Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1542

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-06-2014
Datum publicatie
23-09-2014
Zaaknummer
12/05887
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2764, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring. Het als bewijs bezigen van een beroep op het zwijgrecht is niet toelaatbaar. De HR herhaalt de toepasselijke rechtsregel uit ECLI:NL:HR:1997:ZD0733. I.c. heeft het Hof de weigering van verdachte te verklaren over de in de bewezenverklaring vermelde auto als bewijsmiddel gebezigd. Dat is in strijd met voornoemde rechtsregel. In zoverre is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed. Dat het Hof de juistheid van een nadien door verdachte afgelegde verklaring over de in de bewezenverklaring vermelde auto niet aannemelijk heeft geacht leidt niet tot een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/05887

Zitting: 10 juni 2014 (bij vervroeging)

Mr. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Verdachte is bij arrest van 7 december 2012 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en 2. “witwassen” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren. Tevens heeft het hof een onder verdachte in beslag genomen auto verbeurd verklaard.

  2. Mr. G. Meijers, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het tweede middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, klaagt dat het hof in strijd met de onschuldpresumptie van art. 6, tweede lid, EVRM een proces-verbaal van verhoor van verdachte, inhoudende dat verdachte geen antwoord wilde geven op de vraag hoe hij aan de onder hem in beslag genomen Audi was gekomen, voor het bewijs heeft gebruikt.

  4. De aanvulling op het verkort arrest bevat als bewijsmiddel 8 een proces-verbaal van verhoor van verdachte met de volgende door het hof redengevend geachte inhoud:

“Vraag: we hebben je auto – een Audi kenteken [AA-00-AA] – in beslag genomen. Hoe kom je aan dit waardevolle goed?

Antwoord: Ik wil daar geen antwoord op geven.”

5. Volgens vaste rechtspraak kan de omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf, mede gelet op art. 29, eerste lid, Sv, niet tot het bewijs bijdragen.1

6. Het hof heeft in strijd met deze regel de weigering van verdachte om te antwoorden op de vraag hoe hij aan de onder hem in beslag genomen Audi was gekomen als bewijsmiddel gebezigd. Dat betekent dat de bewezenverklaring van feit 2 onvoldoende met redenen is omkleed.

7. Omdat het tweede middel slaagt en reeds om die reden vernietiging van het bestreden arrest moet volgen, behoeft het eerste middel, dat klaagt dat het hof een eveneens op feit 2 betrekking hebbend getuigenverzoek van de verdediging ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen, geen bespreking meer. Mocht de Hoge Raad hierover anders oordelen, dan ben ik uiteraard gaarne bereid aanvullend te concluderen.

8. Ambtshalve heb ik geen andere grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de beslissingen over feit 2 en de strafoplegging betreft en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam om deze in zoverre opnieuw te berechten.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie HR 19 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC9312, NJ 1999, 139, rov. 5.2; HR 15 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9639, NJ 2004, 464, rov. 4.2; HR 5 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7372, NJ 2012, 369, rov. 3.4.