Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1619

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-06-2014
Datum publicatie
24-09-2014
Zaaknummer
13/05361
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2771, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/05361

Mr. Harteveld

Zitting 17 juni 2014

Conclusie inzake:

[verdachte] 1

1. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 2 oktober 2013 de verdachte ter zake van “medeplegen van poging tot moord” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 537,99, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 10 juni 2011, bij gebreke van betaling te vervangen door tien dagen hechtenis.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en mr. E.G.C. Groenendaal, advocate te Amsterdam, heeft namens hem een schriftuur ingezonden houdende vier middelen van cassatie.

3. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat hij:

“op 10 juni 2011 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, de voordeur van de woning van genoemde [slachtoffer], gelegen aan de [a-straat 1], met benzine heeft ingespoten en een emmer met benzine bij deze voordeur heeft geplaatst en vervolgens een prop papier heeft aangestoken en deze prop papier vervolgens in genoemde emmer heeft gegooid, waardoor voornoemde voordeur vlam vatte, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl bovengenoemde [slachtoffer] zich in voornoemde woning bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”.

4. Deze bewezenverklaring heeft het Hof gemotiveerd met een uitvoerige bewijsoverweging in het arrest, waarbij in de voetnoten wordt verwezen naar de bewijsmiddelen waarop de bewijsmotivering steunt. Samengevat komt deze bewijsvoering op het volgende neer:

5. De verklaringen van de verbalisanten die, na op vrijdag 10 juni rond 2.10 uur gealarmeerd te zijn bij aankomst constateerden dat de voordeur in lichterlaaie stond en dat het glas van de voordeur gebarsten was. De bewoonster, [slachtoffer], heeft aangifte gedaan en verklaarde daarbij, dat zij, na te hebben geconstateerd dat haar voordeur in brand stond, een kennis heeft verzocht bij de woning van medeverdachte [medeverdachte] te gaan kijken. Deze kennis heeft haar per sms bericht dat [medeverdachte] daar om 02:20 uur kwam aanrijden. Aangeefster heeft daarna de beelden bekeken van de camera die boven haar voordeur hing. Zij zag op 10 juni om 02:10:48 uur een persoon weglopen die zij herkende als [medeverdachte].

6. Een buurtbewoner van [slachtoffer] heeft verklaard, dat hij op 10 juni 2011 in de middag een naar benzine riekende spuitbus heeft gevonden waarvan hij vermoedde dat deze bij de brandstichting was gebruikt.

7. De medeverdachte [medeverdachte] werd ongeveer een half uur na de brandstichting aangehouden en heeft bij haar voorgeleiding die nacht reeds verklaard dat zij aan de brandstichting heeft meegedaan. Tegenover de politie heeft [medeverdachte] vervolgens verklaard dat zij op aandringen van en in overleg met verdachte die kort tevoren hun relatie had beëindigd, de brand had gesticht met de bedoeling om het slachtoffer te straffen voor de problemen die zij bij verdachte veroorzaakte. Medeverdachte verklaarde verder dat zij de brand heeft gesticht met behulp van een emmer met benzine en een afwasmiddellenfles gevuld met benzine die verdachte in zijn woning tot dit doel had klaargezet en die zij voorafgaand aan de brandstichting had opgehaald. Medeverdachte heeft naderhand tegenover de politie nog verklaard, dat verdachte het slachtoffer dood wenste althans ernstige schade wilde toebrengen en dat medeverdachte, toen zij de brand stichtte, zich heeft gerealiseerd, dat het slachtoffer mogelijk thuis zou zijn omdat zij een lamp zag branden in de gang althans bij de voordeur.

8. Verdachte heeft na zijn aanhouding verklaard, dat het initiatief tot de brandstichting in gezamenlijk overleg tussen hem en de medeverdachte is ontstaan en dat hij zich bewust was van de mogelijke aanwezigheid van het slachtoffer en haar kinderen in de woning maar dat hij [medeverdachte] uiteindelijk niet heeft belet in het stichten van de brand. De sms-berichten die verdachte naar [slachtoffer] heeft gestuurd en die door het Hof (gedeeltelijk) worden geciteerd, hebben de strekking, dat verdachte het slachtoffer fysiek leed toewenste dan wel wilde toevoegen. Voorts heeft het Hof – zoals weergegeven onder E.4 in het arrest - tot het bewijs gebezigd de inhoud van de sms-berichten die op de telefoons van verdachte en medeverdachte werd aangetroffen. Op de telefoon van verdachte zijn op 10 juni 2011 aan medeverdachte gerichte berichten aangetroffen met de volgende inhoud:

“Goedemorgen schat. Heb mij ook nog verslapen ook nog een half uur te laat maar ben al onderweg naar Venlo zal straks eens kijken naar je meester werk."

en

"Het zal niet waar zijn he. Dat geloof ik toch niet he 48 jarige vrouw uit tegelen aangehouden op verdenking van brand stichting."

Op telefoon(s) van medeverdachte is het volgende aangetroffen:

“8 juni 2011 te 00:04:16 uur: Ik ga die hut in de fik steken ben het gewoon zat met die en als ze me krijgen heb ik pech gehad heb toch niks meer te verliezen

8 juni 2011 te 00:08:20 uur: Die kom jij niet meer tegen en die heeft alles kapot gemaakt

9 juni 2011 te 05:35:31 uur : Of de dood lukt schat dat weet ik niet

9 juni 2011 te 06:54:11 uur: Nu op dit moment is het even belangrijk om de vrede in jou terug te krijgen

9 juni 201 1 te 06:59:42 uur: Ik hoop dat als dat in zuid opgelost is dat jij je rust heb en dat je me toch om me heen kan hebben en wat verdragen

9 juni 2011 te 07:30:56 uur: Het is toch onze keuze die we maken schat

9 juni 2011 te 17:02:48 uur: Hey schatje ik ga dalijk nog een water pistool halen doe daar wat benzine in spuit ik de deur in en wet dan de emmer er voor en een doek tegen de deur [... j vuur er in en weg

9 juni 2011 te 21:04:56 uur: Ik ook schat ga wel straks even bij jou zwart aan trekken

10 juni 2011 te 02:13:03 uur: Gelukt”

9. Voorts heeft het Hof nog de volgende door verdachte aan medeverdachte [medeverdachte] verzonden sms-berichten tot het bewijs gebezigd, die zijn aangetroffen op een telefoon die aan medeverdachte toebehoort:

“9 juni 2011 te 05:31:59: Danke dat jij mij daar bij helpt het doet mij zo veel pijn dat ik mij liefde niet aan je kan geven weetje dat maar heb zo het gevoel dat ze mij nog steeds in de gaten aan het houden is en dat is gewoon een kut gevoel weetje dat of dat ze nog steeds door iemand op de hoogte gehouden word maar ik zou zo niet weten door wie

9 juni 2011 te 05:33:36: Ik hoop echt dat ik vanavond niet thuis kon weetje dat en dat er vrijdag op internet staat huis afgebrand en de bewoner overleden en dan heb ik vrede

9 juni 2011 te 05:38:26: Zal proberen deze nacht niet thuis te zijn hoe eerder hoe beter hoe eerder er rust is tussen ons hoe meer kans van slagen tussen ons

9 juni 2011 te 05:41:58: Dat is dat stille kokende bloed in mij. Was veel liever heel anders maar lukt gewoon niet dat bloed kookt en kookt. En daar door gaat het helemaal mis met ons kan niks hebben van je doet mij zelf ook pijn.

9 juni 2011 te 05:51:20: Ik ben vanaf toen gewoon helemaal dicht geklapt helemaal en nog steeds vind het heel lekker met je in bed [...] niks is je te gek heb alles wat ik wil op dat gebied maar kom niet los

9 juni 201 1 te 05:53:00 uur: Daarom moet die iemand ook kapot gemaakt worden of alles wat ze heeft kapot gemaakt worden dan heb ik rust

9 juni 2011 te 07:06:09 uur: Denk dat ik dan wel wat rustiger ben ja als dat achter de rug is

9 juni 2011 te 07:11:22 uur: Zuid dat is echt dat probleem zo lang die haar vet niet kwijt is komt er geen rust.

9 juni 2011 te 07:28:19 uur: [...] Maar we zullen het toch op de een of andere manier weer langzaam moeten opbouwen als zuid achter de rug is.

9 juni 2011 te 07:31:23 uur: Dus met andere woorden hoe eerder hoe beter. Hoe sneller ik rust heb.

9 juni 2011 te 16:25:31 uur: Ben ook weer wakker. [...] Kom niet thuis deze nacht morgen vroeg losse duisberg dus dan weet je dat. XXX

9 juni 2011 te 16:54:03 uur: lk ben mij rot aan het denke schat hoe ik dat weer snel op rij kan krijgen allemaal. Hoop dat het je deze nacht wel lukt weetje dat hoop het echt zal je dan ook heel heel dankbaar zijn daar voor en zal dat dan ook uiten naar je

10 juni 2011 te 00:14:12 uur: Hoop dat het je lukt deze nacht schat weetje dat zou te mooi zijn om waar te zijn en dat het goed raak is daar dan en de hele boel plat brand [...]. En heb ik mijn rust weer in mijn bloed zitten

10 juni 2011 te 00:54:54 uur: Schat ik ga even 2 uur liggen de autobaan is afgesloten 20 km verderop door een ongeluk tot min 3 uur dus ga ik tot een uur of 3.30 plat. Hoop dat het goed gaat allemaal ik hoor het wel van je. IHVJ XXX mis je”

10. Uit de verklaringen van verdachte, ook in samenhang bezien met de verklaringen van medeverdachte en de tot het bewijs gebezigde sms-berichten leidt het Hof het bestaan af van de uitdrukkelijke wens van de verdachte, dat het huis van [slachtoffer] zou afbranden en de bewoonster zou komen te overlijden, dat [slachtoffer] een sta in de weg was voor de relatie van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] en dat het stichten van de brand bij de woning van [slachtoffer] door medeverdachte [medeverdachte] diende te gebeuren als de verdachte niet thuis was. Het Hof verwerpt daarmee de lezing van verdachte, dat hij het wel met [medeverdachte] over de brandstichting heeft gehad maar, dat hij haar (sms-)berichten daarover met een korreltje zout nam. Die lezing valt – aldus het Hof - immers niet te rijmen met de inhoud van de sms-berichten die de verdachte zelf heeft verzonden en die duidelijk maken dat hij de medeverdachte juist heeft aangemoedigd om de brand te stichten. Nadat [medeverdachte] hem had laten weten dat het haar gelukt was, heeft hij enthousiast gereageerd.

11. Op grond van deze door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden heeft het Hof een bewuste, nauwe en volledige samenwerking aangenomen tussen verdachte en medeverdachte ten aanzien van de brandstichting en derhalve geoordeeld , dat verdachte als medepleger dient te worden aangemerkt. De verdachte heeft naar het oordeel van het Hof een zodanig substantiële bijdrage gehad in de voltooiing van het delict dat bewezen kan worden dat hij dat samen met medeverdachte heeft gepleegd. Daaraan doet naar het oordeel van het Hof niet af, dat de verdachte lijfelijk niet aanwezig was bij de uitvoering.

Het Hof wijdt vervolgens overwegingen aan het oordeel dat verdachte en medeverdachte zich willens en wetens hebben blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat door hun handelen [slachtoffer] om het leven zou komen en die kans ook hebben aanvaard. Het Hof is voorts van oordeel dat de voor een bewezenverklaring van poging tot moord vereiste voorbedachte raad bij verdachte besloten ligt in de aard van de gedragingen van verdachte en medeverdachte nu zij, niettegenstaande het feit dat beide verdachten de gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap hebben gegeven, niet van de door hen voorgenomen daad zijn teruggekomen.

12. Het eerste middel klaagt dat het Hof het bewezenverklaarde medeplegen ontoereikend heeft gemotiveerd. Het derde middel klaagt dat het Hof het namens verdachte ingenomen, uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] heeft verworpen zonder voldoende begrijpelijke motivering. Deze middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

13. Het derde middel ligt als het ware in het voorportaal van de bewijsklacht van het eerste middel. Dit derde middel klaagt immers dat het Hof het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van verdachte ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] heeft verworpen zonder voldoende begrijpelijke motivering. Het Hof heeft het bewijs van de wijze waarop de brandstichting door verdachte samen met medeverdachte is gepleegd grotendeels op de verklaringen van [medeverdachte] gebaseerd. Het Hof heeft daarbij - aldus de toelichting - niet of onvoldoende gerespondeerd op de door verdachte bij pleidooi2 in hoger beroep naar voren gebrachte stellingen omtrent de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte] met betrekking tot het klaarzetten van spullen in de garage en het geven van instructies door verdachte aangaande de wijze van uitvoering van de brandstichting; het oordeel van het Hof is, aldus het middel, te meer onbegrijpelijk nu het Hof onder F.1.1 zelf ook overweegt inconsistenties in de verklaringen van [medeverdachte] te hebben opgemerkt.

14. Omtrent het betrouwbaarheidsverweer het volgende. De tot het bewijs gebezigde verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] vinden naar het oordeel van het Hof steun in de verklaringen van verdachte zelf en in de overige bewijsmiddelen zoals de inhoud van de op de telefoons van verdachten aangetroffen sms-berichten. De door verdachte naar voren gebrachte feiten en omstandigheden ten aanzien van de voorbereiding van de brandstichting behelzen in wezen niet meer dan een ontkenning van hetgeen medeverdachte hierover heeft verklaard. Het Hof heeft – onder F.1.2 en 1.3 - voldoende gemotiveerd uiteengezet, waarom hij op dit punt geen geloof hecht aan de lezing van verdachte. In die rechtsoverwegingen gaat het Hof ook in op de bezwaren tegen het gebruik van de verklaringen van de medeverdachte die op p. 7-11 van de pleitnota naar voren zijn gebracht. Nog afgezien van de vraag of hier wel sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van verdachte, is het Hof daar niet zonder voldoende motivering aan voorbij gegaan. Waar het middel de aandacht vestigt op de inconsistenties in de verklaringen van de medeverdachte: deze zijn door het Hof inderdaad gesignaleerd. Maar het Hof is, na zoals het zelf overweegt, de nodige behoedzaamheid te hebben betracht bij het waarderen van die verklaringen tot de slotsom gekomen dat de verklaringen, voor zover tot het bewijs gebezigd, betrouwbaar zijn. Ten aanzien van het branden van de lamp heeft het Hof van zijn selectie uit het beschikbare materiaal (de wisselende verklaringen van de medeverdachte) onder F.1.2 nog expliciet rekenschap afgelegd en geconcludeerd dat de lamp ‘aan’ was. Onbegrijpelijk is dat oordeel niet.

15. Het eerste middel nu klaagt, onder verwijzing naar HR 14 mei 2013, ECLI:NL:HR:BZ9945, dat uit de bewijsmiddelen weliswaar de rol van verdachte bij de voorbereiding van het delict is af te leiden maar niet bij de uitvoering van het delict; daarom kan de voor medeplegen vereiste, dusdanige actieve betrokkenheid bij de planning en uitvoering van de brandstichting en de bewuste en nauwe samenwerking en gezamenlijke uitvoering niet bewezen worden verklaard. Deze op de eerste klacht in middel I voortbouwende klacht, dat op grond van het door het Hof gehanteerde bewijs geen medeplegen kan worden vastgesteld, slaagt evenmin; daartoe geldt het volgende.

16. Het Hof heeft onder F.2.2 uit de vastgestelde feiten en omstandigheden het volgende afgeleid:

- De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zagen [slachtoffer] allebei als een obstakel; dat obstakel moest worden weggenomen.

- De verdachte heeft meerdere malen (ook tegen medeverdachte [medeverdachte]) geuit dat hij wilde dat [slachtoffer] kwam te overlijden.

- De verdachte heeft het plan opgevat om brand te stichten bij de woning van [slachtoffer] in Venlo. De verdachte stelde eerst voor om dat met een gasbrander te doen; medeverdachte [medeverdachte] is daarin actief gaan meepraten.

- De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben (al dan niet per sms) over die brandstichting veelvuldig contact gehad. De bedoeling was dat medeverdachte [medeverdachte] de brandstichting zou uitvoeren op een moment dat de verdachte niet thuis was, omdat zij minder te verliezen had dan verdachte.

-De verdachte heeft ten behoeve van de brandstichting een aantal voorwerpen in zijn schuur klaargezet voor medeverdachte [medeverdachte], namelijk de emmer met daarin benzine en een doek, het afwasmiddelflesje met benzine en de papieren prop die op een servetje leek. Medeverdachte [medeverdachte] heeft die voorwerpen kort voor de brandstichting opgehaald.

-De verdachte heeft tot kort voor de brandstichting per sms contact gehad met medeverdachte [medeverdachte]. Op 10 juni 2011 omstreeks 00:14 uur schreef hij te hopen dat het haar zou lukken, dat het te mooi zou zijn om waar te zijn, dat het goed raak zou zijn, dat de hele boel zou platbranden en dat hij dan weer rust zou hebben.

De verdachte is enkele minuten na de brandstichting al door medeverdachte [medeverdachte] op de hoogte gesteld van de uitvoering. Op 10 juni 2011 omstreeks 02:13 uur schreef ze hem namelijk: "Gelukt".

-De verdachte sms'te op 10 juni 201 I omstreeks 00:54 uur naar medeverdachte [medeverdachte] dat hij even ging slapen en omstreeks 07:24 uur dat hij zich had verslapen, maar onderweg naar Venlo was om haar meesterwerk te bekijken.

17. Aangezien de tegen het bewijsoordeel gerichte klachten niet slagen heeft het Hof op grond van de gebezigde bewijsmiddelen de toedracht van de brandstichting kunnen afleiden zoals weergegeven in het bestreden arrest. Uit de door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden leidt het Hof onder F.2.3 af, dat verdachte en medeverdachte het idee van brandstichting samen hebben besproken en daarover intensief contact hebben gehad en voorts, dat verdachte voor medeverdachte de spullen ten behoeve van de brandstichting heeft klaargezet en er bij haar op heeft aangedrongen de brand daadwerkelijk te stichten, hetgeen vervolgens is gebeurd. Het daaropvolgende oordeel van het Hof, dat verdachte hiermee een zodanig substantiële bijdrage in de voltooiing van het delict heeft gehad die leidt tot de conclusie dat sprake is van medeplegen, getuigt daarom niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

18. Voor medeplegen is noodzakelijk dat er sprake is van een gezamenlijke uitvoering dan wel van een bewuste en nauwe samenwerking.3 Met het oog op het (doorgaans) strafverzwarende gevolg dat aan medeplegen is verbonden dient de motivering van de vaststelling van die voor medeplegen vereiste samenwerking aan bepaalde eisen te voldoen, in het bijzonder als het medeplegen niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt; het gaat hier bij uitstek om een weging van de concrete omstandigheden waarbij de rechter in feitelijke instanties het gewicht moet bepalen van de indicaties en contra-indicaties die voor of tegen het te bewijzen medeplegen pleiten.4 Bij de materiële invulling van het niet zeer vastomlijnde criterium van de vereiste nauwe samenwerking kan worden gedacht aan de intensiteit van samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of afhandeling, het zich niet terugtrekken op een geëigend tijdstip en de aanwezigheid op belangrijke momenten.5

19. Om de vereiste actieve betrokkenheid te kunnen vaststellen is lijfelijke aanwezigheid van de medepleger bij het daadwerkelijk plegen van het delict niet vereist.6 Een actieve rol in de voorfase kan een bewuste en nauwe samenwerking constitueren en evenzo kan het zich niet-distantiëren door niet (tijdig) in te grijpen duiden op ‘medeplegen’.7 Lijfelijke afwezigheid dient, zo betoogt ook het middel terecht, dus wel gecompenseerd te worden met andere omstandigheden, ofschoon lijfelijke aanwezigheid bij het plegen van een delict overigens niet zonder meer leidt tot medeplegen van dat delict, zoals volgt uit de door het middel aangehaalde arresten HR 18 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2013:BC6157) en HR 23 december 2009 (ECLI:NL:HR:2013:BK3356).

20. Het Hof heeft geen blijk gegeven van miskenning van deze uitgangspunten. Het overleg tussen de beide verdachten over de ‘bestraffing’ van het slachtoffer door brandstichting is gevoerd naar aanleiding van de door verdachte geuite wens, dat het slachtoffer zou komen te overlijden; vervolgens zijn – zo kan op grond van de door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden worden geconcludeerd - door verdachte de voor de brandstichting bestemde voorwerpen klaargezet en heeft hij er op aangedrongen, dat medeverdachte de brand zou gaan stichten. Verdachte heeft tot het laatste moment volhard in hetgeen met medeverdachte is beraamd en heeft geen poging ondernomen medeverdachte van de door hen beiden voorgenomen daad af te houden. Deze omstandigheden compenseren de lijfelijke afwezigheid van het slachtoffer bij de brandstichting, ten aanzien waarvan het Hof als bijkomende omstandigheid die het oordeel van medeplegen ondersteunt nog aanvoert, dat die afwezigheid een onderdeel vormde van (de uitvoering van) het plan. ’s Hofs oordeel dat sprake was van medeplegen geeft aldus geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook toereikend gemotiveerd.

21. Het tweede middel klaagt dat het Hof ten onrechte dan wel onbegrijpelijkerwijs ten aanzien van verdachte handelen met voorbedachte raad bewezen heeft verklaard aangezien dit niet uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan volgen. Daartoe voert het middel aan, dat hetgeen het Hof – conform recente jurisprudentie van de Hoge Raad, te beginnen met HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:BR2342 – met betrekking tot voorbedachte raad overweegt, ziet op medeverdachte [medeverdachte] en niet op verdachte. Nu het Hof – aldus de toelichting op het middel – vervolgens stelt dat verdachte na een laatste aanmoediging ‘gewoon is gaan slapen’ terwijl [medeverdachte] voorafgaande aan de uitvoering nog daadwerkelijk over betekenis en gevolgen van haar voorgenomen daad heeft nagedacht, kan ten aanzien van verdachte geen voorbedachte raad worden aangenomen. Uit de bewijsmiddelen volgt immers, dat de beslissing om uiteindelijk tot uitvoering over te gaan door [medeverdachte] en niet door verdachte is genomen, zoals ook in het eerste middel aan de orde is gesteld; van een beraad door verdachte om uiteindelijk over te gaan tot brandstichting kan geen sprake zijn omdat hij geen aandeel heeft gehad in die uiteindelijke besluitvorming, aldus het middel.

22. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet voor bewezenverklaring van ‘voorbedachte raad’ komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen besluit ten aanzien van de tenlastegelegde handeling, en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling waardoor hij in de gelegenheid is geweest na te denken over betekenis en gevolgen van de voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven.8 Onder F.4.3 heeft het Hof geoordeeld, dat de bewijsmiddelen geen andere conclusie toelaten dan dat de verdachte en medeverdachte voldoende tijd hebben gehad zich te beraden op het besluit tot levensberoving in die zin, dat zij de gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap hebben gegeven. Het Hof baseert zijn oordeel op de overweging (F.4.2), dat verdachte planmatig en weloverwogen te werk is gegaan en na een laatste aanmoediging richting medeverdachte is gaan slapen.

23. Deze overwegingen van het Hof zijn in overeenstemming met de jurisprudentie van de Hoge Raad HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963 en HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, vgl. de conclusie van A-G Machielse voor HR 14 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9945, die wijst op de samenhang tussen de motiveringseisen ten aanzien van medeplegen en ten aanzien van voorbedachte raad. Zoals bij de beantwoording van de vraag, of sprake is van medeplegen gaat het ook bij de oordeelsvorming omtrent voorbedachte raad bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.9 Vanwege het strafverzwarende karakter van het bestanddeel voorbedachte raad geldt bovendien dat aan de motivering van een desbetreffende bewezenverklaring bepaaldelijk eisen worden gesteld, met name als de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt. Een belangrijke objectieve indicatie, zoals in dit geval de vaststelling dat verdachte voldoende tijd had zich te beraden, behoeft de rechter er niet van te weerhouden aan (eventuele) contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.10 Het Hof is kennelijk en niet onbegrijpelijk in de onderhavige zaak van oordeel geweest dat er geen sprake is van dergelijke contra-indicaties. Zoals voor het aannemen van medeplegen in het algemeen geldt ook ten aanzien van het delictsbestanddeel voorbedachte raad, dat lijfelijke afwezigheid niet in de weg staat aan de bewezenverklaring daarvan. Voor zover het tweede middel op de opvatting berust dat de fysieke afwezigheid van verdachte principieel in de weg staat aan het bewezen verklaren van het bestanddeel voorbedachte raad, berust het op een onjuist uitgangspunt. Voorts wordt uit de motivering van het Hof – zoals hiervoor bij de bespreking van het eerste middel ook uiteen is gezet – voldoende duidelijk, dat die afwezigheid ook in zoverre wordt gecompenseerd door de overige tot het bewijs gebezigde omstandigheden (verdachte heeft tot het laatst toe tegenover medeverdachte volhard in zijn voornemens en verkeerde ook na het plegen in de overtuiging dat het ‘plan’ was verwezenlijkt) waardoor van onbegrijpelijkheid van die motivering geen sprake is.

24. Het vierde middel is gericht tegen de bewezenverklaring van het voorwaardelijk opzet bij verdachte, gericht op het van het leven beroven van [slachtoffer]. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte als feit van algemene bekendheid heeft aangenomen, dat het in de nacht stichten van brand bij een woning de aanmerkelijke kans op het overlijden van de in de woning aanwezige personen met zich brengt. Deze klacht stuit af op de begrijpelijkheid van met name rechtsoverwegingen F.3.3 – 3.5 waar het Hof uitgebreid gemotiveerd uiteen heeft gezet, dat nachtelijke brandstichting in een woning in het algemeen de aanmerkelijke kans op overlijden van bewoners meebrengt, en voorts dat de bewustheid van die aanmerkelijke kans uit de bewijsmiddelen volgt, met name uit de verklaringen die verdachte hieromtrent heeft afgelegd. Dit oordeel van het Hof is evenmin onbegrijpelijk; het vierde middel slaagt daarom niet.

25. De middelen falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden verworpen.

26. Ambtshalve gronden die tot vernietiging aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.

27. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met het door de medeverdachte [medeverdachte] ingestelde cassatieberoep (zaaknummer 13/04997), waarin ik heden eveneens concludeer.

2 Met name p. 9-11 pleitaantekeningen in appel. Het gaat hier volgens het middel onder meer om de verklaring ter zitting over de lamp die aan was, terwijl [medeverdachte] in het eerste politieverhoor had verklaard dat de lamp uit was.

3 Vgl. HR 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1307 en de door mijn ambtgenoot Vellinga in zijn conclusie aangehaalde jurisprudentie, waaruit blijkt dat de eis van volledige samenwerking door de Hoge Raad niet meer wordt gesteld (HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6505, HR 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2942 (rov. 4.2.2.) en HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1964).

4 Vgl. Conclusie A-G Machielse voor HR 14 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9945, onder 3.4.

5 Zie J. de Hullu, Materieel Strafrecht, 2012, p. 443.

6 HR 14 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9945.

7 T&C Strafrecht 2012, art. 47 (Arendse/Dolman), onder 6.c.

8 HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:16.

9 Vgl. conclusie A-G Aben voor HR 10 december 2013 (12/02982), ECLI:NL:HR:2013:1754, onder 4.5 en HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:16, rov. 2.3.

10 Vgl. HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:16, rov. 2.3.