Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1656

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-06-2014
Datum publicatie
30-09-2014
Zaaknummer
12/03917
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2847
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Ontoelaatbare correctie op schatting w.v.v. en opgelegde betalingsverplichting in de aanvulling a.b.i. art. 365a Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2011:ZD2267. HR doet de zaak zelf af en verbetert de kennelijke misslag. Na correctie leidt dit tot een lagere schatting van het w.v.v. en een lagere opgelegde betalingsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/03917 P

Mr. Bleichrodt

Zitting: 24 juni 2014

Conclusie inzake:

[betrokkene]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij uitspraak van 10 augustus 2012 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.800,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

2. Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld. Mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3. Het eerste middel houdt in dat het wederrechtelijk verkregen voordeel niet kan voortvloeien uit de gebezigde bewijsmiddelen en dat het hof zulks op onjuiste wijze heeft trachten te corrigeren in de aanvulling op de verkorte uitspraak.

4. De betrokkene is bij vonnis van de Rechtbank Haarlem van 14 november 2005 veroordeeld wegens - samengevat – het plegen en medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, en diefstal in vereniging, eveneens meermalen gepleegd. Deze veroordeling staat aan de basis van de onderhavige ontnemingsprocedure. Het hof heeft in de bestreden uitspraak geoordeeld dat de betrokkene door middel van of uit de baten van deze bewezen verklaarde feiten wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. In de verkorte uitspraak heeft het hof het voordeel vastgesteld op € 8.690,00. Het hof heeft vastgesteld dat in verschillende fasen van de ontnemingsprocedure de redelijke termijn is overschreden en heeft deze overschrijdingen gecompenseerd door de betalingsverplichting aan de Staat vast te stellen op een bedrag dat 10% lager ligt dan het geschatte voordeel, te weten – afgerond - op € 7.800,00. In de aanvulling op de verkorte uitspraak heeft het hof de bewijsmiddelen opgenomen, alsmede de volgende nadere overweging:



“Het hof merkt voorts het volgende op. Het hof heeft in het verkorte arrest het wederrechtelijk verkregen voordeel uit zaaksfeit 34 berekend op het aankoopbedrag van een camera, te weten € 355,99, vermeerderd met een derde van het bedrag van € 1.425,80 alsof dit de opgetelde waarde van de overige gekochte goederen zou zijn. Abusievelijk is echter in het bedrag van € 1.425,80 eveneens het aankoopbedrag van voorbedoelde camera opgenomen. Het voordeel uit dit zaaksfeit had geschat moeten worden op:

€ 355,99 (camera)

€ 355,99

€ 1069,81 (overige goederen)/ 3 veroordeelden

€ 356,60

Totaal

712,59


Het totale door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel had, gelet op voorstaande, geschat moeten worden op € 8.572,10.”

5. De steller van het middel verzoekt Uw Raad de vaststelling van het aan de betrokkene te ontnemen bedrag te verbeteren en de betalingsverplichting aan te passen. Uit de toelichting op het middel kan worden afgeleid dat met het middel in het bijzonder een nadere correctie in verband met de overschrijding van de redelijke termijn wordt beoogd.

6. De verkorte uitspraak houdt in dit verband het volgende in:

Verplichting tot betaling aan de Staat

Het hof is van oordeel dat aan de veroordeelde in beginsel, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting dient te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag overeenkomstig het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, te weten € 8.690. Het hof is evenwel van oordeel dat de redelijke termijn voor de behandeling van de ontnemingszaak is overschreden. Immers, is het vonnis waarvan beroep op 4 juli 2008 gewezen, zijnde een tijdstip gelegen meer dan twee jaar na de betekening in persoon aan de veroordeelde van de ontnemingsvordering op 18 mei 2006, zodat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in eerste aanleg is overschreden. Nadat dit vonnis is gewezen zijn wederom meer dan twee jaar verstreken tot het hof bij onderhavig arrest einduitspraak doet op het hoger beroep. Het hof zal, nu dit hem redelijk voorkomt, deze overschrijding compenseren door de betalingsverplichting aan de Staat vast te stellen op een bedrag tien procent lager dan het geschatte voordeel te weten op –afgerond- € 7.800.”

7. Ik stel voorop dat art. 365a Sv ingevolge art. 511g, tweede lid, Sv, in verbinding met art. 415 Sv, ook van toepassing is op de ontnemingsprocedure in hoger beroep. Dit betekent dat alle beslissingen omtrent de opgelegde maatregel dienen te worden opgenomen in de verkorte uitspraak en dat de daartoe gebezigde bewijsmiddelen, met inbegrip van eventuele nadere overwegingen omtrent het bewijs, mogen worden opgenomen in de aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv.1 In het arrest van 23 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2267 heeft de Hoge Raad, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis, overwogen dat wijziging van het ontnemingsbedrag in de aanvulling op de verkorte uitspraak niet mogelijk is. De Hoge Raad constateerde dat sprake was van een kennelijke misslag en verbeterde ambtshalve de schatting van het voordeel en de vaststelling van het aan de betrokkene te ontnemen bedrag.

8. Het hof heeft in de aanvulling op de verkorte uitspraak buiten twijfel gesteld dat ten aanzien van de berekening van het voordeel sprake is geweest van een misslag. Aldus is sprake van een onvolkomenheid in de verkorte uitspraak, die niet met een overweging in de aanvulling op de uitspraak kan worden hersteld.2 Het middel klaagt daarover terecht. Uit de bestreden uitspraak valt voorts af te leiden dat deze misslag voor de betrokkene een nadelige uitwerking heeft gehad op de betalingsverplichting. Het hof is immers uitgegaan van een vermindering van de betalingsverplichting met 10% wegens overschrijding van de redelijke termijn. In geval de kennelijke misslag in de berekening wordt gecorrigeerd, resteert door de vermindering met 10% een lager bedrag bij wijze van betalingsverplichting, te weten € 7.714,89. Ik geef Uw Raad in overweging de bestreden beslissing te vernietigen, het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 8.572,10 vast te stellen en het bedrag waartoe aan de betrokkene de verplichting tot betaling is opgelegd ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel te verminderen tot € 7.714,89.

9. Het tweede middel klaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase.

Het middel klaagt hierover terecht. Namens de betrokkene is op 15 augustus 2012 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn eerst op 18 december 2013, dus nadat meer dan acht maanden waren verstreken, ter griffie bij de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM overschreden. Dat moet leiden tot vermindering van de betalingsverplichting.

10. Beide middelen slagen. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de bestreden uitspraak zou moeten vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

11. Deze conclusie strekt ertoe dat Uw Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend ten aanzien van het ter ontneming vastgestelde bedrag en de aan de betrokkende opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, dat Uw Raad het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel zal bepalen op een bedrag van € 8.572,10 en het bedrag waartoe aan de betrokkene de verplichting tot betaling is opgelegd zal verminderen tot € 7.714,89 en voorts naar de gebruikelijke maatstaf, met verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 30 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1929, NJ 2000, 475 en HR 8 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9338, NJ 2007, 296.

2 Daarbij merk ik nog op dat geen sprake is van een zogenoemd herstelarrest als bedoeld in HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7243, NJ 2012, 248 en HR 10 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8778, NJ 2012, 249, m.nt Borgers.