Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1574

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-06-2014
Datum publicatie
22-09-2014
Zaaknummer
13/04394
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2747, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Economische zaak . HR: art. 81.1 RO en overschrijding redelijke termijn in cassatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/04394 E

Zitting: 10 juni 2014

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij arrest van 3 februari 2012 de verdachte ter zake van “medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, vierde lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof beslist ten aanzien van het beslag, een en ander op de wijze vermeld in het arrest.

2. Deze zaak hangt samen met zaaknummers 12/01257 E, 13/04396 E, 13/04334 E en 13/04398 E. In alle zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens de verdachte heeft mr. A.B. Baumgarten, advocaat te ‘s-Gravenhage, beroep in cassatie ingesteld en hebben mr. H.E. Brink en mr. A.W.J. van Galen, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur acht middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat het vonnis waarvan beroep en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg nietig zijn, omdat de rechtbank Den Haag zich ten onrechte bevoegd heeft geacht kennis te nemen van de onderhavige zaak.

5. De bestreden uitspraak houdt, voor zover hier van belang en met inbegrip van een hier niet weergegeven voetnoot, het volgende in:

“Bevoegdheid van de rechtbank te ’s-Gravenhage

Ter terechtzitting in hoger beroep van 2 en 14 december 2011 is zijdens de verdachte - overeenkomstig de in hoger beroep op 14 december 2011 overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen - het verweer gevoerd dat de rechtbank te 's-Gravenhage zich ten onrechte bevoegd heeft geacht tot kennisneming van deze zaak, zodat het vonnis waarvan beroep en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg nietig zijn.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt dienaangaande het volgende.

In augustus 1999 is door de regiopolitie Haaglanden, onder leiding van de officier van justitie te 's-Gravenhage, mr. J.S. de Vries, een strafrechtelijk onderzoek gestart tegen de verdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2], destijds woonachtig te respectievelijk Delft en Rijswijk. Uit afgeluisterde telefoongesprekken bleek dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] regelmatig contacten onderhielden met [medeverdachte] over illegale geneesmiddelen, te weten viagrapillen. [medeverdachte] is op basis daarvan als verdachte aangemerkt. [betrokkene 2] en [betrokkene 1] zijn op respectievelijk 12 juli 2002 en 13 september 2002 aangehouden en tijdens doorzoekingen werden bij hen beiden onder andere viagrapillen aangetroffen. Beiden zijn overigens zowel door de rechtbank als het gerechthof te 's-Gravenhage onder meer veroordeeld voor overtreding van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening in verband met illegale viagrapillen.

Het onderzoek tegen [medeverdachte], de medeverdachte van [betrokkene 2] en [betrokkene 1], was ten tijde van de vervolging (en de berechting) van de laatste twee nog niet afgerond en is in december 2002 voortgezet door de FIOD/ECD, vanwege de expertise van de FIOD/ECD met betrekking tot de handel in illegale geneesmiddelen. Uit het onderzoek tegen [medeverdachte] ontstond de verdenking tegen de medeverdachten in de onderhavige zaak en dit heeft uiteindelijk geresulteerd in het onderzoek Roma.

Nu de rechtbank 's-Gravenhage ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) ten aanzien van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] reeds op basis van de woon- of verblijfplaats van beiden bevoegd was, brengt het bepaalde in artikel 6, eerste en derde lid Sv de bevoegdheid met zich mee ten aanzien van de andere (fictieve) deelnemers, onder wie de verdachte.

In het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage ligt het oordeel besloten dat de verschillende strafbare feiten in zodanig verband met elkaar staan dat de behandeling voor één rechtbank gewenst moet worden geacht, hetgeen het hof juist acht.

Daar komt nog bij dat de bevoegdheid van de rechtbank te 's-Gravenhage ook volgt uit het feit dat deze rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 2, eerste lid Sv, ten aanzien van de medeverdachte [medeverdachte] bevoegd was als gerecht waar het delict is begaan wat de ten laste gelegde invoer van sildenafil citraat in de periode van 1 april 2002 tot 1 september 2002 betreft (delictdossier, hierna: DD, 11, apotheek [A] te Den Haag), zodat dit eveneens de bevoegdheid ten aanzien van de verdachte op grond van artikel 6 lid 3 Sv met zich mee brengt en bovendien bevond de verdachte zich op 16 mei 2003, ten tijde van de aanvang van de vervolging, in het arrondissement 's-Gravenhage, zodat de bevoegdheid van de rechtbank tevens rechtstreeks voortvloeit uit het bepaalde in artikel 2, eerste lid Sv.

Hieruit volgt dat de rechtbank te 's-Gravenhage zich terecht bevoegd heeft geacht tot kennisneming van deze zaak.

Het verweer wordt derhalve verworpen.”

6. Art. 6 Sv luidt:

“1. Bij deelneming van meer dan één persoon aan hetzelfde strafbare feit brengt de bevoegdheid ten aanzien van één der als daders of medeplichtigen aansprakelijke personen de bevoegdheid mede ten aanzien van de andere.

2. In geval van gelijktijdige vervolging bij onderscheidene bevoegde rechtbanken blijft uitsluitend bevoegd de rechter voor wien de als daders aansprakelijke personen worden vervolgd. Worden zoodanige personen niet voor hetzelfde gerecht vervolgd, dan blijft uitsluitend bevoegd de rechter bij wien de vervolging tegen één hunner het eerst is aangevangen.

3. Indien door meer dan één persoon, al dan niet tezamen, verschillende strafbare feiten zijn begaan, die in zodanig verband tot elkaar staan, dat de behandeling voor één rechtbank gewenst moet worden geacht, worden deze feiten voor de toepassing van het eerste lid van dit artikel geacht in deelneming te zijn begaan.”

7. Op grond van art. 6, derde lid, Sv in verbinding met het eerste lid kunnen daders van en medeplichtigen aan verschillende met elkaar verband houdende strafbare feiten, zonder dat sprake is van deelneming, voor hetzelfde gerecht worden vervolgd. Het moet gaan om strafbare feiten die in zodanig verband tot elkaar staan dat de behandeling voor één rechtbank gewenst moet worden geacht.

8. Het hof heeft vastgesteld dat de verdenking tegen de medeverdachte [medeverdachte] is gerezen in het onderzoek naar [betrokkene 1] en [betrokkene 2], aangezien de twee laatstgenoemden geregeld over illegale geneesmiddelen contact onderhielden met [medeverdachte]. Nu medeverdachte [medeverdachte] onder meer is vervolgd voor de handel in illegale geneesmiddelen, acht ik ’s hofs oordeel dat er een zodanig verband bestaat tussen de verschillende strafbare feiten dat behandeling voor één rechtbank gewenst moet worden geacht, niet onbegrijpelijk en evenmin getuigen van een onjuiste rechtsopvatting. Nu het hof tevens heeft vastgesteld dat de rechtbank te ’s-Gravenhage op grond van art. 2, eerste lid, Sv ten aanzien van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bevoegd was op basis van de woon- of verblijfplaats van beiden, kon het hof op grond van art. 6, eerste en derde lid, Sv oordelen dat deze rechtbank ook bevoegd was inzake de strafvervolging van [medeverdachte]. Het verband tussen de delicten ten aanzien waarvan jegens de verdachte verdenkingen waren gerezen en de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] volgt uit een simpele vergelijking van de hun tenlastegelegde feiten. Het hof heeft terecht geoordeeld dat nu de rechtbank te ’s-Gravenhage bevoegd was ten aanzien van [medeverdachte], zij ook bevoegd was ten aanzien van de verdachte als zijnde diens mededader. Dit oordeel draagt de verwerping van het verweer zelfstandig zodat de overige in het middel geformuleerde klachten geen bespreking behoeven.

9. Het middel faalt.

10. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat het niet aannemelijk is dat [betrokkene 3] binnen aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord als getuige.

11. De bestreden uitspraak houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Getuigenverzoeken

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging op 14 december 2011 - overeenkomstig de in hoger beroep overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen - opnieuw gepersisteerd bij uitvoering van de beslissing van het hof strekkende tot het horen van [betrokkene 3] als getuige.

Zoals reeds ter terechtzitting van 2 december 2011 als beslissing van het hof is medegedeeld, ziet het hof af van hernieuwde poging tot het horen - in Suriname - van de niet-verschenen getuige [betrokkene 3] en overweegt hiertoe als volgt. Ter terechtzitting van 12 februari 2010 heeft het hof het verzoek tot het horen van [betrokkene 3] als getuige toegewezen. Dit heeft erin geresulteerd dat zij meerdere malen voor verhoor is opgeroepen bij de raadsheer-commissaris. Een week voor de geplande inhoudelijke zitting heeft zij te kennen gegeven bereid te zijn te worden gehoord, doch hiervoor niet te willen afreizen naar Nederland, waarop zij nimmer is teruggekomen, hetgeen het hof voert tot het oordeel dat het niet aannemelijk is dat zij binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. Op 10 september 2010 is de zaak verwezen naar de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te 's-Gravenhage teneinde deze getuige in Suriname te horen.

Voorafgaand aan het geplande verhoor is er persoonlijk contact geweest met [betrokkene 3]. Zij deelde toen mede dat zij alsdan mogelijk niet op haar woonadres in Paramaribo zou zijn, maar op een werkadres in het binnenland van Suriname. Zij werd op de dag van het geplande verhoor en de dag erna niet aangetroffen op haar woonadres, noch op het door haar opgegeven adres in het binnenland. Navraag in de omgeving leverde evenmin iets op. Het hof is van oordeel dat destijds redelijkerwijs alles in het werk is gesteld om de getuige te traceren. In een later stadium is de mededeling van de getuige [betrokkene 3] ter kennis van het hof gekomen dat zij alsnog bereid en beschikbaar was om in de periode juli 2011 tot en met september 2011 als getuige - in Suriname - te worden gehoord. Naar aanleiding van deze informatie heeft het hof opnieuw een poging gedaan haar te doen horen binnen het door de getuige aangegeven tijdsbestek. Op voorhand is haar duidelijk gemaakt waar en wanneer zij werd verwacht voor het verhoor. Zij is op dat moment en de dag erna niet verschenen. Hoewel het hof kennis heeft genomen van de verklaring van [betrokkene 3] ten overstaan van de notaris in Suriname d.d. 24 november 2011, acht het hof het, gelet op het voorgaande en het feit dat zij al meerdere malen heeft aangegeven bereid te zijn om in Suriname te worden gehoord maar telkenmale niet of te laat is verschenen, niet aannemelijk dat de getuige [betrokkene 3] binnen aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord.”

12. Het hof heeft vastgesteld dat [betrokkene 3] meermalen voor verhoor is opgeroepen bij de raadsheer-commissaris, alwaar zij telkens zonder bericht niet is verschenen en dat zij vervolgens te kennen heeft gegeven bereid te zijn een verklaring af te leggen maar dat zij daarvoor niet naar Nederland wenste af te reizen. Hierop is tweemaal gepoogd de getuige in Suriname te horen, telkens zonder resultaat, omdat [betrokkene 3] op de afgesproken tijd en plaats niet is verschenen en niet bereikbaar was op de door haar opgegeven adressen. Anders dan de steller van het middel zie ik niet in waarom de eerste poging om de getuige in Suriname te horen niet kan worden gekwalificeerd als een ‘serieuze’ poging. Het hof heeft vastgesteld dat er wel degelijk afspraken met [betrokkene 3] waren gemaakt, maar dat zij die niet is nagekomen. Voorts lijkt de steller van het middel eraan voorbij te zien dat ook de eerdere pogingen de getuige te laten verschijnen bij de raadsheer-commissaris in Nederland moeten worden meegewogen. Gelet op ’s hofs vaststellingen getuigt zijn oordeel dat het niet aannemelijk is dat [betrokkene 3] binnen aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord als getuige niet van een onjuiste rechtsopvatting en komt mij dat oordeel niet onbegrijpelijk voor.

13. Het middel faalt.

14. Het derde en het vierde middel klagen over de afwijzing door het hof van het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen en dat het hof een in verband daarmee uitdrukkelijk gevoerd verweer onbesproken heeft gelaten.

15. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 februari 2010 houdt voor zover hier van belang in:

“De raadsman vervolgt:

Mijn cliënt heeft een faciliterende rol gehad in het geheel. Ik sluit mij aan bij alle heden in de strafzaken tegen de medeverdachten gedane verzoeken, voor zover deze betrekking hebben op de strafzaak tegen mijn cliënt.

(…)

De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat de advocaat-generaal in de gelegenheid wordt gesteld haar standpunt met betrekking tot het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie uiteen te zetten in een conclusie, welke conclusie uiterlijk zes weken na heden dient te worden ingediend en aan de raadsman dient te worden toegezonden. De raadsman krijgt vervolgens de gelegenheid zijn conclusie binnen zes weken na ontvangst van de conclusie van de advocaat-generaal in te dienen. Het hof zal de behandeling van de zaak aanhouden tot de terechtzitting van 25 juni 2010 te 09.30 uur en alsdan zijn (voorlopig) oordeel geven en een beslissing op het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen nemen.”

16. Ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juni 2010 heeft het hof het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen gemotiveerd afgewezen. Op de zitting van 9 februari 2011 is het onderzoek opnieuw aangevangen in verband met de gewijzigde samenstelling van het hof. Ter terechtzitting in hoger beroep van 14 december 2011 is door de verdediging enkel aangevoerd dat sprake is “van geregistreerde geneesmiddelen; voor zover al niet van in Nederland geregistreerde geneesmiddelen, dan in ieder geval van in Europa geregistreerde geneesmiddelen. Op grond van bepalingen in het EG-verdrag gelden ten aanzien daarvan geen beperkingen.”1 De verdediging is derhalve niet meer teruggekomen op het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen zodat het hof ook niet gehouden was daarop in zijn arrest in te gaan. Voor zover wordt geklaagd over de ter terechtzitting van 25 juni 2010 gegeven afwijzende beslissing op het verzoek, kan daarover in cassatie niet worden geklaagd, nu de bestreden uitspraak niet naar aanleiding van die zitting is gewezen.

17. Het derde en het vierde middel falen.

18. Het vijfde middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte in het midden heeft gelaten met welk doel de bewezenverklaarde invoer heeft plaatsgevonden.

19. Ten laste van de verdachte is (onder 2) bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 1 januari 2002 tot en met 18 augustus 2003 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en elders in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, opzettelijk een of meer hoeveelheden Stanozolol en Oxybolone en Zymoplex en Primobolan Depot en Winstrol Depot, in elk geval ongeregistreerde farmaceutische specialités en/of farmaceutische preparaten heeft ingevoerd in Nederland;”

20. Ter terechtzitting in hoger beroep van 14 december 2011 is door de verdediging overeenkomstig overgelegde en in het dossier gevoegde pleitaantekeningen het volgende aangevoerd:

“175. In algemene zin luiden de vragen als volgt:

(…)

f. Zo ja, is art. 21 lid 2 Besluit registratie geneesmiddelen van toepassing?

(…)

213. Beantwoording van de vraag ad f speelt feitelijk geen rol van betekenis. In het verlengde daarvan wijs ik uw hof op jurisprudentie waaruit blijkt dat geen sprake is van strafbare gedragingen indien de geneesmiddelen ten uitvoer in voorraad zijn:

214. Het verkopen, afleveren (in Nederland, voor welke markt dan ook,) verhandelen en het ter aflevering in voorraad hebben [is] strafbaar; niet strafbaar is, naast invoeren en bereiden, slechts het (in art. 3, 4e lid, Wet op geneesmiddelenvoorziening, niet genoemde en daarom in het Besluit registratie geneesmiddelen niet vermelde) ten uitvoer in voorraad hebben en uitvoeren, (gerechtshof Den Bosch, 14 oktober 2008, LJN BG1430).

215. Wat ook zij van de incidentele controle van zendingen in Nederland, uiteindelijk moet het ervoor gehouden worden dat ze allemaal naar Suriname zijn doorgevoerd. Ook [betrokkene 4] is daar blijkens zijn verklaring afgelegd op 13 mei 2003 vanuit gegaan: "De anabolen waar ik bij betrokken ben zijn allemaal doorgevoerd naar Suriname. Er zijn voor zover ik weet geen anabolen in Nederland gebleven voor de handel. Ik heb daar in ieder geval niets mee te maken."”

21. De bestreden uitspraak houdt voor zover hier van belang het volgende in:

“Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Nu naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de onder 2 ten laste gelegde stoffen zijn ingevoerd en op de hiervoor beschreven wijze aan het douaneverband zijn onttrokken, terwijl gefingeerd werd dat ze naar Suriname waren uitgevoerd, is het niet aannemelijk dat de producten, zoals door de verdediging aangevoerd, uitsluitend in het buitenland in de handel zijn gebracht. Die stelling is bovendien door de verdediging onvoldoende onderbouwd, zodat naar het oordeel van het hof de uitzondering op het verbod neergelegd in artikel 21 lid 2 van het Besluit registratie geneesmiddelen niet van toepassing is.”

22. Art. 21, tweede lid, Besluit registratie geneesmiddelen luidt:2

“Artikel 3, vierde lid, van de wet is voor wat betreft het bereiden en invoeren eveneens niet van toepassing ten aanzien van farmaceutische producten welke uitsluitend in het buitenland in de handel zullen worden gebracht.”3

23. Onder “in de handel brengen van farmaceutische producten in het buitenland”, als bedoeld in dit artikel, moet worden verstaan het voor het eerst beschikbaar stellen van farmaceutische producten op de buitenlandse markt met het oog op distributie of gebruik ervan op die markt.4

24. In het middel wordt aangevoerd dat het hof niet heeft bewezenverklaard dat de producten in Nederland zijn verkocht, afgeleverd, verhandeld of ter aflevering in voorraad zijn gehad en dat het hof dus in het midden heeft gelaten welke bestemming de producten hebben gekregen, terwijl het hof daaromtrent wel enige vaststelling had moeten doen. Ik kan het middel in die opvatting, die zou betekenen dat invoer enkel in samenhang met een andere in art. 3, vierde lid, WOG genoemde handeling zou kunnen worden bewezen, niet volgen. Voldoende is dat het hof naar aanleiding van een daarover gevoerd verweer vaststelt dat de invoer in ieder geval niet tot doel had het in het buitenland in de handel brengen.

25. Het hof heeft op basis van de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld dat de bewezenverklaarde stoffen in Nederland zijn ingevoerd, terwijl verdachte en zijn mededaders het deden voorkomen alsof deze stoffen naar Suriname waren uitgevoerd. Het hof heeft de feitelijke grondslag van het in hoger beroep gevoerde verweer, te weten dat de stoffen daadwerkelijk naar Suriname zijn gegaan, dus niet aannemelijk geacht. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en tot nadere motivering was het hof gelet op het gevoerde verweer ook niet gehouden. Het hof heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat het doel van de invoer in Nederland van de bewezenverklaarde stoffen niet was om deze in het buitenland in de handel brengen. Anders was immers de constructie met de gefingeerde uitvoer naar Suriname niet nodig geweest.

26. Het middel faalt.

27. Het zesde middel klaagt dat het hof ten onrechte en op onbegrijpelijke wijze bewezen heeft verklaard dat door de verdachte hoeveelheden “Primobolan Depot” en “Winstrol Depot” zijn ingevoerd in Nederland.

28. In de toelichting op het middel wordt uit ’s hofs overweging ten aanzien van de aan de verdachte verweten invoer van sildenafil citraat geconcludeerd dat voor een bewezenverklaring van de invoer van bepaalde stoffen van belang is dat er naast een factuur óók een analyserapport is. Onder de gebezigde bewijsmiddelen bevinden zich geen analyserapporten met betrekking tot de stoffen “Primobolan Depot” en “Winstrol Depot”, zodat het hof niet tot een bewezenverklaring van de invoer van deze stoffen had mogen komen, aldus de stellers van het middel.

29. De bestreden uitspraak houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Vrijspraak

(…)

Ten aanzien van de invoer van 500 tabletten sildenafil citraat op 15 december 2001 en 1 pakket tabletten op 5 november 2002 (respectievelijk DD 2 en 8) is naar het oordeel van het hof niet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat de betreffende zendingen sildenafil citraat bevatten, nu slechts de bijbehorende facturen vermelden dat er sprake is van Sildenafil Citrate Tablets, maar zich in het dossier geen analyserapporten bevinden met betrekking tot deze specifieke zendingen die dit kunnen ondersteunen.”

30. Ik kan de stellers van het middel niet volgen in hun stelling dat enkel op basis van analyserapporten tot een bewezenverklaring van de bedoelde stoffen kan worden gekomen. Het hof oordeelde immers – m.i. niet onbegrijpelijk – dat een positief testresultaat voor de vaststelling van de aard en samenstelling van de inbeslaggenomen stoffen niet noodzakelijk is.5

31. Het middel faalt derhalve.

32. Het zevende middel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte.

33. De bestreden uitspraak, houdt voor zover hier van belang, het volgende in:

“Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte

Door de raadsman van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep voorts betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte om de navolgende redenen – kort en zakelijk weergegeven - afzonderlijk en in onderling verband en samenhang bezien:

 schending van de beginselen van een goede procesorde, meer in het bijzonder met de in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) neergelegde waarborgen van 'fair trial' en 'equality of arms', vanwege de gang van zaken met betrekking tot de rogatoire getuigenverhoren in 2004;

 schending van het gelijkheidsbeginsel;

 schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, vanwege het optreden en de proceshouding van het openbaar ministerie met betrekking tot de getuige à décharge in augustus 2011 in Paramaribo en daarna ter zitting.

Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het voortduren van de strafrechtelijke vervolging van de verdachte thans niet meer opportuun is gelet op bovengenoemde schendingen van de beginselen van een goede procesorde en het tijdsverloop sinds de aanvang van de vervolging, dit alles in onderlinge samenhang bezien. Eén en ander als nader onderbouwd in de ter terechtzitting van 14 december 2011 overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Rogatoire getuigenverhoren in 2004

Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter terechtzitting is komen vast te staan dat de rechter-commissaris destijds ter voorbereiding op haar rogatoire reizen naar India en Suriname vanwege tijdsdruk en ten behoeve van het opstellen van haar verhoorplan aan de FIOD/ECD heeft gevraagd om haar te voorzien van een lijst met mogelijke vragen aan de te horen getuigen. De rechter-commissaris heeft verklaard van deze vragen te hebben kennisgenomen en deze daadwerkelijk te hebben gebruikt bij het opstellen van haar verhoorplan. Voorts is niet gebleken dat de rechter-commissaris voorafgaande aan de verhoren hierover openheid van zaken aan de verdediging heeft gegeven en evenmin dat zij de verdediging in de gelegenheid heeft gesteld vragen te formuleren waarop zij zich kon richten bij het voorbereiden van de verhoren, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de rechter-commissaris zich bij het opstellen van haar verhoorplan eenzijdig heeft laten voorlichten.

Ofschoon een dergelijke handelwijze op gespannen voet kan staan met het beginsel van de equality of arms, is het hof van oordeel dat met dit handelen van de rechter-commissaris geen sprake is van een dermate ernstige inbreuk op de beginselen van een goede procesorde dat daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de getuigenverhoren hebben plaatsgevonden in aanwezigheid van de verdediging en de verdediging de gelegenheid heeft gehad de getuigen te ondervragen. Het hof acht het niet aannemelijk geworden dat de verdachte in zijn belangen is geschaad. Tegen die achtergrond is het hof van oordeel dat het handelen van de rechter-commissaris niet noopt tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte, zoals door de verdediging betoogd.

Gelijkheidsbeginsel

Op grond van het bepaalde in artikel 167 Sv komt aan het openbaar ministerie een zelfstandige beslissingsbevoegdheid toe om na een onderzoek vervolging tegen een verdachte in te stellen dan wel daarvan af te zien. Weliswaar vindt die ruime discretionaire bevoegdheid zijn begrenzing in beginselen van een goede procesorde, waaronder het gelijkheidsbeginsel, maar het enkele feit dat het openbaar ministerie ervan afziet een ander strafrechtelijk te vervolgen, brengt nog niet zonder meer mee dat de beginselen van een goede procesorde zijn geschonden. Toegespitst op de onderhavige strafzaak betekent de enkele omstandigheid dat de officier van justitie strafvervolging heeft ingesteld tegen de verdachte en niet tegen diens toenmalige medevennoot [betrokkene 5] naar het oordeel van het hof dan ook niet dat de officier van justitie in redelijkheid niet tot de vervolgingsbeslissing ten opzichte van de verdachte had kunnen komen. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat in casu geen sprake is van gelijke gevallen, nu de verdachte binnen Surinam Air Cargo (hierna: SAC) met name bemoeienis had met operationele activiteiten, terwijl [betrokkene 5] met name betrokken was bij de administratieve gang van zaken binnen SAC. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Optreden en proceshouding openbaar ministerie met betrekking tot de getuige à décharge, [betrokkene 3]

Met de raadsman is het hof van oordeel dat de advocaat-generaal zich in augustus 2011 mocht verzetten tegen het verhoor van de getuige [betrokkene 3] door de Surinaamse rechter-commissaris in Paramaribo buiten zijn aanwezigheid, toen de getuige zich twee dagen na het tijdstip waartegen zij was opgeroepen alsnog meldde. De enkele proceshouding van het openbaar ministerie nadien, te weten dat het het niet aannemelijk achtte dat [betrokkene 3] binnen een aanvaardbare termijn gehoord zou kunnen worden en zich op het standpunt heeft gesteld zich te verzetten tegen een hernieuwde poging om die getuige door middel van een rogatoire commissie in Suriname te horen, brengt nog geen schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde met zich mee, nog daargelaten dat de beslissing om daartoe over te gaan aan het hof is voorbehouden.

Opportuniteit van de vervolging

Zoals hiervoor reeds overwogen komt op grond van het opportuniteitsbeginsel aan het openbaar ministerie een ruime discretionaire bevoegdheid toe om al dan niet tot vervolging over te gaan, maar dient deze bevoegdheid wel te worden uitgeoefend binnen de grenzen van de beginselen van een goede procesorde. Schending van deze beginselen bij de vervolgingsbeslissing zal in beginsel leiden tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.

Van schending van een of meer van deze beginselen ten tijde van de vervolgingsbeslissing is in casu echter geen sprake. De plicht om de vervolgingsbeslissing aan eerdergenoemde beginselen ex nunc te toetsen, zoals de verdediging voorstaat, vindt naar het oordeel van het hof geen steun in het recht. De opportuniteit kan niet met terugwerkende kracht aan de vervolgingsbeslissing komen te ontvallen, als de zaak eenmaal onder de rechter is.

Het hof ziet evenmin bij beschouwing van de feiten en omstandigheden, waaronder het aanzienlijke tijdsverloop, in onderling verband en samenhang aanleiding tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Het hof acht het openbaar ministerie dan ook ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.”

34. In de toelichting op het middel wordt enkel aangevoerd dat de verwerping van het verweer gelet op de aard van de aangekaarte schendingen – in nauwe samenhang bezien – onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is. Wat er precies mankeert aan de overwegingen van het hof wordt niet nader uitgelegd. De overwegingen van het hof komen mij niet onbegrijpelijk voor. Gelet op de toelichting op het middel meen ik daarmee te mogen volstaan.

35. Het middel faalt.

36. Het achtste middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

37. Namens de verdachte is op 17 februari 2012 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 9 augustus 2013 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de hier geldende inzendtermijn van acht maanden met bijna tien maanden is overschreden. Wellicht mede daardoor zal de Hoge Raad niet binnen twee jaar na het instellen van het beroep uitspraak doen. Gelet op de opgelegde straf kan de Hoge Raad volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

38. Het achtste middel is terecht voorgesteld maar behoeft niet tot cassatie te leiden. De overige middelen falen.

39. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

40. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Pleitaantekeningen 14 december 2011, punt 212.

2 Tekst zoals geldend van 18-03-1998 tot 01-07-2007; inmiddels vervallen.

3 Onder wet wordt ingevolge art. 1, eerste lid, onder a, van het Besluit de WOG verstaan.

4 HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2627, NJ 2011/376.

5 Zie de nadere bewijsoverweging op p. 13 van het bestreden arrest.