Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:165

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-01-2014
Datum publicatie
18-03-2014
Zaaknummer
12/04304
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:642, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Doorzoeking. ’s Hofs oordeel dat met het openen van een niet afgesloten roldeur van een koelruimte in de bedrijfshal, welke de toegang gaf tot die in het pand aanwezige ruimte met een afmeting van ongeveer vijf bij zes meter, en het vervolgens betreden van die ruimte, geen sprake is geweest van een doorzoeking, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, nu de bevoegdheid tot het binnentreden in een perceel omvat de bevoegdheid om zich de doorgang in dat perceel te verschaffen (vgl. ECLI:NL:HR:2003:AH9998).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/04304

Zitting: 21 januari 2014

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 24 augustus 2012 door het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch wegens “Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora-en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een geldboete van € 10.000,-, subsidiair 85 dagen hechtenis.

2. Namens verzoeker heeft mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel komt op tegen ’s Hofs oordeel dat bij het onderzoek van het bedrijfspand van verzoeker geen activiteiten zijn verricht die meer omvatten dan “zoekend rondkijken”.

4. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

(...)

De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de ontdekking van de zeehonden in een koelcel in het bedrijfspand van verdachte een voortvloeisel is van een onrechtmatige doorzoeking. Volgens de raadsman hadden de verbalisanten niet de bevoegdheid om in het bedrijfspand de deur van de koelcel te openen nu dit neer komt op doorzoeken en zij op grond van artikel 20 van Wet op de economische delicten slechts de bevoegdheid hadden om zoekend rond te kijken. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft de raadsman gewezen op het arrest van dit hof van 26 januari 2012 met parketnummer 20-004653-10. Aldus is volgens de raadsman sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en dienen de resultaten die naar aanleiding van de onrechtmatige doorzoeking zijn verkregen van het bewijs te worden uitgesloten. De raadsman heeft geconcludeerd dat bij gebrek aan voldoende overig bewijs niet kan worden bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de bevoegdheid tot het binnentreden in een perceel de bevoegdheid omvat om zich de doorgang in dat perceel te verschaffen (vgl. HR 18 november 2003, LJN AL6238).

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van de processtukken stelt het hof het volgende vast:

- Op 30 december 2010 heeft verbalisant [verbalisant 1] een anonieme melding ontvangen met onder meer als inhoud: “[verdachte], [a-straat 1] in Venlo heeft twee zeehondjes in een koelcel in zijn vishandel zitten [...].”

- Naar aanleiding van deze anonieme melding heeft verbalisant [verbalisant 1], tezamen met collega [verbalisant 2] en controleur natuurbescherming bij de Algemene inspectiedienst [verbalisant 3], op 4 januari 2011 een onderzoek ingesteld bij het bedrijfspand van de verdachte op het adres [a-straat 1] te Blerick (gemeente Venlo) en op grond van artikel 20 van de Wet op de economische delicten zonder toestemming van de verdachte het bedrijfspand betreden.

- Via een klein halletje heeft verbalisant [verbalisant 1] een bedrijfshal betreden, alwaar hij zag dat binnen deze bedrijfshal een laagbouw was gesitueerd. In deze laagbouw waren circa zes roldeuren bevestigd. Boven elke roldeur was een thermometer aangebracht. Op grond hiervan is bij verbalisant [verbalisant 1] het vermoeden ontstaan dat zich achter de roldeuren koelruimten zouden bevinden. Verbalisant [verbalisant 1] zag dat één van deze roldeuren open stond en dat de achterliggende koelruimte ongeveer 5 bij 6 meter groot was.

- Verbalisant [verbalisant 1] voelde dat de roldeur van een van de koelruimten, de ruimte met het opschrift “Cel C”, niet was afgesloten en dat de thermometer boven deze koelruimte een temperatuur aangaf tussen 5 en 6 graden.

- Vervolgens heeft verbalisant [verbalisant 1] de roldeur met het opschrift “Cel C” geopend. In de betreffende ruimte, eveneens een koelruimte met de afmetingen 5 bij 6 meter, stond een grote ijzeren bak met water en werden twee zeehonden aangetroffen.

Op grond van de inhoud van de anonieme melding waarin wordt gesproken van een koelcel, de omstandigheid dat in een bedrijfshal in het bedrijfspand van de verdachte een laagbouw was die was voorzien van zes roldeuren met daarboven telkens een thermometer aangebracht en de omstandigheid dat één van deze roldeuren was geopend en dat de betreffende koelruimte een afmeting had van ongeveer 5 bij 6 meter, heeft verbalisant [verbalisant 1] redelijkerwijs kunnen veronderstellen dat zich ook achter de roldeur met het opschrift “Cel C” een koelruimte met vergelijkbare afmetingen zou bevinden. In het kader van het binnentreden op grond van artikel 20 van de Wet op de economische delicten was verbalisant [verbalisant 1] vervolgens bevoegd de roldeur van deze koelruimte te openen en zich aldus de toegang tot een in het pand aanwezige ruimte te verschaffen. Met name gelet op de omstandigheid dat het een koelruimte betrof met de afmeting van ongeveer 5 bij 6 meter, is van een situatie die vergelijkbaar is met het openen van een kast, zoals door de raadsman is betoogd, dan ook geen sprake.

Bij het onderzoek van het bedrijfspand zijn derhalve geen activiteiten verricht die meer omvatten dan “zoekend rondkijken”. Mitsdien is het hof van oordeel dat geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim en dat de resultaten die naar aanleiding van het binnentreden in het bedrijfspand van de verdachte zijn verkregen voor het bewijs kunnen worden gebruikt.”1

5. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het openen van deuren die dicht zijn een verrichting is die verder gaat dan “zoekend rondkijken” waartoe art. 20 Wet op de economische delicten (hierna: WED) uitsluitend de bevoegdheid verleent.

6. Artikel 20 WED luidt:

“De opsporingsambtenaren hebben in het belang van de opsporing toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.”

7. Het Hof heeft vastgesteld dat verbalisant [verbalisant 1] op grond van art. 20 WED zonder toestemming van verzoeker het bedrijfspand aan de [a-straat 1] te Blerick heeft betreden, dat hij via een klein halletje de bedrijfshal heeft betreden, en dat hij vervolgens de – niet afgesloten - roldeur met het opschrift “Cel C” heeft geopend, en in de achter deze roldeur gelegen koelruimte een grote ijzeren bak met water met daarnaast op een verhoging de twee zeehonden (bewijsmiddel 1), heeft aangetroffen.

8. Hier dringt zich een vergelijking op met het bepaalde in art. 9 eerste lid aanhef en onder b van de Opiumwet:

“De opsporingsambtenaren hebben, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, toegang:

a. (…);

b. tot de plaatsen waar een overtreding van deze wet gepleegd wordt of waar redelijkerwijs vermoed kan worden dat zodanige overtreding gepleegd wordt.”

9. In zijn arrest van 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AH9998, NJ 2007/9 m.nt. Mevis heeft de Hoge Raad met betrekking tot het samenstel van bepalingen in de Opiumwet en de Algemene wet op het binnentreden het volgende overwogen:

“4.6. Het middel steunt op de opvatting dat een machtiging tot binnentreden de opsporingsambtenaar slechts de bevoegdheid geeft de woning zonder toestemming van de bewoner binnen te treden doch niet de bevoegdheid na de binnentreding een deur te verbreken die toegang geeft tot het vertrek waar het delict wordt gepleegd of redelijkerwijze vermoed kan worden dat het wordt gepleegd. Het middel beroept zich daartoe onder meer op de hiervoor onder 4.4 sub (a) weergegeven Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot herziening van het gerechtelijk vooronderzoek, inhoudende dat activiteiten die verder gaan dan "zoekend rondkijken" moeten worden aangemerkt als een "doorzoeking", waartoe een opsporingsambtenaar niet bevoegd is.

4.7. Die opvatting van het middel kan niet als juist worden aanvaard, in aanmerking genomen dat het voorbehoud met betrekking tot afgesloten vertrekken - zoals daarvan blijkt uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot herziening van het gerechtelijk vooronderzoek - niet in enige wettelijke bepaling is neergelegd, ook niet in Titel VI van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering inzake de betekenis van sommige in het wetboek voorkomende uitdrukkingen, en niet heeft geleid tot aanpassing van art. 9 Awbi. Volgens de duidelijke bewoordingen van die bepaling - waarop ook ambtenaren van politie en justitie moeten kunnen afgaan - kan degene die bevoegd is de woning zonder toestemming van de bewoner binnen te treden, zich de toegang tot en de doorgang tot enig vertrek in de woning verschaffen, voorzover het doel van het binnentreden dit redelijkerwijs vereist. Daaronder valt ook het forceren van de (tussen)deur van een vertrek. Dat laat onverlet dat de opsporingsambtenaar niet gerechtigd is om daarna dat vertrek te doorzoeken, dus meer te doen dan "zoekend rondkijken".”2

10. Ik meen dat er geen gronden zijn om in de onderhavige zaak anders te oordelen, gelet op de grote gelijkenis tussen het bepaalde in art. 20 WED en het bepaalde in art. 9 eerste lid aanhef en onder b Opiumwet. Daarbij neem ik in aanmerking dat het Hof tevens heeft vastgesteld – en dit punt wordt door de steller van het middel niet bestreden - dat de roldeur met het opschrift “Cel C” niet was afgesloten. Het oordeel van het Hof dat verbalisant [verbalisant 1] in het kader van het binnentreden op grond van art. 20 WED bevoegd was de roldeur met het opschrift “Cel C” te openen en zich aldus de toegang tot deze in het bedrijfspand aanwezige ruimte te verschaffen, geeft dan ook niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. En het oordeel van het Hof dat bij het onderzoek van het bedrijfspand van verzoeker geen activiteiten zijn verricht die meer omvatten dan “zoekend rondkijken” acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat de twee zeehonden zonder gericht zoeken in de achter de roldeur met het opschrift “Cel C” bevindende koelruimte op een verhoging naast de aldaar aanwezige waterbak zijn aangetroffen.

11. Het middel faalt.

12. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Op p.3 van de aanvulling met bewijsmiddelen als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn de vindplaatsen vermeld van de in de nadere bewijsoverweging vermelde anonieme melding, het betreden van het pand zonder toestemming en het onderzoek in het bedrijfspand.

2 Zie met betrekking tot art. 9 Opiumwet ook HR 18 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6238: het oordeel van het Hof dat het verschuiven van enkele dozen om de toegang tot een daarachter gelegen deur vrij te maken en vervolgens de daarachter gelegen ruimte te betreden, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, nu de bevoegdheid tot het binnentreden in een perceel de bevoegdheid omvat om zich de doorgang in dat perceel te verschaffen (welk oordeel in het licht van de in die zaak gebezigde bewijsmiddelen volgens de Hoge Raad ook niet onbegrijpelijk was). Vgl. voorts HR 25 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6419 en HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO8202.