Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1563

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-06-2014
Datum publicatie
30-09-2014
Zaaknummer
13/03274
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2783, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Slagende middelen over afwijzing getuigenverzoeken. De afwijzing van de verzoeken tot het horen van getuigen door het Hof ttz. in h.b. en in de bestreden uitspraak - bij welke beslissingen het Hof steeds de juiste maatstaf heeft toegepast - is, gelet op hetgeen aan die verzoeken ten grondslag is gelegd en de stadia waarin ze zijn gedaan, zonder nadere, doch ontbrekende motivering niet begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/03274

Zitting: 10 juni 2014

Mr. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Verdachte is bij arrest van 3 mei 2013 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, wegens “medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en een taakstraf van 240 uren.

  2. Mr. M.L. Plas, advocaat te Bunnik, heeft namens verdachte acht middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste en het tweede middel klagen over de afwijzing door het hof van getuigenverzoeken en lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Aangevoerd wordt dat deze beslissingen telkens onvoldoende zijn gemotiveerd, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk zijn.

  4. Voor een goed begrip van de gedane getuigenverzoeken, die betrekking hebben op de herkomst van de geldbedragen en goederen die zouden zijn witgewassen, en de daarop volgende beslissingen van het hof, worden hieronder de in de tenlastelegging vermelde geldbedragen en goederen weergegeven:

  • -

    (een) geldbedragen van (ongeveer) 62.929,20 EUR en/of 20.000,- EUR en/of 17.620,- EUR en/of 13.420,- EUR en/of negen althans een of meer bankbiljetten van 50,- EUR en/of

  • -

    een (personen)auto (merk Peugeot), type 307 SW HDl (kenteken [001]) en/of

  • -

    een (tour)caravan (merk Tabbert), type JE 585 (kenteken [002]) en/of

  • -

    een (pols)horloge (merk Audemars Piquet) en/of

  • -

    Bang & Olufsen apparatuur en/of

  • -

    een wit bankstel, althans meubilair en/of

  • -

    een tuin en/of loungeset.

5. In de tijdig ingediende appelschriftuur heeft de verdediging het hof onder meer verzocht zeventien getuigen te horen. Op de regiezitting van 1 februari 2013 heeft de raadsvrouw deze verzoeken, onder intrekking van verzoeken 4., 6., 9. en 17. en toevoeging van drie nieuwe verzoeken, als volgt toegelicht:

“1. [betrokkene 1]: [betrokkene 1] kan verklaren over de stortingen van bedragen op de bankrekeningen van cliënte. [betrokkene 1] kan verklaren over de legale herkomst van deze gelden. Bovendien kan [betrokkene 1] verklaren over de betaling door hem van de B&O apparatuur, het witte bankstel en het Audemars Piquet horloge en het feit dat cliënte niet op de hoogte was van de hoogte van het aanschafbedrag en/of de wijze van financiering door [betrokkene 1].

2. [betrokkene 2]: [betrokkene 2] kan verklaren over de contante betaling van spullen, huur ed van de [B], zoals ook door cliënte ter zitting bij de rechtbank is verklaard. Tevens kan hij verklaren over de grote stroom van contant geld in deze branche usance was aangezien hij een periode (2007 en 2008) de eigenaar van een growshop was.

3. [betrokkene 3]: [betrokkene 3] kan verklaren over de ver- en aankoop en contante betaling van de Harley Davidson met kenteken [004] en andere motorrijtuigen. [betrokkene 3] heeft niet naar waarheid verklaard over het aantal auto's dat hij verkocht heeft, nu hij een lagere omzet bij de Belastingdienst heeft opgegeven. Voorts kan [betrokkene 3] verklaren over de grote stroom van contante (legale) gelden binnen [A], nu hij een periode werkzaam is geweest bij [A].

5. [betrokkene 5]: [betrokkene 5] kan verklaren over het geven van een geldbedrag voor de vakantie van cliënte naar Frankrijk en geld heeft gestort op de rekening van cliënte.

7. [betrokkene 7]: de verkoop en terugkoop en de betaling van de motor aan cliënte en/of [betrokkene 1].

8. [betrokkene 8]: de verkoop en betaling van de motor met kenteken [003].

10. [betrokkene 10]: [betrokkene 10] kan verklaren over de verkoop van de motor aan [betrokkene 1].

11. [betrokkene 11]: [betrokkene 11] kan verklaren over de beschikking over de Harley Davidson met kenteken [004].

12. [betrokkene 12]: mbt de betaling en het bezit van de Harley Davidson met kenteken [004].

13. [betrokkene 13]: [betrokkene 13] kan, als medevennoot van [A], verklaren over de administratie/boekhouding van [A] en de wijze van betaling van de overname door [betrokkene 18]. Tevens kan [betrokkene 13] verklaren over de grote stroom van contante gelden binnen de growshop. Ten slotte kan [betrokkene 13] verklaren over de privé onttrekkingen uit [A]. Zowel hij als cliënte namen in 2005 en 2006 tegelijkertijd evenveel salaris contant uit de kas van [A]. Derhalve kan hij verklaren dat cliënte contante bedragen voorhanden had.

14. [betrokkene 14]: mbt de contante betaling van de Mercedes, met kenteken [005] aan [betrokkene 1].

15. [betrokkene 15]: mbt de verkoop van de woning aan cliënte en in welke staat de woning en de tuin verkeerde (aanleg nieuwe tuin).

16. [betrokkene 16]: mbt de bemiddeling van de verkoop van de motor met kenteken [006].

Voorts wenst de verdediging nog de navolgende personen als getuige te horen. De verdediging is van mening dat het noodzakelijk is deze getuigen te horen, nu zij kunnen verklaren over het tenlastegelegde en bewezenverklaarde witwassen van de Peugeot en de geldbedragen:

18. [betrokkene 19]: [betrokkene 19] kan de verklaring van cliënte bij de rechter-commissaris (als getuige in de zaak tegen [betrokkene 1]) met betrekking tot de gang van zaken over de ruil/betaling van de Peugeot 307 tegen de BMW type 7 serie bevestigen. [betrokkene 19] kan bevestigen dat hij nog een bedrag van € 2.000,- aan [betrokkene 1] diende te betalen.

19. [betrokkene 20]: Ook [betrokkene 20] kan eveneens de verklaring van cliënte met betrekking tot de gang van zaken over de ruil/betaling van de Peugeot 307 tegen de BMW type 7 serie bevestigen.

20. [betrokkene 21], werkzaam als boekhouder hij [C], financiële dienstverleners: [betrokkene 21] is in de periode van 2003 tot en met 2008 de boekhouder van cliënte en [A] geweest. [betrokkene 21] kan verklaren over de constante stroom van contante gelden binnen [A]. Bovendien kan [betrokkene 21] verklaren over de privé onttrekkingen door cliënte door contante bedragen uit kas op te nemen. [betrokkene 21] kan verklaren over de belastingaangiften van cliënte. Voorts kan [betrokkene 21] uitleg geven over de rapporten en jaaropgaven van 2005 en 2006 welke als bijlagen zijn gehecht aan de pleitnota die door de verdediging aan de Rechtbank zijn ingebracht.”

6. Het hof heeft deze verzoeken afgewezen en heeft daartoe blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 februari 2013 het volgende overwogen:

“- ten aanzien van de verzoeken tot het horen van de in de pleitnota onder de punten 1 tot en met 16 [genoemde getuigen] - met uitzondering van de verzoeken onder de nummers 4, 6 en 9 - is het belang van de verdediging bij het horen van de getuigen onvoldoende duidelijk gemaakt. De raadsvrouw heeft ook niet voldoende onderbouwd wat het verband is tussen [de] verzoeken en de tenlastegelegde feiten. De verzoeken worden afgewezen;

- de verzoeken tot het horen van de in de pleitnota onder punt 18, 19 en 20 genoemde getuigen worden afgewezen. Het hof acht het horen van deze getuigen niet noodzakelijk en door de raadsvrouw is onvoldoende onderbouwd wat de noodzaak zou kunnen zijn”.

7. Voor wat betreft de in de appelschriftuur gedane opgave van de getuigen 1 tot en met 16 (met uitzondering van de ingetrokken verzoeken onder de nummers 4, 6 en 9) acht ik het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk. Ten aanzien van deze verzoeken geldt art. 418, eerste lid, Sv op grond waarvan de beoordelingsmaatstaf van art. 288, eerste lid sub c, Sv dient te worden gehanteerd, namelijk of redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door de afwijzing van de getuigenverzoeken niet in haar verdediging wordt geschaad. De uitzonderingssituatie van art. 418, eerste lid, Sv, dat de oproeping kan worden geweigerd in het geval dat de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden én de verzochte getuigen al eerder bij de rechter-commissaris of ter terechtzitting in eerste aanleg zijn gehoord, doet zich hier niet voor.

8. Verzoeken waarvoor het verdedigingsbelang geldt, kunnen niet snel worden afgewezen. De maatstaf die de Hoge Raad heeft geformuleerd is dat toetsing aan het verdedigingsbelang slechts tot afwijzing kan leiden:

‘indien die punten [waaromtrent de getuige zou moeten worden ondervraagd; AG] in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn [de verdachte] strafzaak te nemen beslissing dan wel dat redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige [...] iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren’.1

Daarbij mag bovendien niet worden vooruitgelopen op wat de getuigen zouden kunnen verklaren, bijvoorbeeld omdat niet te verwachten is dat de verklaringen van de getuigen nog iets kunnen toevoegen aan hetgeen al bekend is.2

9. Uit de toelichting die de raadsvrouw op de regiezitting van 1 februari 2013 ten aanzien van het belang van het horen van deze getuigen heeft gegeven, blijkt dat de verdediging deze getuigen wilde horen omdat verdachte het haar ten laste gelegde betwist. De getuigen zouden allen kunnen verklaren over de gestelde legale herkomst van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen en goederen. Uit de door de raadsvrouw gegeven toelichting blijkt mijns inziens - in ieder geval ten aanzien van de onder 1, 2, 3, 5 en 13 genoemde getuigen - voldoende wat het verband is tussen de verzoeken en de ten laste gelegde feiten. De motivering van het hof, die niet meer inhoudt dan dat het belang van de verdediging bij het horen van deze getuigen onvoldoende duidelijk is gemaakt en dat het verband met de ten laste gelegde feiten het hof ontgaat, acht ik dan ook - met name met betrekking tot de onder 1, 2, 3, 5 en 13 genoemde getuigen - onbegrijpelijk. Voorts blijkt uit de overweging van het hof niet dat het aan het juiste criterium heeft getoetst, namelijk of redelijkerwijs valt aan te nemen dat door het afzien van de oproeping van de getuigen de verdachte niet in haar verdediging wordt geschaad.3

10. Het eerste middel is gegrond.

11. Bij haar tijdens de terechtzitting in hoger beroep van 19 april 2013 gehouden pleidooi heeft de raadsvrouw – wederom – aangevoerd dat indien het hof verdachte niet zou vrijspreken van het ten laste gelegde, de verdediging de reeds bij appelschriftuur opgegeven personen [betrokkene 21], [betrokkene 13], [betrokkene 2], [betrokkene 18], [betrokkene 1], [betrokkene 3], [betrokkene 14], [betrokkene 7], [betrokkene 8], [betrokkene 19] en [betrokkene 20] als getuigen wenst te horen.

12. Het hof heeft ten laste van verdachte bewezen verklaard dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen en heeft de getuigenverzoeken afgewezen met de volgende overweging:

“De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep terzake diverse elementen en bestanddelen van de tenlastelegging, een groot aantal (voorwaardelijke) verzoeken gedaan tot het horen van getuige[n], met betrekking tot welke getuigen het hof reeds eerder heeft beslist.

Het hof wijst al deze verzoeken af, nu het -op al die onderdelen- geen noodzaak ziet tot het horen van deze getuigen.”

13. Noch uit de pleitnotities van de raadsvrouw noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof blijkt dat de verdediging het verzoek met betrekking tot het horen van de getuigen die in de appelschriftuur zijn opgegeven niet heeft gehandhaafd. Dat het verzoek voorwaardelijk is gedaan als het hof niet tot integrale vrijspraak van het ten laste gelegde zou komen, dient mijns inziens te worden geplaatst in de context van een vlotte afdoening van de zaak. Daaraan zou niet de consequentie mogen worden verbonden dat dan getoetst kan worden aan het strengere noodzaakcriterium. Wat dat betreft verschilt deze zaak van die waarin de Hoge Raad op 8 april 2014 heeft bepaald, dat als het bij appelschriftuur gedane verzoek om getuigen te horen ter zitting niet is gehandhaafd een dergelijk voorwaardelijk verzoek op grond van art. 315 Sv getoetst moet worden aan de noodzaak van het verzochte.4 Nu geen sprake is van een nieuwe opgave van getuigen ben ik van mening dat het hof ook wat dit verzoek betreft ten onrechte het noodzakelijkheidscriterium heeft toegepast.

14. Wat betreft de drie ter terechtzitting van 1 februari 2013 gedane aanvullende getuigenverzoeken heeft het hof gelet op art. 315 Sv wel de juiste maatstaf toegepast namelijk of de noodzaak van de getuigenverhoren is gebleken.5

15. Al met al kom ik tot de conclusie dat de eerste twee middelen slagen en de andere middelen geen bespreking behoeven. Indien de Hoge Raad hierover anders oordeelt, dan ben ik uiteraard bereid aanvullend te concluderen.

16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 1 december 1992, NJ 1993, 631, en HR 7 oktober 1997, NJ 1998, 153, zie ook C.P.J. Scheele, Het beoordelen van getuigenverzoeken; een leidraad voor de praktijk, Strafblad 2011, p.62-72.

2 HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7058, rov. 3.3; HR 25 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9018, rov. 2.4.; HR 3 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0638, zie met name de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter bij dit arrest waaruit onder punt 6 blijkt dat het ging over het horen van een tweetal getuigen die zouden kunnen verklaren over de (legale) herkomst van een inbeslaggenomen geldbedrag.

3 Zie bijvoorbeeld HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3211, rov. 2.4.

4 HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:857, rov. 3.5. waarin staat: ‘Het (onder 3.3 weergegeven) proces-verbaal van de terechtzitting van 27 maart 2012 houdt als mededeling van de raadsman van de verdachte in dat het bij appelschriftuur gedane verzoek niet wordt gehandhaafd. Dat brengt mee dat het nadien bij pleidooi voorwaardelijk gedane verzoek om de genoemde personen als getuigen te horen moet worden aangemerkt als een op de voet van art. 328 Sv gedaan nieuw verzoek dat op grond van art. 315 Sv is onderworpen aan de maatstaf van de noodzaak. Het Hof heeft bij de afwijzing van dat verzoek dus de juiste maatstaf aangelegd. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.’

5 Vgl. HR 4 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3678, rov. 3.5.1.