Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1573

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-06-2014
Datum publicatie
22-09-2014
Zaaknummer
13/04334
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2673, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Economische zaak. Afwijzing verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU. Verbod invoer ongeregistreerde geneesmiddelen in strijd met art. 28 EG-verdrag (verbod op kwantitatieve invoerbeperkingen)? Art. 3.4.ahf onder a Wet op de Geneesmiddelenvoorziening (hierna: WOG), art. 3 van Richtlijn 65/65/EEG, artt. 1, 2, 6 van Richtlijn 2001/83/EG en artt. 28 en 30 EG-verdrag. Blijkens art. 2 en 6.1 van Richtlijn 2001/83/EG mocht t.t.v. het begaan van het bewezenverklaarde - en mag ook thans - een industrieel vervaardigd geneesmiddel in een lidstaat slechts in de handel worden gebracht wanneer, kort gezegd, door de bevoegde autoriteit van die lidstaat een vergunning voor het in de handel brengen is afgegeven of een vergunning is afgegeven overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2309/93. In ’s Hofs arrest ligt besloten dat de in de bewezenverklaring genoemde producten kunnen worden aangemerkt als farmaceutische specialiteiten in de zin van art. 1.1 van Richtlijn 2001/83/EG en dus als geneesmiddelen als bedoeld in art. 1.2 van die Richtlijn, alsmede dat sprake is van uitvoer. Gelet hierop kon de aan de importeur van deze middelen opgelegde verplichting om vóór het in de handel brengen daarvan in de lidstaat van invoer een vergunning voor het in de handel brengen overeenkomstig deze richtlijn te verkrijgen, dus hoe dan ook geen door art. 28 EG-verdrag (oud) verboden beperking van het intracommunautaire handelsverkeer vormen (vgl. ECLI:EU:C:2004:237, rov. 57, en ECLI:EU: C:2007:678, rov. 35). Reeds daarom getuigt ’s Hofs afwijzing van het verzoek van de verdediging tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie niet van een onjuiste rechtsopvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/04334 E

Zitting: 10 juni 2014

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij arrest van 3 februari 2012 de verdachte ter zake van “medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, vierde lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof beslist ten aanzien van het beslag, een en ander op de wijze vermeld in het arrest.

2. Deze zaak hangt samen met zaaknummers 12/01257 E, 13/04396 E, 13/04394 E en 13/04398 E. In alle zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens de verdachte heeft mr. L.M. Verkuil, advocaat te Rotterdam, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. A.B.G.T. von Bóné, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt over het oordeel van het hof dat de rechtbank te ’s-Gravenhage en daarmee het gerechtshof te ’s-Gravenhage bevoegd is om ten gronde over deze zaak te oordelen.

5. De bestreden uitspraak houdt, voor zover hier van belang en met inbegrip van een hier niet weergegeven voetnoot, het volgende in:

“Bevoegdheid van de rechtbank te ’s-Gravenhage

Ter terechtzitting in hoger beroep van 14 december 2011 is zijdens de verdachte - overeenkomstig de in hoger beroep overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen - het verweer gevoerd dat de rechtbank te 's-Gravenhage zich ten onrechte niet onbevoegd heeft verklaard, daar de zaak door het openbaar ministerie bij de verkeerde rechtbank is aangebracht en daarmee heeft ook het gerechtshof te 's-Gravenhage geen bevoegdheid in deze zaak.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt dienaangaande het volgende.

In augustus 1999 is door de regiopolitie Haaglanden, onder leiding van de officier van justitie te 's-Gravenhage, mr. J.S. de Vries, een strafrechtelijk onderzoek gestart tegen de verdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2], destijds woonachtig te respectievelijk Delft en Rijswijk. Uit afgeluisterde telefoongesprekken bleek dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] regelmatig contacten onderhielden met [medeverdachte 1] over illegale geneesmiddelen, te weten viagrapillen. [medeverdachte 1] is op basis daarvan als verdachte aangemerkt. [betrokkene 2] en [betrokkene 1] zijn op respectievelijk 12 juli 2002 en 13 september 2002 aangehouden en tijdens doorzoekingen werden bij hen beiden onder andere viagrapillen aangetroffen. Beiden zijn overigens zowel door de rechtbank als het gerechthof te 's-Gravenhage onder meer veroordeeld voor overtreding van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening in verband met illegale viagrapillen.

Het onderzoek tegen [medeverdachte 1], de medeverdachte van [betrokkene 2] en [betrokkene 1], was ten tijde van de vervolging (en de berechting) van de laatste twee nog niet afgerond en is in december 2002 voortgezet door de FIOD/ECD, vanwege de expertise van de FIOD/ECD met betrekking tot de handel in illegale geneesmiddelen. Uit het onderzoek tegen [medeverdachte 1] ontstond de verdenking tegen de medeverdachten in de onderhavige zaak en dit heeft uiteindelijk geresulteerd in het onderzoek Roma.

Nu de rechtbank 's-Gravenhage ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) ten aanzien van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] reeds op basis van de woon- of verblijfplaats van beiden bevoegd was, brengt het bepaalde in artikel 6, eerste en derde lid Sv de bevoegdheid met zich mee ten aanzien van de andere (fictieve) deelnemers, onder wie de verdachte. In het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage ligt het oordeel besloten dat de verschillende strafbare feiten in zodanig verband met elkaar staan dat de behandeling voor één rechtbank gewenst moet worden geacht, hetgeen het hof juist acht.

Daar komt nog bij dat de bevoegdheid van de rechtbank te 's-Gravenhage ook volgt uit het feit dat deze rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 2, eerste lid Sv, ten aanzien van de medeverdachte [medeverdachte 1] bevoegd was als gerecht waar het delict is begaan wat de ten laste gelegde invoer van sildenafil citraat in de periode van 1 april 2002 tot 1 september 2002 betreft (delictdossier, hierna: DD, 11, apotheek [A] te Den Haag), zodat dit eveneens de bevoegdheid ten aanzien van de verdachte op grond van artikel 6 lid 3 Sv met zich mee brengt en bovendien bevond de verdachte zich op 16 mei 2003, ten tijde van de aanvang van de vervolging, in het arrondissement 's-Gravenhage, zodat de bevoegdheid van de rechtbank tevens rechtstreeks voortvloeit uit het bepaalde in artikel 2, eerste lid Sv.

Hieruit volgt dat de rechtbank te 's-Gravenhage zich terecht bevoegd heeft geacht tot kennisneming van deze zaak.

Het verweer wordt derhalve verworpen.”

6. Art. 6 Sv luidt:

“1. Bij deelneming van meer dan één persoon aan hetzelfde strafbare feit brengt de bevoegdheid ten aanzien van één der als daders of medeplichtigen aansprakelijke personen de bevoegdheid mede ten aanzien van de andere.

2. In geval van gelijktijdige vervolging bij onderscheidene bevoegde rechtbanken blijft uitsluitend bevoegd de rechter voor wien de als daders aansprakelijke personen worden vervolgd. Worden zoodanige personen niet voor hetzelfde gerecht vervolgd, dan blijft uitsluitend bevoegd de rechter bij wien de vervolging tegen één hunner het eerst is aangevangen.

3. Indien door meer dan één persoon, al dan niet tezamen, verschillende strafbare feiten zijn begaan, die in zodanig verband tot elkaar staan, dat de behandeling voor één rechtbank gewenst moet worden geacht, worden deze feiten voor de toepassing van het eerste lid van dit artikel geacht in deelneming te zijn begaan.”

7. Op grond van art. 6, derde lid, Sv in verbinding met het eerste lid kunnen daders van en medeplichtigen aan verschillende met elkaar verband houdende strafbare feiten, zonder dat sprake is van deelneming, voor hetzelfde gerecht worden vervolgd. Het moet gaan om strafbare feiten die in zodanig verband tot elkaar staan dat de behandeling voor één rechtbank gewenst moet worden geacht.

8. Het hof heeft vastgesteld dat de verdenking tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] is gerezen in het onderzoek naar [betrokkene 1] en [betrokkene 2], aangezien de twee laatstgenoemden geregeld over illegale geneesmiddelen contact onderhielden met [medeverdachte 1]. Nu medeverdachte [medeverdachte 1] onder meer is vervolgd voor de handel in illegale geneesmiddelen, acht ik ’s hofs oordeel dat er een zodanig verband bestaat tussen de verschillende strafbare feiten dat behandeling voor één rechtbank gewenst moet worden geacht, niet onbegrijpelijk en evenmin getuigen van een onjuiste rechtsopvatting. Nu het hof tevens heeft vastgesteld dat de rechtbank te ’s-Gravenhage op grond van art. 2, eerste lid, Sv ten aanzien van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bevoegd was op basis van de woon- of verblijfplaats van beiden, kon het hof op grond van art. 6, eerste en derde lid, Sv oordelen dat deze rechtbank ook bevoegd was inzake de strafvervolging van [medeverdachte 1]. Het verband tussen de delicten ten aanzien waarvan jegens de verdachte verdenkingen waren gerezen en de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] is, anders dan in het middel wordt aangevoerd, overduidelijk en behoefde geen nadere motivering. Een simpel vergelijken van de hun tenlastegelegde feiten volstaat. De steller van het middel lijkt er ten onrechte vanuit te gaan dat sprake moet zijn van een samenhang tussen de (uiteindelijk) bewezenverklaarde feiten.

9. Het middel faalt.

10. Het tweede middel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen.

11. Ten laste van de verdachte is (onder 2) bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 1 januari 2002 tot en met 18 augustus 2003 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en elders in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, opzettelijk een of meer hoeveelheden Stanozolol en Oxybolone en Zymoplex en Primobolan Depot en Winstrol Depot, in elk geval ongeregistreerde farmaceutische specialités en/of farmaceutische preparaten heeft ingevoerd in Nederland.”

12. De bestreden uitspraak houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Verweer met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde

Ter terechtzitting in hoger beroep van 10 januari 2012 heeft de verdediging - overeenkomstig de in hoger beroep overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen - het eerder op 12 februari 2010 ingenomen standpunt gehandhaafd dat artikel 3, vierde lid onder a van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening (hierna: WOG) in strijd is met artikel 28 en 30 van het EG Verdrag en voorts dat het niet de Nederlandse rechter is die bevoegd is om een uitspraak te doen over de uitleg van de Nederlandse wetsbepaling in het licht van de Europese regelgeving. Deze kwestie is voorbehouden aan de Europese rechter in het kader van een prejudiciële vraag daarover.

Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 267 van het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) een nationale 'rechterlijke instantie' het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing kan vragen indien deze instantie zo'n beslissing 'noodzakelijk' acht voor het wijzen van haar vonnis. Dit is anders, gelet op de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Foto-Frost (HvJ 22 oktober 1987 zaak 314/85), indien een rechterlijke instantie een gemeenschapshandeling ongeldig acht en die handeling om die reden buiten toepassing wil verklaren. De rechterlijke instantie is in dat geval verplicht daarover een prejudiciële vraag te stellen. Voorts geldt een verwijzingsplicht ingevolge artikel 267, derde alinea, VWEU, in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hogere voorziening en beantwoording van de vraag noodzakelijk is voor de beslechting van het geding.

Zoals reeds overwogen ter terechtzitting van 25 juni 2010 acht het hof het vragen om een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie ter zake van - kort gezegd de strafbaarstelling van de invoer van anabolen in Nederland - niet noodzakelijk voor het wijzen van 's hofs arrest. Gelet op bovenstaande is het hof van oordeel dat het hiertoe evenmin verplicht is.

Het hof stelt voorop dat artikel 3, vierde lid onder a WOG zakelijk weergegeven een verbod inhoudt tot bereiden, verkopen, afleveren, invoeren of verhandelen van ongeregistreerde geneesmiddelen. Dit voorschrift is een nationale maatregel die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren. Dit verbod is gelijkelijk van toepassing en geldt, zonder onderscheid, voor geneesmiddelen uit binnen- en buitenland. Gelet op de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Dassonville (HvJ 20 februari 1979 zaak 120/78) is een dergelijke (potentiële) belemmering toegestaan indien deze gerechtvaardigd en proportioneel is. Blijkens de memorie van toelichting zal genoemde wet slechts regelend optreden voor zover de belangen van de volksgezondheid dit noodzakelijk maken.

Artikel 3 WOG regelt een registratieplicht voor - kort gezegd – industrieel bereide geneesmiddelen. Registratie vindt slechts plaats na een beoordeling op de nationale vereisten van veiligheid, werkzaamheid en kwaliteit. Pas als een geneesmiddel is geregistreerd, mag het worden verhandeld. Bij een dergelijke regeling past een verbod als opgenomen in het vierde lid van artikel 3 WOG, nu zonder een dergelijk verbod het risico bestaat dat middelen op de markt komen, waarvan niet is vastgesteld of deze veilig zijn.

Gelet op voorgaande is genoemde wet gericht op de bescherming van de gezondheid en het leven van personen in de zin van artikel 30 van het EG-verdrag. Het voorschrift dat een verbod inhoudt van invoer van ongeregistreerde geneesmiddelen, kan naar zijn inhoud, in samenhang met de andere voorschriften terzake, derhalve dienen tot het bereiken van het beoogde resultaat, te weten de bescherming van de gezondheid en het leven van personen. Niet aannemelijk is geworden dat een minder verstrekkend stelsel van voorschriften voldoende zou bijdragen aan het beoogde doel. Gelet hierop is het hof van oordeel dat het voorschrift, in samenhang met andere voorschriften terzake, gerechtvaardigd is uit hoofde van bescherming van de gezondheid en het leven van personen. Niet aannemelijk is geworden dat het voorschrift op zich, dan wel in samenhang met andere voorschriften voor geneesmiddelen, aan te merken zou zijn als een middel tot willekeurige discriminatie of als een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten.

Het hof is op grond van bovenstaande van oordeel dat artikel 28 van het EG-verdrag niet aan de toepassing van artikel 3, vierde lid onder a WOG in de weg staat en dat de betreffende regelgeving de toets aan artikel 30 van het EG-verdrag doorstaat. Het hof acht het stellen van prejudiciële vragen terzake niet noodzakelijk voor enige te nemen beslissing.

Daaraan doet niet af dat, naar de verdediging stelt, de betreffende in de tenlastelegging genoemde geneesmiddelen naar Grieks en Spaans recht geregistreerde geneesmiddelen zijn.”

13. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat ’s hofs overwegingen onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd zijn. Volgens de steller van het middel is het hof in het bijzonder voorbij gegaan aan de stelling dat het i.c. gaat om in het buitenland (Griekenland en Spanje) geregistreerde geneesmiddelen die tevens een Europese registratie hebben, dat deze registraties geen ander doel dienen dan de bescherming van de gezondheid en het leven van personen, zodat het verbod van de invoer van deze geneesmiddelen bezwaarlijk anders kan worden gezien dan als een kwantitatieve invoerbeperking of maatregel van gelijke werking als bedoeld in art. 28 EG-verdrag.1

14. Art. 28 EG-verdrag luidt:2

“Kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn tussen de Lid-Staten verboden.”

15. Art. 30 EG-verdrag luidt:3

“De bepalingen van de artikelen 28 en 29 vormen geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, het nationaal artistiek historisch en archeologisch bezit of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de Lid-Staten vormen.”

16. Art. 3, vierde lid, aanhef en onder a, Wet op de Geneesmiddelenvoorziening (oud; hierna: WOG) luidt:4

“4. Het is verboden:

a. ongeregistreerde farmaceutische specialités en farmaceutische preparaten, dan wel geregistreerde farmaceutische specialités en farmaceutische preparaten, waarvan de inschrijving is geschorst, te bereiden, te verkopen, af te leveren, in te voeren of te verhandelen;”

17. Art. 3 van de Richtlijn van de Raad van 26 januari 1965 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake farmaceutische specialiteiten (65/65/EEG) luidt:

“Een farmaceutische specialiteit mag in een Lid-Staat slechts in de handel worden gebracht als daartoe van tevoren door de bevoegde overheidsinstantie van deze Lid-Staat een vergunning is afgegeven.”

18. Deze bepaling is vervolgens opgenomen in art. 6, eerste lid, van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28 november 2001, p. 67), dat luidt:

“Een geneesmiddel mag in een lidstaat slechts in de handel worden gebracht wanneer door de bevoegde autoriteit van die lidstaat een vergunning voor het in de handel brengen is afgegeven overeenkomstig deze richtlijn of een vergunning is afgegeven overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2309/93.”

en in de laatste geconsolideerde versie luidt het eerste lid, voor zover hier van belang:

“Een geneesmiddel mag in een lidstaat slechts in de handel worden gebracht wanneer door de bevoegde autoriteiten van die lidstaat een vergunning voor het in de handel brengen is afgegeven overeenkomstig deze richtlijn of wanneer een vergunning is afgegeven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 726/2004 in samenhang met Verordening (EG) nr. 1901/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende geneesmiddelen voor pediatrisch gebruik en Verordening (EG) nr. 1394/2007.”

19. Indien een vraag over de uitleg of geldigheid van unierecht wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie en de einduitspraak in deze zaak niet vatbaar is voor beroep, dan is deze instantie verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen, maar enkel indien zij een beslissing op dat punt noodzakelijk acht om tot haar uitspraak te komen. Indien een antwoord op de vraag inderdaad noodzakelijk is, dan kan toch van het stellen van een prejudiciële vraag worden afgezien in het geval van een “acte éclairé”, dat wil zeggen indien de betreffende uniebepaling al door het Hof van Justitie is uitgelegd of de juiste uitleg rechtstreeks uit zijn jurisprudentie kan worden afgeleid, c.q. een “acte clair”, dat wil zeggen indien de juiste toepassing van het unierecht zo evident is dat redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan over de juiste interpretatie. Voor een lagere nationale rechterlijke instantie is het stellen van prejudiciële vragen in principe een bevoegdheid, doch geen verplichting (een hier niet ter zake doende uitzondering daargelaten). 5

20. In (het in hoger beroep gevoerde verweer en in) het middel lijken twee kwesties door elkaar te worden gehaald. Het aangevoerde bestaan van een registratie van de onderhavige geneesmiddelen in een andere lidstaat en het bestaan van een Europese registratie maakt niet dat het verbod van art. 3, vierde lid, aanhef en onder a, WOG onverenigbaar is met het unierecht, maar hooguit dat niet kan worden bewezen dat sprake is van ongeregistreerde farmaceutische specialités en/of farmaceutische preparaten. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat het stellen van een prejudiciële vraag niet noodzakelijk is voor het doen van zijn uitspraak, komt mij dat oordeel gelet op het voorgaande dan ook niet onbegrijpelijk voor. Voor zover in het aangevoerde wel een vraag betreffende de uitleg van het unierecht moet worden gelezen, geldt dat sprake is van een acte clair, nu art. 3, vierde lid, aanhef en onder a, WOG duidelijk de nationale uitwerking van Europese regelgeving, in het bijzonder de hierboven aangehaalde richtlijnbepalingen, vormt.

21. Voor zover in het middel naast een klacht over de afwijzing van het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen nog een klacht over de bewezenverklaring moet worden gelezen, merk ik het volgende op.

22. Er zijn verschillende procedures voor het verkrijgen van een registratie (handelsvergunning) voor een geneesmiddel. Een nationale procedure, waarbij een vergunning in één lidstaat wordt verkregen alsmede een centrale Europese procedure, waarbij in één keer een vergunning wordt verkregen die geldt in de gehele Europese Unie. Indien een nationale registratie is verkregen dan kan door middel van een wederzijdse erkenningsprocedure ook een vergunning in andere lidstaten worden verkregen.6

23. De omstandigheid dat de in de bewezenverklaring genoemde geneesmiddelen een registratie zouden hebben in Griekenland en Spanje doet niet aan de bewezenverklaring af nu is gesteld noch gebleken dat ten aanzien van deze geneesmiddelen een wederzijdse erkenningsprocedure is gevolgd teneinde ook een registratie in Nederland te verkrijgen. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt ook dat de betreffende middelen geen registratie in Nederland hadden (bewijsmiddel 9).

24. De verdediging heeft zich in hoger beroep aangesloten bij het in de zaken van medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] gevoerde verweer. In die zaken is bij pleidooi van 9 januari 2012 voor de stelling dat sprake was van Europese registraties en nationale registraties in andere lidstaten verwezen naar de pleitnotitie van 12 februari 2010 en de daarbij gevoegde stukken. Voorts heeft de verdediging zich in die zaken in een schriftelijke conclusie uitgelaten over deze kwestie. De genoemde documenten behelzen echter enkel de stelling dat het gaat om in Spanje en Griekenland geregistreerde geneesmiddelen. Dat ook is aangevoerd dat er een Europese registratie bestaat, is in die documenten, anders dan in de zaken van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] op 9 januari 2012 en in de onderhavige zaak op 10 januari 2012 lijkt te worden gesuggereerd, niet terug te lezen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het hof niet expliciet aandacht heeft besteed aan die niet nader onderbouwde stelling. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof op basis van het hiervoor genoemde bewijsmiddel 9 geoordeeld dat van een Europese registratie geen sprake was, omdat het geneesmiddel anders in Nederland geregistreerd zou zijn. De centrale Europese procedure leidt immers tot een registratie in alle lidstaten van de Europese Unie.

25. Het middel faalt.

26. Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte in het midden heeft gelaten met welk doel de bewezenverklaarde invoer heeft plaatsgevonden.

27. Ter terechtzitting in hoger beroep van 10 januari 2012 is door de verdediging overeenkomstig overgelegde en in het dossier gevoegde pleitaantekeningen het volgende aangevoerd:

“Slotopmerkingen ten aanzien van de ten laste gelegde invoer en aflevering in de zin van art. 3 lid 4 van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening

In het vorenstaande is betoogd dat er geen bewijs is voor het aan cliënt ten laste gelegde. De volgende verweren van juridische aard zijn verder nog van belang, met het oog op de uitleg van het bepaalde in het tenlaste gelegde artikel 3 lid 4 Wet op de Geneesmiddelenvoorziening.

Artikel 21 lid 2 van het Besluit registratie geneesmiddelen geeft een uitzonderingsbepaling op de strafbaarheid zoals geregeld in art. 3 lid 4 WOG voor een aantal gevallen. Het Hof Den Bosch heeft bepaald dat een van die gevallen is het ten uitvoer in voorraad hebben en het uitvoeren van een niet in Nederland geregistreerde farmaceutische spécialités en/of farmaceutische preparaten (LJN BG 1430).

Verder wenst de verdediging in de zaak van [verdachte] aan te sluiten bij het in de zaken van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] gevoerde verweer dat art. 3 lid 4 WOG in casu in strijd is met artt. 28 en 30 van het EG-verdrag, nu het in de delictdossiers 4 t/m 7 gaat om zowel nationaal als Europees geregistreerde geregistreerde geneesmiddelen. (…)”

28. De bestreden uitspraak houdt voor zover hier van belang het volgende in:

“Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Nu naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de onder 2 ten laste gelegde stoffen zijn ingevoerd en op de hiervoor beschreven wijze aan het douaneverband zijn onttrokken, terwijl gefingeerd werd dat ze naar Suriname waren uitgevoerd, is het niet aannemelijk dat de producten, zoals door de verdediging aangevoerd, uitsluitend in het buitenland in de handel zijn gebracht. Die stelling is bovendien door de verdediging onvoldoende onderbouwd, zodat naar het oordeel van het hof de uitzondering op het verbod neergelegd in artikel 21 lid 2 van het Besluit registratie geneesmiddelen niet van toepassing is.”

29. Art. 21, tweede lid, Besluit registratie geneesmiddelen luidt:7

“Artikel 3, vierde lid, van de wet is voor wat betreft het bereiden en invoeren eveneens niet van toepassing ten aanzien van farmaceutische producten welke uitsluitend in het buitenland in de handel zullen worden gebracht.”8

30. Ik stel voorop dat het hof het aangevoerde kennelijk zo heeft begrepen, dat de verdediging zich ook wat betreft het beroep op art. 21, tweede lid, Besluit registratie geneesmiddelen heeft aangesloten bij het verweer in de zaken van medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3].

31. Onder “in de handel brengen van farmaceutische producten in het buitenland”, als bedoeld in dit artikel, moet worden verstaan het voor het eerst beschikbaar stellen van farmaceutische producten op de buitenlandse markt met het oog op distributie of gebruik ervan op die markt.9

32. In het middel wordt aangevoerd dat het hof niet heeft bewezenverklaard dat de producten in Nederland zijn verkocht, afgeleverd, verhandeld of ter aflevering in voorraad zijn gehad en dat het hof dus in het midden heeft gelaten welke bestemming de producten hebben gekregen, terwijl het hof daaromtrent wel enige vaststelling had moeten doen. Ik kan het middel in die opvatting, die zou betekenen dat invoer enkel in samenhang met een andere in art. 3, vierde lid, WOG genoemde handeling zou kunnen worden bewezen, niet volgen. Voldoende is dat het hof naar aanleiding van een daarover gevoerd verweer vaststelt dat de invoer in ieder geval niet tot doel had het in het buitenland in de handel brengen.

33. Het hof heeft op basis van de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld dat de bewezenverklaarde stoffen in Nederland zijn ingevoerd, terwijl verdachte en zijn mededaders het deden voorkomen alsof deze stoffen naar Suriname waren uitgevoerd. Het hof heeft de feitelijke grondslag van het in hoger beroep gevoerde verweer, te weten dat de stoffen daadwerkelijk naar Suriname zijn gegaan, dus niet aannemelijk geacht. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en tot nadere motivering was het hof gelet op het gevoerde verweer ook niet gehouden. Het hof heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat het doel van de invoer in Nederland van de bewezenverklaarde stoffen niet was om deze in het buitenland in de handel brengen. Anders was immers de constructie met de gefingeerde uitvoer naar Suriname niet nodig geweest.

34. Het middel faalt.

35. Het vierde middel klaagt over het gebruik tot het bewijs van de verklaringen van de getuige [betrokkene 3].

36. In de bijlage bewijsmiddelen heeft het hof in een nadere bewijsoverweging het volgende overwogen:

“Nadere bewijsoverweging

De medeverdachte [medeverdachte 2] heeft zijn - voor zichzelf, voor de verdachte en voor meerdere medeverdachten zeer belastende - verklaring van 31 juli 2003 - kennelijk na rijp beraad, gezien de toen ook door hem overhandigde schriftelijke verklaring - op eigen verzoek, in aanwezigheid van en ten kantore van zijn raadsman, afgelegd. In zijn nadien afgelegde verklaringen ten overstaan van FIOD-ECD is [medeverdachte 2] daar niet op teruggekomen. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan deze op 31 juli 2003 door [medeverdachte 2] afgelegde verklaring en acht deze verklaring betrouwbaar.

De - voor 27 december 2005 - door [betrokkene 3] afgelegde verklaringen bieden bevestiging voor de door [medeverdachte 2] geschetste gang van zaken met betrekking tot de invoer van anabole steroïden in Nederland, waar zij immers verklaart niets te weten van invoer in Suriname van deze anabole steroïden.

Bij schrijven van 27 december 2005 aan de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, gevolgd door haar verklaring op 13 januari 2006, is [betrokkene 3] op haar eerdere verklaringen teruggekomen.

De verdediging heeft verzocht beide personen als getuigen te horen, welke verzoeken door het hof zijn toegewezen. De getuige [betrokkene 3] is, ondanks de zeer vergaande en herhaalde inspanningen daartoe van het hof, op de bewuste dagen waarop zij gehoord zou worden, niet verschenen om ten overstaan van een Nederlandse rechter in Suriname een getuigenverklaring af te leggen en ontraceerbaar gebleken. De getuige [medeverdachte 2] heeft onder inroeping van zijn verschoningsrecht categorisch geweigerd als getuige een verklaring af te leggen.

De tapgesprekken, opgenomen in de bewijsmiddelen 30 tot en met 37, bieden bevestiging voor de voortdurende betrokkenheid van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] bij de NV i.o./eenmanszaak [B], op wier naam de anabole steroïden zijn besteld. Uit deze taps blijkt voorts dat zowel [medeverdachte 3] als [medeverdachte 4] zich zorgen maakten of er iets bij [verdachte] lag en dat er paniek uitbrak bij alle betrokkenen nadat na het telefoontje van 21 maart 2003 van [medeverdachte 2] bekend werd dat de douane een controle hield bij Surinam Air Cargo. Een rol van enige betekenis van [betrokkene 3] - anders dan het vervullen van formaliteiten - in het handelen (op naam) van [B] komt uit het dossier niet naar voren, afgezien van de door het hof (in zo verre) niet aannemelijk geachte verklaringen van de verdachte en/of zijn medeverdachten. In de tapgesprekken wordt zij niet genoemd, anders dan bij voorbeeld Ligeon, de directeur van Liam.

Het hof acht de voor het bewijs gebruikte verklaringen van [betrokkene 3] betrouwbaar.

Het hof is - kortom - van oordeel dat de voor het bewijs gebruikte verklaringen van [medeverdachte 2] en [betrokkene 3] betrouwbaar zijn, elkaar ondersteunen en voorts ondersteuning vinden in de tapgesprekken. Het hof is derhalve van oordeel dat het uit de verklaringen van, met name, [medeverdachte 2] voortvloeiende bewijs van verdachtes betrokkenheid bij het ten laste gelegde in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dat dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van de belastende verklaringen die de verdachte heeft betwist, zodat het hof daarom geen reden ziet voor uitsluiting van het bewijs van die verklaringen.”

37. Ik stel voorop dat het middel zich niet keert tegen het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van getuige en medeverdachte [medeverdachte 2]. In ’s hofs overwegingen ligt besloten dat de verklaringen van de getuige [betrokkene 3] voldoende steun vinden in de overige bewijsmiddelen – ook op de betwiste onderdelen. Dat oordeel is geenszins onbegrijpelijk in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen.

38. Het middel faalt.

39. Ik versta het – vrij algemeen geformuleerde – vijfde middel aldus dat het klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

40. Namens de verdachte is op 16 februari 2012 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 9 augustus 2013 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de hier geldende inzendtermijn van acht maanden met bijna tien maanden is overschreden. Wellicht mede daardoor zal de Hoge Raad niet binnen twee jaar na het instellen van het beroep uitspraak doen. Gelet op de opgelegde straf kan de Hoge Raad volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

41. Het vijfde middel is terecht voorgesteld maar behoeft niet tot cassatie te leiden. De overige middelen falen.

42. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

43. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 In hoger beroep heeft de verdediging zich aangesloten bij het in de zaken van medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] gevoerde verweer.

2 Inmiddels: art. 34 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

3 Inmiddels: art. 36 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

4 Tekst zoals geldend van 01-01-1994 tot 01-03-2006. De WOG heeft met ingang van 1 juli 2007 plaats gemaakt voor de Geneesmiddelenwet (zie art. 40 van die wet voor de huidige bepaling).

5 K. Lenaerts & P. van Nuffel, Europees recht, Antwerpen: Intersentia 2011, p. 644-646.

6 Zie o.m. de website van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (www.cbg-meb.nl), de website van het European Medicines Agency (www. ema.europa.eu), het Besluit registratie geneesmiddelen, artt. 1-19, Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28 november 2001, p. 67), Verordening (EEG) Nr. 2309/93 van de Raad van 22 juli 1993 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen voor en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling (PB L 214 van 24 augustus 1993, p. 1).

7 Tekst zoals geldend van 18 maart 1998 tot 1 juli 2007; inmiddels vervallen.

8 Onder wet wordt ingevolge art. 1, eerste lid, onder a, van het Besluit de WOG verstaan.

9 HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2627, NJ 2011/376.