Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1532

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-05-2014
Datum publicatie
07-10-2014
Zaaknummer
13/03193
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2917, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Ontbreken aanvulling met bewijsmiddelen. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2013:BV9087. Er moet worden aangenomen dat de aanvulling met de bewijsmiddelen in het ongerede is geraakt en niet meer beschikbaar zal komen. Nochtans behoeft dit niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak te leiden nu in de door het Hof bevestigde uitspraak van de Politierechter in voldoende mate de wettige bewijsmiddelen zijn vermeld waaraan de schatting van het w.v.v. is ontleend en genoegzaam de inhoud daarvan is weergegeven, v.zv. bevattende de voor die schatting redengevende f&o, mede gelet op hetgeen door de raadsvrouwe in h.b. omtrent de schatting van het op geld waardeerbare w.v.v. is aangevoerd en ’s Hofs motivering van zijn beslissingen dienaangaande.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/03193 P

Zitting: 20 mei 2014

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[betrokkene]

1. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 21 mei 2013 onder aanvulling van gronden het vonnis bevestigd van de Rechtbank Dordrecht van 5 januari 2012, waarbij de betrokkene de verplichting is opgelegd tot betaling van € 1.560,00 aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

2. Namens verzoeker heeft mr. J.S. Nan, advocaat te Dordrecht, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het Hof heeft nagelaten de inhoud van de bewijsmiddelen weer te geven waaraan het de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ontleend.

4. Alvorens het middel te bespreken, stel ik het volgende voorop. Krachtens art. 511f Sv kan de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Ingevolge art. 511e, eerste lid, Sv (in eerste aanleg) en art. 511g, tweede lid, Sv (in hoger beroep) is op de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel art. 359, derde lid, Sv van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat die uitspraak de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden.1

5. Het, door het Hof bevestigde, vonnis van de Rechtbank houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“ 4. Wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het onder voormeld parketnummer aangelegde ontnemingsdossier alsmede op grond van het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk is geworden dat veroordeelde door middel van of uit de baten van een van de feiten waarvoor hij is veroordeeld, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

De rechtbank ontleent de schatting van dit voordeel aan de inhoud van de bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van de beslissing met de bewijsmiddelen vereist in een aan deze beslissing gehechte bijlage worden opgenomen.”

6. Een raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, moet - voordat hij in een middel over die onvolledigheid wenst te klagen - ingevolge art IV, derde lid, van het Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad 2013 (Stcrt. 36474) binnen de in art. 437, tweede lid, Sv, genoemde termijn schriftelijk een verzoek om aanvulling indienen bij de rolraadsheer.

7. Op 3 september 2013 heeft mr. Nan zich per faxbericht gewend tot de rolraadsheer van de Hoge Raad der Nederlanden met het verzoek om aanvulling van de processtukken, omdat hij de voormelde aanvulling van de bewijsmiddelen, waaraan de Rechtbank de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ontleend, niet heeft aangetroffen in het procesdossier. Hierop is namens de griffier van de Hoge Raad het Hof verzocht dit stuk aan de Hoge Raad te doen toekomen. Blijkens het schrijven van de senior gerechtssecretaris van het Hof d.d. 18 september 2013 is de verzochte bijlage als bedoeld in het vonnis van de Rechtbank in het ongerede geraakt.

8. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden uitspraak niet aan het hierboven onder 4 genoemde vereiste voldoet en in zoverre ontoereikend is gemotiveerd.

9. Het middel slaagt.

10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof, opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie onder meer HR 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8125, NJ 2006/165, HR 28 augustus 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5629, NJ 2008/96, HR 14 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BU4206, HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, NJ 2013/544 en HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:895.