Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1638

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-07-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
14/02841
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2825, Gevolgd
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. WSNP. Afwijzing van verzoek om toepassing schuldsaneringsregeling. Art. 288 lid 1 sub b Fw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

14/02841

Mr. L. Timmerman

Zitting 11 juli 2014

Conclusie inzake:

[verzoeker],

verzoeker tot cassatie

1 Feiten en procesverloop

1.1

Verzoeker tot cassatie (“[verzoeker]”) heeft, nadat zijn faillietverklaring was gevraagd, op 9 januari 2014 de rechtbank Limburg, nevenzittingsplaats ‘s-Hertogenbosch verzocht om toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft bij vonnis van 2 april 2014 dit verzoek afgewezen.

1.2

De afwijzing door de rechtbank is gebaseerd op art. 288 lid 1 sub b Fw, ingevolge welke bepaling een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (onder meer) slechts wordt toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

1.3

[verzoeker] is van het vonnis van de rechtbank bij het hof ‘s-Hertogenbosch in hoger beroep gekomen.

1.4

Bij arrest van 22 mei 2014 heeft het hof voornoemd vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

1.5

Vaststaat dat [verzoeker] een schuldenlast heeft van in totaal (ten minste) € 209.365,75. Het betreffen schulden aan onder andere de SNS Bank, de Rabobank en aan ex-cliënten van het advocatenkantoor van [verzoeker]. Er is geen minnelijk traject gestart.

1.6

Het hof overweegt (in rov. 3.5.1) allereerst dat het bij art. 288 lid 1 sub b Fw gaat om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

1.7

Twee schuldeisers van [verzoeker] (de Rabobank Maastricht e.o. (“de Rabobank”) en Infomedics Advocatenkabinet B.V. (factoring) (“Infomedics”)) hebben in eerste aanleg de rechtbank verzocht om [verzoeker] niet toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. De Rabobank heeft zich gebaseerd op een vonnis van de rechtbank Limburg van 9 oktober 2013, waarin [verzoeker] is veroordeeld om een bedrag van € 24.322,33 aan de Rabobank te betalen. Infomedics heeft zich gebaseerd op een vonnis van de rechtbank Limburg van 4 december 2013, waarin [verzoeker] in privé aansprakelijk is geoordeeld als bestuurder van [A] B.V. (“[A]”) voor het niet betalen van een schuld van [A] aan Infomedics.

In hoger beroep heeft [verzoeker] zich op het standpunt gesteld dat de beginselen van een goede procesorde zijn geschonden, omdat hij geen kennis heeft kunnen nemen van de correspondentie van de Rabobank en van Infomedics en hij derhalve geen behoorlijk verweer heeft kunnen voeren.

Het hof overweegt (in rov. 3.5.2) dat [verzoeker] inmiddels de beschikking heeft gekregen over de ontbrekende correspondentie en deze correspondentie alsnog bij brief van 2 mei 2014 bij het hof in het geding heeft gebracht. Ter zitting in hoger beroep heeft (aldus het hof) [verzoeker] alsnog de gelegenheid gehad om zich tegen de inhoud daarvan te verweren, zodat in zoverre zijn grieven niet kunnen slagen.

1.8

In rov. 3.5.3.1-3.5.3.4 en rov. 3.6 overweegt het hof dat door [verzoeker] niet dan wel onvoldoende is voldaan aan de eisen van art. 285 Fw, te weten het overleggen van een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke regeling te komen (lid 1 sub f) en van een overzicht van de schulden. Op grond hiervan overweegt het hof dat het niet kan toetsen of [verzoeker] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden en komt het tot de conclusie dat [verzoeker] niet tot de schuldsaneringsregeling kan worden toegelaten.

1.9

[verzoeker] is van voornoemd arrest bij verzoekschrift, op 30 mei 2014 per fax bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen en dus tijdig, in cassatie gekomen.1

2 Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1

Het verzoekschrift in cassatie bevat vijf middelen, aangeduid als onderdelen I2-V.

2.2

Onderdeel I refereert aan rov. 3.5.2 van het hof met betrekking tot de ontbrekende correspondentie, waarover [verzoeker] (aldus het hof) inmiddels de beschikking heeft gekregen. Het middel klaagt dat het hof is voorbijgegaan aan de grief van [verzoeker] onder 9 van zijn verzoekschrift in hoger beroep. Deze grief was gericht tegen rov. 2.1 van de rechtbank, waarin de rechtbank onder verwijzing naar een beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 13 december 2012 overweegt dat vaststaat dat [verzoeker] terecht als bewindvoerder is ontslagen. Het betoog van [verzoeker] in hoger beroep komt erop neer dat zijn (in zijn ogen: onterecht) ontslag als bewindvoerder nog niet meebrengt dat hij niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden.

2.3

Het middel faalt, omdat de desbetreffende grief niet is aan te merken als een essentiële stelling. Het hof gaat in rov. 3.5.3.1-3.5.3.4 in op een aantal omstandigheden (het ontbreken van een verklaring omtrent een buitengerechtelijke regeling en van een overzicht van de schulden) en komt op grond hiervan tot het – zelfstandig dragende – oordeel dat het niet kan toetsen of [verzoeker] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden en dat [verzoeker] derhalve niet tot de schuldsaneringsregeling kan worden toegelaten. Gelet hierop behoefde het hof niet in te gaan op de grief ten aanzien van het ontslag van [verzoeker] als bewindvoerder.

2.4

Met onderdeel II klaagt het middel dat het hof met zijn overweging in rov. 3.5.2 dat [verzoeker] alsnog de gelegenheid heeft gehad om zich tegen de inhoud van de oorspronkelijk ontbrekende correspondentie te verweren, heeft miskend dat het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor (zoals opgenomen in art. 19 Rv) een materiële inhoud heeft en heeft nagelaten om dit in de onderhavige zaak te beoordelen.

2.5

Het middel kan niet slagen, niet alleen gezien het (hierboven al aangehaalde) zelfstandig dragende oordeel van het hof in rov. 3.5.3.1-3.5.3.4 en rov. 3.6, maar ook omdat niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd is de overweging van het hof in rov. 3.5.2 dat [verzoeker] de desbetreffende correspondentie alsnog bij brief van 2 mei 2014 in het geding heeft gebracht en ter zitting in hoger beroep (op 14 mei 2014) alsnog de gelegenheid heeft gehad om zich tegen de inhoud daarvan te verweren, zodat zijn grieven op dit punt niet kunnen slagen. Van miskenning van het beginsel van hoor en wederhoor is geen sprake, noch van (zoals door het middel ook aangehaald) art. 6 EVRM (recht op een eerlijk proces) jo. art. 47 EU Handboek [Handvest, A-G] van de grondrechten (recht op een doeltreffende voorziening in rechte), omdat [verzoeker] de oorspronkelijk ontbrekende correspondentie alsnog heeft ontvangen, zelf in het geding heeft kunnen brengen en voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om hierop te reageren.

2.6

Onderdeel III is gericht tegen rov. 3.5.3.1 en 3.5.3.2 van het hof, waarin het hof oordeelt dat de verklaring van de schuldhulpverlener van [verzoeker] dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke regeling te komen, te summier en onvoldoende onderbouwd is. Het hof wijst in dit verband op een aantal omvangrijke vorderingen die [verzoeker] stelt te hebben op (o.a.) de Staat en Nationale Nederlanden en acht geen afdoende verklaring aanwezig waarom er geen aflosmogelijkheden zijn. Het middel klaagt dat dit oordeel van het hof onbegrijpelijk is gelet op de verklaringen die namens [verzoeker] in het geding zijn gebracht.

2.7

De door het middel in onderdeel III aangehaalde verklaringen hebben betrekking op de oorzaak van de schuldenproblematiek van [verzoeker], te weten (kort gezegd en volgens [verzoeker]) zijn onrechtmatig c.q. onterecht ontslag als bewindvoerder. Anders dan het middel betoogt, blijkt uit deze verklaringen niet dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke regeling te komen. Niet onbegrijpelijk is dat het hof uit deze verklaringen geen onderbouwing voor het uitblijven van een buitengerechtelijke regeling kon afleiden. Het middel kan dan ook niet slagen.

2.8

Onderdeel IV is gericht tegen de verwijzing door het hof in rov. 3.5.3.2 naar een conclusie vóór een arrest van de Hoge Raad van 13 december 20133. In de conclusie wordt onder 2.2 ten aanzien van de verklaring ex art. 285 lid 1 sub f Fw opgemerkt dat deze met voldoende redenen moet zijn omkleed, omdat aan de rechter op goed onderbouwde wijze duidelijk moet worden gemaakt dat en waarom het treffen van een regeling in der minne niet mogelijk is gebleken. De Hoge Raad heeft de zaak afgedaan op grond van art. 81 lid 1 RO.

2.9

Het middel betoogt dat omdat de Hoge Raad de zaak heeft afgedaan op grond van art. 81 lid 1 RO, het hof geen rechtskracht kon toekennen aan de conclusie en daarmee een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven. Het middel gaat er echter aan voorbij dat de desbetreffende opmerking in de conclusie geen beantwoording van een rechtsvraag betreft, maar slechts een uitwerking van een wettelijke bepaling. Het hof heeft zijn oordeel dan ook niet gebaseerd op een niet door de Hoge Raad beantwoorde rechtsvraag, maar op een wettelijke bepaling. Het middel faalt.

2.10

Onderdeel V is gericht tegen rov. 3.5.3.3 van het hof, waarin het hof overweegt dat er gerede twijfel bestaat of het schuldenoverzicht wel compleet is, zodat het hof niet kan toetsen of [verzoeker] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden. Het middel klaagt dat het hof de beginselen van een goede procesorde heeft geschonden – met name het beginsel van hoor en wederhoor – door niet ambtshalve aan [verzoeker] een nadere gelegenheid en termijn te gunnen om “mogelijk missende informatie” te verstrekken.

2.11

Bij de bespreking van onderdeel II hierboven is al aan de orde gekomen dat geen sprake is van schending door het hof van het beginsel van hoor en wederhoor. [verzoeker] heeft voldoende tijd en gelegenheid gehad, niet alleen om op de eerder genoemde correspondentie te reageren, maar ook om conform art. 285 Fw een compleet overzicht van zijn schulden over te leggen. Het middel kan dan ook niet slagen.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G L. Timmerman

1 In het verzoekschrift in cassatie is vermeld (op p. 1) dat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof op 14 mei 2014 bij het hof is opgevraagd en dat dit zo spoedig mogelijk zal worden nagestuurd. In het verzoekschrift in cassatie is echter verder geen voorbehoud gemaakt met betrekking tot dit nog te ontvangen proces-verbaal, zodat de inhoud van dit inmiddels (bij fax van de advocaat van [verzoeker] van 17 juni 2014) ontvangen proces-verbaal niet in aanmerking behoeft te worden genomen.

2 Onderdeel I wordt in het verzoekschrift in cassatie kennelijk abusievelijk aangeduid als “Onderdeel 1” in plaats van Onderdeel I.

3 HR 13 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1940.