten laste van de verdachte - kort gezegd - bewezen verklaard dat hij op 30 juni 2011 in Zaandam tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening met (bedreiging met) geweld een hoeveelheid sieraden en juwelen van [A] BV (feit 1), een personenauto van [betrokkene 15] (feit 2) en een bestelauto van [B] BV en/of [betrokkene 8] (feit 3) heeft weggenomen.

15. De bewezenverklaring van feit 4 steunt op de volgende bewijsmiddelen:

(i) Een op 30 juni 2011 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 11], voor zover inhoudende (bewijsmiddel 8):

“Vandaag, 30 juni 2011, was ik in mijn zaak, [A] BV, toen ik op het beeldscherm van het beveiligingssysteem twee in het zwart geklede mannen binnen zag komen lopen. Ik besefte dat zij mijn zaak gingen overvallen. Ik heb via de nooduitgang mijn zaak verlaten. Bij de bosjes zag ik een motorfiets staan. Ik vermoedde dat de daders deze motorfiets zouden gaan gebruiken. Met mijn auto ben ik naar de ingang van het parkeerterrein gereden. Even later zag ik drie mannen, waarvan twee in het zwart gekleed, naar de motorfiets toe rennen. Ik zag dat alle drie de mannen op de motorfiets plaatsnamen. Ik zag dat zij mijn richting op kwamen rijden. Ik zag dat de middelste dader een vuurwapen op mij richtte. Ik schrok enorm en drukte mijn gaspedaal in. Ik reed met de voorzijde van mijn auto tegen de zijkant van de motorfiets. Hierdoor kwamen de daders ten val. Ik zag dat de dader met het wapen in zijn hand in mijn richting kwam lopen. Ik zag dat hij met zijn rechterarm het wapen weer op mij richtte. Ik ben hard achteruit gereden, want ik was bang dat hij mij neer zou schieten.”

(ii) Een op 7 juli 2011 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 14], voor zover inhoudende (bewijsmiddel 9):

“Ik ben werkzaam als verkoopster van foto's bij [C] BV. Op 30 juni 2011 heb ik foto's genomen van de daders van de overval op de juwelier op de Zaanse Schans, toen zij na de overval wegliepen. Twee van de drie daders hebben hun pistool op mij gericht, lk voel mij erg bedreigd.”

(iii) Een op 8 juli 2011 door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1] opgemaakt proces-verbaal, voor zover inhoudende als mededeling van de verbalisant (bewijsmiddel 10):

“Op 30 juni 2011, omstreeks 13.38 uur, werd gemeld dat juwelier [A], gevestigd aan [a-straat 1] (gelegen op de Zaanse Schans) te Zaandam, werd overvallen.

Uit onderzoek is gebleken dat een fotografe, werkzaam bij [C] BV, foto’s had genomen van de drie daders op het moment dat deze de Zaanse Schans verlieten. Foto 38, bron 'fotograaf, fotografische opname 3': Op deze foto is dader 1 te zien. Tevens is op de grotere weergave van deze foto te zien dat dader 1 een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn rechterhand heeft en dit richt op de fotografe.”

(iv) Een op 6 juli 2011 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 9], voor zover inhoudende (bewijsmiddel 13):

“Op 30 juni 2011 reed ik met [betrokkene 1] richting de uitgang van de parkeerplaats bij het SMC-college naast de Zaanse Schans. Ik zag toen een rode BMW motorfiets op de grond liggen. Ik zag dat bij de motorfiets een man stond. Ik zag dat de man die bij de motorfiets stond zich omdraaide en naar een wit bestelbusje rende. Deze man stapte aan de bijrijderskant van het busje in. Ik zag in het busje een man zitten.

Beide mannen stapten uit het busje. Beide mannen hadden een vuurwapen in hun handen. Ik zag dat de bijrijder met zijn pistool gericht in onze richting liep. Ik zag dat de man het pistool op mij en [betrokkene 1] gericht had. Ik was bang dat hij zou gaan schieten. De man liep met versnelde pas. Ik dacht gelijk: die wil mijn auto hebben. Ik ben vol gas achteruit gereden. Ik zag dat de man met zijn pistool gericht op ons nog steeds op ons afkwam lopen. Ik hoorde [betrokkene 1] roepen: 'Ik wil zo niet eindigen.' Ik ben toen heel snel achteruit gereden, lk voelde mij heel erg bedreigd.”

(v) Een op 15 juli 2011 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 1], voor zover inhoudende (bewijsmiddel 14):

“Op 30 juni 2011 ben ik samen met [betrokkene 9] (het hof begrijpt: [betrokkene 9]) in zijn auto gestapt, op het parkeerterrein voor mijn school, het St. Michaelcollege, bij de Zaanse Schans. [betrokkene 9] reeds vervolgens uit het parkeervak in de richting van de rotonde. Nabij de rotonde lag een motor op de grond. Toen we bij die motor kwamen aanrijden, zag ik dat er een man wegrende in de richting van een wit busje. Ik zag dat de man naar het busje rende. Ik zag dat de man, die vanaf de passagierszijde uit de bus stapte, mijn kant op kwam rennen. Ik zag dat hij een wapen in zijn hand had, een klein en smal pistool. Ik zag dat hij dit wapen al rennend op ons richtte. Ik dacht dat hij mij dood kwam maken. Ik zei tegen [betrokkene 9]: 'Zo wil ik niet eindigen.' Ik was doodsbang. [betrokkene 9] reed vervolgens heel hard naar achteren. De man kwam nog steeds onze richting op rennen en had nog steeds zijn pistool in zijn handen.”

(vi) Een op 30 juni 2011 door de opsporingsambtenaar [betrokkene 13] opgemaakt proces-verbaal, voor zover inhoudende als mededeling van de verbalisant (bewijsmiddel 18):

“Op 30 juni 2011 hoorden wij van de meldkamer dat de overvallers van juwelier [A] trachtten weg te rijden in een groene Starlet. Wij volgden deze auto toen ik zag dat er door een persoon, zittend in het voertuig, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op ons werd gericht.”

(vii) Een op 7 juli 2011 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 13], voor zover inhoudende (bewijsmiddel 19):

“Op 30 juni 2011 kregen ik en mijn collega via onze meldkamer kennis van een overval op een juwelier, gevestigd aan de Zaanse Schans te Zaandam. Via mobilofonisch verkeer hoorde ik dat de overvallers in het bezit waren van een vuurwapen en dat zij een vrouw haar personenauto, een Toyota Starlet, afhandig hadden gemaakt. Op een gegeven moment reed ik pal achter deze Toyota Starlet. Ik zag op dit moment dat een persoon, die in de Toyota Starlet zat, met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op mij richtte. Ik voelde mij op dat moment enorm bedreigd en voelde grote angst. Ik was bang dat ze mij daadwerkelijk dood zouden schieten.”

16. Voorts heeft het hof onder “bewijsoverwegingen”, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:

“De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep voorts op het standpunt gesteld dat tot aan het moment waarop de aanrijding tussen de auto van de juwelier en de vluchtmotor plaatsvindt alles volgens plan is gegaan, maar dat na de aanrijding ieder van de mannen naar eigen welbevinden handelde. Er is geen 'plan B' en tussen de mannen vond geen enkele vorm van overleg plaats. De verdachte en de medeverdachten blijken namelijk allemaal op een andere manier op de onverwachte situatie te reageren, indicatief voor het feit dat van samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten geen sprake meer is, aldus de raadsman.

(…)

Het hof overweegt als volgt.

Bij de overval op de juwelier, waarvan de drie verdachten ter terechtzitting in hoger beroep hebben verklaard dat zij die gedrieën gepleegd hebben, is sprake van een gezamenlijk optreden van [betrokkene 10], [verdachte] en [medeverdachte 2]. De praktisch gelijktijdige aankomst bij de juwelier, het bij zich dragen van wapens, vuisthamers en tassen om de overval te verwezenlijken, duiden op een planmatige aanpak en een nauwe en bewuste samenwerking, evenals het optreden binnen in de juwelierszaak: één van de verdachten is met een wapen in de hand blijven staan terwijl de andere twee de vitrines bewerkten met de vuisthamers. Eveneens is voorzien in een vervoermiddel om de plaats delict snel te kunnen verlaten. Alle drie zijn op de motor gestapt waarmee [verdachte] naar de Zaanse Schans is gereden. De vlucht van de drie verdachten is evenwel verstoord door het ingrijpen van de juwelier die met zijn auto tegen de motorfiets is aangereden, die tengevolge daarvan is omgevallen.

Vervolgens is bij de overvallers paniek ontstaan. Gelet op de verstoorde vlucht, de aankomst van de politie en de bij de verdachten ontstane paniek, is aannemelijk dat de daarop volgende handelingen van de verdachten niet zijn ingegeven door voorafgaand overleg. De opeenvolgende reeks van gebeurtenissen staat evenwel in het teken van de pogingen van de verdachten om te ontkomen aan aanhouding door de politie. Daarbij is geweld gebruikt en er is inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten en de lichamelijke integriteit van anderen.

Hoewel niet iedere (gewelds-)handeling aan iedere individuele verdachte kan worden gekoppeld, staat vast dat de verdachten zich steeds in elkaars onmiddellijke nabijheid hebben bevonden, terwijl zij het hierboven genoemde doel gezamenlijk hebben nagestreefd en geen van de verdachten zich heeft gedistantieerd van de opeenvolgende handelingen om te voorzien in een vervangend vervoermiddel om de vlucht te verwezenlijken. Naar het oordeel van het hof moet derhalve ieder van de verdachten als medepleger worden aangemerkt bij de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.

(…)

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte pleger dan wel medepleger is van vijf van de zes ten laste gelegde bedreigingen. Alleen dat de verdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan [betrokkene 14] heeft getoond kan worden bewezen, aldus de raadsman. Na de aanrijding beschikte verdachte immers niet meer over zijn alarmpistool. Dat wapen is achtergebleven bij de motor, op de plek van de aanrijding. De bedreigingen van [betrokkene 11], [betrokkene 9], [betrokkene 1], [betrokkene 12] en [betrokkene 13] kunnen derhalve niet bewezen worden verklaard, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat evenvermelde bedreigingen hebben plaatsgevonden, dat de verdachte deel uitmaakte van de groep van drie overvallers, dat hij betrokken was bij de reeks incidenten waarvan de bedreigingen deel uitmaakten die na de aanrijding tijdens de vlucht hebben plaatsgevonden en dat hij zich daarvan op geen enkele wijze heeft gedistantieerd, dient de verdachte gelet op de hiervoor geformuleerde overwegingen als medepleger van de ten laste gelegde bedreigingen te worden aangemerkt. Het hof verwerpt het verweer.”

17. Voor het bewijs van medeplegen is een bewuste en nauwe samenwerking vereist.7 Dit criterium veronderstelt dat de verdachte opzet had op de samenwerking en op het grondfeit.8 Als van medeplegen sprake is, kan de verdachte ook in strafrechtelijke zin aansprakelijk worden gehouden voor uitvoeringshandelingen die (uitsluitend) door de medeverdachten zijn verricht. De omstandigheid dat de verdachte zelf geen uitvoeringshandelingen heeft verricht, behoeft aan het bewijs van medeplegen niet in de weg te staan. Hetzelfde geldt zelfs indien de verdachte bij het feit niet lijfelijk aanwezig is geweest.9 Om van medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht te kunnen spreken is een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders vereist, welke samenwerking moet zijn gericht op de bedreiging van de desbetreffende persoon. Het bestaan van uitdrukkelijke afspraken tussen de mededaders en de verdachte is daarvoor niet doorslaggevend. De bewuste samenwerking kan ook stilzwijgend geschieden. Voorts kan de samenwerking bestaan uit de voorbereiding of de sturing op afstand.10 In een geval als het onderhavige, waarin het verweten medeplegen van een met de vlucht verband houdend misdrijf is voorafgegaan door het daarmee samenhangende medeplegen van een ander strafbaar feit, is geenszins uitgesloten dat de voor het medeplegen van dat misdrijf relevante samenwerking reeds voordien - in het onderhavige geval in het kader van het medeplegen van de overval - is ontstaan.11

18. In de hiervoor onder 16 weergegeven overwegingen ligt als het oordeel van het hof besloten dat de verdachte op 30 juni 2011 in nauwe en bewuste samenwerking met zijn medeverdachten ([medeverdachte 2] en [betrokkene 10]) [betrokkene 11], [betrokkene 9], [betrokkene 14], [betrokkene 1] en [betrokkene 13] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op hen te richten. Dit oordeel geeft gelet op hetgeen hiervoor onder 17 is vooropgesteld geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, in het licht van de hiervoor onder 15 weergegeven inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, niet onbegrijpelijk. Uit die bewijsmiddelen volgt dat het hof het volgende heeft vastgesteld ten aanzien van deze bedreigingen en de samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten. De verdachte heeft samen met [medeverdachte 2] en [betrokkene 10] volgens een gezamenlijk plan een gewapende overval gepleegd op een juwelier, waarbij (in elk geval) één van de overvallers een vuurwapen in zijn hand heeft gehad en de verdachte met een hamer de vitrines heeft stuk geslagen en de juwelen daaruit heeft weggehaald. Vervolgens zijn zij gezamenlijk van de juwelier naar de door de verdachte meegebrachte motor gelopen, waarbij twee van de overvallers (onder wie de verdachte) een vuurwapen hebben gericht op een omstander ([betrokkene 14]). De verdachte en de medeverdachten hebben geprobeerd op de motor te vluchten, terwijl de verdachte de motor bestuurde en de medeverdachten achterop zaten. Nadat de eigenaar van de juwelier ([betrokkene 11]) met zijn auto tegen de motor is aangereden, zijn de overvallers ten val gekomen, waarna één van hen een vuurwapen op [betrokkene 11] heeft gericht. De verdachte en de medeverdachten zijn gezamenlijk op zoek gegaan naar een alternatief vervoermiddel om te vluchten. Eén van de overvallers is met een vuurwapen in zijn hand naar een bestelauto toegerend en heeft de chauffeur van de bestelauto ([betrokkene 8]) onder bedreiging van een vuurwapen gedwongen uit te stappen. Daarna hebben de drie overvallers in de bestelauto plaatsgenomen. Omdat de overvallers de bestelauto kennelijk niet konden starten, zijn zij weer uit de bestelauto gestapt en is één van hen met een vuurwapen in zijn hand in de richting van een andere auto (met daarin [betrokkene 9] en [betrokkene 1]) gelopen, onmiskenbaar met de bedoeling om die auto als vluchtauto te gebruiken. Aangezien de bestuurder van die auto snel achteruit is gereden, zijn twee overvallers naar een andere auto (van [betrokkene 15]) gerend. Nadat de verdachte de ruit van die auto heeft ingeslagen, de inzittende [betrokkene 15] uit haar auto heeft getrokken en één van de mannen een vuurwapen op [betrokkene 15] heeft gericht, is zij uit de auto geraakt en zijn de verdachte en de medeverdachten met haar auto weggereden. Tijdens de achtervolging door de politie van de auto met daarin de drie overvallers, heeft één van de overvallers een vuurwapen gericht op één van de achtervolgende agenten ([betrokkene 13]).

19. Gelet op deze vaststellingen, kan uit de nauwe en bewuste samenwerking tijdens de overval en de wijze waarop de verdachte en zijn medeverdachten gezamenlijk zijn gevlucht, met toepassing van geweld en inbreuken op de eigendomsrechten van omstanders, worden afgeleid dat ook wat betreft de tijdens die vlucht door hen gepleegde bedreigingen kan worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten. Anders dan in de toelichting op het middel wordt aangevoerd, is de betrokkenheid van de verdachte bij de bedreigingen aldus niet te vergelijken met die waarin de verdachte zich in de nabijheid van de bedreigingen bevindt en zich daarvan niet distantieert. Bovendien heeft de verdachte zelf ook uitvoeringshandelingen verricht ten aanzien van deze bedreigingen, nu hij (in elk geval) een vuurwapen heeft gericht op Bonkerk en hij bij de bedreigingen van de andere personen nauw betrokken is geweest. In het licht van hetgeen de raadsman van de verdachte heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. De raadsman heeft immers enkel betoogd dat de verdachte ten tijde van de bedreigingen geen beschikking meer had over een wapen en dat na de aanrijding van de motor geen sprake meer is geweest van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking.12 Aldus is de bewezenverklaring van feit 4, voor zover betrekking hebbend op de bedreiging van [betrokkene 11], [betrokkene 9], [betrokkene 14], [betrokkene 1] en [betrokkene 13], voldoende met redenen omkleed.13

20. De toelichting op het middel bevat ten slotte de klacht dat de bewezenverklaring van feit 4 wat betreft het bedreigen van [betrokkene 12] niet voldoende met redenen is omkleed, aangezien de bedreiging jegens [betrokkene 16] niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

21. De bewijsmiddelen houden inderdaad niets in waaruit kan volgen dat de verdachte en de medeverdachten ook [betrokkene 12] hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Deze klacht is terecht voorgesteld.

22. Dit behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden, indien de door het hof gebezigde bewijsmiddelen verbeterd worden gelezen. De Hoge Raad neemt ten aanzien van het verbeterd lezen van de gebezigde bewijsmiddelen aan de hand van de onderliggende stukken in beginsel terughoudendheid in acht. De aard van de cassatieprocedure en de vrijheid van de feitenrechter bij het selecteren en waarderen van het bewijsmateriaal staan in de regel in de weg aan een zoektocht in het dossier naar mogelijke aanvullende bewijsmiddelen.14 Het is echter wel toegestaan om een kennelijke misslag in een door het hof gebezigd bewijsmiddel verbeterd te lezen.15 In dit verband wijs ik op het volgende. Bij de zakelijke weergave van het op 30 juni 2011 door opsporingsambtenaar [betrokkene 13] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen in bewijsmiddel 18 heeft het hof als gevolg van een kennelijke misslag de volgende passage (de eerste alinea van dit proces-verbaal op p. 208 van het politiedossier) niet opgenomen: “Op donderdag 30 juni 2011, omstreeks 13.38 uur, reed ik samen met collega [betrokkene 16], hoofdagent regiopolitie Zaanstreek-Waterland, beiden in uniform gekleed met noodsurveillance belast in een herkenbaar politievoertuig in Wormer, gemeente Wormerland.” Voorts heeft het hof eveneens als gevolg van een kennelijke misslag bij de zakelijke weergave van de op 7 juli 2011 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 13] (proces-verbaal van aangifte) in bewijsmiddel 19 de volgende twee passages niet opgenomen: “Ik was in uniform gekleed en werkte samen met mijn collega [betrokkene 16]. We reden in een onopvallend dienstvoertuig.” (de tweede alinea van deze verklaring op p. 596 van het politiedossier) en “Ik zag dat het op een vuurwapen gelijkende voorwerp op ons werd gericht vanuit het midden van de Toyota Starlet.” (vierde alinea op p. 597 van het politiedossier). Te overwegen valt de bewijsmiddelen 18 en 19 aldus verbeterd te lezen in die zin dat daartoe ook de hiervoor weergegeven passages behoren. Uit deze passages volgt dat verbalisant [betrokkene 13] samen met verbalisant [betrokkene 12] in de politieauto, waarmee de overvallers in de groene Toyota Starlet werden achtervolgd, zat en dat één van de overvallers een vuurwapen op zowel [betrokkene 13] als [betrokkene 16] heeft gericht. De door mij voorgestelde verbeterde lezing vindt steun in de - zich bij de stukken van het geding bevindende - op 13 juli 2011 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 12] (p. 599-601 van het politiedossier) en het op 30 juni 2011 door [betrokkene 16] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van politie, dat zich eveneens bij de stukken van het geding bevindt (p. 182-184 van het politiedossier). Als de bewijsmiddelen 18 en 19 verbeterd worden gelezen, kan de bewezenverklaring van feit 4, voor zover betrekking hebbende op de bedreiging van [betrokkene 16], uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. Aldus gelezen komt aan de klacht de feitelijke grondslag te ontvallen.

23. Bovendien kan uit recente jurisprudentie van de Hoge Raad16 worden afgeleid dat de verdachte in cassatie niet een voldoende in rechte te respecteren belang heeft bij zijn klacht over de toereikendheid van de bewijsvoering van feit 4, voor zover betrekking hebbende op de bedreiging van [betrokkene 16]. In gevallen zoals het onderhavige, waarin niet alle onderdelen van de bewezenverklaring kunnen worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen, kan het verhandelde ter terechtzitting, waaronder begrepen de inhoud van de voorgehouden stukken en hetgeen aldaar naar voren is gebracht, onder omstandigheden aanleiding zijn voor het oordeel dat een hernieuwde behandeling van de zaak niet tot een andere uitkomst ten aanzien van de bewezenverklaring zal leiden. Gelet op hetgeen hiervoor onder 22 is uiteengezet, zal een hernieuwde behandeling van de zaak naar verwachting niet tot een andere uitkomst ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 4 (voor zover betrekking hebbende op de bedreiging van [betrokkene 16]) leiden. Derhalve behoeft voornoemd verzuim ook wegens het ontbreken van belang voor de verdachte bij vernietiging op dit punt niet tot cassatie te leiden.

24. Het middel faalt.

25. Het derde middel behelst de klacht dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv heeft verzuimd te responderen op het ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van feit 3 ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, inhoudende dat de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken aangezien de in de tenlastelegging genoemde handelingen niet als wegnemen kunnen worden beschouwd.

26. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezen verklaard dat:

“hij op 30 juni 2011 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bestelauto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [B] BV en/of [betrokkene 8], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [betrokkene 8], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat zijn mededader:

- op voornoemde bestelauto, met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in de hand, is afgelopen en

- aan het portier van voornoemde bestelauto heeft gerukt en daarbij naar [betrokkene 8] heeft geroepen "Open doen of ik schiet" en daarbij een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op [betrokkene 8] heeft gericht.”

27. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

(i) Een op 30 juni 2011 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 8], voor zover inhoudende (bewijsmiddel 11):

“Op 30 juni 2011 was ik aan het werk als chauffeur bij het bedrijf [B]. Ik reed het terrein op van de Zaanse Schans. Ik zag drie jongens op een motor zitten, die probeerden deze te starten. De twee jongens achterop de motor hielden tassen vast, waaruit van die houten bordjes staken met daarop sieraden. Ik zag dat de achterste persoon een pistool in de hand droeg. Ik zag dat de jongens van de motor afstapten en dat de jongen met het pistool naar mij toe rende. Ik zag dat hij de deur open wilde trekken. Mijn portierraam was geheel geopend. De jongen zei tegen mij: 'Opendoen of ik schiet.' Ik zag dat hij hierbij het pistool op mij richtte. De jongen riep: 'Geef de sleutel.' Ik heb toen de sleutel uit het contact gehaald en de sleutel vervolgens aan de jongen overhandigd. De jongen nam de sleutel van mij over en ontgrendelde hiermee de portieren met de afstandsbediening. Ik ben toen direct uitgestapt en weggerend. Ik zag toen dat alle drie de jongens plaatsnamen in de bus. De jongen die mij met het pistool had bedreigd ging achter het stuur zitten. De andere twee namen ook voorin plaats.”

(ii) Een op 7 maart 2013 bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 8], voor zover inhoudende (bewijsmiddel 12):

“Ik zag dat er drie mannen bij de motor stonden. Eentje kwam naar mij toe lopen met een pistool in zijn hand. Hij zette het pistool tegen mijn hoofd, op zo'n 10 centimeter afstand. Hij zei: geef me de sleutel. Ik heb hem de sleutel gegeven door het raam. Hij heeft de deur opengemaakt. Ik ben uit de auto gestapt en hij erin. De anderen kwamen via de andere kant de auto in.”

(iii) Een op 6 juli 2011 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 9], voor zover inhoudende (bewijsmiddel 13):

“Op 30 juni 2011 reed ik met [betrokkene 1] richting de uitgang van de parkeerplaats bij het SMC-college naast de Zaanse Schans. Ik zag toen een rode BMW motorfiets op de grond liggen. Ik zag dat bij de motorfiets een man stond. Ik zag dat de man die bij de motorfiets stond zich omdraaide en naar een wit bestelbusje rende. Deze man stapte aan de bijrijderskant van het busje in. Ik zag in het busje een man zitten.

Beide mannen stapten uit het busje. Beide mannen hadden een vuurwapen in hun handen. Ik zag dat de bijrijder met zijn pistool gericht in onze richting liep. Ik zag dat de man het pistool op mij en [betrokkene 1] gericht had. Ik was bang dat hij zou gaan schieten. De man liep met versnelde pas. Ik dacht gelijk: die wil mijn auto hebben. Ik ben vol gas achteruit gereden. Ik zag dat de man met zijn pistool gericht op ons nog steeds op ons afkwam lopen. Ik hoorde [betrokkene 1] roepen: 'Ik wil zo niet eindigen.' Ik ben toen heel snel achteruit gereden, lk voelde mij heel erg bedreigd.”

(iv) Een op 15 juli 2011 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 1], voor zover inhoudende (bewijsmiddel 14):

“Op 30 juni 2011 ben ik samen met [betrokkene 9] (het hof begrijpt: [betrokkene 9]) in zijn auto gestapt, op het parkeerterrein voor mijn school, het St. Michaelcollege, bij de Zaanse Schans. [betrokkene 9] reeds vervolgens uit het parkeervak in de richting van de rotonde. Nabij de rotonde lag een motor op de grond. Toen we bij die motor kwamen aanrijden, zag ik dat er een man wegrende in de richting van een wit busje. Ik zag dat de man naar het busje rende. Ik zag dat de man, die vanaf de passagierszijde uit de bus stapte, mijn kant op kwam rennen. Ik zag dat hij een wapen in zijn hand had, een klein en smal pistool. Ik zag dat hij dit wapen al rennend op ons richtte. Ik dacht dat hij mij dood kwam maken. Ik zei tegen [betrokkene 9]: 'Zo wil ik niet eindigen.' Ik was doodsbang. [betrokkene 9] reed vervolgens heel hard naar achteren. De man kwam nog steeds onze richting op rennen en had nog steeds zijn pistool in zijn handen.”

(v) Een op 30 juni 2011 door de opsporingsambtenaar [verbalisant 2] opgemaakt proces-verbaal, voor zover inhoudende als mededeling van de verbalisant (bewijsmiddel 15):

“Op 30 juni 2011 omstreeks 13.30 uur hoorde ik de melding dat er mogelijk een overval gaande zou zijn bij [A] op de Zaanse Schans te Zaandam, gemeente Zaanstad. Ik besloot ter plaatse te gaan. Ik zag dat een persoon met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn hand kennelijk aan een persoon in een witte bestelbus aan het trekken was. Ik zag dat hij daarbij zijn vuurwapen op deze persoon richtte en dat de persoon de bestelbus uitkwam. Ik zag dat de verdachte met het vuurwapen in de bestelbus stapte en bijna direct weer uitstapte.

Ik zag dat de verdachte met het vuurwapen de parkeerplaats van de Zaanse Schans op vluchtte. Ik zag dat bij de verdachte met het pistool nog twee personen liepen. Ik zag dat de verdachten vanaf de parkeerplaats van de Zaanse Schans de parkeerplaats van het Michael College oprenden. Ik zag dat de personen naar een blauw/groene Toyota Starlet renden. Door de bomen had ik korte tijd minder zicht op de personen. Toen ik weer vrij zicht had zag ik dat de personen inmiddels in de Toyota zaten. Ik zag dat één van de personen een vrouw sloeg die kennelijk op de bestuurdersstoel zat. Ik zag dat de persoon die probeerde de vrouw uit de auto te duwen de vrouw tegen haar achterzijde schopte. Ik zag dat de vrouw de auto verliet. Ik zag dat de persoon op de bestuurdersstoel weg reed met de Toyota.”

(vi) Een op 30 juni 2011 door de opsporingsambtenaar [verbalisant 3] opgemaakt proces-verbaal, voor zover inhoudende als mededeling van de verbalisant (bewijsmiddel 16):

“Op 30 juni 2011 omstreeks 13.40 uur gaf de meldkamer de melding dat er op dat moment een overvalalarm zou zijn bij de juwelier [A], gevestigd op de Zaanse Schans te Zaandam. Toen ik op ongeveer 50 meter afstand vanaf de rotonde van de Zaanse Schans reed, zag ik een bestelbus van koeriersbedrijf [B] staan. Ik zag dat er een Marokkaanse man met een grote boodschappentas in de richting van de bestelbus liep en probeerde de boodschappentas daar in te zetten. Ik zag dat er zich nog twee andere Marokkaanse mannen in de nabijheid van de bestelbus bevonden. Ik zag dat de verdachten wegrenden bij de bestelbus en begonnen te rennen in de richting van het St. Michaelcollege. Ik zag dat twee verdachten renden in de richting van een groene personenauto die stond geparkeerd bij het parkeerterrein van het St. Michaelcollege. Ik zag dat de twee verdachten een vrouw uit het voertuig trokken en dat er een worsteling ontstond tussen één van de verdachten en de vrouw. Ik zag dat één van de verdachten achter het stuur plaatsnam en de vrouw probeerde weg te duwen. Ik zag dat de derde verdachte in de richting van de groene personenauto liep. Ik zag dat de verdachte die op de bestuurdersstoel had plaatsgenomen de vrouw aan de kant had gewerkt en dat de andere twee verdachten in het voertuig hadden plaatsgenomen. Ik zag dat het voertuig wegreed.”

28. Voorts heeft het hof onder “bewijsoverwegingen”, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:

“Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman tevens aangevoerd dat, indien tot bewezenverklaring wordt gekomen, de in de tenlastelegging genoemde handelingen niet als wegnemen kunnen worden gekwalificeerd. De bestuurder van het busje heeft de sleutels aan de medeverdachte afgegeven en is vervolgens, toen de portieren waren geopend, zelf uit de bestelwagen gestapt. Het gebeurde zou gekwalificeerd kunnen worden als dwingen tot afgifte of afpersing, maar dat feit is niet ten laste gelegd, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

(…)

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde overweegt het hof voorts dat medeverdachte [betrokkene 10] na de aanrijding met getrokken pistool op een bestelbus is afgelopen; de bestelbus, is op dat moment tot stilstand gekomen aangezien de op de weg liggende motorfiets de doorgang versperde. Met een pistool op ongeveer 10 cm afstand van diens hoofd is de bestuurder door het openstaande raam gedwongen zijn sleutels af te geven en zijn voertuig te verlaten. [betrokkene 10] is op de bestuurdersplaats gaan zitten en [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben naast hem plaatsgenomen. Gedrieën zaten zij voorin. Op dat moment hadden zij de macht over het voertuig en konden zij daarover als heer en meester beschikken. De voltooide diefstal van de bestelbus was daarmede een feit. Dat het de verdachten niet is gelukt de motor van het voertuig te starten, doet daaraan niet af.

Het hof verwerpt de verweren.”

29. De vraag of bepaalde gedragingen "wegnemen" opleveren in het verband van art. 312 Sr of "afgifte" in de zin van art. 317 Sr, valt niet steeds ondubbelzinnig te beantwoorden. Er bestaat tussen de inhoud die aan beide begrippen toekomt geen scherpe grens. Zo kan onder bepaalde omstandigheden het gedogen van wegnemen zowel "wegnemen" als "afgifte" opleveren. Dat brengt mee dat in voorkomende gevallen aan de feitenrechter enige vrijheid toekomt om bepaalde gedragingen ofwel als "wegnemen" ofwel als "afgifte" in de hiervoor bedoelde zin te kwalificeren.17

30. Het middel neemt tot uitgangspunt dat het hof niet heeft beslist op het verweer van de raadsman dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 3, omdat de in de tenlastelegging genoemde handelingen niet als wegnemen kunnen worden beschouwd. Dat uitgangspunt berust op een verkeerde lezing van de bestreden uitspraak en de overwegingen van het hof en mist daardoor feitelijke grondslag. In de hiervoor onder 28 weergegeven overwegingen heeft het hof gemotiveerd uiteengezet dat en waarom het hof het in het middel bedoelde verweer heeft verworpen. Het hof heeft overwogen dat er sprake was van een voltooide diefstal van de bestelbus op het moment dat de verdachte en de medeverdachten met zijn drieën voorin de bestelbus zaten, nadat medeverdachte [betrokkene 10] met een pistool de bestuurder van de bus had gedwongen zijn sleutels af te geven en zijn voertuig te verlaten, aangezien zij toen de macht over het voertuig hadden en daarover als heer en meester konden beschikken.

31. In deze overwegingen ligt als het oordeel van het hof besloten dat de handelingen van de verdachte en de medeverdachten kunnen worden aangemerkt als wegnemingshandelingen. Gelet op hetgeen hiervoor onder 29 is vooropgesteld geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het in licht van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen en de aan de feitenrechter toekomende vrijheid om bepaalde gedragingen als "wegnemen" te kwalificeren niet onbegrijpelijk is. De voor het bewijs gebezigde verklaringen van [betrokkene 8] (bewijsmiddelen 11 en 12) houden immers in dat de jongen met het pistool (medeverdachte [betrokkene 10]) onder dreiging van zijn pistool de sleutel van de bus van [betrokkene 8] heeft “overgenomen”, dat deze jongen daarmee de portieren van de bus heeft ontgrendeld en dat vervolgens de drie personen (de verdachte en de medeverdachten) in de bus zijn gaan zitten. Gelet op hetgeen de raadsman van de verdachte ter onderbouwing van het verweer heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. De raadsman heeft immers enkel betoogd dat er geen sprake is geweest van wegnemen, aangezien één van de medeverdachten [betrokkene 8] heeft gedwongen de sleutels van de bestelbus aan hem af te geven.18

32. Het middel faalt.

33. Het vierde middel bevat de klacht de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

34. De verdachte, die zich ten tijde van het instellen van het cassatieberoep in voorlopige hechtenis bevond, heeft op 8 mei 2013 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 31 december 2013 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen, zodat de inzendingstermijn van zes maanden is overschreden. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM inderdaad is overschreden. Het middel is terecht voorgesteld. Dit moet leiden tot strafvermindering.

35. Het vierde middel slaagt. Het eerste middel behoeft niet tot cassatie te leiden. Het tweede en het derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

36. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze appelschriftuur, die bij kennelijke vergissing als datum 6 februari 2011 vermeldt, is blijkens een daarop geplaatste stempel op 7 februari 2012 op de griffie van de rechtbank binnengekomen.

2 Op 10 oktober 2012 heeft de raadsman een afschrift van dit faxbericht per fax toegezonden naar de voorzitter van het hof.

3 Het proces-verbaal houdt in dat deze beslissing op 26 oktober 2012 door de griffier telefonisch aan de raadsman en de advocaat-generaal is doorgegeven.

4 Vgl. HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO1585, rov. 3.3, HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO1584, rov. 2.3 en HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1726, NJ 2010/589, rov. 2.4.

5 Zie pleitnota in hoger beroep van 18 april 2013, p. 12.

6 Vgl. HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:473, rov. 2.4 (slot) (hof heeft verzuimd procespartijen te horen voorafgaand aan het bevel op grond van art. 269 (oud) Sv om een minderjarige getuige met gesloten deuren te horen; klacht kan niet tot cassatie leiden bij gebrek aan belang, aangezien procesdeelnemers niet tegen het bevel zijn opgekomen), HR 19 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1360, NJ 2014/147, m.nt. Schalken (op grond van de inleidende dagvaarding is de verdachte ten onrechte gedagvaard voor de politierechter, terwijl de kinderrechter eigenlijk bevoegd was; hierover is in eerste aanleg niet geklaagd; verdachte heeft geen belang bij zijn cassatieberoep) en HR 13 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5545 (art. 81 RO; in cassatie kan niet voor het eerst worden geklaagd over een mogelijke schending van art. 345, derde lid, Sv).

7 Zie nader J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, vijfde druk, Deventer: Kluwer 2012, p. 436-448.

8 Vgl. De Hullu, a.w., p. 445-447 en de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voorafgaand aan HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:882 (ECLI:NL:PHR:2013:885).

9 Vgl. HR 17 november 1981, NJ 1983/84 m.nt. Van Veen, rov. 6.

10 Vgl. J. de Hullu, a.w., p. 436-448.

11 Vgl. HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1964, rov. 2.3.2 en HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1966, rov. 2.3.2.

12 Zie pleitnota in hoger beroep van 18 april 2013, p. 14-17.

13 Vgl. HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1964, rov. 2 en HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1966, rov. 2.

14 Vgl. HR 18 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3653, rov. 4, HR 4 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO1636, rov. 2, HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0025, rov. 2, HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6845, rov. 2 en HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5966, rov. 3.2.

15 Vgl. HR 7 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3148, rov. 2, HR 16-11-2010, ECLI:NL: HR:2010:BN8211, rov. 3, HR 13 mei 2008, nr. 00432/07 (niet gepubliceerd, middelen 1 en 2, art. 81 RO), HR 22 maart 2005, nr. 01410/04 (niet gepubliceerd, art. 81 RO), HR 11 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3338, rov. 3 en HR 11 maart 2003, NS 2003, 170, rov. 3.

16 Zie HR 11 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2547, rov. 3 en HR 2 april 2013, ECLI:NL: HR:2013:BZ5960, rov. 2.4.

17 Vgl. HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5232, NJ 2009/281, rov. 2.5, HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5233, rov. 2.5 en HR 28 januari 1992, NJ 1992/382, rov. 6.2.

18 Zie pleitnota in hoger beroep van 18 april 2013, p. 13-14.