Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1673

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-06-2014
Datum publicatie
19-09-2014
Zaaknummer
13/02156
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2677, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Mishandeling. Art. 300 Sr. Onder ‘mishandeling’ in de zin van art. 300 Sr moet niet alleen worden verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn - zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat -, maar onder omstandigheden ook het bij een ander teweegbrengen van min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam. Uit ’s Hofs bewijsvoering kan worden afgeleid dat verdachte bij A en B zo een onlust veroorzakende gewaarwording heeft veroorzaakt door hen in het water te duwen, doch dit is niet tlgd. Dat zij – zoals wel is tlgd. en bewezenverklaard – door die gedraging van verdachte pijn hebben ondervonden kan uit ’s Hofs bewijsvoering echter niet worden afgeleid. De bewezenverklaring is dus in dit opzicht niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/02156

Zitting: 24 juni 2014

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, heeft bij arrest van 12 april 2013 de verdachte wegens 1 "mishandeling", 2 "bedreiging met zware mishandeling" en 3 “mishandeling” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken. Voorts heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en hebben mr. G.J.P.M. Grijmans en mr. M.W.J.M. van der Meer, advocaten te Bolsward, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.


3. Het eerste middel keert zich tegen de bewezenverklaring van de feiten 1 en 3. In het bijzonder zou het hof in zijn overwegingen blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de invulling van mishandeling, althans zou het hof zijn oordeel ontoereikend hebben gemotiveerd.

4. Ten laste van de verdachte is onder 1 en 3 bewezen verklaard dat


"1:
hij op 31 oktober 2011 in de gemeente Groningen opzettelijk mishandelend [betrokkene 1] in het water heeft geduwd, waardoor deze pijn heeft ondervonden;
(…)
3:
hij op 31 oktober 201, in de gemeente Groningen opzettelijk mishandelend [betrokkene 2] in het water heeft geduwd, waardoor deze pijn heeft ondervonden."

5. Het hof heeft de bewezenverklaring van het onder 1 en 3 ten laste gelegde doen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 31 oktober 2011, opgenomen op pagina 4 en verder van een dossier met registratienummer PL01KC 2011109094, inhoudende - zakelijk weergegeven - :
als verklaring van [betrokkene 1]:


Op 31 oktober 2011 omstreeks 14.20 uur was ik aan het vissen aan de Pottebakkersrijge aan de zijde van de Museumbrug te Groningen. Naast de brug zit een trap. Je kunt daar naar beneden. Ik stond daar samen met mijn vriend, [betrokkene 2]. Op een gegeven moment hoorden wij dat iemand tegen ons zei: "Zijn jullie lekker aan het vissen?" Ik zag toen twee mannen over de brug lopen. Ik zag dat één man op de brug bleef staan. Ik zag dat deze man op de traptreden ging zitten. Ik zag dat de uitgang voor ons geblokkeerd was. Ik zag dat de man zijn tas wegzette. Ik zag dat de man ging staan. Ik zag en voelde in deze beweging dat ik een duw in mijn rug kreeg van deze man. Ik zag dat de man opzettelijk en met kracht ons een duw gaf. Ik verloor hierdoor mijn evenwicht. Ik zag en voelde dat de duw erg hard was. Ik kon niet blijven staan en viel door de duw in het water. Ik voelde dat het water koud was. Ik zag en voelde dat ik met mijn hoofd onder water ging. Ik zag dat de man die ons erin had geduwd gewoon wegwandelde. Ik ben toen uit de gracht geklommen. Ik weet wel dat de kant best wel hoog was. Toen ik eruit was geklommen zag ik dat [betrokkene 2] nog in het water lag. Ik ben toen achter de man aangelopen. Ik zag en hoorde dat de man in mijn richting begon te schreeuwen. Ik zag en hoorde dat de man tegen mij zei: "Kom niet achter mij aan, anders kom ik terug en sla je in elkaar." Ik heb toen een omstander gevraagd of hij de politie voor mij wilde bellen. Ik zag dat de man meermalen in mijn richting kwam rennen. Ik heb steeds onze positie doorgegeven en even later zag ik dat de politie de man staande hield. De man is door de politie aangehouden.

2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 31 oktober 2011, opgenomen op pagina 8 en verder van het onder 1 genoemde dossier, inhoudende -zakelijk weergegeven - :
als verklaring van [betrokkene 2]:

Vandaag, 31 oktober 2011, was ik samen met een vriend van mij, [betrokkene 1], aan het vissen in Groningen. We hadden een plekje gevonden op een plateau naast de Museumbrug. Op een gegeven moment zag ik een man aan komen lopen over de Museumbrug. Ik zag dat de man in onze richting keek en ik hoorde dat de man ons aansprak. Ik hoorde de man vragen: "Zijn jullie lekker aan het vissen?" Ik ben steeds bezig gebleven met mijn hengel en heb niet verder op de man gelet. Op een gegeven moment merkte ik dat er iemand achter ons stond. Ik heb niet gezien dat deze persoon naar het plateau is gekomen, maar ik merkte opeens dat er iemand achter mij en [betrokkene 1] stond. Op dat moment voelde ik dat ik werd geduwd. Ik voelde dat ik een redelijke zet in mijn rug kreeg. Deze zet was zo hard dat ik ineens voorover het water in viel. Ik zag ook dat [betrokkene 1] ineens voorover viel en ook in het water belandde. Het plateau is ongeveer 40 centimeter hoger dan het water. Ik kon daarna niet heel snel op het plateau komen. Ik had in mijn ene hand een hengel, ik had een rugzak om en mijn jas liep vol met water. Ik werd dus erg zwaar en had veel moeite om weer op het plateau te komen. Ik zag dat [betrokkene 1] wel weer snel op het plateau kwam. Ik zag dat [betrokkene 1] direct achter de man aanliep. Uiteindelijk lukte het mij om op het plateau te komen. Ik heb, denk ik, zo'n minuut in het water gelegen. Ik was erg verbijsterd dat dit gebeurde. Na het incident voelde ik wel dat het erg koud was. Op het moment dat [betrokkene 1] achter deze man aanging, hoorde ik hem heel hard schreeuwen. Ik hoorde dat hij tegen [betrokkene 1] zei dat hij hem iets aan zou gaan doen en dat [betrokkene 1] weg moest blijven. Ik zag op een gegeven moment dat de man ineens in [betrokkene 1] zijn richting kwam en dat [betrokkene 1] toen snel bij de man uit de buurt ging. Ik zag dat de man, welke ons in het water heeft geduwd, door de politie werd meegenomen.

3. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal aanhouding d.d. 31 oktober 2011, opgenomen op pagina 12 en verder van het onder 1 genoemde dossier, inhoudende - zakelijk weergegeven - : als bevindingen van de verbalisant:


Op 31 oktober 2011 was ik, verbalisant [verbalisant], werkzaam als hondenbegeleider bij de politie Groningen. Omstreeks 15.00 uur hoorde ik een melding van de politiemeldkamer Groningen. Volgens de meldkamer zouden er twee personen in het water geduwd zijn bij de A-straat. Ik ging ter plaatse. Op de Westerhaven zag ik twee jongens lopen. Ik zag dat deze jongens natte kleding droegen. Ik hoorde één van de jongens zeggen dat ze in het water geduwd waren door een man. Ik zag dat de jongens terwijl mij dit verteld werd, wezen naar een man, welke later bleek te zijn verdachte [verdachte]. Hierop heb ik de verdachte aangehouden.

4. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 31 oktober 2011, opgenomen op pagina 15 en verder van het onder 1 genoemde dossier, inhoudende - zakelijk weergegeven - : als verklaring van verdachte:

Ik beken dat ik die jongens in het water heb gedrukt. Toen één van die jongens achter me aanliep heb ik nog gezegd dat hij niet zo dicht op mij moest lopen."

6. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de raadsman van de verdachte aldaar een verweer strekkende tot vrijspraak heeft gevoerd en daartoe het volgende heeft aangevoerd:

"Mijns inziens kan geen bewezenverklaring volgen ten aanzien van de mishandelingen. Er is immers geen pijn en/of letsel. Je kunt je afvragen of een duw pijn en/of letsel oplevert. Ik denk van niet. Onderdompeling in koud water zou ook pijn en/of letsel kunnen opleveren, maar aangever [betrokkene 2] heeft verklaard dat het water niet zo koud was. Ik vraag om vrijspraak ter zake van de mishandelingen."

7. Het hof heeft in reactie op dit bewijsverweer het volgende overwogen:

"De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 en 3 ten laste gelegde mishandelingen, omdat het duwen van de aangevers in het water door verdachte geen pijn of letsel heeft opgeleverd. Het hof oordeelt anders. In zijn arrest van 11 februari 1929 (NJ 1929, p503) heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat onder 'pijn' als bestanddeel van mishandeling dient te worden verstaan iedere op het lichaam betrokken min of meer hevige onaangename gewaarwording. In datzelfde arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat iemand in het kanaal duwen hieronder kan vallen. In casu zijn aangevers, terwijl ze stonden te vissen, vanaf een kade onverhoeds het water in geduwd. Dat dit een hevige onaangename gewaarwording voor beiden heeft opgeleverd, behoeft naar het oordeel van het hof geen nader betoog. Derhalve komt het hof tot een bewezenverklaring van de onder I en 3 ten laste gelegde mishandelingen."

8. In de geciteerde overweging heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat onder 'pijn' als "bestanddeel van mishandeling" dient te worden verstaan "iedere op het lichaam betrokken min of meer hevige onaangename gewaarwording". Daartoe heeft het hof zich gebaseerd op HR 11 februari 1929, NJ 1929, p. 503, m.nt. Van D.

9. Vooropgesteld moet worden dat in art. 300 Sr "pijn" niet uitdrukkelijk als bestanddeel is opgenomen. In art. 300, eerste lid, Sr wordt volstaan met de omschrijving van de kwalificatie 'mishandeling', terwijl in het vierde lid wordt bepaald dat met mishandeling wordt gelijkgesteld opzettelijke benadeling van de gezondheid.1 In het Oorspronkelijk Regeringsontwerp (O.R.O.) was wel een meer feitelijke omschrijving van mishandeling opgenomen. Art. 324, eerste lid, van het O.R.O. luidde:

"Hij die door eenige daad aan een ander opzettelijk ligchamelijk leed toebrengt of opzettelijk diens gezondheid benadeelt, wordt, als schuldig aan mishandeling, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden of geldboete van ten hoogste vijftig gulden."

10. De term 'ligchamelijk leed' stuitte op kritiek van de Commissie van rapporteurs. Die kritiek was tweeledig2:

"opzettelijk ligchamelijk leed. Men betwijfelde of deze uitdrukking in de Nederlandsche taal geoorloofd is. Is, vroeg men, ligchamelijk leed niet eene contradictio in terminis, omdat leed alleen van morele smart gebezigd wordt? Er is echter nog een ander bezwaar. Die opzettelijk aan een ander ligchamelijk leed toebrengt is volstrekt niet altijd strafwaardig. Men denke aan heelkundige operatien en aan de castigatio paterna. Het misdrijf behoort zóó uitgedrukt te worden, dat deze en dergelijke gevallen er niet in begrepen zijn. De Commissie acht daartoe het woord mishandeling zonder nadere omschrijving volkomen geschikt; het begrip is voldoende bepaald en laat toch den regter ruimte voor eene redelijke toepassing zonder gedwongen interpretatie. Het artikel zou dus moeten gelezen worden: "Mishandeling wordt gestraft met enz.;"

11. Uiteindelijk heeft de kritiek geleid tot de huidige redactie van art. 300, eerste lid, Sr, waarin is volstaan met de term 'mishandeling'. Daarmee is sprake van een materieel delict, waarin (het veroorzaken van) een bepaald gevolg centraal staat, zonder dat het gevolg als zodanig in de wet is geconcretiseerd. De wijze van de totstandkoming van de huidige wetsredactie wijst niet op een wijziging van opvatting ten aanzien van de reikwijdte van wat in het O.R.O. als het opzettelijk toebrengen van lichamelijk leed of het opzettelijk benadelen van de gezondheid was aangeduid. Veeleer is de wijziging ingegeven door (1) twijfels of de term "lichamelijk leed" in taalkundig opzicht wel adequaat was en (2) de wens buiten twijfel te stellen dat het gaat om het wederrechtelijk toebrengen van "lichamelijk leed" of letsel, waardoor bijvoorbeeld de met toestemming borende tandarts buiten schot blijft. Voor het overige heeft de wetgever de invulling van het begrip 'mishandeling' aan het oordeel van de rechter overgelaten.

12. Daardoor rijst de vraag welke gevolgen onder de reikwijdte van mishandeling kunnen worden geschaard. Buiten twijfel staat dat het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn hieronder valt. In diverse arresten heeft de Hoge Raad zulks kort en krachtig verwoord. Reeds in 1894 overwoog de Hoge Raad dat mishandeling is aan te merken als het opzettelijk aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn.3 In zijn arrest van 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6690, NJ 2011, 466, m.nt. Keijzer geeft de Hoge Raad van de term 'mishandeling' een omschrijving die aansluit bij die in 1894:

"Onder 'mishandeling' in de zin van de art. 300-301 Sr moet worden verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat." 4

13. Hiermee staat buiten kijf dat het toebrengen van lichamelijk letsel of pijn onder mishandeling is te scharen. De vraag is echter of alleen sprake kan zijn van mishandeling als de lichamelijke inwerking op het lichaam de vorm aanneemt van pijn of lichamelijk letsel, de opzettelijke benadeling van de gezondheid daaronder begrepen. Daarbij moet worden aangetekend dat het debat in de zaak uit 2011 - over jongensbesnijdenis zonder toestemming van de moeder - zich niet toespitste op de vraag welke lichamelijke gevolgen onder de reikwijdte van mishandeling kunnen vallen. Het accent lag op het vervolg van de gegeven omschrijving: "zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat."5

14. Voor de beantwoording van de gestelde vraag zullen wij ons dan ook moeten concentreren op zaken waarin het niet evident is dat de betrokken gedraging pijn of letsel heeft veroorzaakt. In dat verband is het arrest van de Hoge Raad van 11 februari 1929, NJ 1929, p. 503, m.nt. Van D., waarnaar het hof in het bestreden arrest heeft verwezen, interessant. In deze zaak had de bewezenverklaring betrekking op het opzettelijk met geweld een ander in het kanaal duwen, “dientengevolge de betrokkene geheel nat en koud is geworden (en) derhalve lichamelijk leed heeft ondervonden”. De Hoge Raad verwierp het tegen het veroordelend arrest van het hof ingestelde beroep in cassatie. Voor een goed begrip citeer ik de relevante overwegingen uit dit arrest:

"dat verder het onder de vastgestelde omstandigheden een ander opzettelijk met geweld in een kanaal duwen, ten gevolge waarvan deze geheel nat en koud is geworden, door het Hof en den Pol.r. terecht als 'mishandeling' is aangemerkt, volgende dit niet alleen uit de taalkundige beteekenis van dit woord, doch ook uit de geschiedenis der totstandkoming van art. 300 Sr.; dat toch in het oorspronkelijke Regeeringsontwerp (art. 324) onder 'mishandeling' werd verstaan het door eenige daad aan een ander opzettelijk lichamelijk leed toebrengen of opzettelijk diens gezondheid benadelen; dat vervolgens de Commissie van Rapporteurs uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal betwijfelend, of het gebruik van de uitdrukking 'lichamelijk leed' wel in de Nederlandsche taal geoorloofd was, aan de Regeering de vraag heeft gesteld, of lichamelijk leed niet een contradictio in terminis vormde, 'omdat leed alleen voor moreele smart gebezigd wordt' (Smidt, II, 2e druk, blz. 475), en ook in verband daarmede voor het artikel een nieuwe redactie heeft aangegeven, welke door de Regeering is overgenomen en waarin het door eenige daad aan een ander opzettelijk lichamelijk leed toebrengen in den algemeenen term 'mishandeling' is opgegaan; dat, gelijk hieruit volgt, het niet de bedoeling is geweest dat de Commissie van Rapporteurs, dat met eenigen vorm van 'lichamelijk leed' bij de bepaling van hetgeen 'mishandeling' zou zijn, geen rekening zou mogen worden gehouden, met andere woorden: om de oorspronkelijke redactie in dien zin te beperken; dat nu, al kan worden toegegeven, dat alle leed psychisch is, zeer goed kan worden onderscheiden tusschen pijn of ander leed, dat in min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwordingen in of aan het lichaam eenerzijds en de eigenlijk gezegde gemoedsaandoeningen, voor zoover zij leed opleveren, anderzijds, zijnde blijkbaar bij den term 'lichamelijk leed' aan de eerstbedoelde gewaarwordingen te denken; dat derhalve niet alleen het veroorzaken van pijn, doch ook het opwekken van dergelijke 'lichamelijke' gewaarwordingen onder omstandigheden 'mishandeling' kan opleveren en dit ongetwijfeld zoo is in een geval als dit, waarin is telastegelegd en bewezen verklaard, dat de verdachte den getuige Lambert Hooyer opzettelijk met geweld in een kanaal heeft geduwd, tengevolge waarvan deze geheel nat en koud is geworden."

15. Het hof heeft uit het arrest van de Hoge Raad in deze zaak afgeleid dat onder 'pijn' in het kader van een vervolging ter zaken van mishandeling moet worden verstaan "iedere op het lichaam betrokken min of meer hevige onaangename gewaarwording". In deze visie zou daarmee invulling worden gegeven aan één van de twee categorieën die het gevolg van de strafbare gedraging inhouden. Naar mijn mening berust deze opvatting op een onjuiste uitleg van het arrest van 11 februari 1929. Ik versta de geciteerde overwegingen van de Hoge Raad aldus, dat daarin tot uitdrukking wordt gebracht dat ook het opzettelijk toebrengen van ander "lichamelijk leed" dan pijn en letsel onder omstandigheden mishandeling kan opleveren. De Hoge Raad overweegt immers dat niet alleen het veroorzaken van pijn, maar ook het opwekken van "min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwordingen in of aan het lichaam" onder omstandigheden mishandeling kan opleveren. De door het hof aan het arrest uit 1929 ontleende definitie betreft naar mijn mening niet een definitie van 'pijn', maar van ander lichamelijk leed dat tot mishandeling zou kunnen leiden.6

16. Deze uitleg vindt steun in HR 12 december 1967, ECLI:NL:HR:1967: AB4598, NJ 1970, 314, waarin het opzettelijk toedienen van roet aan het slachtoffer centraal stond, ten gevolge waarvan het slachtoffer benauwd werd. In zijn conclusie voorafgaand aan dit arrest benadrukte AG Berger onder verwijzing naar het voornoemde arrest uit 1929 dat onder 'mishandeling' niet alleen is te verstaan het veroorzaken van pijn (en letsel), maar ook het veroorzaken van min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwordingen in of aan het lichaam. De Hoge Raad overwoog:

"dat uit de verklaring van de getuige, voor zover zakelijk inhoudende, dat hem een kap is opgezet, waarvan het ondereinde om zijn hals werd bevestigd, dat hij vervolgens plat op zijn buik op de bodem van een kar moest gaan liggen, dat hij vervolgens voelde dat er aan de kap die hij over zijn hoofd had werd geschud, en dat hij hierdoor een soort stof - naar hem later bleek, roet - binnenkreeg, zich verslikte en een hoestbui kreeg, door het Hof kon worden afgeleid, dat de benauwdheid welke de getuige onder de gegeven omstandigheden tengevolge van de toediening van het roet kreeg, als een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording is aan te merken; dat voorts het onder de vastgestelde omstandigheden opzettelijk toedienen van roet aan de getuige, tengevolge waarvan deze een benauwdheid als evenbedoeld kreeg, door het Hof terecht als mishandeling is beschouwd; "

17. Naar mijn mening zijn er goede gronden zijn het bereik van de strafbaarstelling van mishandeling niet te beperken tot de categorieën pijn of lichamelijk letsel. De strafbaarstelling van mishandeling strekt ertoe de bescherming van de lichamelijke integriteit van de ander te beschermen. Dat brengt enerzijds mee dat het toebrengen van leed als zodanig, zonder een lichamelijke component, niet onder het bereik van art. 300 Sr valt.7 Anderzijds noopt deze ratio er niet toe alleen inbreuken op de lichamelijke integriteit die zijn te kenschetsen als het toebrengen van pijn of lichamelijk letsel onder mishandeling te scharen. Toegespitst op water, zijn er eenvoudig vormen van min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwordingen van lichamelijke aard te bedenken die een inbreuk op de lichamelijke integriteit betekenen zonder dat daarmee per definitie pijn of lichamelijk letsel gepaard gaat. Aan de feitenrechtspraak ontleen ik het voorbeeld van het een tijd lang houden van het hoofd van een ander onder koud stromend water.8 Het brengen van deze categorie feiten onder de reikwijdte van mishandeling, ligt naar mijn mening in de lijn van de hiervoor geschetste geschiedenis van de totstandkoming van het huidige art. 300 Sr, waarin de term 'lichamelijk leed' centraal stond. De benadering in de hiervoor genoemde arresten uit 1929 en 1967 spreekt mij dan ook aan. In Van Bemmelen/Van Veen wordt in dit verband treffend opgemerkt dat voor mishandeling nodig is een directe inwerking op andermans lichaam, waardoor lichamelijk leed wordt veroorzaakt.9 Daaraan voeg ik toe dat wel sprake zal moeten zijn van een substantiële inbreuk ("hevige onlust"). In het andere geval zal de deur naar strafrechtelijke aansprakelijkheid naar mijn mening te wijd open worden gezet.

18. De door de Hoge Raad in de genoemde arresten gekozen benadering sluit ook aan bij het Duitse recht, waarop onze strafbaarstelling van mishandeling lijkt te zijn geënt.10 Naar Duits recht bestaat onderscheid tussen körperliche Misshandlung' aan de ene kant en 'Gesundheitsschädigung' aan de andere kant. In Schönke-Schröder wordt het begrip "körperliche Misshandlung' als volgt omschreven11:

"eine üble, unangemessene Behandlung, durch die das Opfer in seinem körperlichen Wohlbefinden, wenn auch nicht unbedingt durch Zufügung von Schmerzen (BGH NJW 95, 2643), so doch in mehr als nur unerheblichem Grade beeinträchtigt wird".

19. De lichamelijke uitwerking van de gedraging staat hierbij centraal, zonder dat die uitwerking hoeft te bestaan in pijn. Ook verminkingen kunnen daaronder vallen, die niet per definitie pijnlijk hoeven te zijn, zoals het geval is bij het onvrijwillig afknippen van het hoofdhaar.

20. Het oprekken van de term pijn tot situaties die de Hoge Raad in 1929 juist niet als pijn heeft aangemerkt maar wel als uitwerkingen die onder mishandeling vallen, doet naar mijn mening de gangbare betekenis van het begrip 'pijn' te zeer geweld aan. Ik zie de categorie ‘hevige onlust veroorzakende gewaarwordingen van lichamelijke aard’ veeleer als een derde categorie, die in de rechtspraktijk een veel meer bescheiden rol inneemt dan de categorieën pijn en letsel. In die benadering kan mishandeling ook bestaan in geval van min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwordingen van lichamelijke aard, ook als deze gewaarwordingen niet zijn te duiden als pijn of letsel, opzettelijke benadeling van de gezondheid daaronder begrepen.

21. Dat de Hoge Raad in diverse arresten in verband met mishandeling uitsluitend de termen 'pijn of letsel' gebruikt, staat aan het voorafgaande naar mijn mening niet in de weg. In de eerste plaats stond in de desbetreffende zaken, anders dan in de zaken die hebben geleid tot de arresten van 1929 en 1967, niet de vraag centraal of ander lichamelijk leed dan pijn en letsel onder mishandeling kan worden geschaard. Daarbij komt dat het bij de categorie 'min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwordingen in of aan het lichaam' ten opzichte van de categorieën pijn of letsel om uitzonderingssituaties zal gaan. Gevoegd bij de wat omslachtige omschrijving, ligt het dan voor de hand dat in arresten waarin deze categorie geen rol van betekenis speelt deze niet afzonderlijk is gerubriceerd.

22. Ik keer terug naar de onderhavige zaak. Het hof heeft bewezen verklaard dat de beide vissers ten gevolge van de duw in het water pijn hebben ondervonden. De vraag rijst vervolgens of dit onderdeel van de bewezenverklaring uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij stel ik voorop dat de enkele omstandigheid dat iemand in het water wordt geduwd - ook al is dat water koud - nog geen pijn hoeft mee te brengen. Het duwen in het water komt in velerlei varianten voor, van jeugdig vermaak onder vrienden in een zwembad tot een fatale onvrijwillige duw van meer dan een meter hoog in ijskoud water, net boven het vriespunt, zoals aan de orde was in HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3606.12 In een aantal gevallen zal een duw in het water geen pijn ten gevolge hebben, in andere wel, bijvoorbeeld in een situatie waarin de betrokkene van betrekkelijk hoge afstand in het water wordt geduwd en ongelukkig neerkomt.

23. In geval bewezen is verklaard dat de aangever ten gevolge van de duw in het water pijn heeft ondervonden, zoals in de onderhavige zaak, dient zulks uit de bewijsmiddelen te kunnen worden afgeleid. Bewezen verklaard is dat de verdachte de beide aangevers in het water heeft geduwd. Uit hun tot het bewijs gebezigde getuigenverklaringen volgt niet dat zij aan de duw in het water pijn hebben overgehouden. Wel verklaren zij over de kracht van de duw ( "erg hard" respectievelijk "een redelijke zet"), die in elk geval zodanig was dat de aangevers (voorover) in het water vielen. Ook volgt uit de bewijsmiddelen dat het water - op 31 oktober - koud was. Ten slotte had de aangever veel moeite weer op het plateau te komen.

24. Het oordeel van het hof dat in dezen sprake was van een min of meer hevige onaangename, op het lichaam betrokken gewaarwording acht ik niet onbegrijpelijk. Dat gevolg is echter niet ten laste gelegd en maakt derhalve evenmin onderdeel uit van de bewezenverklaring. De conclusie van het hof dat daarmee tevens is bewezen dat de aangevers pijn hebben ondervonden, berust naar mijn mening op een onjuiste lezing van het genoemde arrest uit 1929 en kan niet zonder meer uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. De omstandigheid dat de verdachte de aangevers met enige kracht heeft geduwd is daarvoor niet voldoende.13 Ook uit de omstandigheden dat het water koud was en dat één van hen moeite had weer op het plateau te komen, kan nog niet worden afgeleid dat zij ten gevolge van de duw in het water pijn hebben ondervonden. In het arrest van 10 juni 1924, NJ 1924, p. 905 overwoog de Hoge Raad dat het opzettelijk en gewelddadig aangrijpen en in de sloot werpen van iemand in de regel pijn en letsel ten gevolge zal hebben. In die zaak had de aangever echter tevens verklaard dat het vastgrijpen hem pijn deed en dat hij, na met moeite uit de sloot te zijn gekomen, nog geruime tijd daarna pijn in zijn rug had. Los van de vraag of het "gewelddadig aangrijpen" en het geven van een duw in dit verband kunnen worden gelijkgeschakeld, verschilt de onderhavige zaak van die uit 1924 daarin dat de aangevers niets verklaren over pijn die de duw in het water zou hebben veroorzaakt. De hoogte van het plateau - 40 centimeter - vormt daarvoor ook geen aanwijzing.

25. Het voorafgaande betekent dat de bewezenverklaring van de feiten 1 en 3, voor zover inhoudende "waardoor deze pijn heeft ondervonden", onvoldoende met redenen is omkleed. Het middel is terecht voorgesteld.

26. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof niet de redenen heeft opgegeven die hebben geleid tot de afwijking van het standpunt van de verdediging ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen.

27. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 maart 2013 blijkt dat de raadsman van de verdachte naar aanleiding van de vorderingen van de benadeelde partijen het volgende heeft aangevoerd:

"De vordering van de benadeelde partij die mondeling ter terechtzitting in eerste aanleg is gedaan, is niet onderbouwd met bewijsmiddelen. Laat staan dat de schade is ontstaan door het handelen van mijn cliënt. Dit geldt ook voor de vordering van de andere benadeelde partij. De immateriële delen dienen te worden afgewezen. In het geval dat het hof toch tot een bewezenverklaring komt, dienen de vorderingen van de benadeelde partijen te worden afgewezen."

28. Het hof heeft de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen tot bedragen van € 750,00 ([betrokkene 1]) en € 1.000 ([betrokkene 2]). Het hof heeft ter zake het volgende overwogen:

"Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 850,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 750,-. De eerste rechter heeft daarbij rekening gehouden met afschrijvingen op de waarde van de goederen waarvan schadevergoeding gevorderd wordt. De benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven zich te kunnen vinden in het bedrag dat door de rechtbank is toegewezen. Het hof heeft in hoger beroep derhalve te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 750,-, bestaande uit € 500,- aan materiële schade en € 250,- aan immateriële schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Het hof verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

(…)

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.333,47. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 1000,-, bestaande uit € 750,- aan materiële schade en € 250,- aan immateriële schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof heeft hierbij rekening gehouden - zoals ook door de verdediging betoogd - met de afschrijvingen op de waarde van de goederen waarvan schadevergoeding wordt gevorderd. Anders dan bij de benadeelde partij [betrokkene 1] had de eerste rechter hier nog geen rekening mee gehouden. Het hof verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen."

29. Op grond van art. 51f, eerste lid, Sv14 kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Er is sprake van rechtstreekse schade zoals bedoeld in deze bepaling, indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd.15 Voorts kan uit de geschiedenis van de totstandkoming van art. 51a, eerste lid (oud), Sv16 worden afgeleid dat ter beoordeling of de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit is vereist dat in de tenlastelegging de gedraging is omschreven die de schade heeft veroorzaakt. De schade behoeft niet in de tenlastelegging te zijn vermeld.17 In geval aan de benadeelde partij geen rechtstreekse schade is toegebracht door het bewezen verklaarde of gevoegde feit, zal zij in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard (art. 361, tweede lid, aanhef en onder b, Sv). In dat geval kan de benadeelde partij haar vordering alsnog bij de burgerlijke rechter aanhangig maken.

30. Voor zover het middel de klacht bevat dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op het betoog van de raadsman dat de benadeelde partijen vanwege de complexiteit van hun vorderingen daarin niet-ontvankelijk zouden moeten worden verklaard, faalt het, omdat uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet blijkt dat het in het middel weergegeven standpunt ter zitting is ingenomen.

31. Voor zover het middel tot uitgangspunt neemt dat het hof het verweer dat rekening moet worden gehouden met afschrijvingen heeft verworpen, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het derhalve feitelijke grondslag. Het hof heeft immers - "zoals ook door de verdediging betoogd" - rekening gehouden met afschrijvingen op de waarde van de betrokken goederen. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.

32. Door de verdediging is de vordering betwist en is daartoe aangevoerd dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet zijn onderbouwd met bewijsmiddelen. Uit het door de benadeelde partij [betrokkene 2] ingevulde schadeopgaveformulier misdrijven volgt dat het bedrag aan gevorderde materiële schade bestaat uit de kosten van een iphone, herenschoenen, een colbert, een herenjas en boeken en leren portemonnee die ook te water zijn geraakt. De benadeelde partij [betrokkene 1] heeft ter zitting in eerste aanleg een vordering ingediend. De gestelde materiële schade bestaat uit het onbruikbaar worden van zijn telefoon en schoenen, terwijl de broek en jas door het op de kant klimmen zijn beschadigd. Daarnaast is de vergoeding van immateriële schade gevorderd. Namens de verdachte is hiertegen slechts ingebracht dat de vordering van [betrokkene 1] niet is onderbouwd met bewijsmiddelen en is het causaal verband tussen de schade en het handelen van de verdachte met een enkel woord betwist. Gelet op de onderbouwing van de vorderingen en het ontbreken van een concreet onderbouwd verweer ter zake, acht ik het oordeel van het hof dat sprake is van rechtstreekse schade niet onbegrijpelijk, terwijl het toereikend is gemotiveerd. Daarbij merk ik nog op dat de wet de eis dat een vordering moet worden onderbouwd met "bewijsmiddelen" niet kent. Voldoende is dat opgave wordt gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust (art. 51g, eerste en derde lid, Sv).

33. Het middel faalt

34. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

35. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, ten aanzien van de bewezenverklaring onder 1 en 3 en de strafoplegging, teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In art. 82 Sr wordt wel tot uitdrukking gebracht wat mede onder ‘zwaar lichamelijk letsel’ moet worden begrepen in de zin van (onder meer) art. 300, tweede lid, Sr.

2 H.J. Smidt II (1891), p. 475.

3 HR 25 juni 1894, W. 6534.

4 In dit verband zou ook kunnen worden gewezen op HR 21 oktober 1935, NJ 1935, 125, waarin de Hoge Raad overweegt dat in art. 300 Sr besloten ligt dat de iemand aangedane feitelijkheden pijn of letsel aan diens lichaam of gezondheid hebben veroorzaakt.

5 Ook in het arrest uit 1894 was in cassatie niet de centrale vraag welke gevolgen onder mishandeling zijn te scharen.

6 In deze zin ook de noot onder het arrest, alsook J.M. van Bemmelen en W.F.C. van Hattum, Hand- en leerboek van het Nederlandse strafrecht, 1954, p. 224 en Van Bemmelen/Van Veen, Het materiële strafrecht, deel 3, achtste druk (1990), p. 39.

7 In Van Bemmelen/Van Veen, Het materiële strafrecht, deel 3, achtste druk (1990), p. 39 wordt opgemerkt dat psychische “mishandeling” door sarren, vitten en kleineren niet onder art. 300 Sr. Valt. Zie ten aanzien van louter psychisch leed: Y.G.M. Baaijens-van Geloven, Is psychische mishandeling strafbaar?, in: Systeem in ontwikkeling (liber amicorum Knigge), 2005, p. 5-21.

8 Rechtbank Den Haag 25 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO5136.

9 A.w., p. 228.

10 Zie ook de conclusie van AG Berger voorafgaand aan HR 12 december 1967, ECLI:NL:HR:1967:AB4598, NJ 1970, 314, onder verwijzing naar de dissertatie van B. van der Haak uit 1883.

11 Schönke-Schröder, Strafgesetzbuch, 223.3.

12 Eén van de twee slachtoffers overleed. In cassatie was slechts de vrijspraak van de ten laste gelegde moord en doodslag aan de orde. De veroordeling ter zake van mishandeling van het tweede slachtoffer werd in cassatie niet bestreden. Zie voor het veroordelend arrest Gerechtshof te ’s-Gravenhage 12 augustus 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BN3605.

13 HR 23 november 1931, NJ 1932, p. 279.

14 Deze voorziening was tot 1 januari 2011 opgenomen in art. 51a, eerste lid, (oud) Sv.

15 Vgl. de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2004/05, 30 143, nr. 3, p. 9) bij de Wet van 17 december 2009 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Wet schadefonds geweldsmisdrijven ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces (Stb. 2010, 1) en HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:118, rov. 3.7, HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0095, NJ 2011/94, rov. 3.2.6, HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7077, NJ 2008/468 m.nt. Borgers, rov. 4.3 en HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4007, NJ 2006/263, rov. 3.3.1.

16 Zie de memorie van toelichting (Kamerstukken II 1989-1990, 21 345, nr. 3, p. 17) bij de Wet van 23 december 1992 tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven en andere wetten met voorzieningen ten behoeve van slachtoffers van strafbare feiten (Stb. 1993, 29).

17 Vgl. HR 29 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7013, rov. 3.5.