Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1577

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-06-2014
Datum publicatie
30-09-2014
Zaaknummer
13/04504
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2789, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Falende klacht over n-o verklaring verdachte in h.b. Het middel steunt op de opvatting dat de Pr betrokkene, die een raadsman had en te kennen had gegeven h.b. te willen instellen, had moeten inlichten over de formaliteiten die daartoe vervuld moeten worden. Die opvatting is niet juist. Zoals het Hof heeft vastgesteld, is betrokkene door de Pr bij verstek veroordeeld en is hij, toen hij zich na afloop van de behandeling van zijn zaak in de zittingszaal had vervoegd, door de Pr geïnformeerd over de gedane uitspraak. I.c. was dus niet de situatie aan de orde - waarop ECLI:NL:HR:2010:BL7694 ziet - dat de betrokkene op de voet van art. 381 Sv de gelegenheid wordt geboden om afstand te doen van het openstaande rechtsmiddel en naar aanleiding daarvan verklaart in h.b. te willen gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/04504 P

Mr. Vegter

Zitting 10 juni 2014

Conclusie inzake:

[betrokkene=verdachte]




1.Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 5 september 2013 de verdachte niet ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.



2. Namens verdacht is beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het vonnis van de Rechtbank van 21 maart 2011 in de ontnemingszaak verzoeker bekend was en het hoger beroep derhalve binnen 14 dagen na die datum diende te worden ingesteld, althans dat het Hof dit oordeel met onvoldoende redenen heeft omkleed.

4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

( i) Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 21 maart 2011 is verzoeker ter terechtzitting niet verschenen en is verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte.

(ii) Blijkens de akte beroep heeft verzoeker op 28 april 2011 beroep ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank van 21 maart 2011.

(iii) Bij de stukken bevindt zich een standaardformulier ‘’hoger beroep’’ waarop verzoeker heeft gemeld:

‘’Ik ben niet bij de zitting aanwezig geweest, omdat: er een zwaar ongeluk gebeurde op de heenreis naar de zitting. Hierdoor belande ik in de file en kwam hierdoor te laat op de zitting.’’

(iv) In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 juli 2012 is onder meer het volgende gerelateerd:

"De voorzitter deelt mede dat uit het grievenformulier bij de akte beroep naar voren komt dat verdachte te laat was bij de terechtzitting in eerste aanleg op 21 maart 2011 in verband met een file als gevolg van een ongeval.

De verdachte verklaart als volgt.

Dat is juist. Er was een zwaar ongeluk gebeurd waardoor ik in de file terechtkwam. Ik was 2 tot 3 minuten te laat op de zitting en ik mocht niets meer zeggen. Ik heb meteen gezegd dat ik in hoger beroep wilde gaan.

De voorzitter merkt op dat de verdachte pas op 28 april 2011 hoger beroep heeft ingesteld.

De verdachte verklaart hierop dat hij dacht dat dat kon.

De voorzitter deelt mede dat binnen 14 dagen na het wijzen van het vonnis hoger beroep dient te worden ingesteld indien de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. De termijn waarbinnen hoger beroep moet worden ingesteld, is ook vermeld op de bij de dagvaarding in eerste aanleg behorende standaard toelichting.

De verdachte verklaart als volgt.

Ik heb telefonisch contact opgenomen met iemand van de rechtbank 's-Hertogenbosch om door te geven dat ik in hoger beroep wilde gaan. Door die persoon werd mij medegedeeld dat dat niet meteen hoefde te gebeuren en dat ik altijd later nog hoger beroep kon instellen. U, voorzitter, vraagt mij wanneer ik heb gebeld en met wie. Ik weet niet meer wanneer dit is geweest. Ook weet ik de naam van deze persoon niet meer. Ik denk dat sprake is geweest van een misverstand. Omdat er iets tussen is gekomen, heb ik uiteindelijk op 28 april 2011 hoger beroep ingesteld. Ik dacht dat dat op tijd was.’’

(v) In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 augustus 2012 is onder meer gerelateerd:

"De voorzitter stelt terstond de ontvankelijkheid van verdachte in het hoger beroep aan de orde.

De advocaat-generaal deelt mede:

Mijns inziens is de verdachte niet ontvankelijk in het hoger beroep.

In eerste aanleg zijn de hoofdzaak en de ontnemingszaak gelijktijdig op één zitting behandeld. Bij de behandeling van de hoofdzaak in hoger beroep heeft de verdachte ter terechtzitting, blijkens het proces-verbaal van 12 juli 2012, het volgende gezegd: "Ik was 2 tot 3 minuten te laat op de terechtzitting en ik mocht niets meer zeggen. Ik heb meteen gezegd dat ik in hoger beroep wilde gaan.’’

Verdachte moet op dat moment hebben geweten van de uitspraak, zowel in de strafzaak als in de ontnemingszaak.

De voorzitter deelt mede:

De verdachte heeft op de zitting van 12 juli 2012 een duidelijk verhaal verteld over de gang van zaken. Hij kan echter zijn gesprek met een medewerker van de rechtbank niet onderbouwen.

De raadsman verklaart:

Mijn cliënt was wel op de hoogte van de zitting. Uit de stukken blijkt echter niet dat mijn cliënt op de hoogte was van de ontnemingsvordering.

De advocaat-generaal deelt mede:

In het dossier bevindt zich geen akte van betekening van de ontnemingsvordering.

De raadsman verklaart:

Nu mijn cliënt niet op de hoogte was van de ontnemingsvordering, is de appeltermijn van de ontnemingszaak niet op hetzelfde moment gaan lopen als de termijn in de hoofdzaak.

De advocaat-generaal deelt mede:

Verdachte was te laat op de zitting in eerste aanleg. Hij geeft in hoger beroep aan dat hij op de zitting in eerste aanleg meteen gezegd heeft dat hij in hoger beroep wilde gaan. Hij moet dus de uitspraak gehoord hebben, ook in de ontnemingszaak. Beide appeltermijnen zijn dan ook gaan lopen.

De raadsman verklaart:

In eerste aanleg hebben de hoofdzaak en de ontnemingszaak vaak hetzelfde parketnummer. Voor een griffiemedewerker is daardoor niet altijd alles meteen zichtbaar en duidelijk, hetgeen er toe geleid kan hebben dat de griffiemedewerker onjuiste informatie heeft gegeven.(…)’’

5. Voor zover voor de beoordeling van het middel van belang heeft het Hof in zijn bestreden arrest het volgende overwogen:

‘’Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 21 maart 2011 bij verstek veroordeeld in de strafzaak onder parketnummer 01-850031-10. Tegen dit vonnis heeft veroordeelde op 28 april 2011 hoger beroep ingesteld. In het tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep is de veroordeelde bij arrest van dit hof van 4 september 2012 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

Op 21 maart 2011 heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch eveneens vonnis gewezen in de ontnemingszaak tegen de veroordeelde waaraan hetzelfde parketnummer is toegekend. Ook tegen dit vonnis heeft de veroordeelde op 28 april 2011 hoger beroep ingesteld. De veroordeelde kon volgens de wet hoger beroep instellen gedurende veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het vonnis van de eerste rechter de veroordeelde bekend is.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het volgende gebleken.

In eerste aanleg zijn de strafzaak en de ontnemingszaak van de veroordeelde onder één parketnummer gelijktijdig behandeld ter terechtzitting van 21 maart 2011. De veroordeelde heeft bij de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep ter terechtzitting van 12 juli 2012 het volgende verklaard:

"Ik was 2 tot 3 minuten te laat op de terechtzitting en ik mocht niets meer zeggen. Ik heb meteen gezegd dat ik in hoger beroep wilde gaan."

Het hof leidt uit deze mededeling af dat de veroordeelde ter terechtzitting van de politierechter op 21 maart 2011 is verschenen nadat het onderzoek in beide zaken reeds was gesloten en dat de veroordeelde de beslissingen van de politierechter zijn meegedeeld, waarna de veroordeelde kenbaar heeft gemaakt hoger beroep te willen instellen. Het hof ziet geen enkele reden om te veronderstellen dat de veroordeelde op dat moment uitsluitend de beslissing in de strafzaak is meegedeeld.

Aldus heeft zich naar het oordeel van het hof op 21 maart 2011 een omstandigheid voorgedaan waaruit voortvloeit dat (ook) het vonnis van de politierechter van die datum in de ontnemingszaak de veroordeelde bekend was en diende het hoger beroep derhalve binnen veertien dagen na 21 maart te worden ingesteld.

Dat levert naar het oordeel van het hof een zodanige omstandigheid op dat de veroordeelde na de uitspraak veertien dagen de tijd had om hoger beroepen in te stellen.

Nu het hoger beroep eerst op 28 april 2011, en dus na het verstrijken van de genoemde termijn van veertien dagen, is ingesteld, dient de veroordeelde in het hoger beroep niet ontvankelijk te worden verklaard.

6. Het middel acht de beslissing van het Hof onjuist omdat het Hof bij de beoordeling niet heeft betrokken dat verdachte in eerste aanleg niet werd bijgestaan door een raadsman en dat verdachte nadat hij te kennen had gegeven hoger beroep te willen instellen niet door de rechter is ingelicht omtrent de formaliteiten die daartoe moeten worden vervuld.

7. De steller van het middel doet een beroep op HR 12 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7694, NJ 2010/585 m.nt. Buruma1. Daarin overwoog de Hoge Raad:

“ 2.5. Indien duidelijk en gemotiveerd het verweer is gevoerd dat een termijn voor het instellen van een rechtsmiddel verontschuldigbaar is overschreden, is de rechter verplicht bij verwerping daarvan die beslissing uitdrukkelijk en met redenen omkleed te nemen (vgl. HR 22 mei 2005, LJN AR3700).

2.6. Hetgeen door de verdachte is aangevoerd kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een zodanig verweer. Het Hof heeft dat verweer verworpen, maar het heeft nagelaten in dit opzicht een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing te geven. Voor zover het middel daarover klaagt, is het gegrond.

Opmerking verdient nog het volgende. Bij de beoordeling van het onderhavige verweer had het Hof behoren te betrekken dat de verdachte in eerste aanleg niet door een raadsman werd bijgestaan en voorts dat de wet er niet in voorziet dat een verdachte die, nadat hem op de voet van art. 381 Sv de gelegenheid is geboden om afstand te doen van het openstaande rechtsmiddel, ten overstaan van de politierechter verklaart dat hij het rechtsmiddel wenst aan te wenden, door die rechter wordt ingelicht omtrent de formaliteiten die daartoe moeten worden vervuld.”

8. Opmerkelijk is dat het Hof in het bestreden arrest wel gemotiveerd op het verweer betreffende de termijnoverschrijding ingaat, maar daarbij slechts betrekt hetgeen op/na de zitting van de Rechtbank is voorgevallen en niet het telefoongesprek met ‘iemand van de Rechtbank’. Anders dan in het zojuist geciteerde arrest van de Hoge Raad wordt in cassatie thans terecht niet het standpunt ingenomen dat na de mededeling ter zitting van de Rechtbank van verdachte dat hij in beroep wenste hij ervan uit mocht gaan dat hij beroep had ingesteld. Voor zover de steller van het middel meent dat de Rechtbank die verdachte na sluiting van de zitting nog te woord stond verdachte had moeten inlichten over de formaliteiten inzake het instellen van beroep, faalt het middel, omdat volgens de Hoge Raad bepalend is dat de wet dat niet voorschrijft.

9. Mede in het licht van de omstandigheid dat verdachte bij de Rechtbank niet door een raadsman werd bijgestaan alsmede de omstandigheid dat zogenaamde ‘Rechtsmittelbelehrung’ niet is voorgeschreven, meen ik dat het Hof wel had behoren in te gaan op het telefoongesprek. Dat telefoongesprek was immers voor de verdachte kennelijk een belangrijke, zo niet de doorslaggevende reden te menen dat er nog voldoende tijd was om in beroep te gaan. De vraag is echter of de ontoereikende reactie van het Hof hier fataal is. Op zijn minst is het niet volstrekt onbegrijpelijk dat het Hof de informatie rond het telefoongesprek zo vaag oordeelde dat het geen aanleiding zag er veel woorden aan vuil te maken. Het Hof heeft wel enig onderzoek gedaan. Immers op doorvragen kan de verdachte niet antwoorden met wie en wanneer is gebeld. Hetgeen daarop in het proces-verbaal van de zitting nog volgt is niet eenduidig. Verdachte meent dat er sprake is van een misverstand. Bedoelt hij daarmee dat er een misverstand was bij hemzelf of bij degene van de Rechtbank met wie hij heeft gebeld? Bovendien zegt hij dat er iets is tussengekomen. Dat betekent niet zonder meer dat iets heeft verhinderd dat hij tijdig hoger beroep heeft ingesteld, maar het kan in de context heel goed betekenen dat hij niet onmiddellijk na het telefoongesprek beroep heeft ingesteld, omdat er iets tussen is gekomen. De slotsom is dat er te veel onduidelijkheid is over de feitelijke toedracht om te concluderen dat het achterwege blijven van respons inzake het telefoongesprek niet fataal is, omdat de door het Hof vastgestelde feiten voor zich spreken.

10 Het eerste middel slaagt.

11 Het tweede middel klaagt over de betekening van de ontnemingsvordering.

12. Ingevolge het vierde lid van art. 511b Sv behelst de vordering de oproeping om op het daarin vermelde tijdstip ter terechtzitting te verschijnen. Volgens de steller van het middel had het Hof de oproeping om in eerste aanleg te verschijnen nietig moeten verklaren, althans had het Hof een onderzoek moeten instellen naar de betekening van de ontnemingsvordering. Nu naar mijn oordeel het eerste middel slaagt, meen ik te kunnen volstaan met het volgende. Ter zitting van het Hof heeft de raadsman onder meer meegedeeld: “Uit de stukken blijkt echter niet dat mijn cliënt op de hoogte was van de ontnemingsvordering.” De betekeningsvoorschriften garanderen niet dat de veroordeelde op de hoogte raakt van de ontnemingsvordering. De mededeling van de raadsman houdt geen beroep op nietigheid van de oproep in de ontnemingszaak in en het Hof was niet gehouden daaromtrent uitdrukkelijk en gemotiveerd te beslissen. Waarom de raadsman in hoger beroep de betekening van de ontnemingsvordering in eerste aanleg niet aan de orde kon stellen ontgaat mij. Immers de omstandigheid dat de voorzitter van het Hof meedeelt dat de behandeling van de zaak zich beperkt tot de ‘vraag naar de ontvankelijkheid van verdachte’ staat daaraan niet zonder meer in de weg. De consequentie is dat gelet op het voorgaande de betekening niet voor het eerst in cassatie aan de orde kan worden gesteld.

13 Het tweede middel faalt.

14. Het eerste middel slaagt, terwijl het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.

15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Hof, teneinde deze op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie ook HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6742.