Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1607

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-06-2014
Datum publicatie
23-09-2014
Zaaknummer
12/03134
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2756, Gedeeltelijk contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 11.3 Opiumwet. Handelen “in de uitoefening van een beroep of bedrijf”. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel - verdrievoudiging strafmaximum op te leggen vrijheidsstraf - moeten aan de vaststelling daarvan bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te besteden. ’s Hofs kennelijke oordeel dat de teelt i.c. zodanig grootschalig en professioneel was dat sprake was van handelen “in de uitoefening van een beroep of bedrijf” a.b.i. art. 11.3 Ow geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Opmerking verdient dat het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting naast het derde lid ook het vijfde lid van art. 11 Ow heeft kunnen toepassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/03134

Zitting: 17 juni 2014 (bij vervroeging)

Mr. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Verdachte is bij arrest van 30 mei 2012 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. “in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel” en 2. “diefstal” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Tevens heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

  2. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft namens verdachte drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt dat het oordeel van het hof dat verdachte heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf als bedoeld in art. 11, derde lid, Ow blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is. Aangevoerd wordt dat de vereiste stelselmatigheid en duurzaamheid van de hennepkwekerij ontbreekt, omdat de kwekerij zich bevond in de voorbereidingsfase van de beoogde economische activiteiten.

  4. Ten laste van verdachte is onder feit 1 kort gezegd bewezen verklaard dat hij in de periode van 1 september 2009 tot en met 19 november 2009 te Heeswijk Dinther, in de uitoefening van beroep of bedrijf, opzettelijk (ongeveer) 716 hennepplanten, waarvan 35 hennepstekken, heeft geteeld.

  5. Deze bewezenverklaring steunt voor zover relevant op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen (…):

Op 19 november 2009 belden wij aan bij de woning aan de [a-straat 1] te Heeswijk-Dinther. De man die de deur voor ons opende, [verdachte], bleek later de hoofdbewoner te zijn.

Toen wij de garage in liepen, roken wij een voor ons ambtshalve bekende henneplucht. Toen wij de trap op liepen zagen wij op de overloop direct 25 ons ambtshalve bekende hennepplanten. Wij zagen op de overloop tevens een dompelpomp en een ventilatieregelaar staan.

Toen wij de linkerdeur openden, troffen wij een in werking zijnde hennepkwekerij aan. Wij zagen dat er in deze ruimte 180 hennepplanten stonden. Wij zagen boven de hennepplanten 9 assimilatielampen van 600 watt, met kap hangen. Wij zagen 2 losse tafelventilatoren van 50 watt staan en 1 afzuiginstallatie van 200 watt. Wij zagen dat er 9 transformatoren en 1 schakelbord aanwezig waren.

Toen wij de rechterdeur openden, troffen wij een in werking zijnde hennepkwekerij aan. Wij zagen dat er in deze ruimte 280 hennepplanten stonden. Wij zagen boven de hennepplanten 20 assimilatielampen van 600 watt, met kap, hangen. Wij zagen 2 losse tafelventilatoren van 50 watt staan en 1 afzuiginstallatie van 200 watt. Wij zagen dat er 20 transformatoren en 1 schakelbord aanwezig waren. Wij zagen dat er verschillende hennepstekken op de grond van het looppad lagen, als waren deze net geknipt. Wij zagen ook een witte plastic zak liggen, met daarin ongeveer 35 hennepstekken.

Toen wij de tweede verdieping van de woning betraden, zagen wij dat wij terecht kwamen op een overloop met 3 deuren. Toen wij de rechterdeur op de overloop openden, zagen wij dat er in die ruimte 1 dompelpomp van 400 watt, 1 schakelbord en 1 ventilatieregelaar aanwezig waren. Toen wij de deur tegenover de trap op de overloop van de zolder openden, troffen wij een in werking zijnde hennepkwekerij aan. Wij zagen dat er in deze ruimte 196 hennepplanten stonden. Wij zagen dat er in deze ruimte tevens 18 assimilatielampen van 600 watt, met kap, aanwezig waren. Wij zagen 3 losse tafelventilatoren van 50 watt staan en 1 afzuiginstallatie van 200 watt. Wij zagen dat er 15 transformatoren en 1 schakelbord aanwezig waren.

Vervolgens vroeg ik aan de hoofdbewoner of er nog meer dingen waren. Ik zag dat hij vervolgens links naast de koelkast wat houten schotten verwijderde en daar achter een blauwe regenton vandaan haalde. Toen ik deze ton opende zag ik dat deze bijna vol zat met ons ambtshalve bekend hennepafval. Ik rook ook dat er een henneplucht uit de ton kwam.

4. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 22 oktober 2010, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik erken het mij ten laste gelegde. In de periode van 1 september 2009 tot en met 19 november 2009 had ik hennepkwekerijen in verschillende ruimtes in een door mij gehuurde woning te Heeswijk Dinther aan de [a-straat 1]. Ik heb alles laten aanleggen, inclusief de stroomvoorziening.

5. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 december 2009, doorgenummerde pagina 58 van bovenvermeld proces-verbaal, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring -van de verdachte:

De kwekerijen zijn aangelegd. Ik denk dat ze eind augustus 2009 zijn aangelegd.”

6. Het hof heeft ten aanzien van het bewijs van feit 1 onder meer het volgende overwogen:

“In de hennepkwekerij waren, blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 22 november 2009 (pagina's 15 tot en met 17 van het dossier), kunstlichten (47), ventilatoren (7) en afzuiginstallaties (3) aanwezig. Voorts zijn er transformatoren (44), schakelborden (4), een ventilatieregelaar en een dompelpomp aangetroffen. Voorts is er een regenton aangetroffen die bijna vol zat met hennepafval aangetroffen. Vastgesteld kan worden dat de verdachte een aanzienlijke investering heeft gedaan met de bedoeling een hennepkwekerij op te zetten waarmee verschillende keren kon worden geoogst ten behoeve van de verkoop, dat de capaciteit van de kwekerij niet gering was (716 hennepplanten), en dat het teeltproces geschiedde in afzonderlijke daarvoor ingerichte ruimtes onder gecontroleerde condities en in belangrijke mate geautomatiseerd verliep met behulp van technische middelen, kennelijk ter optimalisering van het teeltproces en minimalisering van de daarvoor van de teler vereiste inspanning.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat het handelen van verdachte gekwalificeerd kan worden als hennepteelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.”

7. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wetsbepalingen van belang:

Art. 3, aanhef en onder B Ow: “Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren.”

Art. 11, tweede lid, Ow: “Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, C of D, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.”

Art. 11, derde lid, Ow: “Hij die in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

8. De tenlastelegging is toegesneden op art. 11, derde lid, Ow. Daarom moet de daarin voorkomende uitdrukking “in de uitoefening van een beroep of bedrijf” geacht worden te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in dat artikel. Zoals ook in het middel wordt aangehaald, heeft de wetgever de invulling van deze woorden bewust overgelaten aan de rechtspraak.1 Mijn ambtgenoot Vellinga schreef in zijn conclusie voor HR 1 juli 20082 dat het moet gaan om het verrichten van een activiteit met een economisch karakter, van een zekere duurzaamheid en stelselmatigheid, gericht op het verwerven van inkomsten of het behalen van winst.3 Het hof had in deze zaak geoordeeld dat de verdachte samen met anderen vanuit zijn woning softdrugs verhandelde “als ware die woning een coffeeshop”. Onder de overweging dat het hof hiermee kennelijk tot uitdrukking heeft gebracht dat sprake was van geregelde en stelselmatig verkoop van softdrugs, oordeelde de Hoge Raad dat het oordeel van het hof dat de verkoop door de verdachte en zijn mededaders - gedurende een half jaar aan willekeurige klanten die voor softdrugs aan de deur kwamen - geschiedde “in de uitoefening van een beroep of bedrijf” in de betekenis die daaraan toekomt in art. 11, derde lid, Ow niet blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting.4

9. Ik ben het met de steller van het middel eens dat in de onderhavige zaak de situatie anders ligt. De bewijsmiddelen laten zien dat het hof aannemelijk heeft geacht dat verdachte op 1 september 2009 is begonnen met het telen van hennep en dat de kwekerij al vrij snel daarna, op 19 november 2009, is ontdekt. Het is een feit van algemene bekendheid dat met één kweekcyclus gemiddeld tien weken is gemoeid. Hieruit kan worden afgeleid dat de aangetroffen hennepplanten de eerste oogst betroffen, terwijl het beroeps- of bedrijfsmatig handelen nu juist impliceert dat het telen meermalen heeft plaatsgevonden.5 Het hof heeft weliswaar geoordeeld dat verdachte een aanzienlijke investering heeft gedaan met de kennelijke bedoeling een hennepkwekerij voor langere tijd op te zetten ten behoeve van de verkoop, maar dat laat onverlet dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat op het moment van ontdekking reeds sprake was van “een zekere duurzaamheid en stelselmatigheid”.

10. Het middel slaagt.

11. Uit de onder 7 geciteerde leden van art. 11 Ow blijkt dat de strafbedreiging voor het opzettelijk telen van hennep aanzienlijk wordt verzwaard, namelijk verdrievoudigd, indien dit gebeurt in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf.6 Blijkens de in het bestreden arrest opgenomen strafmotivering heeft het hof deze strafverzwarende omstandigheid expliciet betrokken bij het bepalen van de hoogte van de straf. Gelet hierop wordt de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd aangetast als de woorden “in de uitoefening van een beroep of bedrijf” uit de bewezenverklaring en de kwalificatie van feit 1 zouden worden geschrapt. Daarom concludeer ik tot vernietiging van het bestreden arrest, waardoor het tweede middel, dat klaagt de bewezenverklaring van feit 1 ontoereikend is gemotiveerd omdat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de aangetroffen hennepplanten zijn onderzocht op de werkzame stof THC, geen bespreking meer behoeft.

12. Het derde middel klaagt over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. Het cassatieberoep is ingesteld op 11 juni 2012 en het dossier is pas op 4 december 2013 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.

13. De door de steller van het middel vermelde gegevens zijn juist. Dit brengt mee dat de door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn met bijna tien maanden is overschreden. Daarbij komt dat al meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep en de overschrijding van de inzendtermijn dus niet meer door een voortvarende behandeling kan worden gecompenseerd.

14. Indien de Hoge Raad de strekking van deze conclusie volgt, zal het hof dat de zaak opnieuw zal behandelen in geval van strafoplegging rekening moeten houden met de schending van de redelijke termijn in de cassatiefase.

15. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest ten aanzien van feit 1 en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch om de zaak in zoverre opnieuw te berechten.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Kamerstukken TK 1997-1998, 25 325, nr. 6, p. 2.

2 ECLI:NL:HR:2008:BC8654.

3 Deze door Vellinga geformuleerde uitleg van het begrip “in de uitoefening van een beroep of bedrijf” heeft navolging gekregen in de feitenrechtspraak, zie onder meer Gerechtshof Amsterdam 27 juli 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BX4741 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 juni 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:3226.

4 HR 1 juli 2008, rov. 3.6-3.7.

5 HR 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1299, rov. 2.8.

6 De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot wijziging van de Ow in verband met de invoering van een verhoogde strafmaat voor beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt, maakt duidelijk dat werd voorgesteld de strafmaat voor hennepteelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf “fors” te verhogen om doeltreffend te kunnen optreden tegen professionele en grootschalige hennepteelt en de gedragingen die daarmee doorgaans onlosmakelijk zijn verbonden (Kamerstukken TK 1996-1997, 25 325, nr. 3, p. 2-3).