Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:161

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-01-2014
Datum publicatie
14-03-2014
Zaaknummer
13/02257
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:627, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wijziging kinderalimentatie, art. 1:401 BW. Bepaling draagkracht onderhoudsplichtige, schulden wegens achterstallige kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2014/136
Verrijkte uitspraak

Conclusie

13/02257

Mr. E.B. Rank-Berenschot

Zitting: 3 januari 2014

CONCLUSIE inzake:

[de vrouw],

verzoekster tot cassatie,

advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven,

tegen:

[de man] ,

verweerder in cassatie,

niet verschenen.

Deze zaak heeft betrekking op een verzoek van de onderhoudsplichtige tot wijziging (nihilstelling) van kinderalimentatie voor een kind uit een tweede huwelijk. In cassatie draait het om de vraag of het hof bij de bepaling van de draagkracht rekening heeft mogen houden met een schuld wegens achterstanden in de betaling van alimentatie voor zowel genoemd kind als een kind uit het eerste huwelijk.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten1:

a.) [de man] (hierna: de man) is gehuwd geweest met [betrokkene 1]. Uit dit huwelijk is op [geboortedatum 1] geboren de thans nog minderjarige [de dochter].

b) De man is voorts gehuwd geweest met [de vrouw] (hierna: de vrouw) van 2 augustus 2007 tot 5 augustus 2011.

c) Voorafgaand aan dit huwelijk, op [geboortedatum 2], is geboren de thans nog minderjarige [de zoon], die door de man is erkend.

d) [de zoon] verblijft thans bij de vrouw.

e) Bij beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage d.d. 23 mei 2011 is – voor zover hier van belang – de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is bepaald dat de man (met ingang van 5 augustus 2011, toev. A-G) een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] zal voldoen van € 429,- per maand.

1.2

Bij inleidend verzoekschrift wijziging kinderalimentatie ex art. 1:401 lid 1 en 4 BW, ingekomen op 27 december 2011, heeft de man – voor zover in cassatie nog van belang – verzocht om, met wijziging van de beschikking van 23 mei 2011, de kinderalimentatie ten behoeve van [de kinderen] met ingang van 27 december 2011 op nihil te stellen, danwel ten hoogste op € 138,33 per kind per maand.

De man heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd a) dat de beschikking d.d. 23 mei 2011 van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan doordat van onvolledige gegevens is uitgegaan (vgl. art. 1:401 lid 4 BW), en b) dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor vorengenoemde beschikking niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven (vgl. art. 1:401 lid 1 BW), nu (onder meer) het inkomen van de man is gedaald.

1.3

Bij beschikking van 6 juni 2012 heeft de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek voor zover dat betrekking heeft op [de dochter]. Met betrekking tot het wijzigingsverzoek betreffende de kinderalimentatie voor [de zoon] heeft de rechtbank het beroep van de man op art. 1:401 lid 4 BW als onvoldoende onderbouwd verworpen. In het kader van het beroep op art. 1:401 lid 1 BW achtte de rechtbank het redelijk om rekening te houden met een vermindering van inkomen bij de man. Rekening houdend met de te betalen onderhoudsbijdrage voor [de dochter] ad € 318,- per maand is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de man nog voldoende draagkracht heeft om de eerder vastgestelde alimentatie ten behoeve van [de zoon] te blijven voldoen. De rechtbank heeft het verzoek tot wijziging van de alimentatie ten behoeve van [de zoon] dan ook afgewezen.

1.4

De man is van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag met het verzoek de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de kinderalimentatie voor [de zoon] met ingang van 23 december 2011 (datum indiening verzoekschrift in eerste aanleg) te stellen op nihil, dan wel ten hoogste € 138,33 per maand.

Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd (grief I) dat de gemeente hem heeft meegedeeld dat hij niet tot de door hem verzochte schuldhulpverlening kan worden toegelaten zolang de kinderalimentatie niet op nihil is gesteld en dat zijn schuldenlast van een zodanige omvang is dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek tot nihilstelling dan wel wijziging van de kinderalimentatie heeft afgewezen. Naast het loonbeslag dat is gelegd door het LBIO en Tele2 heeft de man diverse betalingsregelingen lopen. Indien de kinderalimentatie niet op nihil wordt gesteld, ziet hij geen andere mogelijkheid dan zijn persoonlijke faillissement aan te vragen, aldus de man.

De vrouw heeft verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen, zo nodig met verbetering van gronden.

1.5

In zijn beschikking van 13 februari 20132 neemt het hof bij de vaststelling van de draagkracht van de man in aanmerking het loonbeslag dat is gelegd voor bedragen variërend van – afgerond – € 621,- per maand tot € 670,- per maand en acht het aannemelijk dat de man vanwege betalingsregelingen met andere schuldeisers € 225,- per maand voldoet. Mede gelet op de overige noodzakelijke uitgaven heeft de man naar het oordeel van het hof geen draagkracht om kinderalimentatie te voldoen (rov. 6). Dat laat echter onverlet dat de man ter zitting heeft aangeboden om ten behoeve van [de zoon] een kinderalimentatie van € 138,33 per maand te voldoen, zijnde het vrij te laten bedrag zoals dat volgens de man door de gemeente is berekend (rov. 7).

Gelet hierop vernietigt het hof de bestreden beschikking, en stelt het – opnieuw beschikkende en met wijziging van de beschikking van 23 mei 2011 – de kinderalimentatie ten behoeve van [de zoon] met ingang van 27 december 2011 vast op € 138,33 per maand, met bepaling dat hetgeen de man inmiddels aan de vrouw heeft betaald door haar niet behoeft te worden terugbetaald.

1.6

De vrouw heeft – tijdig3 – beroep in cassatie ingesteld. De man heeft geen verweer gevoerd.

2 Beoordeling van het cassatieberoep

2.1

Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen.

2.2

De eerste twee onderdelen zijn gericht tegen rov. 6 van de bestreden beschikking, voor zover het hof daarin bij de vaststelling van de draagkracht van de man rekening houdt met het gelegde loonbeslag. Volgens het middel betreft het schulden wegens achterstallige kinderalimentatie ten behoeve van [de zoon] (€ 3.378,78) en ten behoeve van de dochter van de man uit zijn eerdere huwelijk (€ 1.737,64), waarvoor door het LBIO loonbeslag is gelegd en blijkens de salarisstroken ook inderdaad gelden worden ingehouden.4

2.3

Onderdeel 1 klaagt (primair) dat het hof bij de vaststelling van de draagkracht ten onrechte rekening heeft gehouden met de schulden wegens achterstallige kinderalimentatie. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat dergelijke schulden zich er naar aard tegen verzetten dat daarmee rekening wordt gehouden bij het bepalen van de draagkracht van de alimentatieplichtige, in welk verband wordt verwezen naar de uitspraak van Uw Raad van 26 oktober 19795.

De (subsidiaire) motiveringsklacht in onderdeel 2 berust op het uitgangspunt dat de aard van de schuld – achterstallige kinderalimentatie – meebrengt dat het hof bij de bepaling van de draagkracht ter vaststelling van kinderalimentatie diende te motiveren waarom die schuld (wel) moest worden meegenomen. Het stond het hof niet vrij voorbij te gaan aan de essentiële stelling van de vrouw dat met deze schuld geen rekening mag worden gehouden, aldus de klacht.6

Onderdeel 2 bevat voorts een motiveringsklacht die berust op de lezing dat het hof van oordeel is dat het ontstaan van de schuld wegens achterstallige kinderalimentatie niet aan de man te wijten is geweest en om die reden van belang was voor de bepaling van de draagkracht. Zij strekt tot betoog dat eerstgenoemd oordeel onvoldoende is gemotiveerd.

2.4

Bij de beoordeling van deze klachten is het volgende van belang.7 De feitenrechter geniet grote vrijheid bij de vaststelling van (kinder)alimentatie. Volgens vaste rechtspraak zijn de vaststelling en de weging van de factoren die de draagkracht van de onderhoudsplichtige bepalen, voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Deze oordelen kunnen in cassatie niet op juistheid worden getoetst.8

2.5

Ook kunnen aan deze oordelen geen hoge motiveringseisen worden gesteld.9 Zij moeten echter wel zodanig zijn gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geven in de gedachtegang die aan de beslissing ten grondslag ligt, in het bijzonder hoe de rechter, gelet op het partijdebat, tot zijn beslissing is gekomen, zonder dat de rechter op alle stellingen van partijen behoeft in te gaan.10 De rechter is niet gehouden alle berekeningen in zijn beschikking op te nemen, mits uit de beschikking voldoende blijkt van welke gegevens hij bij de vaststelling van de alimentatie is uitgegaan.11 De motiveringseisen gaan niet zover dat de rechter, indien partijen van verschillende draagkrachtberekeningen zijn uitgegaan, moet aangeven welke draagkrachtberekening hij aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd12, of dat hij moet motiveren waarom hij bij het vaststellen van alimentatie ‘in hoge mate’ is afgeweken van het resultaat van een door een partij uitgevoerde draagkrachtberekening.13 Het is aan de rechter overgelaten of en in hoeverre het geval in kwestie zich leent voor toepassing van de richtlijnen van het rapport Alimentatienormen; hij hoeft niet te motiveren waarom hij van die richtlijnen afwijkt.14

2.6

De draagkracht van de onderhoudsplichtige wordt bepaald enerzijds door de financiële middelen (inkomen en vermogen) die de onderhoudsplichtige ter beschikking staan, anderzijds door de uitgaven die ten laste van deze middelen komen.15 De rechter moet rekening houden met alle omstandigheden (uitgaven) die voor de bepaling van de draagkracht in redelijkheid van belang kunnen zijn.16 De vraag welke uitgaven redelijk zijn en wat in redelijkheid van een onderhoudsplichtige kan worden gevergd in het kader van zijn inspanningsplicht, betreft het vaststellen en het wegen van de factoren die de draagkracht bepalen, zodat voor de beantwoording van die vraag de voormelde beperkte motiveringseisen gelden.17 Het gewicht van de factoren zal door de feitenrechter moeten worden bepaald in het licht van alle omstandigheden van het geval18, waaronder de betrokken belangen.19

2.7

Op de draagkracht van een onderhoudsplichtige zijn in beginsel al diens schulden van invloed.20Daarbij is onverschillig of de schulden zijn ontstaan voor of na het tijdstip waarop de onderhoudsplicht is komen vast te staan, of voor of na de echtscheiding.21 Ook de omstandigheid dat een lening niet is aangegaan om huwelijkse schulden af te lossen, doet niet af aan voormeld uitgangspunt.22 Evenmin doet dat het feit dat het om zakelijke schulden gaat of dat op de schuld niet wordt afgelost.23

2.8

De rechter kan niettemin redenen aanwezig oordelen om in afwijking van deze hoofdregel aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, maar dient dan wel voldoende inzicht te geven in de gedachtegang die hem tot zodanig oordeel heeft geleid.24 Te denken valt aan schulden die na het vaststellen van de onderhoudsplicht onnodig werden aangegaan, of om schulden ten aanzien waarvan de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich te bevrijden of een regeling te treffen.25

2.9

Ook overigens lijkt de ‘aard der schulden’ het oordeel te kunnen wettigen dat met deze schulden geen rekening behoeft te worden gehouden.26 Aan dit laatste criterium is door Uw Raad verder (nog) geen invulling gegeven.27

2.10

In ieder geval lijkt Uw Raad niet gevoelig voor het argument van ‘zelffinanciering’. In het geval waarin de man een tweede hypotheek had afgesloten om het aan de vrouw verschuldigde bedrag uit overbedeling te kunnen betalen, oordeelde Uw Raad dat het enkele feit dat de vrouw als gevolg van het in aanmerking nemen door de rechter van de uit de tweede hypothecaire lening voorvloeiende extra woonlasten van de man, in feite de wegens overbedeling verschuldigde vergoeding gedeeltelijk zelf zou dragen, niet een toereikende grond is om die lasten buiten beschouwing te laten. Wel zou er voor dit laatste aanleiding zijn, indien en voor zover die tweede lening het totaal van de woonlasten van de man op een niveau brengt dat, gezien de omstandigheden van het geval, onredelijk hoog moet worden geacht. Ook zou het ten opzichte van de vrouw onredelijk kunnen zijn om niet alleen de uit de lening voortvloeiende rentelasten, maar ook de – in beginsel tot vermogensvorming leidende – aflossingen (ten volle) in aanmerking te nemen als draagkrachtverminderende factor.28

2.11

Luijten29 vat het een en ander samen in de volgende drie regels: a. op de draagkracht van de onderhoudsplichtige zijn in beginsel al diens schulden van invloed; b. dit sluit niet uit, dat de rechter daarbij prioriteiten stelt; c. doet hij dit, dan behoort hij voldoende inzicht te geven in de gedachtegang, die tot deze afweging leidt.

De beperkte motiveringsplicht voor beschikkingen betreffende alimentatie wordt dus aangescherpt als het gaat om het niet of niet geheel meewegen van schulden van de onderhoudsplichtige bij de bepaling van zijn draagkracht. De enkele constatering dat het gaat om een schuld die is aangegaan na de echtscheiding, dat een lening niet is aangegaan om huwelijkse schulden af te lossen enzovoorts, volstaat hierbij niet. Een speciale of uitgebreide motivering met betrekking tot het – in overeenstemming met de hoofdregel – wel meewegen van schulden die men ook niet zou kunnen meewegen, wordt evenwel (in de regel) niet vereist.30

In het algemeen zal het afhangen van de omstandigheden waaronder schulden ontstonden casu quo werden aangegaan, in hoeverre met het bestaan van die schulden rekening moet worden gehouden bij het bepalen van iemands draagkracht.31

2.12

In het licht van het bovenstaande dient onderdeel 1 naar mijn mening te falen. Niet kan worden volgehouden dat, zoals het onderdeel tot uitgangspunt neemt, schulden uit achterstallige kinderalimentatie zich er naar aard tegen verzetten dat daarmee rekening wordt gehouden bij de vaststelling (wijziging) van kinderalimentatie. Voor het buiten beschouwing laten van achterstallige kinderalimentatie bestaat bijvoorbeeld geen rechtvaardiging in een geval als het onderhavige, waarin de alimentatieschuld is ontstaan over een periode waarin – naar achteraf blijkt – de draagkracht van de alimentatieplichtige op een te hoog niveau is vastgesteld en het ontstaan van achterstanden moeilijk kon worden voorkomen. Anders dan de steller van het middel ben ik niet bevreesd dat de door mij bepleite opvatting de deur openzet voor het bewerkstelligen van nihilstelling door het eenvoudigweg laten ontstaan van een achterstand. Ik meen dat een dergelijke handelwijze een rechtvaardiging kan vormen om de achterstand, in afwijking van de hoofdregel, (aldus gemotiveerd) buiten beschouwing te laten.

2.13

Hierbij kan met betrekking tot het onderhavige geval nog worden opgemerkt dat het loonbeslag weliswaar – zoals het middel aanvoert – enkel betrekking heeft op achterstallige kinderalimentatie, maar dat het daarbij gaat om kinderalimentatie voor zowel dochter [de dochter] uit het eerste huwelijk van de man als van zoon [de zoon] uit het tweede huwelijk van de man. Er is dus geen sprake van een achterstand in (uitsluitend) dezelfde kinderalimentatie als waarvoor thans de draagkracht van de man wordt bepaald. Ook de achterstand in de betaling van kinderalimentatie voor [de dochter] is overigens ontstaan in de periode waarin de man – zoals achteraf beoordeeld – in ieder geval te weinig draagkracht had om de voor [de zoon] in aanvang vastgestelde en op dat moment (nog) verschuldigde kinderalimentatie te betalen.32

2.14

Volledigheidshalve vermeld ik dat de rechtbank ’s-Gravenhage in haar beschikking van 23 mei 201133 bij de eerste vaststelling van de kinderalimentatie voor [de zoon] kennelijk van een andere rechtsopvatting is uitgegaan, waar zij overwoog dat zij voor de bepaling van de draagkracht van de man geen rekening zou houden met de aflossingen die de man aan het LBIO doet ter zake van achterstallige alimentatieverplichtingen, aangezien “het niet zo kan zijn dat de draagkracht van de man verminderd wordt vanwege door hem niet betaalde kinderalimentatie.”3435

2.15

Tot hetzelfde resultaat komt de rechtbank Almelo – in een andere zaak –, waar zij overweegt36 dat zij bij de bepaling van de draagkracht van de man geen rekening houdt met de maandelijkse afbetaling op de achterstallige kinderalimentatie van € 185,- per maand, zulks op de grond dat dit feitelijk zou betekenen dat de alimentatiegerechtigde de achterstallige alimentatiebetalingen zou financieren.

Deze onderbouwing lijkt niet goed verenigbaar met de hierboven genoemde beschikking van Uw Raad van 20 oktober 1995.37 In ieder geval kan gezegd worden dat verdiscontering van achterstallige kinderalimentatie niet ongerechtvaardigd behoeft te zijn indien de achterstanden hun oorzaak voor een groot deel vinden in het feit dat de draagkracht van de man voor een relevante periode in het verleden achteraf blijkt te zijn vastgesteld op een te hoog niveau.

2.16

In overeenstemming met de hier verdedigde lijn oordeelde het gerechtshof Den Haag in een recente beschikking38 dat het rekening zal houden met (althans een gedeelte van) de aflossing op de schuld die de man is aangegaan om de alimentatie te kunnen betalen, nu, gelet op vaste jurisprudentie van Uw Raad, als uitgangspunt geldt dat op de draagkracht van de onderhoudsplichtige in beginsel al diens verplichtingen en schulden van invloed zijn, en niet is gebleken dat deze schuld onnodig is aangegaan dan wel anderszins onredelijk is te achten.

2.17

In onderdeel 2 wordt het hof verweten niet te zijn ingegaan op de als essentieel aan te merken stelling van de vrouw, luidende:

“De schuld aan het LBIO is in het kader van de berekening van de draagkracht niet relevant, nu(…) het niet zo kan zijn dat de draagkracht van de man wordt verminderd vanwege door hem niet betaalde kinderalimentatie.” 39

De motiveringsklacht berust, als gezegd, op het uitgangspunt dat de aard van de schuld – achterstallige kinderalimentatie – meebrengt dat het hof bij de bepaling van de draagkracht ter vaststelling van kinderalimentatie diende te motiveren waarom die schuld wel in aanmerking moest worden genomen. Het middel wil hiermee een regel ingang doen vinden, welke tegengesteld is aan de hiervoor beschreven hoofdregel volgens welke slechts een motiveringsplicht bestaat indien, in afwijking van de hoofdregel, een schuld niet (geheel) in aanmerking wordt genomen. Ik meen dat voor een dergelijk e afwijking onvoldoende zwaarwegende redenen bestaan. Het onderdeel geeft die ook niet (duidelijk) aan. Evenmin als een schuld uit achterstallig e kinderalimentatie naar haar aard meebrengt dat zij nooit in aanmerking kan worden genomen (waarover onderdeel 1), brengt zij naar haar aard mee dat, i n afwijking van de hoofdregel, te allen tijde moet worden gemotiveerd waarom zij wel in aanmerking behoort te worden genomen.

2.18

Bovendien behelst de stelling van de vrouw in haar verweerschrift – zoals ook door haar opgevat, zie cassatieverzoekschrift, onderdeel 1, eerste alinea – veeleer een juridische dan een feitelijke stelling, zodat ook uit dien hoofde de motiveringsklacht geen doel treft.

2.19

De tweede motiveringsklacht in onderdeel 2 faalt bij gemis aan feitelijke grondslag. De beschikking van het hof biedt geen enkel aanknopingspunt voor de lezing dat het hof van oordeel is dat het ontstaan van de schuld wegens achterstallige kinderalimentatie niet aan de man te wijten is geweest en om die reden van belang was voor de bepaling van de draagkracht. Voorts berust de klacht op het hiervoor verworpen uitgangspunt dat het hof diende te motiveren waarom de schuld (wel) moest worden meegenomen bij de bepaling van de draagkracht.

2.20

Het voortbouwende onderdeel 3 treft evenmin doel.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Beschikking van het gerechtshof Den Haag van 13 februari 2013, p. 2, i.v.m. de beschikking van de rechtbank
’s-Gravenhage van 6 juni 2012, p. 2, onder ‘Feiten’.

2 Hof Den Haag 13 februari 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:427.

3 Het cassatieverzoekschrift is op 6 mei 2013 ontvangen.

4 Verwezen wordt naar het overzicht van schulden tot 1 december 2012, overgelegd als prod. 16 bij brief van 3 december 2012.

5 ECLI:NL:HR:1979:AC6705, NJ 1980, 270 m.nt. E.A.A. Luijten.

6 Verwezen wordt naar verweerschrift in hoger beroep, onder 1.6 en 1.15.

7 Het volgende is mede ontleend aan mijn conclusie (onder 2.2-2.5) voor HR 11 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9553, RvdW 2011/360, alwaar verdere rechtspraakvermelding.

8 Zie bijv. HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5803, NJ 2007/563.

9 Zie bijv. HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5803, NJ 2007/563. Zie over de omvang van de motiveringsplicht voorts: Asser/De Boer I* 2010/620; Personen- en familierecht (Wortmann) art. 397, aant. 1 sub b.

10 HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5803, NJ 2007/563.

11 Zie bijv. HR 22 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8848, NJ 2006/520.

12 HR 23 september 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC8102, NJ 1984/90.

13 HR 5 oktober 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4871, NJ 1985/87.

14 Personen- en familierecht (Wortmann) aant. 397, aant. 1 sub b, met rechtspraakgegevens.

15 Zie o.m. HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG5253, NJ 2009/24. Zie ook Asser/De Boer I* 2010/624-627 en Personen- en familierecht (Wortmann) art. 397, aant. 1 sub b.

16 Zie o.m. HR 25 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1558, NJ 1995/286 m.nt. JdB.

17 Vgl. HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6629, NJ 2002/184.

18 Zie o.m. HR 15 juli 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC4261, NJ 1986/566, m.nt. JCS.

19 Zie o.m. HR 25 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1558, NJ 1995/286, m.nt. JdB.

20 Zie voor een overzicht van rechtspraak ten aanzien van in aanmerking te nemen schulden: P.A.J.Th. van Teeffelen, ‘Schulden, die de draagkracht van de alimentatieplichtige partner beïnvloeden (HR 11 juli 2008, NJ 2008, 402)’, EB 2008, 81.

21 HR 29 september 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6360, NJ 1979/143 en HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1843, NJ 2008/402, FJR 2008/91 m.nt. P. Dorhout.

22 HR 10 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3843, NJ 2000/4.

23 HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1843, NJ 2008/402, FJR 2008/91 m.nt. P. Dorhout.

24 Vgl. o.m. HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1843, NJ 2008/402, FJR 2008/91 m.nt. P. Dorhout; HR 10 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3843, NJ 2000/4; HR 20 oktober 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1854, NJ 1996/91; HR 1 februari 1991, ECLI:NL:HR:ZC0138, NJ 1991/323; HR 26 oktober 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6705, NJ 1980/ 270, m.nt. EAAL en HR 29 september 1978, ECLI:NL:HR:AC6360, NJ 1979/143. Zie ook Asser/De Boer I* 2010, nr. 626 en Personen- en familierecht (Wortmann), art. 157, aant. 2 en art. 397, aant. 1 sub b.

25 HR 29 september 1978, ECLI:NL:HR1978:AC6360, NJ 1979/143.

26 In die zin m.n. HR 26 oktober 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6705, NJ 1980/270 m.nt. EAAL, zie het slot van de overwegingen omtrent onderdeel 2.

27 P.A.J.Th. van Teeffelen, ‘Schulden, die de draagkracht van de alimentatieplichtige partner beïnvloeden (HR 11 juli 2008, NJ 2008, 402)’, EB 2008, 81, zie de samenvatting onder punt 3.

28 HR 20 oktober 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1854, NJ 1996/91.

29 Annotatie bij HR 26 oktober 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6705, NJ 1980/270.

30 Vgl. ook HR 10 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3843, NJ 2000/4, rov. 3.2 slot.

31 M.J.A. van Mourik en L.C.A. Verstappen, Handboek Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Deventer: Kluwer 2006, p. 743-744.

32 Vgl. de overzichten van het LBIO, overgelegd als prod. 19 bij brief van 3 december 2012, i.v.m. het schuldenoverzicht t/m 1 december 2012 (prod. 16 bij genoemde brief).

33 Overgelegd als prod. 3 bij appelschrift.

34 Het zal hier zijn gegaan om niet-betaling van de bij beschikking van 10 juni 2010 bij wijze van voorlopige voorziening met ingang van 18 maart 2010 vastgestelde kinderalimentatie ad € 290 per maand (prod. 4 bij appelschrift).

35 De rechtbank heeft vervolgens de resulterende draagkracht over de kinderen verdeeld.

36 Rb Almelo 21 april 2010, ECLI:NL:RBALM:2010:BM3422, rov. 9.

37 ECLI:NL:HR:1995:ZC1854, NJ 1996/91.

38 Gerechtshof Den Haag 20 maart 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ9675, rov. 24.

39 Verweerschrift in hoger beroep, onder 1.6. Zie ook onder 1.15.