Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1519

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-07-2014
Datum publicatie
26-08-2014
Zaaknummer
14/00045
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2480, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:HR:2014:1442. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 14/00045

Zitting: 1 juli 2014 (bij vervroeging)

Mr. T.N.B.M. Spronken

Nadere conclusie inzake:

[de opgeëiste persoon]

1. Op 13 mei 2014 heb ik een conclusie genomen in deze zaak waarin ik concludeerde tot vernietiging van het bestreden arrest omdat naar mijn oordeel het vierde voorgestelde middel doel trof. Op 14 juni 2014 heeft de Hoge Raad echter beslist dat dit middel faalt en is de zaak naar de rolzitting verwezen zodat ik mij kan uitlaten over de eerder niet besproken middelen. Het gaat om het derde en vijfde middel.

1. Het derde middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte dubbele strafbaarheid heeft aangenomen met betrekking tot de feiten die zijn opgenomen in het vonnis van de Achtste Meervoudige kamer in zware strafzaken te Izmir van 12 november 2009, door aan te nemen dat de feiten naar Nederlands recht kunnen worden gekwalificeerd als opzettelijk vervoeren of vervaardigen van heroïne.

2. De rechtbank heeft in dit verband het volgende overwogen:

‘De feiten waarop de onder 2 genoemde stukken betrekking hebben zijn volgens de Nederlandse wetsbepalingen eveneens strafbaar gesteld met een vrijheidsstraf van meer dan een jaar.

Naar Nederlands recht leveren deze feiten op:

- het de bij artikel 2 onder B of D jo artikel 10 van de Opiumwet jo artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B of D van de Opiumwet gegeven verbod’.

3. Het vonnis van de Achtste Meervoudige kamer in zware strafzaken te Izmir van 12 november 2009, dat wordt aangehaald in de onder 2 genoemde stukken waarnaar de rechtbank verwijst bevat de volgende bewijsoverwegingen voor zover relevant voor de betrokkenheid van [de opgeëiste persoon] bij het heroïnetransport :

‘Er is een openbare rechtszaak aangespannen tegen de verdachten, die ten laste wordt gelegd dat zij in vereniging hebben gehandeld in heroïne. Bij beoordeling van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen in samenhang met in het bijzonder de verklaringen die [betrokkene 1] ten overstaan van de rechter en de rechtbank heeft afgelegd en die in overeenstemming zijn met de toedracht van de gebeurtenissen, is uit de afgeluisterde telefoongesprekken, de aanwezigheid van de in beslag genomen verdovende middelen, de bekennende verklaringen van [betrokkene 1] en de volledige inhoud van het dossier vastgesteld, dat veiligheidskrachten inlichtingen hadden verkregen ten aanzien van het feit dat verdachte [betrokkene 2] heroïne naar het buitenland zou sturen; dat daarop de telefoons van [betrokkene 2] en de overige verdachten bij gerechtelijk besluit zijn afgeluisterd; dat uit deze telefoongesprekken is vastgesteld dat verdachte [betrokkene 1] verdovende middelen zou gaan vervoeren; dat verdachte [betrokkene 3] aan verdachte [betrokkene 1] heeft voorgesteld om mensen te smokkelen, vanwege het feit dat hij als vrachtwagenchauffeur werkzaam is; dat [betrokkene 1] dat voorstel heeft aanvaard omdat zijn financiële situatie slecht is; dat [betrokkene 3] echter heeft gezegd dat hij de mensensmokkel niet zou kunnen verwezenlijken en heeft voorgesteld om in plaats daarvan verdovende middelen naar het buitenland te vervoeren; dat [betrokkene 1] dat voorstel eerder niet had aanvaard; dat hij later echter, omdat werd aangedrongen en hij geld nodig had, het aan hem gedane voorstel om verdovende middelen naar het buitenland te smokkelen, heeft aanvaard; dat [betrokkene 3] daarop een ontmoeting heeft bewerkstelligd tussen de persoon genaamd [betrokkene 2] en [betrokkene 1], en dat zij gezamenlijk een plan hebben gemaakt; dat [betrokkene 1] met de vrachtwagen van de firma waar hij werkt en waarin zich goederen bevonden, vanuit Istanboel naar Izmir op weg is gegaan; dat de overige verdachten [betrokkene 3], [betrokkene 4], [de opgeëiste persoon], [betrokkene 2] en een Russische vrouw die zich in hun gezelschap bevond, [betrokkene 1] in twee auto's zijn gevolgd; dat zij elkaar bij een benzinestation tussen Balikesir en Akhisar ontmoet; dat [betrokkene 3] en [betrokkene 4] [betrokkene 1] vier tassen met daarin verdovende middelen hebben gegeven; dat [betrokkene 1] deze heeft aangenomen; dat [betrokkene 3] en [betrokkene 1] later met de vrachtwagen op weg zijn gegaan naar Izmir; dat de overige verdachten met de voertuigen waarmee zij waren gekomen, naar Istanboel zijn teruggekeerd;

[…]

dat, toen [betrokkene 1] de vrachtwagen op de parkeerplaats achterliet, hij de sleutel van het voertuig aan verdachte [betrokkene 5] heeft gegeven; dat [betrokkene 5] de sleutel aan [betrokkene 6] heeft gegeven; dat [betrokkene 6] deze sleutel aan [betrokkene 7] heeft gegeven en dat op deze wijze de vrachtwagen van de parkeerplaats naar de boot is vervoerd; dat derhalve ook [betrokkene 6] en [betrokkene 5] geen betrokkenheid bij het incident hebben; dat bij de met detectors, honden en met het oog uitgevoerde doorzoeking van het voertuig, is vastgesteld dat er zich aan de textielfirma [A] toebehorende dozen textiel bevonden; dat er is gecontroleerd of er een probleem was met de verpakkingen, die stuk voor stuk zijn geleegd; dat, nadat de eerste twee rijen waren geleegd, de bovenste dozen op de derde rij zijn gescheurd, doordat er aan getrokken werd teneinde die te leggen; dat er werd opgemerkt dat er een stof viel in de vorm van een mal, verpakt in zwart carbonpapier; dat de doorzoeking daarop is voorgezet; dat, toen van buiten gekeken werd, in een doos die in het geheel niet anders was dan de andere dozen, heroïne werd aangetroffen waarvan bij een later uitgevoerde telling is vastgesteld dat het om 181 delen ging; dat de verdachten [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 1], [betrokkene 4] en [de opgeëiste persoon] op deze wijze, door gezamenlijk te handelen, in verdovende middelen hebben gehandeld. In het licht van de aanwezige bewijsmiddelen is geen waarde gehecht aan de ontkennende verweren van deze verdachten.’

4. Gelet op deze, door de Achtste Meervoudige kamer in zware strafzaken te Izmir vastgestelde feiten getuigt het oordeel van de rechtbank, dat de feiten naar Nederlands recht strafbaar zijn gesteld bij art. 2 onder B of D in verband met art. 10, vierde lid, Opiumwet, niet van een onjuiste rechtsopvatting.1 De rechtbank heeft de vaststelling in het vonnis van 12 november 2009 dat de beschuldigden, waaronder [de opgeëiste persoon], ‘door gezamenlijk te handelen, in verdovende middelen hebben gehandeld’ , kennelijk verstaan – en ook mogen verstaan – als handelingen die het opzet van [de opgeëiste persoon] impliceren.2

5. Voor zover wordt geklaagd dat de rechtbank niet had mogen volstaan met een verwijzing naar art. 10 Opiumwet, maar uitdrukkelijk had moeten verwijzen naar art. 10, vierde lid, Opiumwet, wordt miskend dat de rechtbank heeft overwogen dat sprake is van ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikelen 2 onder B of D van de Opiumwet gegeven verbod’, terwijl alleen art. 10, vierde lid, Opiumwet betrekking heeft op het opzettelijk handelen in strijd met de in art. 2 onder B en D Opiumwet gegeven verboden, zodat alleen art. 10, vierde lid, Opiumwet kan zijn bedoeld.

6. Voor zover nog wordt geklaagd ‘dat er geen deugdelijke opname van bewijsmiddelen in het vonnis is’, faalt het nu de verzoekende Staat op basis van het toepasselijke uitleveringsverdrag niet gehouden is de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht met bewijsmiddelen te staven.3

7. Het middel faalt in alle onderdelen.

8. Het vijfde middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf voor de duur van 450 dagen welke de vervangende hechtenis vormt voor een opgelegde geldboete.

9. Het uitleveringsverzoek van 4 oktober 2013 vermeldt met betrekking tot de opgelegde strafsoort en strafmaat het volgende:

‘TWAALF JAAR EN ZES MAANDEN GEVANGENISSTRAF en 450 DAGEN gevangenisstraf, zijnde het equivalent van een GERECHTELIJKE GELDBOETE VAN TRY 9.000,00’.

10. Het vonnis van de Achtste Meervoudige kamer in zware strafzaken te Izmir van 12 november 2009 houdt met betrekking tot de opgelegde strafsoort en strafmaat het volgende in:

‘TOT HET BESTRAFFEN VAN DE VERDACHTEN [betrokkene 3], [betrokkene 1], [betrokkene 4] EN [de opgeëiste persoon] MET EEN GEVANGENISSTRAF VAN ELK TWAALF JAAR EN ZES MAANDEN EN EEN GERECHTELIJKE GELDBOETE VAN ELK TRY 9000, ZIJNDE HET EQUIVALENT VAN 450 DAGEN TEGEN EEN DAGTARIEF VAN TRY 20, door de aan de verdachten opgelegde straf krachtens artikel 62 van het Turks Wetboek van Strafrecht met één zesde te verlagen, in ogenschouw nemende het verleden van de daders, hun sociale contacten, hun gedrag tijdens het berechtingsproces na de handeling, alsmede de mogelijke effecten van de straf op de toekomst van de daders’

11. Aan de onderhavige uitleveringsverzoeken is mede ten grondslag is gelegd het Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering. Voor de Staten die bij dit Protocol partij zijn, waaronder Nederland en Turkije, is aan art. 2, tweede lid, EUV toegevoegd dat – kort gezegd – accessoire uitlevering ‘also apply to offences which are subject only to pecuniary sanctions’.4 Dit brengt mee dat een verzochte uitlevering ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf ter vervanging van een opgelegde geldboete toelaatbaar is,5 overigens mits de eveneens verzochte uitlevering ten aanzien van andere feiten voldoet aan de eis die ingevolge art. 2, eerste lid, EUV wordt gesteld aan de duur van de opgelegde straf te weten dat de opgelegde straf of maatregel tenminste de duur van vier maanden moet hebben.6 Aan die eis is voldaan.

12. De arresten waarop in de toelichting op het middel een beroep wordt gedaan, hebben betrekking op zaken waarin dit Protocol niet van toepassing was.7

13. Het middel faalt.

14. Het derde en vijfde middel falen en kunnen met een aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.

15. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 11 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8803.

2 HR 7 februari 1978, NJ 1978/662 ‘dat dit miskent, dat de Rb. de in het 'Haftbefehl' voorkomende woorden “bot ... zum Kaufe an” kennelijk heeft verstaan – en ook kon verstaan – als een het opzet van de opgeëiste persoon implicerende handeling’. A.H.J. Swart m.m.v. K. Helder, Nederlands uitleveringsrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink: Gouda Quint 1986, p. 143 nr. 124 ‘Deze concrete toetsing leidt […] regelmatig tot een soepele en welwillende lezing van het overzicht van de feiten.’ Zie ook V.H. Glerum, Handboek strafzaken, 91.6.1., bijgewerkt tot 18 augustus 2010, waarin hij schrijft dat voor het bestaan van dubbele strafbaarstelling niet vereist is dat de desbetreffende delictsomschrijvingen van beide staten elkaar precies dekken en dat de uitleveringsrechter zich moet afvragen of de in de uiteenzetting der feiten omschreven gedraging naar het recht van de verzoekende staat en mutatis mutandis naar het recht van de aangezochte staat een strafbaar feit oplevert. De kwalificaties behoeven daarbij niet met elkaar overeen te komen of elkaars tegenhanger te zijn, zolang de beide delictsomschrijvingen maar in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermen.

3 Swart a.w. 1986, p. 403 nr. 360; J. Remmelink, Uitlevering, Arnhem: Gouda Quint 1990, p. 139-141.

4 Art. 1 Straatsburg 17 maart 1978, Trb. 1979, 120, p. 2 voegt aan art. 2 lid 2 EUV toe: ‘This right shall also apply to offences which are subject only to pecuniary sanctions.’ In werking getreden op 5 juni 1983, ook voor Nederland; voor Turkije op 18 oktober 1992, Trb. 2012, 115. Zie noot 6.

5 HR 12 oktober 1999, nr. 111.267 (niet gepubliceerd) ‘3.6. Art. 2, tweede lid, EUV in verbinding met art. 1 van het Tweede aanvullende protocol bij het EUV en met art. II van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de aanvulling en het vergemakkelijken van de toepassing van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 (Trb 1979, 142) brengt mee dat een verzochte uitlevering ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf ter vervanging van een opgelegde geldboete, welke vervangende vrijheidsstraf korter is dan 4 maanden, toelaatbaar is als de eveneens verzochte uitlevering ten aanzien van andere feiten voldoet aan de eisen die ingevolge art. 2, eerste lid, EUV zijn gesteld aan de duur van de bedreigde straf en – indien van toepassing – opgelegde straf. In aanmerking genomen dat de Arrondissementsrechtbank te Middelburg bij – in zoverre – onherroepelijke uitspraak van 28 juli 1998 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Bondsrepubliek Duitsland toelaatbaar heeft verklaard ter strafvervolging voor feiten welke naar Nederlands recht worden bedreigd met gevangenisstraffen van ten hoogste 4 en 9 jaar, is de uitlevering ter tenuitvoerlegging van de vervangende vrijheidsstraf van 69 dagen toelaatbaar.’

6 Art. 2 lid 2 EUV, Trb. 1965, 9, p. ‘If the request for extradition includes several separate offences each of which is punishable under the laws of the requesting Party and the requested Party by deprivation of liberty or under a detention order, but of which some do not fulfill the condition with regard to the amount of punishment which may be awarded, the requested Party shall also have the right to grant extradition for the latter offences.’ Zoals in noot 4 is aangegeven, heeft art. 1 TAPEUV hieraan de volgende zin toegevoegd: ‘This right shall also apply to offences which are subject only to pecuniary sanctions.’

7 HR 4 mei 1971, NJ 1972, 225 m.nt. A.L. Melai, HR 22 juli 1993, NJ 1993/766.