Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1616

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-06-2014
Datum publicatie
03-09-2014
Zaaknummer
13/05234
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2571, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 359.2 Sv, u.o.s. Caféruzie, zware mishandeling. De betwisting in h.b. van betrokkenheid verdachte bij tlgd. m.b.v. twee getuigenverklaringen, CIE-informatie en verwondingen bij een met naam genoemde derde kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht. Het Hof heeft t.a.v. de bewezenverklaring het vonnis bevestigd en i.s.m. art. 359.2 Sv in onvoldoende mate de redenen opgegeven die hebben geleid tot afwijking van het u.o.s.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/05234

Mr. Harteveld

Zitting 17 juni 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft op 18 maart 2013 het ten laste van verdachte gewezen vonnis van de Rechtbank bevestigd, behalve ten aanzien van de opgelegde straf, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de strafoplegging. Aldus is verdachte ter zake van zware mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 2.250,64 toegewezen en is verdachte in zoverre een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, subsidiair 32 dagen hechtenis.

2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt, zo begrijp ik, dat het Hof het vonnis niet had mogen bevestigen zonder aanvulling van gronden met betrekking tot een namens verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt en dat (aldus) de bestreden uitspraak in zoverre ontoereikend is gemotiveerd.

3.2. Het Hof heeft het vonnis onder meer ten aanzien van de bewezenverklaring en bewijsvoering bevestigd. De Rechtbank heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat deze zich heeft schuldig gemaakt aan "zware mishandeling”. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende - door het Hof bevestigde en hier met weglating van voetnoten waarin naar de bewijsmiddelen wordt verwezen - bewijsvoering:

“Vaststaande feiten.

Op 10 januari 2009, omstreeks 01:45 uur, krijgen verdachte en [slachtoffer] onenigheid achter in café Bora Bora te Valkenswaard. Er ontstaat een handgemeen tussen beide personen, waarna diverse personen zich ermee gaan bemoeien. [slachtoffer] bloedt hevig aan zijn hoofd en oor. Het shirt van verdachte zit onder het bloed. [slachtoffer] mist een stuk van zijn oor. Er is bij [slachtoffer] sprake van een traumatische amputatie van 1/3 van de oorschelp rechts en een snijwond onder de oorschelp in de hals.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht op grond van de verklaringen van [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [slachtoffer], in onderling verband en samenhang beschouwd, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht middels het slaan met een kapotgeslagen glas.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte ontkent aangever [slachtoffer] met een (kapotgeslagen) glas te hebben geslagen. Hij had geen glas in zijn hand. Hij heeft [slachtoffer] enkel geduwd, waarna deze verdachte met een glas tegen het hoofd heeft geslagen. Verdachte heeft zijn handen ter bescherming voor zijn gezicht getrokken en heeft zich vervolgens afzijdig van het gebeuren gehouden. Niet verdachte maar iemand anders heeft [slachtoffer] met een kapotgeslagen glas geslagen.

Het gegeven dat het bloed van [slachtoffer] op de achterzijde van het shirt van verdachte is aangetroffen duidt ook op afwezigheid van enige betrokkenheid zijdens verdachte.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat vrijspraak dient te volgen ten aanzien van feit 1 primair en dat voor wat betreft de openlijke geweldpleging (feit 1 subsidiair) enkel kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft geduwd.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de versie van verdachte dat hij door [slachtoffer] met een glas tegen het hoofd zou zijn geslagen door geen enkele getuige wordt bevestigd. Het door verbalisant geconstateerde kleine sneetje ter hoogte van de oogkas van verdachte is, gelet op omvang en massaliteit van de vechtpartij in een smalle ruimte, onvoldoende om van de juistheid van de verklaring van verdachte op dit punt uit te gaan.

De verklaring van verdachte dat hij zich afzijdig van de vechtpartij heeft gehouden, wordt ontkracht door zijn vriend [getuige 1]. Immers, deze verklaart dat verdachte heeft geslagen. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de verklaring van verdachte dat [betrokkene 1] in aanwezigheid van [betrokkene 4] heeft gezegd dat hij, [betrokkene 1], de jongen met het glas heeft geslagen, wordt ontkend door zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 4].

Het voorgaande brengt met zich mee dat de rechtbank behoedzaam met de verklaringen van verdachte omtrent de feitelijke toedracht zal omgaan.

Voor wat betreft het daderschap van verdachte bevat het dossier twee belastende verklaringen. [betrokkene 2] verklaart dat verdachte [slachtoffer] met een kapotgeslagen glas tegen het hoofd heeft geslagen en dat [slachtoffer] meteen daarna bloedde aan zijn hoofd. [betrokkene 2] herkent kort na het incident de aangehouden verdachte als zijnde de jongen die [slachtoffer] met het glas heeft geslagen. [betrokkene 3] verklaart dat verdachte met een kapot glas in zijn hand achter de bloedende [slachtoffer] stond en dat verdachte hierbij een uitdagende houding had. De rechtbank stelt vast dat de verklaring van [betrokkene 3] aansluit op de verklaring van [betrokkene 2] en deze verklaring ondersteun[t].

De rechtbank ziet geen reden om aan de inhoud van de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] te twijfelen. Hieruit volgt dan ook dat verdachte als dader dient te worden aangemerkt. Het gegeven dat het shirt van verdachte, kennelijk als enige, onder het bloed zat draagt bij aan dit oordeel. Immers, hieruit volgt dat verdachte zich in de onmiddellijke nabijheid van de hevig bloedende [slachtoffer] bevond. Dat [betrokkene 4], overigens als enige, verklaart dat verdachte bebloed was ter hoogte van zijn rug, doet aan het daderschap van verdachte niets af. Er was immers sprake van een hevig bloedende wond bij [slachtoffer].

Gelet op het voorgaande en de hiervoor opgesomde vaststaande feiten acht de rechtbank bewezen dat verdachte degene is geweest die met een kapotgeslagen glas tegen het hoofd en de hals van [slachtoffer] heeft geslagen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het opgelopen letsel dient te worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Er is sprake van een verminkt oor en van een snijwond in de hals. Een verminkt oor is reeds naar algemeen spraakgebruik aan te merken als zwaar lichamelijk letsel en de diverse foto's van het oor spreken wat dit betreft boekdelen. Daarbij komt dat [slachtoffer] zeven weken thuis heeft moeten blijven en dat hij diverse hersteloperaties aan zijn oor heeft moeten ondergaan, waaronder plastisch chirurgie en een huidtransplantatie. De prognose is dat het oor er op de lange termijn voor 90% normaal uit zal zien. Met dit alles is voldaan aan de criteria voor zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 82 van het Wetboek van strafrecht.”

3.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 maart 2013 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het Hof overgelegde pleitnota. Deze pleitnota bevindt zich bij de stukken van het geding en houdt in:

“Bewezenverklaring feit 1:

Met betrekking tot de bewezenverklaring van het ten laste feit 1 (zware mishandeling) merk ik nogmaals het navolgende op.

Plegen van zware mishandeling:

Ik breng wederom onder uw aandacht dat mijn cliënt van meet af aan te kennen heeft gegeven dat hij niet met een glas in zijn hand heeft geslagen. Mijn cliënt ontkent nadrukkelijk dat hij aangever met een glas letsel heeft toegebracht.

Bij de politie, maar ook bij de Rechtbank in eerste aanleg en ten overstaan van uw Hof heeft mijn cliënt verklaard dat aangever op het moment dat hij bij de gokkasten stond een glas in zijn hand had, daarmee uithaalde en mijn cliënt daarmee sloeg. Deze verklaring van cliënt wordt ondersteund door overige bewijsmiddelen. De verbalisant die mijn cliënt heeft gehoord, heeft direct na het voorval letsel geconstateerd aan het gezicht van mijn cliënt. Een sneetje ter hoogte van zijn rechter oogkas en een rode oogkas was waargenomen.

Ter bescherming van meerdere aanvallen van aangever, heeft mijn cliënt zijn handen naar zijn gezicht getrokken. Op dat moment had hij geen glas in zijn hand.

Sterker nog, tijdens de ontstane vechtpartij heeft mijn cliënt zich afzijdig gehouden.

Dit blijkt duidelijk uit de verklaring van getuige [getuige 2].

In haar verklaring valt te lezen dat zij op een bepaald moment voelde dat zij werd geduwd. Deze situatie vond ze eng en daarom is ze tegen de muur van het café aan gaan staan. Vervolgens is zij via de muur weggelopen van het gevecht in de richting van de gokautomaten. Daar kwam zij mijn cliënt tegen en heeft hem vervolgens bij zijn armen gepakt, om aan te geven dat zij in paniek was. Deze [getuige 2] heeft mijn cliënt vervolgens vastgehouden tot het gevecht over was (pag. 59).

Uit deze lezing blijkt dat mijn cliënt zich weldegelijk afzijdig van het gebeuren heeft gehouden. Mijn cliënt bevond zich niet eens in de buurt van het gevecht. Uit de verklaring van getuige [getuige 2] komt immers naar voren dat de vechtpartij niet bij de gokkasten gaande was. Getuige [getuige 2] heeft immers aangegeven dat zij via de muur is weggelopen van het gevecht in de richting van de gokautomaten. Daar stond mijn cliënt en daar heeft deze [getuige 2] mijn cliënt vastgepakt tot het gevecht voorbij was.

Van meet af aan heeft mijn cliënt ontkend dat hij aangever zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Wel heeft mijn cliënt (meermaals) aangegeven dat [betrokkene 1] aangever met het glas heeft geslagen. Gedurende het verhoor, dat op 30 januari 2010 heeft plaatsgevonden, heeft mijn cliënt aangegeven dat ook de politie heeft vastgesteld dat mijn cliënt niet werd aangemerkt als verdachte van de zware mishandeling.

Uit het proces-verbaal CIE komt naar voren dat in de maand februari 2010 via een informant informatie is binnengekomen bij de Regionale Criminele Inlichtingen Eenheid van Regiopolitie Brabant Zuidoost (pag. 78). Uit deze informatie blijkt dat mijn cliënt daadwerkelijk de waarheid vertelde. Volgens de informant heeft [betrokkene 1] tijdens de vechtpartij met een glas tegen het hoofd van aangever geslagen en niet mijn cliënt! De inspecteur van de politie heeft een oordeel gevormd over de betrouwbaarheid van de informant en over de juistheid van de informatie. De inspecteur heeft aangegeven dat deze informatie als betrouwbaar moet worden aangemerkt. Ondanks dit gegeven richt justitie haar pijlen op mijn cliënt en niet op de daadwerkelijke dader; [betrokkene 1].

Daarenboven verwijs ik naar de verklaring van [getuige 3]. Deze getuige was op de bewuste avond werkzaam als portier bij café Bora Bora. [getuige 3] geeft expliciet aan dat [betrokkene 1] degene was die bij de vechtpartij betrokken was (pag. 52). Voorts heeft deze portier foto's van deze [betrokkene 1] meegenomen naar de politie. Deze foto ontbreekt echter in het dossier. Daardoor kan niet worden vastgesteld in hoeverre [betrokkene 1] overeenkomt met het signalement, dat van de dader is gegeven. Eveneens heeft de politie nagelaten om de informatie nader te onderzoeken die was geplaatst op Hyves. Getuige [getuige 3] heeft de politie hier wel nadrukkelijk op gewezen.

Al met al is een aantal zeer betrouwbare bewijsmiddelen voorhanden die wijzen in de richting van [betrokkene 1]. Daarnaast had deze [betrokkene 1] op de bewuste avond letsel aan zijn rechter hand. De verbalisant heeft een snee van circa drie centimeter waargenomen (pag. 58). Deze snee bevond zich tussen zijn duim en wijsvinger van zijn rechter hand (pag. 57). Bovendien heeft [betrokkene 1] bij de politie verklaard dat hij zelfs stukken glas uit zijn hand moest trekken (pag. 58).

De aard en omvang van dit letsel sluit haarfijn aan bij de verklaring van [betrokkene 2]. Deze persoon verklaarde immers dat de dader op de rand van de bar een glas kapot sloeg en aangever hiermee vervolgens raakte. Door het glas te breken, heeft [betrokkene 1] zijn hand verwond. Hij heeft zelfs zo hard geslagen dat hij glasscherven uit zijn hand moest trekken. En was het niet zo dat deze [betrokkene 1] op het bewust tijdstip juist aan de bar drinken stond te bestellen?

In ieder geval was noch aan de linker, noch aan de rechter hand van mijn cliënt letsel waarneembaar. Het moge duidelijk zijn dat ingeval hij wel een glas zou hebben stukgeslagen, een snee op zijn hand had moeten zitten. Ook getuige [getuige 4] heeft aangegeven dat [betrokkene 1] betrokken was bij het voorval (pag. 39).

Ondanks al deze sporen die duidelijk in de richting van [betrokkene 1] wijzen, wordt door de politie geen serieuze actie in zijn richting ondernomen, zulks ondanks het feit dat objectieve bewijsmiddelen (CIE tip, verklaring van de portier, letsel aan de rechterhand) voorhanden waren en zijn waaruit blijkt dat deze [betrokkene 1] dient te worden aangemerkt als dader. [betrokkene 1] en (een in de ogen van de politie) onbetrouwbare getuige ([betrokkene 4]) worden aan een verhoor onderworpen, dat is het enige. In plaats daar van wordt mijn cliënt strafrechtelijk vervolgd.

Weliswaar hebben enkele getuigen aangegeven dat mijn cliënt bij het voorval betrokken zou zijn, maar bij deze verklaringen dienen kritische kanttekeningen te worden geplaatst.

Allereerst verwijs ik uw hof naar aanvullende stukken, die naar aanleiding van uw tussenarrest van 20 oktober 2011 zijn overgelegd. Meer in het bijzonder verwijs ik u naar pagina 9 van deze stukken. De verbalisant die het proces-verbaal heeft opgemaakt geeft aan dat op zondag 11 januari 2009 te 16.30 uur overleg heeft plaatsgevonden met de piket officier van justitie. De zaak zou met mr. Vinkesteijn zijn besproken. De verbalisant maakt nog melding van het feit dat 9 getuigen waren gehoord, doch dat slecht[s] één persoon heeft gezien dat mijn cliënt een glas heeft kapot geslagen en aangever tegen het hoofd heeft geslagen. De rest heeft niet gezien wie er met het glas heeft geslagen en of dit mijn cliënt heeft gedaan. In overleg met de officier is mijn cliënt vervolgens heengezonden.

Nogmaals benadruk ik dat slechts één getuige zou hebben gezien dat mijn cliënt met glas heeft geslagen. Welke getuige dit betreft, is echter volstrekt onduidelijk. In dat kader merk ik nog wel op dat getuige [getuige 1] naast mijn cliënt op de gokkast aan het gokken was. Deze persoon is door de Raadsheer-Commissaris gehoord op 10 oktober 2012. Tijdens dit verhoor heeft [getuige 1] verklaard dat op enig moment over en weer werd geduwd en dat vervolgens alles erg snel ging. Hij heeft niet gezien dat met glas is geslagen, evenmin heeft hij gezien wie heeft geslagen.

Nu juist de persoon, die naast mijn cliënt zat niet heeft gezien dat hij heeft geslagen met glas, stel ik me de vraag hoe anderen dit wel kunnen hebben waargenomen op zaterdagnacht zijnde een tijdstip dat het bijzonder druk is in een horecagelegenheid.

Op basis van het dossier is er dan ook onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring van het plegen van zware mishandeling te komen. Op basis van de stukken kan niet onomstotelijk worden vastgesteld dat mijn cliënt dient te worden aangemerkt als dader. Er bevinden zich meerdere objectieve bewijsmiddelen, die immers wijzen in de richting van [betrokkene 1].”

3.4. Het Hof heeft in hoger beroep ter terechtzitting van 26 juli 2012 [betrokkene 1] als getuige gehoord, die kort gezegd verklaart dat hij die avond aan de bar stond om drank te bestellen, dat er plots een hoop tumult achter hem was, dat hij tegen de bar aan werd geduwd, dat hij vanuit het niets glas en bloed over zich heen kreeg, dat hij daarna naar het toilet is gegaan en dat hij later pas hoorde dat er iemand aan zijn hoofd gewond was geraakt maar daarvan niets had gezien. [betrokkene 1] verklaart voorts dat hij honderd procent zeker weet dat hij niemand met een glas tegen het hoofd heeft geslagen en dat hij ook niet tegen iemand gezegd heeft dat hij dat heeft gedaan. Het proces-verbaal van die zitting houdt vervolgens in:

“De raadsman deelt mede:

Ik constateer dat het signalement van de getuige voldoet aan het in het dossier terug te vinden signalement van de dader, te weten: ongeveer 20 jaar oud, normaal postuur en stekelhaar.

Voorts wil ik opmerken dat de betrokkenheid van de getuige groter is dan hij ons nu doet voorkomen. Ik verwijs daarbij naar hetgeen staat opgemerkt in het politiedossier op pagina 52 onderaan. Uit het op pagina 78 van het politiedossier opgenomen proces-verbaal blijkt dat er bij de CIE informatie is binnengekomen dat de getuige de persoon is geweest die het slachtoffer met een glas tegen het hoofd heeft geslagen. Deze informatie is door de CIE als betrouwbaar aangemerkt.

De getuige deelt op een vraag van de raadsman mede:

De informatie in genoemde proces-verbaal is complete onzin. Ik heb die avond niemand met een glas geslagen.

Het is juist dat ik, nadat ik tegen de bar aan was geduwd, ook iemand heb geduwd.

Daarna zat ik plotseling onder het glas en bloed. Het letsel aan mijn hand is veroorzaakt door een stuk glas.

Op een vraag van de voorzitter deel ik mede dat ik heb vernomen dat de als getuige opgeroepen [getuige 1] op dit moment op vakantie is in Kroatië.”

3.5. De raadsheer-commissaris heeft vervolgens getuige [getuige 1] als getuige gehoord. Het proces-verbaal van het (hervatte) onderzoek ter terechtzitting van 4 maart 2013 houdt na het pleidooi van de raadsman nog in:

“De advocaat-generaal voert andermaal het woord:

De raadsman richt zijn pijlen op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen. Het betreft hier een incident waarbij meerdere mensen betrokken zijn geweest. Ik ben van oordeel dat hij volledig voorbij gaat aan de verklaring van [betrokkene 2], die blijkens pagina 30 van het proces-verbaal verklaart dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] het letsel heeft toegebracht door met een kapotgeslagen glas in [slachtoffer]’ hals en tegen zijn oor te slaan. Ook gaat de raadsman voorbij aan het feit dat [betrokkene 3] blijkens pagina 35 van het proces-verbaal hetzelfde heeft verklaard, namelijk dat degene die door de politie is aangehouden, de dader is. Deze persoon was verdachte. Ik ben daarom van oordeel dat de rechtbank redelijk en billijk heeft geoordeeld.

Ten aanzien van de ouderdom van de zaak volg ik enigszins de verdediging.

Wanneer het hof van oordeel is dat een te lange periode is verstreken alvorens de zaak door het hof is behandeld, zou ik het kunnen billijken wanneer het hof hiermee rekening houdt in de aan verdachte op te leggen straf.1 Voor het overige persisteer ik bij hetgeen ik eerder heb overwogen.

De raadsman ziet af van dupliek.

Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Hij deelt hierbij mede:

Ik sluit mij volledig aan bij de woorden van mijn raadsman. Ik ben met hem van mening dat nader onderzoek naar [betrokkene 1] moet worden gedaan.

Hierop deelt de voorzitter mede dat de woorden van verdachte een verzoek tot nader onderzoek impliceren. Verdachte deelt hierop mede dat hij niet degene is geweest die [slachtoffer] heeft mishandeld. Naar zijn mening heeft [betrokkene 1] dit gedaan en is iedereen, inclusief de politie, hiervan op de hoogte. De voorzitter deelt hierop mede dat [betrokkene 1] als verdachte is aangemerkt. Gedurende het onderzoek is de verdenking op hem komen te vervallen.

De raadsman deelt op vraag van de voorzitter mede dat nader onderzoek niet wordt verzocht en dat het onderhavige onderzoek kan worden gesloten.”

3.6. Het arrest van het Hof houdt in:

“Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg geheel zal bevestigen.

Namens verdachte is vrijspraak bepleit. Indien het hof ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde tot een bewezenverklaring komt, heeft de verdediging bepleit dat bij de strafmaat rekening wordt gehouden met de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De verdediging verzoekt derhalve, ook mede gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, tot oplegging van een voorwaardelijke straf. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij is primair niet-ontvankelijk bepleit.

Subsidiair is ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij bepleit dat de gevorderde schade niet eenvoudig kan worden vastgesteld, waardoor de zaak zich niet voor voeging in de strafzaak leent.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de op te leggen straf, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de daaraan gekoppelde schadevergoedingsmaatregel.

(…)”

3.7. Namens verdachte is in de onderhavige zaak - keer op keer en ook bij pleidooi - gemotiveerd betwist dat verdachte het feit (mede; maar het betwiste medeplegen is hier gelet op de bewezenverklaring niet van belang) heeft begaan. In de door het Hof bevestigde uitspraak van de Rechtbank ligt de respons op dat uitdrukkelijk onderbouwde standpunt mijns inziens niet toereikend gemotiveerd besloten. De door het Hof in zoverre bevestigde overwegingen van de Rechtbank houden in de kern bezien immers in dat verdachtes versie van de gebeurtenissen die avond ter zijde wordt gesteld en dat het feit ten laste van verdachte bewezen wordt verklaard op grond van (1) de verklaring van [betrokkene 2] die kort na het incident de aangehouden verdachte herkent als degene die [slachtoffer] met het glas heeft geslagen en (2) de verklaring van [betrokkene 3] dat verdachte met een kapot glas in zijn hand achter de bloedende [slachtoffer] stond en dat verdachte hierbij een uitdagende houding had en dat deze verklaring aldus aansluit op de verklaring van [betrokkene 2] en deze verklaring ondersteunt. Hoe het zit met de door de verdediging naar voren gebrachte betrouwbaar bevonden CIE-informatie, overeenkomsten in signalement tussen verdachte en een genoemde ander ([betrokkene 1]) en het bij verdachte versus het bij die ander waargenomen letsel, blijft hierbij onbeantwoord. Hetzelfde geldt voor de in hoger beroep aangehaalde verklaring van de getuige [getuige 2]. Dit betreffen geen details in de bepleite zienswijze en het gaat evenmin om een standpunt dat zich reeds met een andere selectie- en waardering van de feiten toereikend gemotiveerd ter zijde laat stellen; juist omdat de bewijsvoering in wezen berust op één - door de verdediging betwiste - getuigenverklaring die naar het oordeel van het Hof door de waarneming van één andere getuige wordt ondersteund.

Daarbij heb ik mede in aanmerking genomen dat mijns inziens de redenen die de Rechtbank noemt om verdachtes verklaring met behoedzaamheid tegemoet te treden hier onvoldoende gewicht in de schaal leggen om daaruit de verwerping van het standpunt te distilleren. De verklaring van getuige [getuige 1] – nogmaals gehoord in opdracht van het Hof door de raadsheer-commissaris - lijkt vooralsnog, bij gebrek aan een nadere overweging, een andere gang van zaken niet uit te sluiten2 en daar waar de Rechtbank ten laste van verdachte meeweegt dat zijn shirt “kennelijk als enige” onder het bloed zat en het daarbij als irrelevant ter zijde laat dat [betrokkene 4] als enige heeft waargenomen dat dit op verdachtes rug was - geen aanstonds ondergeschikt gegeven bij de betwiste zienswijze - weegt het bij de overige beoordeling mee dat juist (diezelfde) [betrokkene 4] met [betrokkene 1] heeft ontkend dat [betrokkene 1] met het glas heeft geslagen. Voorts wordt het wondje aan verdachtes gezicht door de Rechtbank als onvoldoende steun gezien voor verdachtes verklaring en wordt juist het in het pleidooi naar voren gebrachte bij [betrokkene 1] geconstateerde letsel aan zijn rechterhand in het midden gelaten. Dat brengt mij tot de slotsom dat, doordat het Hof zonder nadere motivering het vonnis in zoverre heeft bevestigd, is verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot afwijking van het namens verdachte ingenomen standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht.3 Dat verzuim heeft ingevolge art. 359 lid 8 Sv nietigheid tot gevolg.

3.8. Het voorgaande lokt mij nog uit tot een opmerking over het karakter van het hoger beroep. Een bevestiging door het hof van een vonnis van de rechtbank ligt voor de hand als de behandeling in hoger beroep tot geen andere inzichten dan die van de eerste rechter heeft geleid. Maar waar zoals hier de behandeling in appel voor een groot deel is gewijd aan niet alleen een herhaling van oude argumenten, maar daaraan, juist met het doel de op tafel liggende beslissing aan te vechten, ook nieuwe zijn toegevoegd, waarbij op verzoek van de verdediging in hoger beroep getuigen zijn gehoord om de waarheid nader te bepalen kan een verantwoording van hetgeen die behandeling in de visie van de hoger beroepsrechter heeft opgeleverd eigenlijk niet worden gemist. Waar er een tendens is juist voor de behandeling van het hoger beroep meer de nadruk te leggen op het accusatoire of tegensprekelijke aspect – het ‘voortbouwend appel’ geeft uitdrukking aan die tendens in art. 415 lid 2 Sv, inhoudend dat de behandeling zich richt op de bezwaren die tegen het vonnis zijn ingebracht – is een ongemotiveerde bevestiging als in de onderhavige zaak door het Hof is toegepast niet meer goed te plaatsen. Ook vanuit dat oogpunt schiet de motivering van het Hof ten opzichte van het specifiek in hoger beroep ingenomen standpunt in de onderhavige zaak mijns inziens tekort.

3.9. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ter zijde: In hoger beroep is door de Advocaat-Generaal gevorderd het vonnis geheel te bevestigen en in eerste aanleg was verdachte veroordeeld tot 240 uren werkstraf, subsidiair 120 dagen hechtenis.

2 De pleitnota naast de overwegingen van de Rechtbank lezende, lijkt het erop dat [getuige 1] eerder tegenover de politie heeft verklaard “dat verdachte heeft geslagen” en dat [getuige 1] tegenover de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat op enig moment over en weer werd geduwd en dat vervolgens alles erg snel ging, dat hij niet heeft gezien dat met glas is geslagen en dat hij evenmin heeft gezien wie [aldus] heeft geslagen. Nu ook de overwegingen van de rechtbank niet behelzen dat [getuige 1] heeft waargenomen dat verdachte “met glas” heeft geslagen, sluiten deze verklaringen elkaar niet zonder meer uit en het Hof stelt dienaangaande niets vast.

3 Vgl. ECLI:NL:HR:2014:966; ECLI:NL:HR:2014:1094; versus ECLI:NL:HR:2014:350. En, iets anders, over de betwiste betrouwbaarheid van bekennende verklaringen van de verdachte en de daarop gegeven ontoereikende respons: ECLI:NL:HR:2014:953.